Ganzedijk (1)

Toen ik 24 jaar was, werd ik voor het eerst uit een woning gezet. Het betrof de studentenkamer die ik 6 jaar lang voor slechts 150 gulden per maand had gehuurd van mijn tante; een fantastische ruimte op de vierde verdieping van een pand aan het Roelofhartplein in Amsterdam, waar mijn tante zelf de derde etage bewoonde.
"Je bent nu klaar met je studie en gaat in militaire dienst, dus misschien is dit een mooi tijdstip om ons huurcontract te beeindigen", zo deelde ze mij plechtig mede.

Ik reageerde emotioneel: "maar, maar…", stamelde ik.
Als ik emotioneel ben kom ik doorgaans niet zo goed uit mijn woorden.
En dan zeg ik precies de dingen waar het eigenlijk totaal niet om gaat. Zoals ik in dit geval, in een wanhoopspoging toch de zin af te maken, uiteindelijk op de proppen kwam met: "Maar.., maar wat moet ik dan met al mijn spullen!?"
"Daar heb ik al over nagedacht", zei mijn tante, "die kan je zolang stallen op de bijzolder van Oma in Arnhem."
"Maar…, maar…, vindt Oma.."
"Oma vindt dat prima. Ik heb het al met haar besproken. Ze vindt het geen probleem."

Kut.

Weg was mijn toplocatie in Oud-Zuid, weg was mijn lieve optrekje waar ik de totdantoe romantischste momenten van mijn leven had mogen meemaken, weg was de navelstreng waaraan ik vanaf mijn 18e geboortedag een ware reincarnatie had beleefd.
Tabee Amsterdam. Dag vriendjes, dag vriendinnetjes, ik moet weer de provincie in.

Ik werd keihard verdoemd naar een bestaan in een Oirschotse kazerne, terwijl mijn complete hebben en houden op een schimmelende vliering te Arnhem lag weg te rotten.
Maar, dacht ik, zoals Arnold Schwarzenegger zou zeggen: "I’ll be back".

En back kwam ik inderdaad. Als afgetrainde veteraan keerde ik 9 maanden later, na mijn afzwaaidag uit de wapenen, terug naar de hoofdstad. Tot de tanden toe van munitie voorzien, te weten: een inmiddels allang verlopen urgentiebewijs, een gebrekkig ingevulde aanvraag voor een uitkering, en last but not least een enorme studieschuld bij de informatiseringsbank (die destijds over de leningen voor de kansarmen/sociaal uitgedaagden ging) en een aanvullend persoonlijk leninkje a 2000 gulden bij de ABNAMRO, waarvan die laatste het geld nu toch eindelijk eens binnen 14 dagen terug wilde zien.

Het was kansloos. De enige woning in Amsterdam die niet al te ver buiten mijn budget lag, was volgens de ViaVia (het populairste woningkrantje – je had toen nog geen internet), een bergingsruimte van 6 vierkante meter in de Rivierenbuurt, zonder toilet en douche, voor 300 gulden per maand.

Gelukkig vond ik via het netwerk dat ik nog had in de stad, uiteindelijk iets beters. Namelijk een bergingsruimte in de Pijp van 7 vierkante meter. Ook zonder stromend water, maar wel met electriciteit, zodat ik elke avond mijn ouwe trouwe broodrooster in het stopcontact kon pluggen om twee hamburgers op te warmen, die ik vervolgens met een grote fles curryketchup voorzag van vitaminen. En dat alles voor slechts 275 gulden huur. Scheelde toch mooi weer een geeltje per maand, dat netwerk.

In die tijd, in die dagen, had ik een droom. Namelijk schrijver worden. Ik las aan de lopende band Bukowski, alleen maar Bukowski, en ik herlas het, en herlas ‘t, herlas ‘t. Het was goed man. Vooral met dat ie alleen maar goedkope rode wijn dronk en verder afentoe wat chocolade at om fit te blijven, en dat ie continu stierf van de kou.
Precies, dacht ik, zo is het!

