Budapest

Budapest

is ontzettend relaí. Serieus. Helemaal mijn stad. Ze zitten er allemaal al vanaf 11.00 ‘s ochtends grote pilsen te hijsen op al die terrassen van ze, en ‘s middags verkassen ze naar 1 van hun 8 stijlvolle thermische badhuizen om daar in water van 38 graden celsius buiten een potje te gaan zitten schaken en alles.

Schaken_in_bad

Ik ben er geweest van afgelopen vrijdagmiddag tot en met vanmorgen maandagochtend, en ik heb er in dat hele lange weekend om precies te zijn 0 (nul!) politie-agenten gezien. En toch loopt er alles op rolletjes. Niemand is agressief. Integendeel. Zelden een miljoenenstad gezien waar zo weinig werd getoeterd in het verkeer als in Budapest.

Plus: ze hebben geen rookverbod. Niet in de horeca, en zelfs niet op de luchthaven. Maar boekwinkels daarentegen, daar wemelt het van.

En had ik al gezegd dat ze prachtige gebouwen hebben? Ze hebben prachtige gebouwen.

Kerkkoepel_baselik

Het is er bovendien nog steeds relatief goedkoop. Een halve liter Sökör (spreek uit: ‘Sjeur’) kost er zelfs op de toeristische terrassen eigenlijk nooit meer dan 1000 forint (2,50 euro), en als je settelt voor een authentiekere locatie kan je makkelijk uit de voeten met een briefje van 500. Hongaarse champagne, die zich trouwens prima kan meten met de betere prosecco’s, is meestal nog goedkoper.

Natuurlijk, het voormalige communistische land is sinds de val van de muur en vooral sedert de toetreding tot de EU zwaar aan het verwesteren. Je kan er tegenwoordig tamelijk normaal eten en van de grote 4 uit de klassieke Oostblok-auto-industrie, te weten de Trabant (Daf-imitatie), de Dacia (gekopieerde Renault 12), de Wartburg (Simca 1000) en de Lada (tsja), zie je er nog maar verdomd weinig rijden.
En dat laatste is jammer.
Maar als ze er vanaf nu de tijd gewoon weer stil zouden zetten, dan zitten ze daar voorlopig gebeiteld.

Advertisements

Logees

En dat soort dingen. Ik bedoel, het is echt raar.

Ik ben echt dronken en ik zit maar wat te draaien op mijn pick-up. Te draaien wat ik wil draaien.

Actuele situatieschets: een opgeblazen tweepersoonsluchtbed, een klamme slaapbank en wat slechte Simon & Garfunkel. Genoeg kortom voor de logees, de drie personen die mijn vrienden zouden kunnen representeren. En ze liggen hier en daar dan ook thans vet te snurken in mijn woning, en het maakt ze verder allemaal niets uit.

Mij wel. Mij maak het wel iets uit.

Niet dat ik plotseling Simon & Garfunkel okay vind, begrijp me niet verkeerd. Die zijn kut. Maar ik draai het.

Wat zal ik zeggen?

Iedereen snurkt natuurlijk. Iedereen snurkt verschrikkelijk. Snot moet nu eemaal naar buiten, zoveel is duidelijk. Vanavond ben ik getuige van jongens die deze gewoonte niet maskeren, maar juist etaleren. Alsof het iets stoers is. Iets mannelijks.

Het zijn mijn beste vrienden en ik hou van ze.

Ik sla ze gade; ze slapen. Ze slapen allemaal. Heel lief.

Dit zijn mannen.

Er zitten vaders tussen.

En daar wordt niets aan gedaan.

En nu moet ik naar Budapest.

Nieuw op L's portretten: portret van de week!

Met deze week een portret van mijn favoriete schrijver allertijden. Wie dat is? Als ik tegen jullie zeg:

If you really want to hear about it, the first thing you’ll probably want to know is where I was born, and what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, and all that David Copperfield kind of crap, but I don’t feel like going into it, if you want to know the truth.

dan weten jullie uiteraard al over wie ik het heb.

He wrote this terrific book of short stories, The Secret Goldfish, in case you never heard of him. The best one in it was "The Secret Goldfish." It was about this little kid that wouldn’t let anybody look at his goldfish because he’d bought it with his own money. It killed me.

Nee, dat gaat niet over de schrijver, maar over D.B., de broer van de protagonist uit het bekendste boek van de schrijver.

