Aankondiging

ZATERDAG 28 JUNI: FESTINA LENTE 10-JARIG JUBILEUM

Looiersgracht

TOEGANG: ontzettend GRATIS!!!

LOCATIEop en rond de brug voor het cafe (Looiersgracht 40, Amsterdamse Jordaan)

programma-onderdelen:

vanaf 14.00    GRANDE JAARFINALE FESTINA POETRYSLAM (de maandwinnaars

nemen het tegen elkaar op)

                        BANDS & DJ’s (o.a. Berry Love en Festina Huisband)

                        SIMON VINKENOOG 80 JAAR (en de nestor doet enkele gedichten)

                        FETERING FELIX (eigenaar Festina Lente wordt toegesproken door

schrijvers die goed kunnen speechen)

vanaf 20.20    LITERAIR PROGRAMMA: FESTINA’S FINEST (met Erik Jan Harmens,

Eus, Sven Ariaans, Aukelien Weverling, Rauwe Uiwe, e.a.)

AANSLUITEND: FEEST

Dus…

Festina_lente_2

Hiero.

Advertisements

Maya-kalender

Ooit, een aantal jaren geleden heb ik me eens verdiept in de miraculeuze wiskundige structuur van de Maya-kalender. Die is namelijk echt heel ingenieus. Het hoe en wat zal ik jullie besparen, maar geloof me: precisieuze mathematische wonderen als graancirkels zijn er kinderspel bij.
Enfin, volgens die Maya-kalender loopt de cyclus van de ‘wereld’ zo rond 21 december 2012 ten einde.
Op zich niks bijzonders, want dat is volgens die Maya-kalender al weet ik niet hoe vaak eerder gebeurd, als we tenminste mogen aannemen dat de aarde al ruim 5 miljard jaar bestaat. Maar ergens is het natuurlijk wel interessant dat we de eerste mensachtigen zijn, de eerste intelligente wezens, die zo’n kalenderovergang mogen meemaken.

Er valt dan tegenwoordig ook een hoop over te lezen op internet. En afgelopen zaterdag zelfs in het Volkskrantmagazine. Maar liefst 6 pagina’s had het bijvoegsel van de kwaliteitskrant uitgetrokken, om de 2012-problematiek aan de kaak te stellen. Dat gebeurde overigens op nauwelijks verholen distantierende wijze, middels een geijkt journalisten ABC-tje: je doet een paar interviewtjes met een aantal o-n-t-z-e-t-t-e-n-d domme mensachtigen, voert ze op als representanten van de beweging die je belachelijk wilt maken, en tadaa: scoren geblazen! Je zag ze bij het lezen van het artikel in retrospect nog nagniffelen, daar op de Volkskrantredactie.

En terecht, want het was in dit geval wel grappig. Ik bedoel, bij de volgende, door overstromingsangst ingegeven quote van ‘Petra’, zou zelfs Johan Cruijff vraagtekens zetten: "Neem die immigratie, ze blijven maar mensen toelaten. En daar moeten dan weer huizen voor gebouwd; wordt Nederland nog zwaarder, dus ligt het straks nog lager."

Een pareltje voor de zaterdagochtendlectuur. Ik had ‘m zelf niet mooier kunnen verzinnen.

Maar goed, ze zijn ondertussen stevig aan de slag, die 2012-believers, die met elke tsunami en vulkaanuitbarsting hun geloof dieper bevestigd zien. Ze bouwen zoals bestseller-schrijver ‘Patrick’ bunkers op geheime plekken, of slaan zoals timmerman ‘Maarten’ tijdens de weekendboodschappen wat extra conserven en pakken Bar-le-Duc in bij de Albert Heijn, om de voorraadkast bijtijds op orde te krijgen.

Tot zover het Volkskrantmagazine-artikel.

Toch staat ons blijkens internet nogal iets te wachten. Een van de geruchten die hardnekkig de ronde doen is dat er in 2012 een poolwisseling gaat plaatsvinden. D.w.z. dat de aarde 180 graden kantelt en wij voortaan kerstmis aan het strand moeten vieren en de eerstvolgende elfstedentocht ergens in augustus zal worden verreden.