En ik tikte er op los, op de gammele afgedankte prehistorische computer die ik had gekregen van de moeder van mijn vriendin.
Ik had de tijd van mijn leven.
Ik schreef een complete verhalenbundel (titel: ‘Over verliezers en andere helden uit zone 5700’) en een roman over mijn diensttijd (titel: ‘Heel simpel’).
En ik moet zeggen, ik vond ze best lollig. Ik was bepaald niet ontevreden over het resultaat.
Okay, hij is gecrashed natuurlijk, die prehistorische computer, dus het geschrevene is allemaal verloren gegaan, maar dat vond ik destijds niet eens erg, geloof ik. Ik was namelijk vooral zeer tevreden met mijn bestaan.
Zoals ik leefde. Zoals de dingen gingen. Zoals mijn wereld op dat moment in elkaar stak.

Wat ik daarentegen wel erg vond was een brief die op een dag op de deurmat lag. Een brief van de sociale dienst. Ik moest me melden voor een arbeidsintegratieproject.

En zo ben ik computerprogrammeur geworden. En daarom werk ik nu bij de ABNAMRO. Ik verdien vet veel geld. Daarvan heb ik 4 jaar geleden een mooie woning gekocht, in de hipste buurt van Amsterdam. Van maar liefst 60 vierkante meter, en dan reken ik het mooiste dakterras van Oud-West, dat bovendien 50 m2 telt, nog niet eens mee.
Van schrijven komt weinig meer, though.
Ja ‘s nachts, op dit web-log, deze dronken stukjes van een vermoeide narcist, om maar een titel van Herman Brusselmans te parafraseren, maar in het echt kom ik tot niets.

De dagen bij de ABNAMRO slijt ik grotendeels met googlen. Googlen naar een nieuw bestaan. Googlen op het onafhankelijk zijn van geld. Geen baan hoeven hebben. En toch vrij kunnen wonen.
In Nederland.
En dan, dames en heren, kom je al snel op Ganzedijk (vlakbij Finsterwolde, gemeente Reiderland – Oost-Groningen) terecht.
Een Paradijs.

Ik ga daar morgen een stukje over schrijven.
Trefwoorden die daarin misschien een rol gaan spelen: Spookdorp – Kapitalisme – CPN – Klinkhamer – De Blauwestad – Twin Peaks.

En dat Ganzedijk moet blijven. Laat ik daar alvast helder over zijn.

Advertisements

Van de Dokwerker en het Bloemenkind

Even geen stukje over de uitleg bij de foto’s van gisteravond, maar iets geheel anders.

Vandaag was de herdenking van de februaristaking uit 1941 bij het monument van de Dokwerker. Ooit heb ik daar een gedicht over geschreven. Ik droeg het voor tijdens de eerste ronde van het NK poetryslam in 2004, het jaar dat ik uiteindelijk kampioen werd.

De destijds aanwezige Volkskrantjournalist vond mijn voordracht maar niks, though. Over het gedicht "van de dokwerker en het bloemenkind" schreef hij de volgende ochtend in het dagblad: "Poetryslam hoort dynamisch te zijn. Bij deze dichter leek het echter net alsof ie een standbeeld was, zo weinig actie zat er in de performance van zijn eerste gedicht."

Duh.

We zullen het maar houden op een gebrek aan historisch besef, danwel een magere kennis van herdenkingsmonumenten, of het niet kunnen luisteren in het algemeen. Vandaar vandaag toch maar weer eens dit gedicht: (Disclaimer vooraf: het is enigszins stichtelijk. Bovendien is het gedicht niet bedoeld voor papier, maar voor op het podium. Hardop lezen dus. In het ritme waarop je touwtje springt)

Dokwerker_2

VAN DE DOKWERKER EN HET BLOEMENKIND

Rozendeerne
Lelienymph
Irismeisje
Krokuskind

Een duostaart
die fluor braakt
en uitmondt in een suikerspin

Niet te peilen hopjesogen
Zachte dropjes, zoet als honing
Zout gelijk een zeemeermin

Stralend als de kopjes
op het water in galop
maar bij vlagen ook bevochtigd
door het plagen van het lot
Je betraande bruine knopjes
als je staande op dat schommelding
suizend op je mondje ging
Uitglijdt in een klautering
Struikelt als je touwtje springt

