Oranje

Omdat het vandaag koninginnenacht/dag is en ik niet in staat ben om al te veel te schrijven, voor de gelegenheid wat van mijn persoonlijke Oranjegerelateerde top 3’s.

Mijn Top 3 van favoriete Koningshuisfiguren:

1. Koningin Juliana (omdat ze zo lief was)
2. Prins Claus (omdat ie zo lief was)
3. De vrouw van prins Claus (omdat ze altijd zo lief naar ‘m keek)

Mijn Top 3 van favoriete oranje etenswaren:

Let op: eigenlijk lust ik sinds 1976 geen oranje-etenswaren (heeft te maken met een trauma uit mijn jeugd, toen ik van mijn 3 franc vakantiegeld bij een tankstation op de Franse peage, zeer tegen de zin van mijn vader in, stiekem een sinasappelpushup-ijsje had gekocht, en het toen "verdomme moest opvreten ook", waarna ik de hele auto onderkotste, en een verdere toelages voor de rest van de vakantie op mijn buik kon schrijven), maar er zijn een paar uitzonderingen:

1. Paprikachips

En dat was ‘m alweer.
Verder zijn er geen uitzonderingen. Ja, zo heel afentoe trap ik er in om een zigeunerschnitzel te kopen, maar ook dat loopt meestal slecht af, gelijk de ervaring met die sinasappelpushup.

Mijn Top 3 van favoriete Oranje-spelers:

1. Johan Cruijff (allertijden)
2. Marco van Basten (EK 88; de 2-1 tegen Duitsland, en uiteraard de 2-0 in de finale)
3. Dennis Bergkamp (de 2-1 tegen Argentinie in de WK-kwartfinale van ’98)

Mijn Top 3 van favoriete oranje verschijnselen:

1. De zonsondergang
2. De zonsopkomst
3. Pakjes Rizla-vloei

Mijn Top 3 van favoriete dingen die oranje waren tijdens mijn jeugd in de de jaren 70:

1. De omkapping en voet van de lamp op mijn nachtkastje waarmee je dankzij een draaibare halve bol elke willekeurige maanstand kon suggereren.
2. De Renault 4 van mijn tante.
3. En voor de rest ook alles wat oranje was. Of bruin. Of paars, want ik was in de jaren 70 zooo jaren zeventig. Ik was tussen de 1 en de 11 jaar oud en voelde me een enorm hippe vogel met mijn houtje-touwtje jassen, kralenkettingen en leren handtasjesfetisj.

Even tussendoor: Ik vond destijds mijn moeder helemaal te gek, en kopiejeerde achteraf gezien natuurlijk gewoon enkel haar gedrag, dus dat je niet denkt dat ik een homo was geworden ofzo, ik bedoel, ik was een kind, die kunnen helemaal geen homo worden, want die zijn het allemaal nog, maar toen begonnen plotseling de tachtigerjaren en bleek ik het wel degelijk of zoiets.
Vonden tenminste mijn middelbare schoolgenoten.

En daar wilde ik op zich in al mijn aangeleerde ruimdenkendheid en met mijn openstaande geest best in meegaan, maar daarmee zadelde ik mezelf wel indirect op met een probleem, namelijk: ik viel niet op jongens.
Of op mannen.
En ik kan je vertellen, dat is best lastig voor een homo.

Ik bedoel, beken het maar eens aan je klasgenoten: Dat je je ‘s nachts (en ‘s ochtends, en ‘s middags ook nog 2 keer op de schooltoiletten, want zo gieren die hormenen als je 15 bent) eigenlijk alleen maar stiekem loopt af te trekken op meisjes.

Dat hou je niet lang vol, en op een gegeven ogenblik moet je wel uit de kast komen en sta je voor je het weet hortestotend en schutterend op het schoolplein te stamelen tegenover je schamele schare homo-gedogende vrienden, wier ogen zich, zodra je begint te spreken, stuk voor stuk strak richten op de rondingen die zich de laatste maanden onder je ruggegraat beginnen te ontwikkelen, van: "Euhh…"
"Euhh..", zeg je nogmaals, ten teken dat je het woord wil gaan voeren.
"Ja", zeggen ze dan afwezig.

Je weet niet wat je moet zeggen. En ik weet eerlijk gezegd ook niet meer de woorden waren die ik destijds heb uitgesproken.
Misschien zei ik: "Ajax nog gezien, gisteren?"
Maar waarschijnlijk niet. Ajax zou niet genoeg zijn geweest om duidelijk te maken dat je stiekem hetero bent.
Integendeel. Bij Ajax speelden de mooie jongens, net als bij de Italiaanse clubs waar sommigen zelfs elke dag hun haren schenen te wassen, en te fohnen.

Het doet er allemaal niet meer toe.

Veel dingen doen er niet meer toe. Het maakt achteraf allemaal niet zoveel uit. Zolang je maar een lief iemand bent, en zorgt dat je verder niet al te veel last hebt van de rest van de wereld, maar er wel zo afentoe iets voor kan betekenen.
Zo een soort iemand was mijn favoriete Koningin allertijden.

Juliana_de_smoker

Vandaag zou ze 98 zijn geworden.

Proost Juliana, en ik ga vandaag voorwaar nog het een en ander op je drinken.

Advertisements

Kei-goed

Ik voel me kei-goed! Ik voel me kei-goed!
Ik doe lekker wat ik wil
Ik voel me kei-goed, ik voel me kei-goed
en ik gooi een extra haantje op de grill

zong Hans Teeuwen ooit in zijn eerste programma.
En vandaag zong ik het. Man, wat kan ik ontzettend vrolijk worden van mooi weer.

De lente is laat dit jaar, maar gisteren sloeg ie in volle hevigheid toe. Op de thermometer op mijn dakterras steeg het kwik tot 21 graden in de schaduw. Mijn hortensia’s en tulpen vonden dat wel lachen:

Tulpen

Over tulpen gesproken, ik heb vorig jaar november op de Bloemenmarkt een geniaal ras bollen ingeslagen. De verkoper beloofde dat ze zouden uitgroeien tot tulpen die op roze pioenrozen zouden lijken.
"You’re kidding me", had ik gezegd.
"I am not", had de verkoper gezegd, "where are you from?"
"Oud-West."
"Really!? Very nice country! I’ve never been there myself, but a friend of mine always goes there on vacation. Anyway, I garantee you: these tulips, when they come out, they look like pink pioenroses, your girlfriend will love them! Do you have a girlfriend?"
"Yes", zei ik.
"Believe me, she will adore them."
"Okay", zei ik, "doe maar twintig bollen dan."

