Lief klein konijntje

Er bestaat een animatiefilm, misschien ken je ‘m wel, die in precies een uur de verdeling van de financiele rijkdom (godzijdank geen pleonasme) over de wereldbevolking weergeeft. Dat gaat als volgt: de hoeveelheid geld die iemand bezit is liniair vertaald in lengte en in de film worden vervolgens als eerste de allerarmsten getoond, en daarna de steeds welgestelderen, met de allerrijksten als sluitstuk. Dit alles geijkt op een uitgangspunt waarbij het gemiddelde inkomen overeenkomt met de gemiddelde lengte van de mens.

Wat dat oplevert? Well, de eerste 55 minuten zie je helemaal niets. Vanaf de 56e minuut kun je, als je heel goeie ogen hebt, een soort van minimiertjes beginnen te ontwaren. En dat worden in de 57e minuut volwassen miertjes, die in de 58e minuut uitgroeien tot mensen van smurfachtig formaat (nog altijd kleiner dan appels). De 59e minuut is voor liliputters en Pygmeeen. Pas in de laatste minuut beginnen zich mensen van normale proporties af te tekenen. Waarbij in de slotseconde plotseling personen voorbij denderen van vele Eifeltorens hoog.

Ik zag de film toen ik 12 jaar oud was. En precies vanaf toen ben ik communist geworden. Vonden mijn ouders niet leuk. Dat ik een CPN-poster op het raam van mijn slaapkamer plakte. "De buren.." Enzo.
Maar dat kon me niks schelen. Als ik op verjaardagen bij mijn communistische oom en tante in Alkmaar kwam, las ik uitgebreid in ‘De Waarheid’, het Nederlandse equivalent van de Pravda, en zat terug in Tiel met smart te wachten tot de Russen zouden komen.
Ik was een groot fan van Brezjnev. Hij zei weinig, toonde nul emoties. Wat ik destijds erg pienter vond. Ik vatte ‘m. Ik snapte dat hij zo weinig mogelijk informatie wilde prijsgeven aan de verderfelijke Westerse imperialisten.

Sommigen van jullie zullen nu denken: ach Pluk, trek het je niet aan. Je was twaalf. ‘Noem het gewoon een jeugdzonde, en we praten nergens meer over.’
Anderen zullen, al even vergoeilijkend, willen reageren met een beroemd citaat: "Ach Pluk, je weet wat Churchill ooit heeft gezegd: ‘Als je twintig wordt en je bent niet links, dan heb je geen hart. Als je dertig wordt, en je bent nog steeds links, dan heb je geen hersens.’
"We hebben het goed toch? En daar werken we hard genoeg voor. Daarbij, zou jij je drie vakanties per jaar willen missen, of je eigen koophuissie? Of je auto, haha! Sorry, was effe een geintje. Effe een gebbetje. Maar nu serieus: Nog een pils, kerel!? Hahaha!"

Het probleem is: ik heb dus geen hersens. Want ik ben het diep in mijn hart nog steeds: communist. Vooral als ik veel drink.
En ja. Dan geloof ik dat ik dat allemaal best zou kunnen missen. In ruil voor een normale wereld. Een wereld waarin iedereen evenveel geld heeft.

Zie je het aureooltje boven m’n kop?

Dat is er niet. Want ik kan dat makkelijk zeggen; zoveel zou ik er immers niet op achteruit gaan, ondanks dat ik zolangzamerhand in die laatste minuut van de film rondloop.
Vat je ‘m? Ik als welgestelde Nederlandse burger, behorend tot de rijkste 1% op aarde, beschik over nauwelijks meer dan het gemiddelde vermogen van een wereldbevolker.

Als ik serieus dronken raak snap ik echt niet dat er nog steeds geen revolutie gaande is.
Misschien is het omdat die Russen ook te veel zuipen om zich er al te druk over te maken. Grote woorden, mooie boeken, maar je kan nu eenmaal niet continu tsjaren over de kling blijven jagen. Eentje is wel genoeg. Over honderd jaar zien we weer eens verder.

Waarom zeg ik dit allemaal? Geen flauw idee. Ik wilde eigenlijk een stukje schrijven over een lief klein konijntje.
Het lieve kleine konijntje dat samen met zijn soortgenoten in het wild rondliep op de camping van Mataro playa.
L. en ik, we vonden ‘m schattig. Zo schattig zelfs, dat ik me bij de campingwinkel vervoegde en een losse wortel afrekende. Hij kostte na weging om precies te zijn 3 eurocent. De cassiere keek me misprijzend aan. Alsof ik een homo was ofzo. Dus pakte ik er op het allerlaatst nog een sixpack San Miguelbier bij. Om misverstanden te voorkomen.