Rozendeerne
Lelienymph
Irismeisje
Krokuskind

Ik zie het zoeken van je ogen
naar de bloemen voor de doden
die bedoeld zijn als een troost
voor het bloedbad waarin Joden
jaren vroeger zijn ontboden
De Jordaan het hoofd omhoog hield
om dat drama te voorkomen
met de staking als bekroning
van verzameld wroeging tonen
Maar ook toen was toeval koning
Als macabere beloning
voor hun kranige betoging
werd door blaadjepluk besloten
wie geluk had en wie doodging

Rozendeerne
Lelienymph
Irismeisje
Krokuskind

Ik weet : het zoeklicht in jouw ogen
ziet de bloemen voor de doden
als een koekblik dat gesloten
op de stoep ligt voor mijn voeten
En je voelt dat het verboden is
maar loochent die vermoedens
Maakt het open en tast toe
Brengt je vader en je moeder
een ontaarde zee van bloemen
die ze schaterend begroeten
als een daad die goed bedoeld is
maar die avond nog verdoezeld
ongedaan gemaakt zal moeten
worden, doch :

Rozendeerne
Lelienymph
Irismeisje
Krokuskind

Ik sta al jaren op mijn voetstuk
Heb een veel te lage bloeddruk
Ik droom dat ik naar de stoet buk
en dan zomaar iemands hoed pluk
maar ik weet dat er een vloek rust
op baldadigheid vandaag
Toch meen ik dat mijn kameraden
in het hemelrijk hun tranen
liever schaterend ervaren
dan door treuren om de jaren
die de nazi’s ze ontnamen
Ach, ik weet dat het te laat is
voor hun antwoord op die vraag
maar

Rozendeerne
Lelienymph
Irismeisje
Krokuskind

Ik ben blij dat door je daden
te begrijpen nu de staking
aan het eind van februari
in je hoofdje is gepind
En als je groot bent jaren later
je met rozen overladen
naar me toeloopt en zal vragen
of ik blij ben met het lint
dat als lettertjes zal dragen
Het verzet is niet begraven
Het verleden niet vergeten
Deze plechtigheid de basis
voor de hemelse turquoise
toekomst van een waarlijk
bloemenkind.

De Logger

Net zoals ik 1 keer per jaar het plan in mijn kop krijg om daytrader te worden (meestal vlak na de zomervakantie, als ik net weer aan het werk ben en besef hoe klote het is om opnieuw een compleet jaar in een kantoortuin te moeten bivakkeren), zo doemt minimaal 1 keer per seizoen het idee in mijn hoofd op om ‘buiten’ te gaan wonen.
En met ‘buiten’ bedoel ik dan ‘niet in Amsterdam’.

Amsterdam is fantastisch, Amsterdam is geweldig en ik bezit hier een prachtig appartement met een schitterend dakterras op de spreekwoordelijke steenworp van het Vondelpark, maar toch lonkt soms de natuur naar het hart van deze jongen die is opgetrokken uit de Tielse klei.
Dan verlang ik naar de Waal en naar de boomgaarden, naar water en bos. En dan bedoel ik niet ‘water’ als in zo’n lullig vijvertje voor het Blauwe Theehuis, en ook niet ‘bos’ als in 5 appelboompjes, 3 Prunissen, 2 Seringen en een Magnolia op mijn dak. Nee, dan heb ik het over directe en permanente toegang tot de uitgestrekte Noordzee en/of de eindeloze hecatares aan bomen op de Hoge Veluwe.

Vooral die directe toegang is belangrijk. Dus dat je niet eerst twee uur in tram, trein en bus hoeft te zitten, of 3 uur in de file moet staan, maar dat je gewoon vanuit je voordeur het bos in kan wandelen of het strand op kan rennen.
‘Dat lijkt me hemels’, fantaseer ik dan, ‘om zo te wonen. Dan is het namelijk net alsof je altijd op vakantie bent.’