Erg veel fidusie had ik er niet in gehad toen ik ze nog diezelfde novembermiddag onder de aarde stopte, maar verdomd:

Tulpenpioen

En L. vindt ze inderdaad geweldig.

Wat we ook geweldig vinden zijn onze appelboompjes op het balkon die in volle bloei staan. En de witte veranda-stoel die we eerder dit jaar als bouwpakket hadden gekocht in Loods 5 te Zaandam.
Het ongekende zitcomfort van het uitgestalde show-model had ons destijds tot de aankoop verleid. Dat er enkel een handleiding in het Chinees verkrijgbaar was teneinde de twintig verschillende houtonderdelen en een veelvoud aan schroefjes tot stoel te smeden, kon me op dat moment geen flikker schelen. Ik zou dat gemakkelijk voor elkaar weten te boksen vermoedde ik, gezien mijn indrukwekkende staat van dienst als autodidact Ikea-monteur, die inmiddels voor diverse vrienden alsmede mijzelve alle hits uit de catalogusreeks van de afgelopen twee decennia, al vele malen in- en uitelkaar heeft gesleuteld, met uiteindelijk altijd een min of meer bevredigend resultaat.

Dus dat het betreffende meubel er na montage in ieder geval ongeveer zo uitziet als op het plaatje.
Mijn geheim? Improvisatie.
Dat en het gebruik van onvoordehandliggende hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld een tuitje van een luchtbedpomp als verbindingselement, of dingen met lege kattenvoerblikjes en sjoelschijven om pootjes op te hogen, ik noem maar wat.

Maar eerlijk is eerlijk, aan die witte veranda-stoel van Loods 5 had ik voorwaar een zware dobber. Van de Chinese handleiding klopte letterlijk geen hout, en op alle plaatjes zaten de gaatjes precies anders dan ze in werkelijkheid hadden gemoeten, met als gevolg dat ik zo’n beetje alle moeren nutteloos lamdraaide in de verkeerde schroefmondjes, die ik daarmee op de koop toe eveneens om zeep had gebracht, zodat er uiteindelijk niets anders op zat dan die ouwe trouwe hamer bij de lurven te vatten en er een bataljon aan goudeerlijke spijkers doorheen te jassen.
Oftewel old school meubelmakerij.
Met wat aan elkaargetimmerd openhaardhout stutte ik het geval op de zwakste plekken, et voila, voor de buren lijkt het weer net alsof we weten wat het is om hip te zijn:

Stoel

Maar het beste blijft toch de elektrische barbeque die we eerder dit jaar in de Kampeerwinkel (ook Zaandam – echt een aanrader!) hadden aangeschaft voor slechts 15 euro.
Ik weet dat het niet romantisch is, en dat kooltjes veel lekkerder ruiken enzo, maar toch. Terwijl de overbuurman van de linkerkant met een lekkende fles spiritus in zijn hand en zijn ogen schuin richting het scherm van de naar buiten gesleepte TV waarop de KNVB-beker-finale tussen Feyenoord en Roda JC werd gespeeld, in een steekvlam zijn haar verloor, daar roosterde ik rustigaan mijn banaan en halve frikandel:

Bbq

Ik voelde me kei-goed.

Bureau Veldkamp

Het was een rustige dag bij de afdeling Marketing van de ABNAMRO vandaag. De helft van onze kantoortuin was deze vrijdag al met mei-vakantie, wat de andere helft ertoe inspireerde het vooral kalmpjes aan te doen. Er werd volop gefreecelled, geminesweeperd en gepatienced en ook het internet bleek nog niet door iedereen te zijn uitgelezen.

Ik hou van dit soort werkdagen. De boog moet immers niet altijd gespannen zijn. Hardlopers zijn doodlopers en meer van dat soort spreekwoorden strekten zich gapend uit in mijn hersenpan. Vandaag gingen deze cliche’s het er eens goed van nemen, besloten ze.
Of eigenlijk besloot ik dat. Of eigenlijk cognitief gezien een van de ongeschreven wetten op onze afdeling, maar ik dwaal af.

Want daar wilde ik het helegaar niet over hebben. Ik wilde het hebben over de beroepsgroep schrijvers. Want die verkeert in zwaar weer. Las ik vanmiddag op internet.

Via het stukje schrijvers 1/2 modaal op de Contrabas, belandde ik in een post op de site van ‘de Papieren Man’ met de titel Helft van Nederlandse auteurs kan het niet bolwerken met zijn inkomen.
Dat op zijn beurt verwees naar Het rapport ‘Schrijfinkomsten van auteurs’ dat de Vvl (de Vereniging van Letterkundigen) had laten fabriceren door marktonderzoeksbureau Veldkamp, en dat danig de noodklok luidde inzake de financiele omstandigheden van onze nationale auteurs.

Interessant, dacht ik.
Want ik wilde al jaren weten hoe dat nou feitelijk zat, met die financiele omstandigheden als ik in een dolle bui mijn goeie baan zou opzeggen om me op de schrijverij toe te gaan leggen.
‘Hoeveel zou zo’n knakker nou gemiddeld verdienen per geinvesteerd uur?’ had ik al die jaren gepeinsd, en ‘hoe zit dat precies met verzekeringen en pensioen?’
Dat het qua geld geen lolletje zou worden in vergelijking met mijn huidige betrekking was me allang duidelijk geworden middels bilaterale gesprekken in de kroeg met diverse vertegenwoordigers van het metier, maar voor de exacte cijfers kon een inkijkje in een gedegen onderzoek natuurlijk geen kwaad.

Dus ik heb het vanmiddag, tijdens deze rustige werkdag, met volle overgave gelezen, dat rapport van bureau Veldkamp. Alle 50 pagina’s.

Christ.