Terug bij de tent sneed ik de wortel in plakjes (ik vertelde L. de grap over de homo die bij de slager een leverworst koopt, en dat de slager vraagt: "gesneden?", en dat de homo dan zegt: "Natuurlijk niet! Mijn reet is geen sjoelbak!", waar ik zelf erg hard om moest lachen), en drappeerde de schijfjes in een rechte lijn van het knolrapenveld waar het lieve kleine konijntje zich op dat moment ophield, naar onze tent.
Fototoestel in de aanslag, pils op tafel, vol pakje Marlboro ernaast, ik had alle tijd.

En daar kwam ie. Guitig snuffelend aan het eerste, maar verste wortelplakje. Toch: de oorspronkelijke investering had ik nu al terug verdiend.
"Hij is er!" fluisterriep ik naar L.
"Echt waar!?"
"Echt waar!"
L. kwam naast me zitten.

We hadden een goeie tijd.

Het konijntje vrat zich via het spoor van peentjesgehakt een weg naar ons kampeertafeltje. Het werd tijd om het fototoestel uit het hoesje te halen.
Juist op dat moment kwam er een Hummer de camping opgereden. Een zwarte SUV, die met veel gegrom en dramatisch geschakel inparkeerde op een leeg grasveld, niet ver van onze tent vandaan.
Het lieve kleine konijntje spitste de oren. Maar de wortel smaakte goed, en hij zette zijn maaltje voort.
Uit de auto kwamen twee zwaargebruinde vrouwen tevoorschijn, stevig bezonnebrild en nog heftiger behoed. Ze lieten drie blonde kleutertjes vrij. Nederlandse kleutertjes, zo maakte ik op uit het kenteken.
Iets verderop lag in de schaduw van de omheinende campingheg een ander konijntje half te pitten.
"Daar ligt er een!" riep een blond kleutertje, een vierjarig jochie, "daar ligt zo’n kutkonijn!"
Zijn oudere broer van 6 en zijn jongere zusje van 3 renden erop af.
Het halfslapende konijntje schrok wakker en hopte zich de pleuris, de heg door, het knollenland in.
"Vies kutkonijn!" joelden de drie kleutertjes, "vies goor kutkonijn, hahaha!"
De twee vrouwen laadden de parasols uit de achterbak, en de koelbox.

Ons lieve kleine konijntje spitste andermaal de oren. Maar ja, een wortel vind je niet elke dag. Dus hij kwam nog een metertje dichterbij voor het volgende plakje.
Ik stond echt op het punt om een foto te maken. L. maakte zich op om ‘m een voorzichtig aaitje te geven.

"Daar!" schreeuwde het middelste kleutertje opnieuw, "daar zit nog zo’n kutkonijn!"
Hij wees naar de onze.
"No way dat ze ons konijn…", zei L., en ze stond op.
Maar het was al te laat. De kleutertjes renden achter ons konijn en probeerden ‘m onder te spugen. "Vies goor kutkonijn! Hahaha!"

L. en ik zeiden: "Zeg, laat dat konijntje eens met rust!"
Maar de kleutertjes trokken zich er niks van aan, negeerden ons volkomen, en joegen ‘m op, onder de heg door, de camping af.
Het konijntje keek onderweg nog even om naar ons, en toen had ik eigenlijk een foto moeten maken, maar ik was te verbouwereerd. Ik verkeerde in de veronderstelling dat kinderen konijntjes per definitie lief vonden, en zat verbijsterd in mijn stoel genageld.

Misschien heb ik een te romantisch beeld van kinderen, maar dat terzijde.

"Waarom kunnen jullie die konijntjes niet met rust laten?" vroeg ik aan de kleutertjes.
Ah!
Ze keken voor het eerst naar ons.
"Huh?" zei hun blik.
"Waarom kunnen jullie die konijntjes niet met rust laten?", herhaalde ik.

En toen gebeurde er iets wonderlijks. De middelste, het vierjarige kleutertje probeerde me vol in het gezicht te spuwen.
"Nou ja!" zei ik, en pakte de plantenspuit, die we normaal gebruiken om onze kleding enigszins kreukvrij te krijgen, en liep dreigend op het jochie af.
Dat het op zijn beurt spontaan op een keihard krijsen zette, en huilend richting de SUV van zijn moeder rende.

Twee minute
n later kwam de PC-Hooft-mevrouw met haar na-snikkende jochie aan de hand, om uitleg vragen.

Volgens haar zoontje had ik ‘m bedreigd met ‘sop’.
"Het was gewoon water", vertelden wij.
"Maar waarom?" vroeg de moeder.
"Hij zat gemeen te zijn tegen de konijntjes, en dat vonden we niet okay", zeiden we. Of iets in die trant.
"Dan heb je het verdiend", zei de moeder tegen haar zoontje.

Dus die was wel in orde. Die PC-Hooft-mevrouw.

Maar een sympathieke revolutie, zo’n solidaire, waarbij wordt opgekomen voor het minder bedeelde medewezen, die kunnen we volgendegeneratietechnischgewijs gevoeglijk op onze buik schrijven.
Vermoed ik.