Best een geinig idee. Maar het slaat nergens op. En als het al wel mocht gebeuren, dan maak je met een bunker geen schijn van kans. Over een paar honderd miljoen jaar (het kunnen er ook tien miljoen zijn, dat ben ik even kwijt), tikt het continent Afrika, dat een paar centimeter per jaar in Noordelijke richting verschuift, bij de kust van Gibraltar Europa aan. Dat schijnt een dusdanig grote klap te geven dat de Alpen de Middellandse Zee in worden gekatapulteerd.
Het effect van een poolwisseling is pakweg een factor miljard keer zo groot.
Dus ik zou zeggen: Veel succes met je bunker en je Bar-le-Duc.

Maar wat ik wilde opmerken: Het is allemaal een misverstand, die heisa om die Maya-kalender. Wij denken helemaal niet meer als Indianen. En dan bedoel ik niet dat wij onze zonen en dochters geen "zilveren slang", "gouden zon" of "blauwe berg" noemen. Of eigenlijk bedoel ik dat juist wel. Of in ieder geval iets soortgelijks. We zijn ons er alleen niet meer van bewust.

Het is gewoon de taal. Ik bedoel, wij zijn intelligente wezens. Maar ook wij hebben het nog steeds over ‘nieuwe maan’. Elke maand weer.
Wist je dat het zelfs dagelijks in een katerntje op de voorpagina van de Volkskrant staat, hoe het ‘t weer en de maan vergaat?
Dat er niemand over peinst, want wie denkt daaraan, dat ze misschien later zullen roepen dat over een maand de maan niet meer zal bestaan?

Niks einde van de wereld. Edoch die miraculeuze wiskundige structuur van de Maya-kalender, die is gaaf. Echt.
 

Life goes on

We hadden het ook niet moeten doen. Het was het lot tarten, de goden verzoeken en meer van dat soort kloterij. Achter het scherm van de beamer die mijn beste vriend en ik met veel moeite aan de praat hadden gekregen, scheen de zon, en wij dachten: laten we die voor de grap eens verduisteren met het vrachtwagenzeil van onze bloedeigen rockformatie.

Mijn beste vriend trok met z’n dronken kop de klopboor uit z’n gereedschapskist, en ik, ik hield de spijkers vast. Een onlogische samenloop van omstandigheden, dat geef ik meteen toe, maar daar hadden we op dat moment maling aan, en vol zelfvertrouwen probeerden we de 30 vierkante meter tellende rooie lap aan de binnenshuize kant van de voorgevel, het kan ook de keuken zijn geweest, of misschien was dat wel hetzelfde, te nagelen. En het lukte.
"Ziet er goed uit", zei ik.
"Niks meer aan doen", zei mijn beste vriend.
"Het wordt 5-1", zei ik.
"Niet zo pessimistisch", zei mijn beste vriend; "6-0."

Die grote rooie lap, die de vlag van de voormalige Sovjet Unie representeerde, maar dan met onze bandnaam ‘Turn Left’ erop, en voorzien van een dubbele hamer en sikkel (geef toe: een briljant logo), die was wellicht te veel van het goede.

Na afloop van de wedstrijd zat onze drummer, mijn op 1 na beste vriend, vol ongeloof met z’n handen voor z’n ogen in een hoekje zachtjes te wenen.
Wenen was trouwens niet het goeie woord. Wenen was een woord dat je op dat moment sowieso moest vermijden in elke willekeurige conversatie.
Kut man.

Wat er daarna is gebeurd, dat weet ik niet meer. Niemand trouwens. Behalve mijn moeder, en die was er geeneens bij, maar die zei vanochtend dat het tijd was om op te staan, en dat ik een briefje had neergelegd, met dat ik om 10 uur op moest, want ik had een belangrijke vergadering, vertelde ze, "en weet je dat er een halve literblik bier op je hoofdkussen loopt uit te lekken?"
"Verrek", zei ik, en zette het blik instinctief aan mijn lippen.

Mijn moeder keek me aan zoals alleen moeders aan kunnen kijken.
"Zal ik koffie zetten?" vroeg ze.
"Misschien is dat het beste", zei ik.