Wat bleek dat een ver-schrik-ke-lijk SLECHT onderzoek. Zo beroerd uitgevoerd zie je ze niet vaak.
Als dat onderzoek zou zijn uitgevoerd in opdracht van onze Marketingafdeling op de ABNAMRO en op deze wijze in zo’n flutrapport zou zijn gepresenteerd, dan had het betreffende bureau vanmiddag al een vette schadeclaim aan de broek gekregen.
Maar het was in opdracht van de VvL, de Letterkundigen, en die hebben er waarschijnlijk de ballen verstand van, en misschien de vette factuur zelfs al betaald.

Het is voor jullie, lieve lezers allemaal niet zo interessant. Ik bedoel, ik kan hier dat onderzoeksrapport zin voor zin, pagina voor pagina, en vooral in gehele opzet genadeloos gaan fileren, maar daar zit niemand op te wachten.

Even kort door de bocht: Het is een rapport dat wemelt van de keiharde, opzichtige fouten.

Okay dan, als je het echt nodig vindt dat ik mijn beweringen staaf, een klein voorbeeldje: Neem de grafiek en bijbehorende onderstaande tekst op bladzijde 12. Over verdiensten van schrijvers uit ‘andere werkzaamheden’.
Moet je voor de gein even naartoe scrollen. In 2006 doet 51% daar niet aan, 46% verricht ander werk voor tussen de 1 en 8 uur per week, en 3% doet dat voor 40 uur of meer. Er tussenin zit niets. Op zich al een verdeling die argwaan op zou moeten wekken, maar de conclusie die bureau Veldkamp daaruit trekt is helemaal absurd. 
Die zeggen keihard: Gemiddeld besteedt men dus in 2006 13 uur aan ‘andere werkzaamheden’.

Voor de grap heb ik het nagerekend. In het gunstigste geval voor bureau Veldkamp: Als 51% 0 uur per week werkt, en 46% per week (1 tot) 8 uur, dan moet die overige 3% dus meer dan 300 uur per week werken om tot een gemiddelde te komen van 13 uur.

Laat nu een week, ook al slaap je alle 7 dagen niet, en werk je elke volle minuut, slechts 168 uur tellen.

Fuck man.

En geloof me, het is niet het enige voorbeeld (kom maar op met dat pagina-nr, I’ve got more than a 50% shot). En dat zijn dan nog slechts de schoonheidsfoutjes.
Afgezien daarvan, en dat de vragenlijst totaal knudde is (maar die is dan tenminste nog opgesteld in overleg met de VvL als ik het goed heb begrepen, dus dat is de VvL’s eigen schuld): wat me vooral stoort is dat er, los van een softwarepakket dat wat automatische statistische t-toets-testjes doet, totaal niets intelligents is gedaan met de verzamelde data.

Zoals bijvoorbeeld antwoord geven op mijn prangende vragen.
En waarvan er dus eentje luidt: "Hoeveel verdient zo’n knakker per uur?"

Het komt niet. Ja, je kan ‘t af proberen te leiden uit het rapport, maar daar schiet je voor geen meter mee op.
Zo leer je: als je maar een paar uurtjes tijd per week aan schrijven besteedt dan heb je geen cent te makken, maar als je 40 uur gaat pennen, dan is alles flex (grafiek pagina 24)
En tegelijkertijd: als je nog maar weinig boeken hebt uitgegeven verdien je geen fuck, en als je veel hebt uitgegeven gekregen word je slapend rijk (grafiek pagina 25)

Klinkt in eerste instantie logisch. Maar hallo!? De combinatie graag!
Hoe zit het met een jonge schrijver die niks heeft uitgegeven en 40 uur achter z’n bureau gaat zitten. Wordt die arm of rijk? En hoe zit dat met een gepensioneerd schrijver, met vele titels op zijn naam, in ruste?

Zomaar twee vraagtekens in het rapport, terwijl er gegarandeerd twee oplossingen huizen in de verzamelde data.

Wat ik wil zeggen: bureau Veldkamp heeft 1612 schrijvers benaderd, maar liefst 391 hebben er gereageerd en de vragenlijst ingevuld.
Daar had zoveel meer mee gedaan kunnen worden.

Nu is het verworden tot een rechtoe rechtaan opsomming van met 1 druk op de knop te genereren Excel-grafiekjes, inclusief 100% redundante ondergeschreven uitleg.
Alsof je kleuters aan huiswerk wil laten wennen.

Fuck man.

En die Veldkampmensen verdienen daar waarschijnlijk, of nee, dat weet ik wel zeker, een uurtarief voor waar hoeren nog een lul aan kunnen zuigen.

Sorry. Ik begin dronken te geraken, Het is al fucking laat. Het is vrijdagavond moet je rekenen. En ik zit me hier achter een laptop me een potje op te winden over een Marketingbureau.

Fuck man. Ze deden natuurlijk gewoon wat ze moesten doen. Ik snap het wel. Ze vertaalden gewoon in de conclusie eendimensionaal wat ze dachten dat de VvL graag wilde horen.
Easy money voor Veldkamp. Easy subsidie voor de VvL. Iedereen blij.

Christ. Soms denk ik: De enige mensen die werken zijn die gasten die kroepoek inpakken voor Conimex. Of iets dichter in de buurt, die mensen die kippen van de haken plukken en daar zestig van per minuut in plastic kratten op de lopende band moeten weten te pleuren, want anders worden ze per kip een euro gekort op hun minimumloon, dus ze kunnen niet naar de WC tijdens de shift, anders wordt het bijbetalen om uberhaupt op de werkvloer te mogen bivakkeren.

Ik zou zeggen: laten we eerst die omscholen. En daarna pas de schrijvers. Tot we allemaal marketeer zijn geworden, of een betrekking bij een onderzoeksbureau hebben weten te bemachtigen.
Zodat we de wereld tenminste gezamenlijk naar de kloten kunnen helpen.

Wat ik wil zeggen is: VvL, come on.
Het is goed dat jullie iets doen. Maar laat alsjeblieft nooit meer een onderzoek doen door bureau Veldkamp.
Ik weet dat ze zelf op hun website zeggen dat ze een bureau zijn ‘voor hoogwaardig marktonderzoek.’
En dat ze beweren: ‘Ons streven is door de combi
natie van creativiteit, innovatie, en degelijk vakwerk onderzoek én de implicaties ervan naar een hoger plan te tillen.’