Maar goed, daar had ik het niet over.
Ik had over de website van mijn liefje, die ze sinds kort elke week verrijkt met een vers "portret van de week".

Met deze week dus uniek materiaal; een portret van een man van wie nauwelijks foto’s bestaan, daar hij al bijna 50 jaar niet meer in het openbaar is verschenen.

Het portret is geinspireerd op mijn lievelingsverhaal uit "Nine Stories"; "A Perfect Day for Bananafish.*)

Dus allen daarheen om te klikken [klik!]

En volgende week uiteraard weer!
Komt ze tenminste ook eens een keertje op google.

*) het verhaal is hier gratis na te lezen op het www.

Erasmuspark

Het was donderdagavond, kwart voor 7. Ik fietste op m’n gemakkie naar het Erasmuspark in Bos en Lommer. Normaal voetbalden we in de gymzaal van de oude Bakkersschool, maar het was mooi weer en Ivo, de goser die het geheel doorgaans zo’n beetje organiseerde, had ons gesommeerd naar het park te komen.

"En neem een fles water mee", had ie in z’n emailtje geschreven, "want het zal flink zweten worden."
Dus ik had een fles water in m’n rugzak zitten. Plus een paar blikken pils voor de zekerheid.

Het Erasmuspark. Ik had het moeten opzoeken via internet. Ik wist niet eens dat ‘t bestond in Amsterdam. Ik kende het Erasmuspark alleen uit Rotterdam; een groot uitgevallen plantsoentje in de Museumbuurt.
Een paar lullige vierkante meters gras en beplanting, die bovendien het enige groen representeren in de totale Rotterdamse binnenstad. Maar dat is natuurlijk logisch want Rotterdammers hebben zoals iedereen weet een teringhekel aan menselijk welzijn.
Zo veel, zo hoog en zo lelijk mogelijke kantoorgebouwen is aldaar het parool, zodat ze zoveel mogelijk kunnen werken. Want voor wie het nog niet wist, daar houden ze van in Rotterdam: werken. Zelfs als het mooi weer is. En in dat hele godvergeten Erasmuspark verkeerde dan ook nooit een levende ziel, weet ik me nog te herinneren uit mijn Robeco-tijd, laat staan in de musea. Echt een aanrader dus, die kunstHal bijvoorbeeld aan de rand van het Rotterdamse Erasmuspark, je hebt er de wereld voor jezelf.
Maar ik dwaal af.

Ik fietste het Amsterdamse Erasmuspark binnen, by the way ook niet veel meer dan een groot uitgevallen voetbalveld met een carreetje eikenbomen en een fietspad eromheen, maar alle pakweg 20 bankjes rond het gras waren bezet door jonge gesluierde Moslima’s en op het veld waren zo’n tien Marrokaanse gosertjes een beetje aan het pielen met een bal.

Bij de eerste de beste boom na de brug van de entree stonden drie van mijn oerwitte voetbalvrienden een sigaretje te roken.
"Hoi", zei ik, en vergrendelde mijn fiets.
"Hoi", zeiden ze terug.
"Gaan we hier voetballen?" vroeg ik.
Ze haalden hun schouders op. "Misschien", zei iemand. Ivo deed er een veelbetekenend stilzwijgen toe.
Ik was blij dat ik die blikken pils had meegenomen.

Iemand van ons vier, het zal waarschijnlijk Paulie zijn geweest, een 40-jarige Engelse lad met een flinke pens, viste op een gegeven moment de lederen bal uit de fietstas van Ivo, en knalde ‘m 100 meter hoog de lucht in.
We tuurden ‘m na en volgden de val. Met name of ie op de kop terecht zou komen van een van de Marrokaantjes. 
Hij sloeg uiteindelijk in vlak naast de grootste van het stel.
Die ‘m na de eerste stuit beheerst controleerde, ‘m 30 keer hooghield en vervolgens soepeltjes terugpasste in de voeten van Paulie.
"Dat is aardig van ‘m", zei Ivo.
Paulie haalde z’n schouders op en maakte bewegingen die duidden op de voorbereiding van een nieuw bombardement.
"Doe maar niet", zei Ivo.
"Fuck them", zei Paulie, en lanceerde een nog hogere vuurpijl.
Dit maal miste ie op een haar na de kleinste van de allochtone gemeenschap, maar ook dit gosertje, legde de bal na de eerste stuit keurig dood op z’n Nike Air, deed er wat onmogelijke trucjes mee waarin handstands een grote rol speelden, en passte de bal weer keurig terug in de voeten van Paulie.