Maar in die fantasie vergeet ik altijd een klein lousy detail. Namelijk dat alle normale activiteiten waarmee ik in mijn leven te maken heb, zoals ik noem maar wat, bijvoorbeeld werken, of dichtavonden organiseren/presenteren/jureren, danwel zelf optreden of bij vrienden langsgaan, stuk voor stuk voornamelijk plaatsvinden in de hoofdstad.
Oftewel: als ik besloot de stad woontechnisch definitief te verlaten, zou ik in plaats van 1 keer per week, bijna elke dag een fikse reis moeten ondernemen.

Om kort te gaan: Verhuizen naar ‘buiten’ was not an option.
Ik zou voor de bevrediging van mijn sporadisch acuut opborrelende natuurbehoefte, mijn leven lang gedoemd zijn tot het aanschuiven in de trein naar Zandvoort, danwel het af en toe huren van Centerparcshuisjes in ‘s lands groene gebieden.

Ja mensen, het leven was geen lolletje.

Totdat ik vorige week plotseling een briljante ingeving kreeg. *Ping!* dacht ik, ‘wacht eens even: L. en ik hebben samen twee appartementen in Amsterdam!’
Voel je waar ik naartoe wil?
Precies!

Ik dacht: ik verkoop gewoon mijn etage voor een heleboel duiten, en dan trekken we samen in bij L. op de grachtengordel, en gaan we ondertussen met mijn zak geld op zoek naar een briljant pand voor in de weekends. Het liefst aan de zee en het bos tegelijk, oftewel Bergen. Want dat is ook nog eens een kunstenaarsdorp. Ik bedoel, hoe geniaal was dat!

Direct startte ik een queeste op Funda.nl, en helicopterde via de satellietkaartoptie van Google-earth die Funda in haar huizenbestand heeft geintegreerd, de ideale locaties langs.

De goedkoopste aanvaardbare optie qua locatie (vrijstaand en vlakbij de zee en het bos) in Bergen kostte 1.835.000. euro. Nou kan ik in mijn fantasie soms behoorlijk optimistisch wezen, maar ik vreesde zelfs in die toestand dat over een woningruil met mijn etage van 60 vierkante meter op de Wilhelminastraat, tamelijk lastig zou vallen te onderhandelen.

Dus ik stelde mijn eisen bij. Steeds verder. En om een lang verhaal kort te maken: ik kwam uiteindelijk terecht bij een rijtjeswoning in Egmond aan Zee.
Het adres was "de Logger" nr 30, en dat leek me wel een toepasselijke straatnaam. En omdat ik verzot ben op goeie voortekens, en het vandaag schitterend weer zou worden, reisden L. en ik vanmiddag af naar de kust bij Egmond.

Op Funda.nl had ik gezien dat de achtertuin van het huis direct grensde aan de duinen. Precies wat ik wilde. Zo kon ik iedere dag vanuit mijn achtertuin een mooie joggingtocht maken door ongerept natuurgebied om die af te sluiten met een afkoelende duik in de Noordzee.

Vanmiddag kwamen we met de ouwe trouwe Volvo 440 Egmond aan Zee binnen. Het was februari, maar toch was het filerijden. De lucht was grauw, de wind guur en gemeen, maar als Erwin Krol de avond vantevoren heeft voorspeld dat het misschien mooi weer gaat worden, dan is de natie al op drift en is er blijkbaar geen houden meer aan.

De straat "De Logger" bleek per auto onvindbaar. Uiteindelijk parkeerden we ergens op een woonpleintje met de naam "De Stormer", als ik het me goed herinner, en ik vermoedde dat we absoluut in de buurt moesten zitten. Leer mij het straatnamenbeleid van gemeentes kennen.

Enfin. We vroegen het een stelletje locals, die zojuist het hekje voor het minieme voortuintje van hun doorzonwoning netjes hadden dichtgeklapt.
"De Logger!? Ja, dat is hier vlak om de hoek", wees de man van het stelletje.
We liepen die kant op.

"Veel tuinkabouters hier", zei L.
"Daar moet je doorheen kijken", zei ik, "en volgens mij heeft niet iedereen heeft die."
"Zeker weten?"
Ik keek rond; "Euh.."
"En iedereen heeft eendjesfiguren van de Blokker voor de ramen", zei L.
"Inderdaad" zei ik, "nu je het zegt. Jezus."