Misschien wilde ik dat zeggen.

Tegelijkertijd bedenk ik: beter wacht ik tot het ettertje 12 is.
Er is hoop. Altijd. En hoe graag zou ik niet willen zeggen dat bijvoorbeeld juist ik dat kan weten.
But fuck.

Advertisements

Gewoon buiten

In Spanje merkte ik er geen ene fuck van, terwijl het daar toch al een paar jaar geleden is geintroduceerd. Maar echt. Nada, niente! Van dat hele rookverbod niet. De asbakken stonden zelfs in restaurants ook binnen nog gewoon op tafel. Viva Barcelona!

Eenmaal terug in Nederland werd ik geconfronteerd met de ruwe werkelijkheid van een calvinistisch peuterlandje, dat niet meer danst, maar angstig is geschuifeld richting het donkere hoekje waar het de allesverzengende tijdgeest op/af/ver wacht.

Het was mooi weer vandaag. En gisteren eigenlijk ook een beetje. Maar eergisteren was het slecht weer. Toch zaten ook toen al mijn stamcafees leeg. Zelfs toen stond iedereen buiten.

Het cafe-interieur van gans de stad staat al minstens sinds mijn recente waarnemingen, werkeloos weg te rotten. Ik liep de afgelopen drie dagen achtereen langs respectievelijk de Pels, de Doffer (beiden Centrum), de Quelle en T.D. (beiden Oud-West). Overal werd gevochten voor een plaatsje op het terras. En zodra dat kansloos bleek, werd er geknokt om een goeie positie in de deurpost.
Wat zal ik zeggen? Misschien konden we zolang die ene hand met die peuk maar tot buiten de deur mocht reiken, doen alsof er niets veranderd was.

Serieus, dat moet ik toegeven: Briljant om dat rookverbod voor de horeca in de zomer in te voeren. Kunnen we ook hier de illusie koesteren er niks van te merken.
Gekookt worden als kikkers. Dat is wat ons, rokers, nu overkomt.

De meesten van jullie weten hoe het met die kikkers afloopt. Niet al te best. Ze vergeten door de geleidelijkheid van de maatregelen te protesteren en eindigen als ze geluk hebben met hun blote reet in een sterrenrestaurant als voorgerecht.

Smaakt trouwens gewoon naar kip, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Ik wil het hebben over de maatregel die Ruud, de barman/eigenaar van de Quelle, in petto heeft, voor als het winter wordt.

"Dooie boel binnen", zei ik vanavond tegen ‘m op het terras.
"Breek me de bek niet open", zei Ruud.
"Door het rookverbod?"
"Door het rookverbod ter bescherming van het personeel." Ruud stak een sigaret op.
"Hoe moet dat van de winter?" vroeg ik.
"Simpel", zei Ruud, "dan verplaatsten we de bar naar buiten, en kunnen al onze gasten dus gewoon binnen zitten."
Ik zei: "geniaal!"

En dat meende ik.
Ruud, volbloed-ondernemer, knikte. Hij nam nog een hijs en ik hoorde ‘m denken: duh!

En voor de duidelijkheid: een goeie ‘duh’.

Chateauneuf de Galaure

Om met Wim T Schippers te spreken: we zijn weer thuis (oo-hoo-hoo-hoo)!

En we hebben het niet slecht gehad. Integendeel. Zo stonden we:

S4021108

En zo keken we uit:

S4021104

En als we niet wilden zwemmen of aan het strand voor onze deur wilden gaan liggen, pakten we de trein vanaf hier, ook aan de voet van onze camping:

Stationnetje_mataro_2

En waren we binnen 30 minuten in Barcelona centrum.

En het weer was geweldig en de bruiloft was goed. Dus. Niks te klagen. La vie en rose.

Doch. De eerlijkheid gebied te zeggen dat de terugreis nogal wat voeten in de aarde had. Ten eerste omdat ik liever sowieso niet terug was gegaan. Maar dat is irreeel. Het was ook vanwege het volgende:

Vorige week zondag, daags na de bruiloft van mijn nichtje in Girona (Noord Spanje), hadden we al flink wat kilometers gemaakt met the Purple Haze (onze ouwe trouwe Volvo 440), toen ik zo’n 60 kilometer onder Lyon besloot om even een tankstation aan te doen. Niet eens zozeer om te tanken, maar vooral om proberen te pinnen. We waren namelijk nagenoeg cashloos, en we wilden 2 uurtjes later stoppen bij een leuk hotelletje in het pitoresque dorpje Tournus (dat we kenden van vorig jaar), om nog net voor zonsondergang te kunnen dineren bij het gezellige restaurantje aldaar om de hoek.
Vorig jaar kon in zowel het hotelletje als het restaurantje enkel cash worden afgerekend, dus ik was verdomde verstandig en verantwoordelijk bezig met die tussenstop op dat tankstation. Wil ik maar even zeggen.