"Kappen nou Paulie", zei Ivo.
Paulie haalde zijn schouders op, ging liggen tegen de boom, trok een blik van zijn eigen meegenomen pils open en stak een sigaret op; "Whatever."

Ondertussen druppelden onze andere voetbalvrienden het park binnen. 6 in getal. We waren nu met z’n tienen.
"Misschien is het leuk", opperde de naiefste van ons, het zal waarschijnlijk Remco zijn geweest, een kei-vrolijke immer-positieve import-Amsterdammer uit Brabant, "als we een partijtje kunnen spelen tegen die andere jongens!"
"Vergeet het maar", zei Ivo, "die tikken ons totaal van de mat. Ze zijn goed man, moet je eens naar ze kijken!"
"Daar gaat het toch niet om!?" zei Remco, "het gaat er toch om dat het gezellig is?"
"No way", zei Paulie, die nog maar eens een verse pils open trok, "assholes."
"Ze zullen waarschijnlijk niet eens willen", zei Ivo.
"Ik ga het ze gewoon vragen", zei Remco.
En verdomd daar ging ie al.

We zagen ‘m in de verte handjes schudden. En voor we het wisten ‘we were on’.

De Marrokaantjes bleken bij nadere telling met z’n achten te zijn. En tien tegen acht, dat is niet eerlijk. Vond Remco.
Wij wisten dat we zelfs kansloos waren geweest met 20 tegen 8, maar Remco persisteerde en de Marrokaantjes mochten dus iemand uit ons midden kiezen die met de allochtonen mee zou spelen, opdat het 9 tegen 9 zou zijn.
De Marrokaantjes kozen Paulie.
"Hij kan vet hard schieten man!", motiveerden ze hun keuze.
Paulie haalde voor de vorm zijn schouders nog maar eens op; "well allright then", zei ie.

Daar gingen we.

We werden gedold als gekken. Binnen tien minuten had ik al drie panna’s door m’n benen laten glippen. En daarmee behoorde ik nog tot de minst beschaamde helft van ons team.
Na een kwartier verloren we Peter, een van onze beteren, die na drie dubbele scharen van een watervlugge Mocro, van duizeligheid vergat wat z’n standbeen was en in een kansloze maar dappere poging dit de herstellen, z’n enkel zag dubbelklappen, en met veel ge-auw-auw naar de ouwe trouw eikenboom moest worden vervoerd, waar ie met koude halve liters trachtte het risico op al te overdreven zwellingen te beperken.
Paulie ging naast ‘m zitten, want dan was het tenminste 8 tegen 8, en weer eerlijk, en bovendien was het zijn bier.

We waren bij voorbaat al kansloos met onze houterige techniek en onze gebrekkige conditie, maar nu ook nog zonder Peter, werden we helemaal afgedroogd.
Na 20 minuten stond het 4-0.
En Remco bleef maar complimenteren: "wat een mooi hakje", "wat een schitterende goal", "jammer dat die omhaal net naast ging, dat zou echt een prachtig doelpunt van jullie zijn geweest."

‘Fuck’, dachten wij, ‘flikker op Remco.’
Of zoiets.
Natuurlijk, wij geloofden ook in een multiculturele samenleving, maar we wilden wel winnen.

Bovendien speelden ze vals, die ploerten. Als je in de drukte de bal had en werd belaagd door drie tegenstanders tegelijk, kortom als je zo snel mogelijk de bal wilde afspelen naar een vrije man, riep een van die gosertjes verderop: "Sven! Hier! Op links!"
En als automatisch speelde je ‘m dan de bal toe.
Die hij dan uiteraard breed grijnzend in ontvangst nam, en de counter inzette.
Man, het was echt ongelooflijk hoe snel die knaapjes onze namen in de smiezen hadden.

Voor ons was het geen doen om hun namen te leren. Zij noemden elkaar namelijk niet bij de naam. Ze riepen alleen maar ‘Kammeraht! Kammeraht!’

En tegelijkertijd werd dat hun ondergang.
Ze pingelden. En ze pingelden goed. Briljant zelfs. Maar afspelen was er niet bij. Nooit ging de bal naar een ‘Kammeraht’.
En toen wij zulks eenmaal in de peiling kregen, werd het iets gemakkelijker verdedigen.
Want je kan 1 houterige klaas voorbij komen, en 2, en 3, en 4, maar 6 achter elkaar dat is alleen Maradonna gelukt, en 8 dat lukte om een gegeven moment zelfs de Marrokaantjes niet meer.
En als oppepper maakten wij bovendien met een afgekaatst schot vanuit de verte per ongeluk de 4-1.