Maar jullie zijn letterkundigen.
Jullie kunnen geen cijfers, maar wel teksten duiden. Mag ik tenminste hopen.
Doe er je voordeel mee.

Voortaan.

Get wise.

Ik mis de tijd

Soms, op dagen als deze, wanneer het vet lente is, en ik dankzij mijn angstige inborst die noodt tot het verkiezen van financiele zekerheid boven alles, binnen de muren van een betonnen kantoor in de Bijlmer bivakkeer, denk ik met weemoed terug aan de tijd dat ik mezelf het zorgeloos zuipen heb aangeleerd.
Ik spreek dan over die periode van zo’n vijftien jaar geleden, waarin ik gretig gebruik maakte van mijn sociale rechten. In voornoemd geval het toenmalige recht een uitkering te trekken mits je er voor zorg droeg dat al je sollicitaties mislukten.

Ik was daar destijds erg goed in, dat laten mislukken van sollicitaties. Meer daarover na mijn begrafenis, maar de kwestie is: de tijden zijn inmiddels veranderd. Bob Dylan voorspelde het al, de smeerlap. In de jaren zestig dan nog reeds. Dus bij nader inzien kunnen we stellen dat die neger er voorwaar kijk op had, met z’n stonede bakkes, echter ik dwaal af.
Waar had ik het over? Right. Dat de tijden inmiddels veranderd zijn. Wie heeft dat trouwens ook al nog eens eerder gezegd?
Het doet er niet toe. Als je er goed bij nadenkt doet niks er toe, maar als je daarover gaat peinzen is het einde zoek. Terzake nu.

Soms, op dagen als deze, wanneer het vet lente is, en ik dankzij mijn angstige inborst die noodt tot het verkiezen van financiele zekerheid boven alles, binnen de muren van een betonnen kantoor in de Bijlmer bivakkeer, denk ik met weemoed terug aan de tijd waarin ik de uren vond om zorgeloos en ongestoord boeken te lezen.

Veel uren. Veel boeken.
Ik las de canon van de wereld. De Russen, de Latijns-Amerikaansen, de ouwe Engelsen, alles. Waanzinnig man. Voor mij had die situatie voor de rest van mijn leven mogen voortduren.

Maar toen kwam de slechte dag. De beroerde dag waarop ik een steekje liet vallen in het sollicitatieproces. En voordat ik het ook maar enigszins in de smiezen had, werd ik contractueel vastgelegd in een job bij een jong en dynamisch ICT-bedrijf, dat mijn opleidingstraject zou verzorgen bla, bla, bla, plus een hele hoop no-escape-clausules.
En ik had er ‘in een vlaag van verstandsverduistering’, zoals een medelevende naaste het zo mooi wist uit te drukken, mijn handtekening onder gezet.

Waarschijnlijk omdat het lente was, en ik op korte termijn zin had gehad om van het gezeik af te wezen.
Of omdat ik zin had gehad in een pils op een terras.
En in een boek.

Nog geen drie maanden later forensde ik dagelijks 4 uur reistijd heen en weer naar beleggingsfirma Robeco te Rotterdam, waar ik ook nog eens 8 hele uren moest werken, exclusief lunchpauze.
I was fucked.
Zwaar.

Figuurlijk dan uiteraard, letterlijk was nog een heel ander verhaal. Reken er immers maar niet op dat je na een 60-urige werkweek nog in staat bent om te denken aan neuken, laat staan het te doen.

En toen kwam ik in aanraking met een boekje van een man, een schrijver allicht, dat me uit de brand hielp. Het boekje was van Herman Brusselmans. Herman was nog een jong ventje, pakweg 30 jaar oud, slechts lichtjes gevorderder qua leeftijd dan ik.
Het was de periode waarin hij zichzelf nog ‘de jonge Oppergod van de Vlaamse Letteren’ pleegde te noemen, en de literatuurbijlages van de Nederlandse kranten stonden destijds nog op het punt om ‘m inzake die zelfbenoemde betiteling serieus te nemen.

Terecht overigens. Hij schreef in die dagen over zijn zogeheten ‘Brusselse periode’, de tijd waarin hij werkte bij het een of andere Ministerie, en die maar liefst drie boeken had opleverd. Te weten: ‘De man die werk vond’, ‘Heden ben ik nuchter’ en ‘Zijn er kanalen in Aalst?’

De kritieken waren het lovendst over ‘De man die werk vond.’ Vanwege de meesterlijke wranggeestigheid en van dat soort woorden meer, die uitgevers met liefde meteen overnemen om op het achterplat van de herdrukken te plaatsen.
Zelf was ik echter van mening, en dat ben ik nog steeds, dat ‘Zijn er kanalen in Aalst’ het Magnum Opus is van die trilogie.
Het waarom kan ik moeilijk duiden, en juist dat is een goed teken. Want ‘Zijn er kanalen in Aalst’ gaat helemaal nergens over, behalve over levens die helemaal nergens over gaan.

HB zelf zou nu met zijn ogen rollen en zeggen: ‘duh, dat zegt de titel toch al, of niet soms, blinde uil!? Moet ik daar nu nog meer van die obligate zeikerige literatuurduiding over gaan verdragen?’
Maar toch, juist dat vond ik destijds briljant. De toon.

Weetikveel. Ik doe even een citaat. Gewoon. Er zijn vast betere te vinden, maar ik doe er eentje waaruit ik destijds moed putte toen ik net per ongeluk werk had gevonden en in de lunchpauzes mijn dagelijkse boekje probeerde te lezen ter verlossing:

Situatieschets vooraf: Eduard Kronenburg (alter ego van Herman Brusselmans) werkt op een Ministerie in Brussel en heeft als taak de inmiddels overleden werklozen te schrappen uit de diverse bestanden, en daartoe pleegt ie dan ook regelmatig komische telefoontjes ter ambtelijke controle, maar vooral vult ie zijn tijd met het op kantoor wegdrinken en roken van zijn angst voor datzelfde kantoorbestaan.
Let op, we spreken hier over 1987, toen er nog gewoon overal gerookt mocht worden, en over Belgie, waar onder werktijd niet raar werd gedaan over een pintje.