Anyway, daar kwamen we met 140 de peage afgeraced, en stoven in volle vaart het terrein van het benzinestation op.
Let op: ik ben een man van snelle pitstops. Elke honderdste seconde die ik kan besparen is er eentje, dus ik ga steevast pas zo laat mogelijk in de ankers.

Terwijl we recht op het gebouw af koersten waar zich mogelijk een pinautomaat bevond, moesten we eerst nog even het pompstation door, waar ik zoals gezegd niet hoefde te tanken, dus ik was van plan die horde zo snel mogelijk te nemen.
Ik zag een vrij doorgangsgaatje tussen al die auto’s met slangen in hun dijen en was van zinnens er met stevige vaart doorheen te crossen. Tot ik op het allerlaatste moment die k*tgeul zag die de Fransen voor hun benzinepompen plegen neer te plempen. Niks geen drempel die je al van verre ziet opdoemen, maar zo’n verraderlijke sleuf van een halve voet diep, die je pas in de smiezen krijgt als je ‘m tot op twee meter, oftewel pakweg een honderdste van een seconde, genaderd bent.
"Fuck!" schreeuwde ik, en stampte het rempedaal zo ver mogelijk in. Schakelen, hoorde ik mezelf in een paniekreflex denken, je moet schakelen, terug van z’n 5 naar z’n 2!
Which I did.

De remmen van die Volvo zijn werkelijk perfect. Ik temporiseerde binnen anderhalve meter van 60 km/u naar 5, en wist zo tenauwernood te voorkomen dat we onze uitlaat later moesten opvissen uit die kl*te-geul.
Dat was het goeie nieuws. Het slechte nieuws was dat de auto er een meter later compleet mee kapte. Hij sloeg af en er viel geen decimeter beweging meer in te krijgen. Hoe vaak ik ‘m ook opnieuw probeerde te starten, de auto zei alleen maar "prvrot", om vervolgens direct met een hikbeweging af te slaan.
"Wat is er aan de hand?" vroeg L. angstig.
"Autopech", zei ik.
"Hoe kan dat?" vroeg L.
"Waarschijnlijk heb ik niet helemaal goed geschakeld", gaf ik schoorvoetend toe.

Want dat vermoeden had ik direct. Okay, het koppelingspedaal had ik wel degelijk beroerd, dat wist ik nog. Maar waarschijnlijk had ik het niet snel genoeg ingetrapt om me de parallelle handbeweging aan de vernellingspook te kunnen permitteren. Gevolg: tandradartjes die elkaar met veel geweld in de soep zouden hebben gedraaid. Anders gezegd: ik vreesde met grote vreze dat ik zojuist mijn complete versnellingsbak had vermoord. Een duur geintje en bovendien niet bepaald vlot op te lossen. Kortom: we were fucked.

Als mijn vermoeden juist was, tenminste.
"Wat nu?" vroeg L.
"De ANWB bellen", zei ik, "ik heb hun alleruitgebreidste verzekering, dus het komt helemaal goed. Ik krijg een vervangende auto, en de reparatie aan onze eigen auto kunnen ze voorschieten als het moet, en als we willen mag ie ook gratis worden vervoerd naar Nederland."

Ik zocht uit waar we precies waren (Rambert d’Albon, BP station) en belde de ANWB.
In gesprek. Wachtrij. Pauzemuzak. Please hold the line. Eindeloos.
Ik had nog maar weinig streepjes op de batterij van mijn mobiel. Ik zweette peentjes.
Na twintig minuten (ook een prijzig geintje) eindelijk contact.
"Met de ANWB, zegt u het eens?"
"Ik sta met autopech, 60 kilometer onder Lyon. Kunt u ervoor zorgen dat er een monteur langs komt voor een diagnose? We staan om precies te zijn op het BP-st.."
"Meneer, zo werkt dat niet in Frankrijk. U denkt misschien dat het daar hetzelfde gaat als in Nederland, maar dat is niet zo, er mag daar langs de weg niet gesleuteld worden. U moet daar eerst de politie bellen. Die zorgt dan voor een sleepwagen, en die brengt u naar een garage. Daar helpen ze u dan verder. Een goedenavond."
"Ja maar wacht! Het is zondagavond, alle garages zijn dicht! En morgen is het quatorze juillet, de nationale feestdag, ook alles dicht! Kunt u mij.."
"Meneer, daar kunnen wij ook niets aan doen. Dit is nu eenmaal de procedure. Goedenavond."
"WACHT! Heeft u dan misschien het nummer van de Franse pol.."
*Tuut* *tuut* *tuut*.

Kut man.