We kwamen aan bij de Logger nr 30. Tussen de kabouters stond een groot bord in de voortuin: "Verkocht".
"Hmmm", zei ik.
"Misschien maar goed ook", zei L.
"Misschien wel", beaamde ik.

We liepen terug naar de auto op het pleintje. Uit de keukenramen van de omringende woningen gluurden mensen vanachter hun gordijntjes.

En toch he. Toch lijkt het me nog steeds ergens fantastisch. Om je deur uit te kunnen lopen en dit te zien:

S4020879

En dan dit:

S4020884

L. en ik, we hebben een mooie strandwandeling gemaakt.
"Zeg me dat dit een plastic zak is en geen kwal", zei L. terwijl we langs de branding liepen.
"Het is een plastic zak", zei ik. Eerlijk gezegd wist ik het niet.

Een paar uur later dronken we een drankje in de restaurantzaal van hotel Bellevue aan de Boulevard. Uitzicht op zee. Het was er helemaal leeg. De dagjesmensen waren al lang pleite. De zonsondergang was al geweest.
"Blijven jullie niet te lang?" vroeg de eigenaar, "want ik wil die tafel straks wel vrij hebben voor het diner."
"Maak je geen zorgen", zei ik.

L. en ik, wij horen in Amsterdam.

Deep Throat

Op dit moment is Deep Throat op TV, volgens de VPRO-gids de "moeder aller pornofilms".
Ik ben niet aan het kijken. Ik zit boven achter mijn laptop op een stukje te tikken.

De allereerste keer dat ik met het verschijnsel porno te maken kreeg, was in pakweg 1983 toen ik 14 jaar oud was. Mijn beste vriend en ik waren aan het babysitten bij de buren van mijn beste vriend. Boven in bed lagen twee schattige kindertjes onschuldig te tukken, en wij zaten een beetje verveeld op de bank cola te drinken en chips te vreten.
Niks mis mee. Een prima invulling van de zaterdagavond, dunkte mij in die dagen.
"Is er nog iets op TV", vroeg mijn beste vriend.
"Naah", geeuwde ik terwijl ik ik door de AVRO-bode bladerde: "niks".
"Zullen we een film opzetten?" vroeg mijn beste vriend, "mijn buurman heeft een videorecorder."
"Een watte?" vroeg ik.
"Een videorecorder; een apparaat waarmee je films kan afspelen."
"Mij best", zei ik.

Ik had het nog niet gezegd of mijn beste vriend was al bezig allerlei kasten en laden open te trekken, op zoek naar de plek waar zijn buurman zijn films had verstopt.
Hij ging z’n gang maar. Ikzelf was liever op zoek gegaan naar een nieuwe zak Croky Paprika en een verse fles cola, cassis of 7-Up. Maar dat durfde ik niet. Het was voor mij een vreemd huis tenslotte en bovendien was ik zelf officieel geen oppas. Ik was er alleen maar omdat mijn beste vriend me had gebeld, nadat de buren waren vertrokken voor hun maandelijkse avondje schouwburg.

Na 5 minuten klonk er een triomfantelijke kreet: "Gevonden! Kom kijken man, hij heeft bijna alle Beatlesfilms!"
Wij waren in die tijd, met onze 13 en 14 jaar oud, allebei enorme fans van de fabfour, en onze harten maakten *ahem* ‘een sprongetje.’
Excuus dat ik het zo tuttig opschrijf, maar je moet rekenen: ik was toendertijd ook nog enorm tuttig. En braaf. En onschuldig.
"Te gek!" riep ik.
We kozen voor de film "A hard days night", en nadat mijn beste vriend had uitgevogeld hoe het apparaat functioneerde, konden we er eindelijk eens goed voor gaan zitten.