Het leven, dat ging vandaag verder; mijn beste vrienden en ik, we hadden een Appelpopvergadering. Een vergadering van het complete bestuur en alle werkgroepsleden. Een hoop volk; zeg om en nabij de 40 man.
Onze voorzitter, ook net wakker, trok een pils uit een krat, schraapte zijn keel, en opende: "Ik kan het lang maken of kort houden…"
"Doe maar kort", scandeerden we.
"Goedzo", zei de voorzitter, "we zijn hier gezellig bijelkaar, we hebben een hoop te bespreken, en dat kunnen we centraal doen, maar we kunnen ook gewoon onderling gaan ouwehoeren en enorm een pils drinken! Wat vinden jullie?"
"Goed verhaal!", riepen wij massaal; "lekker kort ook!"

Dus.

Daar gingen we, met z’n allen richting tap.
"Ja, nee, wacht even", zei onze voorzitter, "een dingetje wil ik toch even centraal melden."
"Wat?" vroegen we met onze omgedraaide hoofden.
"Ik wil toch even benoemen dat we met Appelpop als organisatie een prijs hebben gewonnen bij Live XS. Dat juryrapport, geweldig! We hebben echt een enorme veer in onze reet gekregen!"

Even was het stil. Toen zei iemand: "Dus zeg maar een conifeer!"

Ja. Het leven. John Lennon heeft er ooit een hoop wijze en diepzinnige dingen over gezegd. Vandaag nam het weer eens een van z’n aangename wendingen. En Rusland was verder weg dan ooit.

Modric

Ik wist het al meteen toen ie de aanloop nam om die eerste penalty te nemen in de beslissende strafstroppenreeks tijdens de EK-kwartfinale van vanavond, tegen Turkije: Die gaat of hoog over, of naast, danwel komt recht in de handen van de keeper terecht.

Het is nou eenmaal een wet: de beste speler van de wedstrijd mist per definitie. Baresi, van Basten, noem maar op, de reeks is eindeloos, het alfabet kent geen genade.

Bij Modric ging ie naast. En voor de zoveelste keer had ik zo ontzettend te doen met een held, mijn held, die ik zag falen.

Voetbal is schitterend. De mooiste sport die er is. Stiekem was ik al de hele wedstrijd voor Turkije, puur omdat ze zo slecht speelden en toch zo dapper. En ook omdat er hier om de hoek in de Jan Pieter Heije een Turkse vlag van twintig vierkante meter dwars over de weg is gespannen door mijn buurtgenoten. Turken wonen nu eenmaal niet allemaal op het Mercatorplein.
En gelukkig maar. Want zowel mijn favoriete snackbar, coffeeshop en restaurant in de buurt, ze worden allemaal gerund door lieve mensen; Turken.

Tot zover mijn mensenhart. Tegelijkertijd lag mijn voetbalhart bij die eenling aan de andere kant, die kleine van Kroatie: Modric.
Een jong gosertje nog eigenlijk, maar met een briljant rechtervoetje. En links mag ook, als het moet. Vertikt het om de longen uit zijn lijf te rennen, maar bevindt zich op de een of andere manier toch altijd op de plek waar het spel gaande is. Een klein lefgosertje dat zodra het bij z’n ploeg niet loopt, haantje de voorste is om naar achteren te dartelen, de bal op te eisen en met een onverwachte snijdende pass een medespeler richting een potentieel kansrijke positie te dirigeren.

Ik moest denken aan, juist.

Modric1_2 

Modric5_3 Modric2 Modric3 Modric4

Geef toe: Hij lijkt er op. En dan nog nr 14 ook.

Kroatie-Turkije. Het was een doodsaaie wedstrijd, met een waanzinnige slotfase, en een krankzinnige ontknoping. En ik vind het fantastisch, al die toeterende auto’s die hier nu door Amsterdam West heen rijden. Geloof me, ik gun het ze. Geweldig.

Maar Modric ga ik missen.

Hij is komend seizoen te zien bij Tottenham Hotspur. Waar anders. Toeval bestaat niet. Het is de plek waar de favoriete voetballer uit mijn puberteit ooit z’n glansrol speelde, en waarmee ik me probeerde af te zetten tegen de generatie die nog altijd liep te zeiken over ’74. Ik opteerde destijds fan te zijn van Glenn Hoddle, de eeuwig onbegrepen Engelse Cruijff uit de jaren 80.