Veel gedoe later (in Frankrijk blijk je ook gewoon 112 te kunnen bellen) kwam er dan uiteindelijk een sleepwagen. Die sleepte ons zowaar naar een garage die nog open was. Om 21.30 zondagavond! Of nou ja, open was een groot woord. We mochten het hek binnen, onze auto werd van de sleepwagen afgerold, en we mochten, als we heel snel waren, onze directe benodigdheden uit de auto pakken.
De aardige eigenares van de garage bracht ons met die spullen naar het dichtstbijzijnde hotel. Het enige in het plaatselijke gehucht (Chateauneuf de Galaure).
"Is dat niet een al te duur hotel?" vroeg ik, angstig als ik ben voor monopolies.
"Het is niet bepaald 5 etoiles", zei de eigenares, "dus maak je niet te veel zorgen."

Het was gelukkig inderdaad een behoorlijk slecht hotel. En de prijs rees niet al te zeer de pan uit.
Eten kon je alleen nog bij de Kebab-tent om de hoek, vertelde de hoteleigenaar, "maar dan moet je wel snel zijn, ik weet niet precies hoe laat ie dicht gaat."
Wij er als de donder naartoe.
21.55. Dicht. En de ook de rest van het gehucht was uitgestorven.
Goed. Geen eten dus. Ik was blij dat ik als belangrijke persoonlijke spullen in mijn inderhaast bij de garage opgemaakte rugzak, naast een tandenborstel en een fleecetrui voornamelijk voor erg veel San Miguel bier uit Spanje had gekozen en een fles Cava voor L.
Dat is ook eten. We maakten er op de hotelkamer het beste van. Ik rookte uit het raam en als je genoeg drinkt wordt alles vanzelf gezellig en kan je dingen heel goed relativeren en in perspectieven plaatsen.

Als je weer wakker wordt is dat echter compleet anders.
Het was maandag 14 juli, quatorze juillet. ‘s Ochtends werden we uit bed getrompetterd door de plaatselijke fanfare.
Dus stonden we maar op en begaven ons naar het ontbijtbuffet dat bestond uit keihard gestold stokbrood van zaterdag en verkookte koffie uit een gamel. Als beleg was er enkel mierzoete marmelade. Kindjes uit Afrika zouden er blij mee zijn geweest, maar die hebben dan ook een goed gebit. Bij mij vrat het zich een rechte weg naar de tandzenuwen toe, om daar martelende pij
nimpulsen af te geven.

Tijdens dat ontbijt werden we gebeld door de ANWB. De technische dienst bleek vandaag vrij te hebben. En pas als die naar onze auto zou hebben gekeken om een diagnose te stellen, zouden we weer opnieuw van de ANWB te horen krijgen.
"Maar dat vervangend vervoer", vroeg ik, "hoe zit het daarmee?"
"Pas na de diagnose, meneer."
"Maar..", begon ik.
*Tuut* *tuut* *tuut*.

Dus daar zaten we in dat k*tgehucht. Er viel geen zak te doen. Echt helemaal niets. Alles was dicht. Zelfs de cafe’s. Quatorze juillet. Er was wel een camping, ontdekte ik in een foldertje van het hotel. Een camping net buiten het dorp. Met een terras. Dus daar liepen we maar naartoe.
Ook op de camping viel geen zak te beleven.
Maar de bar en het terras waren open. L. pakte een boek en ging lezen. En ik, ik hing de hele dag aan de bar en keek met een stel Belgen naar een saaie tour-etappe. We dronken pintjes en liepen af en toe naar buiten vanwege het rookverbod. En rookten dan een sigaret.
Niemand zei wat.
Het was echt een doodsaaie touretappe.
En ik, ik zeg uit mezelf ook niks. Ik heb een gangmaker nodig. Iemand met lef in z’n donder.
Het was een camping zonder gangmakers.
Ik voelde me slecht. Heel slecht.

Toen ben ik maar in m’n dagboek gaan schrijven. Ik geloof trouwens dat dat nog wel een aardig verhaal heeft opgeleverd. Maar ik heb geen zin om ‘t op te zoeken. Ander keertje mischien. Ik wil even in de depressieve sfeer blijven.

De volgende dag, dinsdag de 15e, werden we opnieuw wakker in het slechte hotel. We skipten het ontbijt. Ik belde met de ANWB. Slecht nieuws. De Technische Dienst had het heel druk. Ze wisten niet of ze vandaag al tijd zouden hebben om een diagnose te kunnen stellen.

"Wat zeiden ze?" vroeg L.
"Dat we hier voorlopig nog de lul gaan zitten wezen", zei ik.
"Misschien moeten we dan het hotel voor de zekerheid nog een dag verlengen", zei L.
"Goed idee", zei ik, en vervoegde me aan de hotelbalie.
"Sorry", zei de hoteleigenaar, "het hotel is voor de komende nacht al volgeboekt. Jullie kunnen hier vanavond niet meer terecht."