Om een lang verhaal kort te maken: wij wonnen. Wij wonnen uiteindelijk met 10-9.
Wij konden onze lol niet op, wij waren uitzinnig van vreugde.
We deden een dansje.
De Marrokaantjes kwamen ons de hand schudden.
Heel sportief.
Ze grijnsden.

En iedereen van ons die het wilde weten, wist het: ‘ze hebben ons laten winnen.’
Het donderde niet.
We namen een pils.
Het
was een mooie wereld.

ArtAmsterdam

Het was vandaag de laatste dag van mijn vrije Pinksterweekend, en als ik een beetje hersens in mijn kersenpit zou hebben gehad, dan had ik ‘m andermaal besteed aan een stevig potje apatisch vegeteren op mijn dakterras, maar de feiten wilden nu eenmaal dat ik mezelf had beloofd naar de jaarlijkse KunstRai te gaan (die trouwens tegenwoordig ArtAmsterdam heet, waarom weet ik ook niet, maar waarschijnlijk omdat zo’n nieuwe naam een stukje beleving uitstraalt naar de mensen toe, of iets dergelijks), maar goed, ik was dus vies de lul.

Nee, dat laatste lieg ik. Laat ik eerlijk wezen: ik had er zelf best zin in: de jaarlijkse KunstRai.
Okay, je moet schandalig veel geld (18 euro pp) neerleggen om een toegangskaartje te scoren, maar daarna mag je je mengen met een rare mix van publiek dat bestaat uit slanke, kortgeknipte 50+ vrouwen in hun artistiekerigste jurkjes, bijbehorend wezenloos voor zich uitstarend manvolk met een gedateerde Sony-camera om hun nek, jonge kunstacademie-studenten met onlogische kleding en kapsels waarin serieuze explosies hebben plaats gevonden, en voor de rest tout snobistisch Nederland.
Lachen man.

Serieus, ik bedoel dat niet ironisch, ik vind het oprecht goed toeven op plekken waar bij de meeste mensen een steekje los zit. Of niet zozeer los, maar soortgenoten die gelijk mijzelve net iets anders in elkaar zijn gefabriceerd; mensen die (denken dat ze (moeten)) houden van kunst.
Over het algemeen zijn dat prettige medewezens.

Ik was net aan komen fietsen, en liep linea recta door naar de bar in de Zuidcorner, omdat je daar vorig jaar nog mocht roken.
Ik dronk een pils.
"Hallo!" zwaaide iemand.
Fuck, dacht ik, niet nu al! Het mogen dan over het algemeen prettige mensen zijn, die kunstliefhebbers, maar laat me alsjeblieft eerst even een pils drinken om te aclimatiseren.

De begroetende persoon bleek Ralph, de barman uit kunstenaarssocieteit de Kring. Aardige knakker. Ex equo met Jorrit van Festina Lente prijkt ie al jaren op de nr 1-positie van mijn lijst ‘beste Amsterdame horeca-werknemer van het derde millenium’.
"Wat vind je er totnutoe van?" vroegen Ralph en zijn vriendin.
Ik aarzelde.
"Ik ben er net", verklaarde ik.
"Wat vinden jullie?" vroeg ik.
"Tot dusver niet veel soeps" zei Ralph, "maar we hebben alleen nog maar het eerste laantje gezien."
"Het eerste laantje is nooit veel soeps", zei ik om het gesprek te stroomlijnen. En vooral om het op gang te houden.

En een gang had het.

"Wie weet zien we je straks nog", zeiden Ralph en zijn vriendin.
"Ja", zei ik terug.
"Of anders weer in de Kring, tijdens de dichtersavond. Dat is ook alweer binnenkort."
"Morgen, om precies te zijn", zei ik.
Ralph dacht even na. "Verrek", zei ie toen, "Inderdaad. Misschien is het een leuk idee om elkaar dan te vertellen wat we het mooiste schilderij vonden."
"Dat is inderdaad een leuk idee", zei ik.