Wat zal ik zeggen? Ik dronk mijn eerste zelfgekochte pilsjes uit een pul met het logo van Tottenham Hotspur.
En die pul heb ik nog steeds. Sinds een half jaar gebruik ik ‘m weer. Toeval bestaat niet.
Ooit had ik er trouwens ook een sleutelhanger van, van Tottenham Hotspur, en zweetbandjes, maar die ben ik verloren.

Wat ik wil zeggen is: Met Modric komt het wel goed.

Tekstschrijven

Binnenkort gaat mijn Amsterdamse nichtje E. trouwen met haar Engelse vriend. Om het extra ingewikkeld en kostbaar te maken hebben ze er voor gekozen de bruiloft te laten plaatsvinden in Spanje.

Onze familie is een grote familie, maar een hechte familie. Kortom, wij besloten er na veel gemopper, in juli toch massaal naartoe te gaan.

Toen we onze komst eenmaal hadden bevestigd bij de aanstondse bruid, kregen we niet veel later een mailtje van de ceremoniemeesteres: "Het hoeft natuurlijk geen avondvullende musical te zijn, maar E. zou het erg leuk vinden als jullie als familie op de avond van de bruiloft ‘iets doen’. Een stukje, een act, een lied, of iets ander creatiefs, maar dat laat ik verder aan jullie over."

Bon. Heel fijn.

En dus vond ik mezelf afgelopen zondagochtend, die oorspronkelijk bedoeld was om eindelijk eens een keertje ongestoord bij te slapen, terug op een fiets richting Amsterdam Zuid-Oost waar de moeder van de bruid woont. Die organiseerde namelijk een ‘brainstormsessie’ tijdens welke de familie kon komen nadenken over hoe we dat creatieve proces handen en voeten zouden gaan geven, oftewel:
1. Wat gaan we doen? (‘Een lied’, stelde de moeder van de bruid alvast voor in haar mail)
2. Op welke melodie? (Bij het mailtje had ze twee mp3’tjes toegevoegd ter suggestie)
3. Wie gaat de tekst schrijven?

Met name wat betreft die laatste vraag zat ik ‘m te knijpen. Vooral omdat de vinger van onze familie daarbij al snel bij ons gezin uitkomt. In concreto: bij mijn vader (leraar Nederlands die per jaar minstens 5 liedjes schrijft voor het jaarlijkse schoolcabaret), danwel bij mij (‘jij bent toch dichter?’).
Kut.

De twee bijgevoegde mp3’tjes representeerden, tenzij je als sopraan of tenor cum laude was afgestudeerd aan het conservatorium, beiden onmogelijk te zingen opera-nummers in the first place, maar vooral ontbeerden ze elke vorm van logisch ritme, laat staan een soepel lopend voorbeeldzinnetje. Het was kortom de nachtmerrie van iedere tekstschrijver. Ik bedoel, een eclatant succes kon je bij voorbaat al op je buik schrijven.
Dus ik had mijn moeder al eerder deze week via de telefoon laten weten: "Dikke lul, ik dus niet he! Ik heb het de vorige keer al gedaan voor de familie, nu is papa weer aan de beurt."

Waarop mijn moeder had gerepliceerd: "Papa heeft het erg druk gehad met correctie-werk van de eindexamens. En je weet hoe het met z’n hart is."
Fuck Fuck Fuck.

Zondagochtend. Ik fietste naar Amsterdam Zuid-Oost. Ik kwam langs mijn werk en wenste voor het eerst in mijn leven dat ik daar moest zijn, maar dat moest ik niet. Ik moest door, dieper Zuid-Oost in, richting de rand van de stad, waar die bijna tegen Abcoude is aangegroeid.

Ik werd ontvangen door mijn tante, en haar eega – een bioloog en enthousiaste natuurliefhebber – die me zijn vijver liet zien in de achtertuin.
"Welke vijver?" vroeg ik.
"Ja, je ziet ‘m haast niet", gniffelde mijn aangetrouwde oom, "ik doe tegenwoordig het tuinhekje aan de achterkant maar dicht; er zijn namelijk al heel wat kleuters in gevallen, want die kijken niet uit hun doppen."
"Verdomd", zei ik, 1 stap voordat ik bijna een soortgelijke duikeling in het ondefinieerbare moerasje maakte.
"Je kan het niet zien, maar hij is wel een meter diep!" zei mijn oom.
"Wow", zei ik sociaal.
"Ja, goed he?"