Nou ja! Who the fuck wil hier zo graag zijn!? Wat doet iemand hier uberhaupt in godsnaam, in Chateauneuf de Galaure!? Wat is er hier zo leuk dat wij het niet zien!? Waarom is hier een hotel!? Waarom is er hier zelfs een godverdomde camping!?

"Misschien door de beroemde grotten", zei de hoteleigenaar.
"Maar die liggen 100 kilometer verderop!", zei ik, "en daar zijn ter plekke ook zat campings en hotels!"
"Ik weet het ook niet", zei de hoteleigenaar, "maar mij kan het niet schelen."
"Hebben mensen zo weinig fantasie? Er is hier geen zak te doen!"
"Misschien", zei de hoteleigenaar, "wat doet het ertoe?"

Het was ondraaglijk. Ik voelde me als in hotel California van The Eagles. Nou vind ik The Eagles sowieso al een kloteband, en ‘Hotel California’ werkelijk hun allerberoerdste kutnummer, maar nu zat ik ook nog eens opgescheept met die allesvermurwende eindzin: "you can check out anytime you want, but you can never leave", die door mijn kop maalde.

Fuck man.

L. en ik, we hadden inmiddels bezit genomen van het terras van het enige cafe dat het gehucht telde, recht tegeonver het hotel. Er was verder niemand. We dronken Icetea en cola. Ik moest nuchter blijven. Ik wilde zo snel mogelijk vervoer om pleite te gaan uit dit zwarte gat in mijn leven. Ik belde me helemaal de tyfus met de ANWB.
"U wilt dus vervangend vervoer, nog voordat de Technische Dienst.."
"You’re damn right dat ik dat wil, godverdomme! IK WIL NAAR HUIS! DOE ES REGELEN, DAT VERVANGEND VERVOER! DAAR HEB IK RECHT OP!"
"Meneer, even rustig he, mag ik u erop wijzen dat als de Technische Dienst constateert dat het mankement binnen 48 uur te repareren valt, de kosten voor het vervangend vervoer voor uw eigen rekening zijn, en dat bovendien de kosten voor h.."
"WANNEER KOMT DIE KUTTECHNISCHE DIENST DAN EINDELIJK EENS? KAN JIJ ME DAT VERTELLEN? KAN JIJ ME INZAKE DIE KWESTIE VAN EEN ADEQUATE PROGNOSE VOORZIEN!? NOU!? NOU!???"
"Meneer, echt waar, het is ook voor uw eigen situatie beter als u rustig blijft."

Ik telde tot tien.

"Bent u daar nog?"
"Ik ben er nog", zei ik.
"Mooi zo. Goed. Het is erg druk. Het zou kunnen dat de Technische Dienst pas over, en ik heb het hier over het ergste scenario, maar het zou kunnen dat de Technische Dienst pas donderda.."
"DONDERDAG!! GODVERDOMME!!! IK HAD VANDAAG AL MOETEN WERKEN, IK MOET MORGENAVOND OPTREDEN, IK..IK..IK…"

Op dat moment werd ik op mijn schouder getikt door de eigenares van het cafe.
"Wat praat je met een hoge hysterische stem!" zei ze.
"JA, SORRY HOOR!" zei ik in het Frans.
"Zo krijg je niks gedaan", zei de eigenares, "geloof me."

Ik haalde verbaasd weer even adem.

"Bent u daar nog?" vroeg de ANWB-telefoniste.
"Ja", zei ik.
"Mooi zo. Goed. Ik begrijp dat u vervangend vervoer wilt."
"Dat klopt", zei ik.
Heel rustig.
"Dat gaan we regelen", zei de telefoniste, "we laten het u zo snel mogelijk weten wanneer het gelukt is."
"Erg bedankt", zei ik.

Een paar uur later, tien cola’s verder, werd ik gebeld.
"Goed nieuws", zei de ANWB-telefoniste, "we hebben iets weten te regelen via AVIS. Als u snel bent kunt u voor 16.00, dat is helaas de sluitingstijd, een vervangende auto ophalen op het vliegveld van Grenoble."
"GRENOBLE!?" zei ik, "DAT IS FUCKING VER HIER VANDAAN, HOE KOM IK DAAR!?"
"Met een taxi", zei de telefoniste, "Grenobele lijkt ver, maar het vliegveld is maar 39 kilometer van u vandaan."
"HOW THE FUCK KOM IK HIER IN DIT GEHUCHT AAN EEN TAXI!? EN DAN VOOR 16.00!? HET IS GODVERDOMME AL 15.00 GEWEEST!"
"Anders wordt het morgen", zei de telefoniste.
"MORGEN!? IK HEB HIER GODVERDOMME NIET EENS MEER EEN HOTEL! MOET IK SOMS OP STRAAT SLAPEN!? EN THUIS IS DE KATTENOPPAS ZOJUIST OP VAKANTIE GEGAAN DUS MIJN KAT GAAT NAAT DE KLOTEN, EN.. EN.."