Hij nam een blikje Jupiler, en twijfelde. Eerst al dat bier en dan vanmiddag wijn, zou dat wel gezond zijn? Ja, besloot hij en begon aan het bier te slurpen.
Krank kwam binnen. Eigenlijk had hij een andere naam maar iedereen noemde hem Krank ter afkorting van krankzinnig.
‘Kan je er eentje missen?’ vroeg deze Krank, ‘straks zal ik er zes gaan kopen in het winkeltje.’
Eduard gaf hem een sigaret.
‘Nee, nee,’ zei Krank, ‘ ik had het over Jupiler. Trouwens, als jij dacht dat ik vanmiddag zes sigaretten zou gaan kopen in het winkeltje. Ha ha ha! Ik zie me daar al om zes sigaretten staan vragen! Ha ha ha!’
Hij lachte.
Jezus Christus, dacht Eduard, die heeft alleszins zijn bijnaam niet gestolen.

Fuck, dacht ik destijds. Zo’n baan als Eduard, die moet ik ook. Die heeft het niet slecht. Alleszins een stuk beter dan ik.

Wat zal ik zeggen? Het is me nooit gelukt. Integendeel. Als ik eerlijk ben moet ik constateren dat het sindsdien alleen maar stevig achteruit is gegaan. Met mezelf. Qua voor mij ter zake doende secundaire arbeidsomstandigheden.

Herman Brusselmans heeft toen ie zelf in een dergelijke situatie verzeild dreigde te geraken, te weten een rook- en drankverbod op de zaak, van de nood een deugd gemaakt. Hij heeft ontslag genomen en is successchrijver geworden.

Maar los van de vraag of ik daartoe zelf uberhaupt in staat zou zijn: ik durf zoiets inmiddels al lang niet meer.
Ik herhaal: ik durf het niet.
Mijn leven is 15 jaar later te complex geworden. Ik heb met te veel dingen te schaften.
Er dondert te veel in elkaar als je een kaartje uit mijn leven, dat overigens nergens over gaat, zomaar wegtrekt.

Maar soms, op dagen als deze, wanneer het vet lente is, en ik dankzij mijn angstige inborst die noodt tot het verkiezen van financiele zekerheid boven alles, binnen de muren van een betonnen kantoor in de Bijlmer bivakkeer, denk ik: godverdomme.

En maak ik plannen.

Rock

Het grote voordeel van jongetje zijn is je niet hoeft na te denken over wat je later het liefst zou willen worden. Er is geen twijfel over mogelijk. Het is een universeel gegeven. De eerste wet van de Schepper. Profvoetballer dus.

Het grote nadeel van jongetje zijn is dat de kans dat je talent niet toereikend is om het zo ver te schoppen, maar liefst 99,9925 procent bedraagt. Oftewel: ruw geschat lukt het uiteindelijk slechts 1 op de 25000 knaapjes om hun droom te verwezenlijken. En dan spreek ik nog over een lullig contractje bij het eerste van Telstar. Wil je wekelijks bij Ajax in de basis staan, dan moet je nog eens 3 keer achter elkaar zes gooien.

Ongunstige statistieken kortom, en hoewel statistieken je als jong jongetje aan je reet kunnen roesten, krijgen de meesten zo rond hun 16e wel in de smiezen dat het misschien toch handig zou wezen om te kijken of er beroepsmatig wellicht enige alternatieven voorhanden zijn.

Bij voorkeur iets waar geen talent voor nodig is.
En meestal hoef je dan niet lang te zoeken. De mogelijkheden zijn legio. Zo zijn er mensen die op een dag weten: ik word conducteur. Anderen aanvaarden een betrekking als computerprogrammeur. Maar de echt luie talentlozen, inclusief ondergetekende, was ook dat ooit nog te ingewikkeld, dus wat doe je dan?
Nou?
Nou???
Juist. Du moment dat je eerste studiefinaciering/uitkering is gestort koop je een gitaar plus, en dat is belangrijk, een versterker van zoveel mogelijk Watt.

Rockmuzikant. Je bent ‘t op slag en je hoeft er niets voor te kunnen. Okay, het helpt als je een stekker in een stopcontact kan steken, maar daarmee is aan de voornaamste functie-eis van het profiel wel voldaan. Ik bedoel: eigeel in je haar smeren, Indiase bandages om je pols strikken (ipv een horloge, ik herhaal: geen horloge!), schoenen scoren bij het oud-vuil, spuitbusje eroverheen, het kan, maar het hoeft niet eens. De pur sang rockartiest laat gewoon de Watts voor zich spreken.
De eerste wet van de rock luidt immers: hoe harder hoe beter. Met het amendement, lid 2c: want dat maakt de meisjes natter en heter.

Macht, daar gaat het om.

En uiterlijk, natuurlijk. Laat ik er niet omheen draaien. Een aantrekkelijk en geil smoelwerk telt danig mee op een podium.
En geil was ik, op mijn 16e. Man, ik had het hele Westelijk halfrond wel willen bevruchten, en het Oostelijke erbij, maar alvorens daartoe in de gelegenheid te worden gesteld diende ik eerst even een paar keer over die zes snaren heen te harken.
Zo moeilijk kon dat niet zijn.

En dat was het ook niet.
Ware er in die tijd een Tomtom geweest, hij had kunnen melden: "bestemming bereikt".
Ik had mijn roeping gevonden.

Maar helaas, zoals de dingen gaan wanneer de onverbiddelijke tijd haar werk blijft doen: ik werd ouder. En het gebrek aan gitaartechnisch talent begon me hoe langer hoe meer op te breken. Daar waar mijn bandgenoten zich alsmaar verder bekwaamden in driekwart gladiolo’s (of zoiets), zich steeds meer toelegden op muzikaal vernuft, daar bleef ik hangen in de ouwe trouwe gedachte dat rock ‘n roll niets anders was dan sex.
Iets waar je niet te veel over na moest denken.
Iets wat je gewoon moest doen.
Op gevoel.
Op instinct.
En om te neuken.