Ondertussen druppelde binnenshuis de rest van de familie binnen, die van verder weg uit het land was gekomen.
"We kunnen beginnen!" riep mijn tante richting de tuin.

Nadat iedereen van koffie was voorzien werden de twee opera-nummers gedraaid.
Mijn vader en ik, we dekten ons in. We stelden ons aan als Zuid-Europese voetballers: "hier kan je toch geen tekst op schrijven! Horen jullie dat dan niet? Luister nou eens goed! Denk nou toch eens na! En dan hebben we het nog niet eens over wie van ons dit in godsnaam moet gaan zingen! Hebben jullie die stemmen gehoord?"
"Ach, dat kunnen jullie best, jullie zijn zooo goed in tekst schrijven", probeerde mijn tante te slijmen, die voor zichzelf alvast een stevige witte wijn had ingeschonken. Ze nam een flinke slok en zei: "en anders doe ik het gewoon zelf."

Mijn vader en ik keken elkaar aan in paniek. Want dat laatste was in ieder geval niet de bedoeling.
We deden een sur place. Zoals baanwielrenners. Wie van ons twee kon zich het langst inhouden om niet te zeggen: "Okay, dan doe ik het wel"?

Maar toen, om met Ivo Niehe te spreken, gebeurde er iets wonderlijks.
Een andere oom, eentje uit Arnhem, kwam met de opmerking: "ik heb ook nog wel een aantal CD-tjes bij me, misschien staat daar iets geschikters op."

En zo, dames en heren, kwamen we uiteindelijk muziektechnisch tot het volgende compromis: Het Napolitaanse volkslied Funiculi Funicula (klik voor een snapshot ervan; 1 couplet en refrein! – aanrader!) in de uitvoering zoals die werd gezongen door Luciano Pavarotti.
Een regelrechte carnavalskraker. Opera, maar dan prima te zingen voor ons, amateurs. Met bovendien een doodsimpel ritme en alle ruimte voor tekstuele hoogstandjes en andere geintjes.

Mijn vader en ik, we keken elkaar opnieuw aan. We wisten allebei: dit wordt gegarandeerd een hit.

Mijn oom uit Arnhem zei: "je kan er bijvoorbeeld zo ‘Janus, Janus, pak me nog een keer’ van Ria Valk op zingen."
Verdomd, dachten wij.

Mijn vader was het snelst; "Okay, dan doe ik het wel."

Bijgeloof

Vandaag verjaarde mijn Oma van mijn vaders kant. Ze werd 89. In tegenstelling tot mijn andere Oma, die zwaar dementerend in een verzorgingstehuis naast de RAI bivakkeert, is de Oma van mijn vaders kant nog danig bij de pinken.
Ze woont gewoon zelfstandig, vlak naast de Goffert, het NEC-stadion in het lommerrijke park te Nijmegen, en pakt minimaal 1 keer per week met haar seniorenabonnement de trein naar Den Haag om in de luxe kledingzaak Meddens jurken van bedragen met 4 cijfers te monsteren. Die ze overigens, zodra ze zijn afgeprijsd naar een bedrag van drie cijfers, ook daadwerkelijk inslaat. Ze is gek op de koningin, en diep in haar hart zou ze dat ook graag willen zijn, koningin.
Tevens is ze enorm goed in geld vinden op straat. Ze grabbelt voor minimaal 30 euro per maand aan zwervende muntjes van de klinkers. En om haar pensioen nog verder aan te vullen brengt ze achtergelaten Albert-Heijn-karretjes terug naar de winkel om de 50 eurocent-muntjes eruit te kunnen vissen.
Ze is daarnaast gek op katten, en als de dood voor honden. Maar als er een verlaten Albert-Heijn-karretje rondzwerft met een grote Dobberman ernaast, overwint ze die angst.
Een ondernemend type kortom.

En heel lief bovendien. Maar vooral is ze dol op sport kijken. Het liefst naar boksen. Tennis is ook goed. Of desnoods voetbal.
"Weet je Sven", vertelde ze vanmiddag, "ik heb tot nu toe alle wedstrijden van Euro 2008 gezien!"
"Wow!" zei ik, "zelfs wedstrijden als Oostenrijk-Polen?"
"Alles. Wat een onterechte penalty trouwens, die van Oostenrijk. Ze hebben die Polen gewoon bestolen! En dat vond ik zielig voor Leo Beenhakker, want dat vind ik zo’n sympathieke man. En zo geestig ook."
"Wat vond u van de wedstrijd van gisteren?" vroeg ik, "tegen Frankrijk?"
"Sven, ik was zo zenuwachtig, ik heb de helft van de tijd niet durven kijken, en mijn handen voor mijn ogen gehouden, want ik vond die Fransen erg sterk. Maar wat een pot! Enig!"