Ik werd weer op mijn schouder getapt. Door de eigenares van het cafe.
"QUOI?" vroeg ik kwaad.
"Moet je naar Grenoble?" vroeg ze.
Ik knikte heftig.
"Maak je geen zorgen, mijn man brengt je wel", zei ze.
"Serieux?" vroeg ik.
"Bien sur", zei ze.

En hij bracht me. In sneltreinvaart. En nam me op de terugweg op sleeptouw, zodat ik niet zou verdwalen met mijn vervangende citroen Picasso.

Zo lief.

Chateauneuf de Galaure.
Geweldige stad.

Barcelona

Mijn nichtje gaat op 12 juli trouwen. Ergens in de buurt van Barcelona. En ik ben gekke Henkie niet. Dus ik heb ontzettend extra verlofdagen ingekocht.

De moeder van de bruid heeft een huis afgehuurd voor de gehele familie van zeventien personen. En daar zit ik dus vanaf volgende week vrijdag achtereenvolgens:

een grote pils te zuipen op de patio (mag ook Sangria zijn):

Patio

baantjes te trekken in het zwembad:

Zwembad 

en enorm paella met visjes te vreten:

Eetkamer

of ik lig te weetikvelen:

Slaapkamer

Maar voor het zover is, dames en heren, lig ik al vanaf aanstaande zondagochtend (mits ik morgen de peage overleef en niet al te veel te schaften krijg met oponthoud door snelwegblokkeringen van boze vrachtchauffeurs) gewoon meer dan een volle werkweek aan het strand van Mataro:

Strand

En dan aan het eind van de middag cq begin van de avond Barcelona in.

Waar ze pas beginnen te denken aan eten na 23.00, zoals het hoort.

Zoals gezegd: ik ben voorwaar geen gekke Henkie. Ik voel me bij voorbaat al zo goed, dat ik bijna niet meer durf te klagen over het debiele zero-tolerance rookverbod in de horeca van Nederland.

Dat doe ik dan ook niet. Dat is voor een uitgesteld straks.

Latorrr!!

Alles goed

Omdat Festina Lente afgelopen weekend 10 jaar bestond, had Aukelien (romanschrijveres en hardcore stamgast) diverse mensen gevraagd om hun dierbaarste herinnering uit die periode op papier te zetten. Voor de duidelijkheid: het diende een herinnering te zijn waarin de eigenaar van Festina Lente, Felix, een voorname rol speelde, want aan hem, en hem alleen, zou een voor de gelegenheid geprint boekje worden aangeboden met de verzamelde anekdotes.

Ik was afgelopen zaterdag wel benieuwd naar dat boekje. Nieuwsgierig naar wat de anderen hadden opgetekend. Maar ik heb er de kans niet toe gekregen. Om die anderen te lezen, bedoel ik. Ten eerste omdat, zoals Aukelien het formuleerde, "werkelijk niemand, maar dan ook echt niemand, de uiterste deadline voor de drukker had gehaald" (inclusief mijzelve), dus er was geen boekje.
En ten tweede omdat de presentatie van het alternatief, een provisorisch in elkaar geknutselde A4-tjes-collage, bleek te hebben plaatsgevonden, precies op het moment dat ik, door nood gedwongen, tijdens het overvolle buitenprogramma had besloten om toch maar aan te sluiten in de eindeloze rij voor de WC’s binnen. En bovendien niet lang daarna ergens het licht uit ging.
Misschien op de WC, wellicht op de straat voor de brug, maar in ieder geval ook in mijn hoofd.

Man, ik was zo dronken, je kon me niet eens meer tekenen.
Geklooi in een steegje om de hoek, met vloeitjes in mijn neus om de hik proberen te bedwingen middels een geforceerde niespartij, het mocht allemaal niet baten.
"Alles goed?" vroeg een plotseling opgedoken verantwoordelijk iemand. Ik weet niet meer wie, het zou zomaar Felix kunnen zijn geweest, "blijf je wel een beetje bij de pinken, want zodadelijk moet je nog een gedicht voordragen."
"Maak je geen zorgen", zei ik, en hikte. En nieste. En hikte.
Die iemand krabbelde over z’n kop, en zei: "weet je zeker dat..?"
"Serieus", zei ik, hik, "geen paniek, het komt voor de bakker."

Ik ben een overmoedig iemand. Ik moet wel. En soms pakt dat goed uit. Soms ook niet. Maar afgelopen zaterdagavond had ik zowaar weer eens een mazzeltje.

Dat terzijde. Waar het om ging is dat ze de boompjes om hakten, niet met fijn gereedschap, maar gewoon met de blote hand is die ouwe herinnering. En dat ik benieuwd ben naar die andere verhalen.