Dus werd ik de band uit geflikkerd. Terecht. Ik was tot een schim verworden van de aantrekkelijke jongen die ik ooit representeerde. Ik was een alcoholisch wrak met driedubbele pikzwarte paarse wallen onder z’n ogen, dat zich op de koop toe de tyfus blowde en die nog altijd geen A7sus- van een E-mineurakkoord kon onderscheiden, of ze alleszins regelmatig doorelkaar haalde.
"Maar Keith..", stamelde ik tijdens mijn ontslaggesprek, "Keith is toch ook.. Weetjewel… Ik bedoel, die gast… is gewoon beroemd man!"
"Leer eerst maar eens spelen als Keith", zei de bandleider.
En daar had hij een punt.

Gisteren was ik in Tiel. Voor de finale van de Parel van de Betuwe, een muziekconcours voor beginnende bandjes uit de regio. De winnaar mag op Appelpop staan, een festival met inmiddels 130.000 bezoekers, dat wij zelf organiseren.
De voltallige bezetting van onze voormalige band was bij de Parel aanwezig als publiek. De drummer zit tegenwoordig in de metaalbewerking, de bassit annex bandleider zit in de douchegootjesbusiness, de solo-gitarist werkt bij de Belastingdienst, en ik, ik ben computerprogrammeur.

Wij voelden ons oud. Mannen, maar onbelangrijke mannen, ondanks onze sporen in het Tielse muziekverleden en ons huidige gewicht.
"Ik speelde ook ooit in de beste band ter wereld", had onze voormalige bandleider en hoodprogrammeur van Appelpop geschreven in ‘de Parelkrant’, het blaadje dat bij de deur werd uitgedeeld.
"En wij hebben zes keer meegedaan aan de Parel", had ie gepend, "en zes keer bijna gewonnen."
Daarmee had ie een goed eufemisme te pakken.

Ik wil niet zeggen dat wij zes keer strak als allerlaatste zijn geeindigd, maar het komt wel in de buurt.
We dronken er een pils op. En nog twintig erachteraan.
Om niets meer te schaften te hebben met de waarheid. Laat staan de werkelijkheid.

Maar er was hoop. Onze solo-gitarist, de man van de Belastingdienst, is een paar maanden geleden een nieuw bandje begonnen, en was daarmee zowaar doorgedrongen tot de finale van de Parel.
Zwaarbezopen moedigden we hem aan terwijl ie z’n kneiterharde retro-wahwah-solo’s over het publiek uitstortte.
Totaal kansloos om in de prijzen te vallen, beseften we, maar we hadden tenminste weer eens een goeie avond.

En toen gebeurde het ongelooflijke. Hij won. Weliswaar ex equo met de jonge Tielse Krezip-imitatieband ‘Q’, maar hij won.

Dus aanstaande september op het mooiste festival ter wereld: Fox!

Fox_q

Doe jezelf een lol en kom alsjeblieft kijken. En vooral luisteren. Een live gitaarsolo van Dennis (de jongen met het Soul T-shirt) aanhoren is bijna (ik zeg bijna) nog lekkerder dan neuken.
En dat meen ik.

Wahwah. En dat "It could go on forever". En dat het lekker is. Dat.

De USSR is zooo 2011

Ik ben zo iemand die goed voorbereid is op de oorlog. In mijn keukenkastjes staan genoeg conserven om een hongerwinter uit te zitten, en belangrijker: ik beschik over een gigantische permanente voorraad aan mooie wijnen en waak al ruim een decennium lang over een met liefde gekoesterde sigarettenverzameling, bestaande uit 400 pakjes Marlboro van 3 gulden 75, en nog metzonder van die enge waarschuwingen erop.
Mij zal je kortom niet snel gek krijgen.

Dacht ik.
Maar ja. Algemeen bekend is dat zodra je gaat denken, de zaken verkeerd gaan.
Zo ook afgelopen dinsdag.

Wat zal ik zeggen? Misschien was het probleem afgelopen dinsdag juist wel het totale gebrek aan een oorlogsituatie.
Er was in eerste instantie eigenlijk niks aan de hand. Gewoon een man en zijn pinpas, op weg naar een locatie om enige procenten van zijn salaris te cashen teneinde het chartale geldverkeer waartoe zijn bezoekjes aan vooral de kleinere horecagelegenheden in de stad nog altijd nopen, niet te fnuiken met zoiets fooi-onvriendelijks als de vraag "kan ik hier ook chippen?"
(Of in normaler Nederlands: in een cafe rond je elke bestelling af op biljetten, desnoods muntjes van 2 euro, en laat je ‘t voor de rest zitten. Daar ben je immers vrienden voor, deze nacht. Fuck die gasten die de machines aanwenden, Die figuren die met hun laffe smoel diepgebogen de een of andere pincode in toetsen, waarna ze gehaast hun vriendin van de WC sleuren en met een stalen gezicht ‘t pand verlaten, terwijl de hele kroeg het gedachtenwolkje boven z’n hoofd natuurt: ‘kan mij het schelen, ze kennen me niet, en ik kom hier waarschijnlijk toch nooit meer’).

Anyways. Ik stond aan de vooravond van een nachtje stad, en sneakte dinsdagochtend om 11.00 even de kantoortuin uit, om mezelf beneden, waar om de hoek van de receptie een pinautomaat staat voor het ABNAMRO-personeel, de nodige cash te verschaffen.

Op zich is ie ideaal, die automaat. Hij is binnenshuis, warm en droog, er staat buiten lunchtijd om nooit een rij, het kan in werktijd, dus wat wil je nog meer?

Good thinking, Sven!
Maar zoals eerder gezegd: juist op de momenten dat je slim denkt te zijn, gaat ‘t doorgaans verkeerd.

Een man en zijn pinpas.
Ik voerde ‘m correct in, precies zoals beschreven in de disclaimer op het scherm van de ABNAMRO-automaat.
Exact op de goeie van de 4 manieren waarop je ‘m erin kan steken (off the record: ik ben erg benieuwd wat die laatste zin me aan extra googlehits op gaat leveren.)
For the record: Ik ben niet debiel, en had bovendien al zo’n tienduizend keer eerder met dit bijltje gehakt.
Er verscheen een melding op het scherm. In het rood. Dat ziet er altijd vervaarlijk uit: rood.
En dat weten ze bij de ABNAMRO, daar denken ze over na, ik zit er zelf bij nota bene, die discussies daarover bij Marketing.