Ik kreeg er bijna zin van om aanstaande dinsdag af te reizen naar Nijmegen om samen met mijn Oma naar Nederland-Roemenie te gaan kijken.

Het is een optie, want die wedstrijd gaat inmiddels nergens meer om. Voor de voetbalwedstrijden waar het er wel om gaat, is het echter een ander verhaal. Daarvoor reis ik traditioneel af naar mijn geboorteplaats Tiel.
Dat doe ik al sinds 1988. En omdat het toen goed ging, ben ik het uit bijgeloof blijven doen.

Of nou ja. Niet alleen uit bijgeloof. Stiekem ook een beetje voor de sfeer. De beleving. Nergens is men chauvinistischer dan in the heart of the country, de Parel van de Betuwe, bloesemstad Tiel.

Een paar uur voor de eerste wedstrijd van Nederland op dit EK, die tegen Italie, werd ik door mijn beste vriend van station Tiel Centraal opgehaald. We zouden voor de wedstrijd nog ergens gaan eten in de stad.
"Waar gaan we eten?" vroeg ik.
"In ieder geval niet bij een Italiaan", zei mijn beste vriend.
"Dan blijft er weinig over", zei ik, "in Tiel."
"We zien wel", zei mijn beste vriend, "ik heb trouwens toch geen honger, ik ben veel te zenuwachtig."
"Misschien moeten we een pils gaan eten", zei ik.
"Goed plan", zei mijn beste vriend.

Uiteindelijk hebben we ergens op een terras, het was 26 graden celsius, van een Nederlands volkscafe genaamd ‘de Boomerang’, na tien pils binnen een uur, toch ook maar een hamburger en een kipsate besteld. Op het broodje hamburger zaten behalve een hamburger ook een kilo kaas, een mandje grofgesneden uien en een gebakken ei. Met name dat laatste vond ik een aparte combinatie vormen.
"Maar wel een goeie bodem", zei mijn beste vriend, "voor straks, want we moeten nog een hoop drinken; tijdens de wedstrijd is het bier bij Dirk (cafe de Hertog-pdn) maar 1 euro."

Na het eten strompelden we door de Tielse binnenstad richting cafe de Hertog. Onderweg zag ik dat iemand op de Veemarkt het standbeeld van Flipje van een oranje shirt had voorzien.
Heel goed.

We waren het cafe nog niet binnen of we werden begroet door een legioen van mede-Appelpoppers. Iemand had een megafoon bij zich, dat was handig zei ie, om tijdens de wedstrijd bier te kunnen bestellen.
"Blijf bij ons in de buurt", zeiden mijn beste vriend en ik.

De voorbeschouwing begon. Er werd een halve naaktfoto getoond van een lekker wijf mooie vrouw. Het was de Italiaanse minister van ‘gelijke behandeling’, vertelde de TV-commentator.
"Ik zal je gelijk eens een behandeling geven!" riep onze voorzitter.
De sfeer zat er goed in. We waren klaar voor de wedstrijd.

De rest is geschiedenis.

3-0.

Tegen de wereldkampioen. En de geschiedenis herhaalde zich 4 dagen later.

4-1.

Tegen de vice-wereldkampioen. Tijdens die twee wedstrijden werd me via die megafoon voor ongeveer 60 euro aan bier aangereikt, zo bleek later toen we de bonnen van het Appelpoplegioen op lieten maken. Reken zelf maar uit hoeveel pilsjes dat zijn in die 180 minuten. Precies! Elke drie minuten een verse vaas per persoon in de klauwen. 

Daarvan zijn er per persoon minimaal 7 gesneuveld in splinters tijdens het juichen, dansen en springen vanwege de diverse goals, maar het blijft indrukwekkend.