Voor wie er zin in heeft, hier de/het mijne:

Er zijn veel anekdotes die ik zou kunnen aanhalen teneinde mijn dierbaarste persoonlijke herinnering aan Festina Lente en/of Felix te beschrijven. Te veel eigenlijk, varierend van persoonlijke triomfen op het mooiste poeziepodium van Nederland tot en met de plaatselijke aardstralen die er op de een of andere manier voor zorgdragen dat er al 10 jaar lang steevast onmogelijk goed personeel achter de bar staat bij Festina. Misschien heeft dat laatste overigens ook iets te maken met de vinger in de pap van Felix, maar daar heb ik verder geen verstand van.

Waar ik wel verstand van heb is het weekend van 21 tot en met 23 juli uit het jaar 2000. Het was bloedheet, middenin de zomer, en Felix had samen met Gerard Beentjes georganiseerd dat we met een Festina-delegatie twee dagen achtereen mochten optreden tijdens de Gentse feesten in, de naam zegt het al, Gent. Het werd legendarisch. Zoals de Gentse schrijver Herman Brusselmans zou zeggen: "Noem hun namen en vergeet hen nooit"; het betrof Eus Kuiper, Erik-Jan Harmens, Yannah Loontjens, Florence Tonk, Matthijs Kaaks, Fredoen Valianpour en mijzelve.
We waren nog volslagen onbekend. Niemand zat op ons te wachten in cafe Hotsi Totsi, waar ons podium zich tijdens die twee dagen bevond.
De enigen die luisterden waren de twee meisjes uit de Vlaamse dichtersafvaardiging, Hilde Vlyminck en ene Eva Cox. Op die laatste werd trouwens de helft van onze delegatie spontaan verliefd, maar dat terzijde.
De spreektijd die ons dichters was toebedeeld door uitbater Patrick, die zienderogen steeds meer spijt kreeg van zijn programmering, werd voor meer dan 75% in beslag genomen door spreekstalmeester/Vlaams dichter/alcoholicus Conrad de Waele.
Veel potten werden er kortom door ons niet gebroken. Maar daar ging het ook niet om volgens Felix.
Volgens Felix ging het om de ‘contacten’.

En die contacten hebben we gelegd. Met Eva Cox, maar vooral met elkaar. Als je kennissen, en meer waren we toen nog niet, wil doorgronden gaat er niets boven een weekendje 24-2 bovenop elkaars lip bivakkeren in een veel te klein hotel, slechte restaurants en dubieuze cafe’s.
Dat had Felix goed gezien.

Zelf sliep de ploert overigens in een luxe appartement bij z’n vriendin in de luxe suburbs van Gent.
Toch was ie niet te beroerd om af en toe te checken hoe het ons verging. Zo was ie op de eerste avond speciaal nog even langs ons hotel gereden. Hij trof mij met een blikje lauw Jupiler-bier, uitgeteld op de stoeprand.
"Alles goed?" vroeg ie.
"Absolutement", zei ik.
"Weet je het zeker?" zei Felix, "ik zag net allemaal politie-auto’s met zwaailichten voorbij rijden, zit Eus soms in de problemen?"
"Volgens mij niet", zei ik, "hij zit nog in een of ander cafe waar ze de Melvins draaiden, of zoiets."
"O", zei Felix, "gelukkig."

De volgende dag, ik had een kater van hier tot Brussel, was ik de groep overdag even ontvlucht, en deed voor de gein de plaatselijke toeristische attractie aan: de Gentse kathedraal waar het beroemde schilderij ‘Het Lam Gods’ van Van Eijck permanent staat tentoongesteld. Ik stak er voor een bescheiden aantal Belgische Franken een kaarsje op. Voor wie precies, dat ben ik vergeten, maar wel weet ik nog dat er op het moment van ontvlammen een hels elektronisch kabaal door de kathedraal begon te knetteren. Ik had in eerste instantie geen flauw idee waar het vandaan kwam.
Maar nader onderzoek leerde dat de bron zich bevond in mijn broekzak.
Verdomd, dacht ik, het is die mobiele telefoon.

Ik had ‘m die week daarvoor aangeschaft met het oog op dit weekend. Om mijn toenmalige vriendin een plezier te doen. Die vond het namelijk maar niets dat ik met dichters, waaronder dichteressen, een paar dagen in het buitenland ging verkeren.

Gebeld was ik totnutoe nog niet. Maar thans bliepte dat ding bijkans gans de kathedraal uit z’n voegen.
Gegeneerd voor een groot publiek, bestaande uit Japanners met grote camera’s, andersoortige touringcarreizigers en monniken, zocht ik angstzwetend naar de toets waarmee ik kon opnemen.
Toen ik die eindelijk gevonden had, zei ik: "Ja?"
Mijn eerste mobiele contact ever.
De stem aan de andere kant van de lijn bleek niet die van mijn vriendin.
Het was Felix.
"Alles goed?" vroeg ie.