De melding was dat er op dit moment ‘geen bonnetje’ uitgeprint kon worden. En de vraag die het vervaarlijke rooie scherm stelde was of ik dat een bezwaar vond.
"Nee" toetste ik in.

Daarna werd me gevraagd om mijn pincode in te typen.
Wat ik deed.
Kon ik vervolgens kiezen uit ‘Geld opnemen’ en ‘Snel ff saldo checken’. Dat laatste heet in de werkelijke praktijk waarschijnlijk anders, maar onze Marketingafdeling voegt zich qua taalgebruik nou eenmaal niet zo snel naar de tijdsgeest, enfin daar gaat het nu niet om, want ik koos voor het eerste.

Ik wilde gewoon gebruik maken van artikel 1 van de grondwet van banken, namelijk mijn geld opnemen.

EUIIIUWWW!!! Loser-zoemer. Drie rode kruizen.

Of nee, dat is niet eerlijk. Ik zeg het verkeerd. De waarheid was dat het scherm blokkeerde. HET SCHERM BLOKKEERDE. Net nadat ik mijn pincode had ingetypt. Deed de automaat niks meer. DEED DE AUTOMAAT NIKS MEER. Hij reageerde op geen enkele toetsindruk.
Hoe a-relaí is dat?
Hoe a-relaí is dat als je weet dat vandaag je netto-salaris is gestort. En bovendien de voorlopige teruggave van de Belastingdienst, het maandelijkse voorschot op je hypotheek?

Als een dolle drukte ik op de rode stopknop om de transactie af te breken.
Het mocht niet baten.
De automaat deed niets meer.
Het enige wat ie liet zien was "toest uw pincode in", met daaronder mijn geheime wachtwoord in codetaal, te weten vage, wild heen en weer springende puntjes, en vervolgens een hele hoop computerlisting waarin strofes te onderscheiden waren als ‘unknown error 9196. Please contact your systemmanager’

Kut man.

Ik wachtte een kwartiertje. Het was toch onder werktijd. En voor alles was ik nog altijd in the building. Desnoods wachtte ik tot 17.00. Mij konden ze voorlopig prikkloktechnisch niets maken.

Er veranderde echter niets aan de situatie.
Het scherm van de betaalautomaat vertoonde nog altijd een allesbehalve geruststellend beeld.
Dus besloot ik het telefoonnummer voor noodgevallen te bellen dat in een plaquette op de automaat stond gegrafeerd.

Het gesprek dat daarop volgde zou een ontzettend leuk stukje kunnen opleveren, maar ik zal het jelui besparen, omdat het al te raden is van voor tot achter.
Vul de vooroordelen en verwachtingen maar in, en neem van me aan: ze kloppen.

Bottom line: gisteren geen geld.

Wel een sluimerend paniekerig gevoel en een geblokkeerde rekening, nieuw pasje pas na 3 werkdagen, bla, bla, bla, "ik kan het filiaal van uw bankshop niet vinden in mijn systeem"
– ja maar ik zit op het hoofdkantoor –
"Dat kan wel zijn meneer, maar dat zit niet in mijn systeem."

En: na een half uur bellen "O! u bent een werknemer van de ABNAMRO zelf!"
"Nou dat ook niet precies, ik ben gedetacheerd en… -"
"Gewatte!?"
Enfin, een hoop ellende ("Ik heb u ook niet in het interne systeem!") en beltegoed verder, besloot ik dinsdag met mijn onterecht opgevroten bankpasje (telefoniste: "misschien komt ie er over een paar uur vanzelf weer uit, dat komt wel vaker voor!" – iets wat me ook niet echt als een bevredigende aflsuiting van mijn probleemsituatie voorkwam), om dan maar in godsnaam een ouderwets avondje te gaan parasiteren in de horeca.

En dat lukte, maak je geen zorgen, investeringen zijn zelden kansloos (behalve als ze worden gedaan door Delta Lloyd).

Maar vandaag had ik toch echt behoefte aan cash. Je staat er niet bij stil voor hoeveel dingen je dat, of je bankpas nodig hebt. Ik noem een treinkaartje, of benzine, of gewoon verse witlof.
Dus had ik vandaag met voorbedachte rade mijn paspoort in mijn zak gestoken. Voor als een rijbewijs niet als afdoende identiteitsbewijs zou gelden, mocht ik in mijn lunchpauze een bedrag willen opnemen in de voor normaal publiek toegankelijke bankshop van de ABNAMRO in winkelcentrum de Amsterdamse Poort.

Ik was er vanmiddag. In mijn lunchpauze.
Er stond een rij. Allicht.
Ik wilde een nummertje trekken.
Maar dat kon niet.
Ik moest wachten op de hostess, zei de rij.

Na een half uur was ik aan de beurt om door de ‘hostess’ te worden doorverwezen naar het juiste loket voor de door mij gewenste service.
"Ik wil graag geld van mijn rekening opnemen met mijn paspoort", zei ik, "want mijn pasje is door een storing in een van jullie automaten.."
"Helaas meneer", zei de hostess, "wij hebben geen kasfunctie meer. Om geld aan de balie op te nemen moet u naar Diemen. Dat is vanaf hier het dichtstbij."

Diemen. Juist.

"Is er ook nog een plek in Amster..", stamelde ik.
"Ja, filiaal Osdorp, of de Plantage Middenlaan."
"En in het centrum?" probeerde ik.
"Het Leidse Plein, geloof ik", zei de hostess, "die hebben volgens mij ook een kasfunctie, maar daarvan weet ik de tijden niet precies, maar die kan ik voor u navragen."
"Heel graag."

De openingstijden van het filiaal aan het Leidseplein bleken zeer
uitgebreid. Ze waren buiten kantoortijden ook open op donderdagavond tot 21.00 en op zaterdag van 10.00 tot 16.00.
Ik juichte.
"Ook voor kasfuncties?" vroeg ik voor de zekerheid, terwijl ik al wilde weghuppelen.
"Poe", zei de hostess, "goeie vraag."

Niet dus, zo bleek.
Althans, die vraag wel, maar het antwoord was ‘nee’.