Bijna net zo indrukwekkend als de Zidaneske tiptop van Van the Man tegen Frankrijk. Voorheen nooit mijn favoriete voetballer, die van Nistelrooy, maar sinds afgelopen vrijdag kan ie bij mij niet meer stuk.

Ter afsluiting daarom nog twee actiefoto’s ter illustratie en als eerbetoon:

Van_de_man1

Van_de_man_2

Ik weet het zeker, als ik dit EK naar Tiel blijf gaan, we van tevoren een hamburger en een kipsate eten in cafe de Boomerang, en minimaal 23 (het nr van Van der Vaart!) pils pp opzuipen in de Hertog, worden we ontzettend Europees kampioen.

Held van beroep

Laten we vooral dankbaar zijn dat onze voorouders van grote gezinnen hielden, anders waren we allang uitgestorven. Niet te geloven hoe er gesneuveld wordt in deze familie. Vorige week een achterneef van mijn vader, sufste begrafenis van het jaar tot nu toe, en vanochtend drie diverse rouwkaarten.

Bovenstaande zinnen vormen het begin van de roman "Held van beroep".
Die roman komt uit 1999 en ik heb ‘m ooit gekocht omdat ie vlak na verschijning werd aangeprezen in de vrijdagcolumn "Vrouw van de wereld" van Annemarie Oster in de Volkskrant. De vrouw van de wereld schreef dat ze eindelijk een Nederlandse schrijver had ontdekt die zich qua stijl kon meten met Salinger.
En als iemand dat schrijft, ook al is het Annemarie Oster, ben ik al onderweg naar de boekhandel.
Ik heb er geen spijt van gekregen.

Niet lang daarna overigens, werd Annemarie door de Volkskrant uitgebonjourd, en dook er praktisch parallel in de zaterdagbijlage een nieuwe columnist op. Precies. De schrijver van ‘Held van Beroep.’
Ze waren geweldig, die columns. Mijn toenmalige eega knipte ze trouw uit, en de besten uit haar verzameling plakte ze met magneetjes op de koelkast.

Twee ervan kan ik me er nog goed herinneren. Of kan ik althans 9 jaar na dato nog min of meer uit mijn hoofd citeren.
De eerste ging over een vriend van de schrijver, waarschijnlijk Hugo, die de gewoonte had ontzettend doorzichtige smoezen te verzinnen voor het te laat komen op afspraken. Vooral als ie een afspraak had met de schrijver. Een van die smoezen ging als volgt:
"Ja, sorry, ik bel je even vanuit een praatpaal van de ANWB."
"?"
"Ja, want ik heb een lekke band."
"Goh", zei de schrijver, "wat vreemd. Ik hoor allemaal pratende mensen bij je op de achtergrond. Weet je zeker dat je niet in een cafe staat?"
"Nee, nee.. Euh.. Waarschijnlijk zijn er meer mensen tegelijk met autopech, en heeft de ANWB maar 1 lijntje bij de PTT of zoiets en hoor je die anderen er allemaal doorheen. Wacht even, de monteur vraagt iets… Wat zeg je? Ja, nee, het reservewiel ligt in de achterbak. Kan je trouwens ook meteen even de olie verversen?
Sorry, daar ben ik weer. Zeg, moet je luisteren, ik heb dus een beetje vertraging en kom wat later. Ik moet nu ophangen, ik wil die ANWB niet te veel op kosten jagen, ze zijn al duur genoeg, ha, ha! Nou tot straks he!"
En misschien nog wel mooier was dat Hugo dan verderop in de column juist bij deze wereldrecordpoging qua ongeloofwaardige smoes, achteraf niets dan de waarheid bleek te hebben gesproken.

De tweede column van bijna 10 jaar geleden die me nog als de dag van vandaag bijstaat is die met de titel ‘Kraamvisite.’
Hij ging over het bekende probleem waarmee je te maken krijgt als je dertiger bent en alle vrienden om je heen aan babies beginnen. Wat te zeggen tegen de uitgeputte maar trotse ouders, terwijl je face to face staat met een kribbe tussen vier blauwe danwel roze versgeschilderde muren, waarin een gerimpeld krijsend mormeltje ontzettend lelijk ligt te wezen?
De schrijver wist het bij god niet, en loog zich net als iedereen aan de lopende band diplomatiek een slag in de rondte.
En bleef dat doen, maar maakte in zijn zaterdagcolumn toch even melding van de briljante opmerking die hij tijdens een recente kraamvisite een onbehouwen oom had horen maken. Die oom had zich met zijn glas jenever over de wieg heen gebogen, en tegen de kersverse ouders geroepen: "Ach, zoals ze in Rusland zeggen: ‘De eerste pannekoek is altijd een klont.’"