Ik wist niet of ik er blij mee moest zijn, maar nou had ik tenminste wel een opdracht.
"Hoe heet die goser ook alweer?" vroeg ik aan mezelf.
Ik moest even passen.
"Ik denk altijd dat ie Bob heet", zei ik hardop in mezelf, "omdat ie sprekend lijkt op die man uit Twin Peaks, maar dan jonger. En aardiger. Maar goed, hij heet in ieder geval dus niet Bob. De kwestie is: Hoe wel?"

Ik had daar in het verleden al een hoop blunders mee gemaakt. Op dronken momenten dat ik dacht het te weten. Het vaag vermoedde me te herinneren.
En hoewel ik wist dat het niet waar was, dacht ik altijd dat het toch waar was, domweg omdat ik het me niet anders kon voorstellen. Want hij was het gewoon. En dan riep ik opnieuw aan de bar: ‘Bob’.

Pas laat vanavond, schoot tijdens het eten op het terras van het Turkse restaurant Aspendos op de JPH, me plotseling de werkelijkheid weer eens te binnen: Ralph.

Maar dat allemaal terzijde.

Ik had een opdracht. Te weten: het mooiste beeldend kunstwerk selecteren uit de collectie van de KunstRai ArtAmsterdam.

Ik kan jullie mededelen: Zulks valt niet mee.

Want natuurlijk, over smaak valt te twisten en dat soort gedoe, maar los daarvan: er was wat mij betreft dit jaar niets wat er echt bovenuit sprong. Edoch, wat vergeleken met vorige jaren opviel:

– Er waren veel Japanners en Chinezen die hun hoge gebouwen uit Tokyo en Hong Kong hadden gefotografeerd en ze verkochten a 4600 euro per stuk.
– Er waren een hoop plastisch geschilderde en gebeeldhouwde vagina’s.
– Het milieu leek een issue getuige de grote reeks aan kunstwerken waarin boompjes een voorname rol speelden; ze groeiden overal. Uit hersenen, uit kattenlijven, uit kasten en boeken, uit snelwegen en vulkanen, tot aan uit hooggehakte schoenen aan toe. Eenvoudige conclusie: Boompjes waren ontzettend in.
 

Maar kan ik daar iets mee in de rest van dit verhaal?
Neen.

Wat dan wel?

Ik heb 10 werken geselecteerd die voor mij in aanmerking komen voor een bijzondere vermelding. Komen ze:

S4021002

Omdat Chinezen heersen. Chinezeressen op kop.

S4021000

Omdat het lijkt op het gezin waar mijn vader uit stamt.

S4021007

Vanwege de titel: ‘Hardlopen met maar 1 schoen helaas’. Briljant.

S4021011

Zoals gezegd: de Chinezen heersen. Net als boompjes.

S4021019

Jonge kunstanares die een chagrijnige Pipi Langkous liet figureren in diverse trollenschilderijen; deze was getiteld: Dreamteam.

S4021021

Omdat ik hou van boze meisjes.

S4021022_2

Vooral als ze lief blijken te zijn.

S4021030

Dit vond ik het mooiste schilderij, Bob!

S4021031

Vanochtend nog op het dakterras herlas ik ‘Een dag van Ivan Denisovitsj’ van de bekende Nobelprijswinnaar. Het boek gaat over schijten in een ton. Qua toeval.

S4021029

C’est moi.

Our house

Be jealous.

Uitzicht_zuidas_2

Uitzicht Zuid. Met op de achtergrond het hoofdkantoor van de ABNAMRO. Ik moet me dagelijks inhouden om niet te zwaaien.

Nlkkas 

En ja Sana, dat had je goed gezien. Er is inderdaad nog plek voor een handdoekje. Een oud handdoekje weliswaar, uit de tijd dat ik nog bij de AEX werkte, maar hij kleurt goed bij de planten. Rechts daarvan probeer ik tomaten te kweken (gaat lukken).

Rododenderon

Okay, zonder lelijke handdoek dan. Featuring mijn Rododenderon, plus mijn vorige exemplaar uit de categorie  ‘ideale witte Amerikaanse verandastoel’. En niet te vergeten de zwaar onderschatte geveltjes uit Oud-West.

Uitzicht_west

Uitzicht andere West.

Of wacht, zo is het mooier:

West2_2

En in het noorden kijk ik uit op de Westertoren. In het oosten op het Rijksmuseum.
En o ja. Voor de rest zit ik de hele dag te zuipen te roken en te BBQ-en, en in de tijd die ik overhou loop ik te lanterfanten.