Begrijp me niet verkeerd. Een ramp is het niet. Ik heb nog anderhalve tree Edah-pils. En als het moet drink ik wijn. Roken ook geen probleem.

Maar toch. Toch krijg ik zolangzamerhand het gevoel dat ik te oud word voor dit soort geintjes.

Opgelucht

Wat drinken mensen die niet drinken eigenlijk? Dat vroeg ik me af toen ik zaterdag in de Edah stond om drankjes in te slaan voor mijn broertje en zijn vriendin, die later die middag langs zouden komen.
Ik nam het zekere voor het onzekere en propte de hele rataplan in mijn karretje; van Coca cola tot en met Appelsientje, van Lipton icetea light tot en met Spa fruit zonder toegevoegde suikers. Dat minimaal driekwart van die ingeslagen voorraad hoogstwaarschijnlijk 9 maanden later ongebruikt zou staan te schimmelen in mijn koelkast nam ik op de koop toe. Een reputatie een goede gastheer te zijn mag iets kosten.
Voor mezelf plukte ik een treetje van 24 halve literblikken Hollandia-bier uit de schappen. Daarvan wist ik tenminste zeker dat het een paar dagen later volledig soldaat zou zijn gemaakt.

Om 15.00, precies de afgesproken tijd, ging de bel. Stipt op de minuut. Zo is mijn broertje. Zo is eigenlijk onze hele familie. Behalve mijn ouders dan. Die zijn altijd een paar minuten te vroeg.
"Geluk met de files en mazzel met parkeren" declamerend staan mijn ouders dan grijnzend voor de deur, terwijl jij zwaarbezweet in je klusbroek het schuursponsje waarmee je nog koortsig de vetvlekken op het fornuis en de korsten kattenkots op de bank had willen wegboenen, druipend en al stiekem in je achterzak moffelt, en ze met een schijnheilige glimlach op je tronie hartelijk welkom heet.

Bij mijn broertje hoef je daar niet bang voor te zijn. Als die mazzel heeft met de files en geluk met parkeren, dan wacht ie turend op zijn horloge tot de klok exact het afgesproken tijdstip slaat, eer ie aanbelt. Om je een eerlijke kans te geven.

En daar hou ik van, eerlijke kansen.
Precies om 14.59.30 deponeerden L. en ik onze schuursponsjes in de vuilnisbak, waar ik voor de verandering het deksel van dicht deed, al was het maar zodat de milieuridder die mijn broertje in zich herbergt, niet zou bemerken dat ik in diezelfde vuilnisbak zoeven ook ongescheiden (argh!) twee weken aan krantenedities, drie geleegde potten Hak-conserven en een aantal kwik lekkende lampen en roestige batterijen had geknikkerd.
Om exact om 14.59.59 trok ik een schoon overhemd over mijn kop, en ritste de gulp van mijn enige toonbare ribbroek dicht.
En om 15.00.00 ging dus de bel.
Perfect timing.
Zo horen de dingen te gaan.

Mijn broertje en zijn vriendin.
Ze bleken vanuit Oegstgeest te zijn komen fietsen. Allebei gehuld in een zwaar professioneel wielertenue, inclusief klikkende schoentjes en imposante helmen, sleepten ze hun carbonnen rossen de 4 trappen in mijn trappenhuis op; "we durven ze hier niet op straat te laten staan, want ze zijn net nieuw, en dit blijft toch Amsterdam, ook al is het klaarlichte dag."
"Wat willen jullie drinken?" vroeg ik.
"Doe maar een kopje groene thee", zeiden ze.

Juist. Groene thee. Zo’n beetje het enige drankje dat ik niet had ingekocht. Had ik weer.
Ik keek naar L.
Die maakte een gebaar van ‘say no more’ en dook het enige keukenkastje in dat ik haar, vanaf toen ze hier vaak langs kwam, ter beschikking heb gesteld, en dat ze regelmatig volpropt met allerlei vage goederen uit de natuurwinkel. En waar ik trouwens zo min mogelijk probeer in te kijken, omdat de inrichting geen systeem heeft.
‘Geen systeem’ is niet goed voor mijn bloeddruk.
Daar word ik oprecht nerveus van: ‘geen systeem’. Ik bedoel, dat de artikelen niet staan gerangschikt op functie, op naam, of op kleur desnoods, gek word ik daarvan. "Hoe kan je hier in godsnaam iets vinden?" schreew ik regelmatig uit, als ik ‘t dan toch per ongeluk opentrek.

"Ik heb hier twee merken groene thee", riep L. vanuit de keuken, "hebben jullie een voorkeur?"

Zelf nam ik een pils. En nog een. En nog een. En nog een.
Terwijl mijn broertje en zijn vriendin druk in de weer gingen met keukentrapjes, schroefboren en ander elektrisch gereedschap om lampen op te hangen aan mijn diverse plafonds.
Dat was namelijk de deal.
Ik zou ze trakteren op een etentje, als zij mij deze zaterdagmiddag eindelijk van vast licht konden voorzien in de WC, de badkamer, de ruimte bij de meterkast en mijn schrijfhok. Plus het boven de eettafel bevestigen van een kroonluchter die al 4 jaar lang lag te verstoffen in een stellingkast.

Om een uurtje of 19.00 was hun klus geklaard. Ze hadden goeie arbeid verricht, ik voelde me een tevreden ondernemer.
Een dronken ondernemer, dat ook.
"Ik heb best wel trek", zei mijn broertje, zo nuchter als een kip, na de gedane werkzaamheden.
"Ik ook", zei zijn vriendin.
Ikzelf daarentegen had meer zin in nog een pils.
Van drank krijg je zelden honger, hooguit meer dorst.
Maar goed, een deal is een deal.

We zaten aan de eettafel, onder de vers geinstalleerde kroonluchter, en ik zei: "Laten we naar Tandem gaan, de Iranees hier om de hoek, ik betaal."
"Gaan we uit eten!" riep mijn broertje, verdacht enthousiast.
"Uiteraard", zei ik.
"Je gaat niet zelf koken!?" vroeg zijn vriendin, met opdoemend licht in haar ogen.
"Ben je gek", zei ik.

De opgeluchting die zich van niemand uitgezonderd zichtbaar meester maakte, hij mocht er wezen.