Tadaah! Ons weekend was nu al goed.

Ik ga ze missen, z’n schrijfsels.
In de jaren daarna heb ik de schrijver trouwens een paar keer ontmoet. Op dichterspodia. Hij was ontzettend lang. En aardig. En verlegen.
Een hele lieve man.

De eerste keer was tijdens de bekendmaking van de VSB-poezieprijsnominaties in de Rode Hoed, pakweg 7 jaar geleden. Een stijve bedoening. De schrijver moest optreden en zat in afwachting daarvan net als L. en ik op de achterste rij.
L. en ik waren stoned. De schrijver niet. De schrijver zat in de knoop met zijn benen, die eigenlijk te lang waren voor de ruimte tussen zijn zitplaats en de stoelenrij voor ons. Hij verlegde ze keer op keer van plek om geen kramp te krijgen.
Net op het moment nadat ie werd aangekondigd en het ontzettend stil was in de zaal, verlegde hij zijn benen nog een laatste keer, en prompt flikkerde al z’n losse kleingeld uit z’n broekzak. Een kletterend geluid rolde alle kanten op.
De schrijver zat vervolgens zichtbaar met een dilemma: het podium oplopen, of toch eerst even die euro’s (of misschien nog wel guldens) bij elkaar sprokkelen.
Breed had ie het niet, dat wist ik uit z’n columns.

L. en ik viste er een paar van de grond voor ‘m bij elkaar.
We giechelden.
De schrijver knikte beleefd, en zei dankjulliewel. Daarna droeg ie wat gedichten voor die later zouden komen te staan in "Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten."
Op zich al een titel waarbij je niet al te veel geblowd moet hebben.
Maar bij het gedicht over Mozart die via een timewarp in de 20e eeuw was beland en dwangneurotisch met een aan/uit lichtknopje liep te pielen kregen we ongeneeslijk de slappe lach en besloten we dat het misschien beter zou wezen voor iedereen om de pleiterik te maken.

Wat we overigens niet deden. Want zoals dat gaat als je stoned bent: elke mogelijke beslissing herweeg je eindeloos, net zolang totdat het te laat is om ‘m uberhaupt te effectueren. Maar vooral: de rest van dit optreden wilden we niet missen, want dit was nou eindelijk eens een goeie dichter.

Adriaan Jaeggi.

Iets anders. In november 2005 kwamen er voor het eerst ongelooflijk veel bezoekers op plukdenacht. Ik had in eerste instantie niet door wat er aan de hand was, totdat ik er door vrienden/collega-dichters op werd geattendeerd dat de schrijver in zijn column voor de Volkskeuken deze site als onderwerp had gekozen.
En op zijn eigen webzijde had ie ook een link aangemaakt. "Jaeggi reads plukdenacht en bieslog exclusively".

Kortom, ik heb wat aan ‘m te danken.

Nog iets anders. Pas was ik, totaal toevallig, brieven aan het lezen tussen F. Scott en Zelda Fitzgerald (gekocht op de ‘grootste boekenmarkt ter wereld’ die afgelopen maand mei in Amsterdam werd georganiseerd), en verdorie, nu ik ‘Held van Beroep’ er weer bij pak, zie ik dat het opent met twee citaten van de bewuste echtelieden als motto.

‘Learn young about hard work and good manners – and you’ll be through the whole dirty mess and nicely dead again before you know it.’ – F. Scott.

‘I’ve never seen a storm at sea. I suppose it will be a fiasco after all they’ve led us to expect.’
‘The theory is not to drown, I believe.’
– Zelda.

Of die twee motto’s de schrijver typeren, wie zal het zeggen? Volgens Maarten Moll, die een mooi In Memorium schreef (hier digitaal te lezen), was het een man met een grenzeloos optimistisch karakter. En tot het laatste ogenblik een schrijver. Dat laatste geloof ik in ieder geval. En ook dat eerste is onvermijdelijk waar.

Want zo zijn helden.