De film begon te lopen.
Na wat grofkorrelige sneeuw verscheen in trillend beeld de titel-aankondiging.
‘Make it bigger’ stond er in grote letters.
"Huh?" zeiden mijn beste vriend en ik.
Daarna volgde de eerste filmscene. De camera nam een witte villa in beeld, met een groot zwembad. Twee dames lagen in badpak op stretchers te zonnen.
Toen verscheen er een man met een grote snor die een Hawai-overhemd en een witte korte broek droeg.
"Lekker aan het zonnen?" vroeg ie aan de dames. Maar dan in het Engels.
Gelukkig was de film ondertiteld, maar toch. Dit was bepaald niet de Beatlesfilm. En dat zei ik dan ook tegen mijn beste vriend: "Dit is volgens mij niet ‘A hard days night’. Want die is in zwart-wit, en deze is in kleur!"
"Misschien is het een andere Beatlesfilm", zei mijn beste vriend, "en heeft m’n buurman ‘m in het verkeerde hoesje teruggedaan. Laten we nog even verder kijken."

"Ja", zeiden de dames, "wij zijn lekker aan het zonnen".
"Nou", zei de man met het Hawai-overhemd, "dan zouden jullie beter dat badpak uit kunnen trekken, want anders houden jullie straks zo’n rare witte plek over op jullie lichaam!"
"Daar zit iets in", zei de ene dame.
"Wat slim van die man!" zei de andere dame.
En prompt trokken ze hun badpakken uit en namen in bevallige poses weer plaats op de stretchers. Poedeltjenaakt.
"Jeetje!" riep ik.
"Nou ja!" riep mijn beste vriend.

"Poe! Ik moet zeggen dat ik het daar best warm van krijg!" zei de man met Hawai-overhemd, "twee van die mooie vrouwen die naakt liggen te zonnen! Ik denk denk dat ik maar gauw ook even mijn kleren uittrek, voordat ik ze helemaal onder zweet!"
En verdomd. Ook hij trok al z’n kleren uit.
"Nou ja!" riep ik tegen mijn beste vriend.
"Die man is gek!" beaamde hij.

De dames bekeken de man van top tot teen.
"Wat een groot apparaat heb jij!" zeiden ze in koor.
"Welk apparaat?" vroeg ik aan mijn beste vriend.
"Weet ik veel", zei ie, "ik zie ook nergens een apparaat. Behalve die grasmaaier daar bij de villa, maar ik weet niet zeker of die van die vent is."

"Dan heb je nog niks gezien", zei de man, "jullie kunnen het nog veel groter maken!"
"O ja?" vroegen de dames.
"Jazeker", zei de man.
"Hoe dan?"
"Nou.."

Enfin. Voordat mijn beste vriend en ik het in de smiezen hadden lagen beide vrouwen de man om beurten aan zijn piemel te zuigen, terwijl de man de hele tijd uitriep: "Oh yeah baby, you can make it bigger!"
Waarmee meteen de titel was verklaard, besef ik nu in retrospect, maar destijds waren we daar niet direct mee bezig. Met titelverklaringen. We waren meer bezig enorm geshockeerd te wezen.
Ik wel tenminste. Mijn beste vriend moest er zelfs van naar de WC. Waarom, dat weet ik niet meer precies, en het kan achteraf tweeerlei worden opgevat, maar afgezien of ie nu moest kotsen, of standtepede zin had om zichzelf af te beren (zoals we dat later in Tiel zouden noemen), heb ik in ieder geval persoonlijk vanaf toen porno als allebehalve opwindend ervaren.

De lillende lichamen en de paarsgeaderde lul die, amateuristich belicht, in close-up tot vervelens toe blijft pompen in achtereenvolgens uitgelopen lippenstiftsmoeltjes, wijdopengesperde vleesgrotten en opgerekte endeldarmen, om uiteindelijk wat klodders eiwitten uit te storten over een quasi hunkerend, lekkend vrouwbeestgezicht, wat zal ik zeggen?
Ik heb er weinig mee.
 
In de jaren na die eerste kennismaking heb ik nog vele pornofilms mogen zien, though. Het hoorde erbij. Als opgroeiende puber in Tiel kon je er niet omheen. Als je na sluitingstijd van de plaatselijke cafe’s belandde in de woning van vrienden wiens ouders al lang naar bed waren, werd steevast de TV op de piratenzender afgestemd. Want dan kreeg je gegarandeerd een x-rated adultmovie voor je kiezen.
We deden allemaal of we die graag wilden zien. We moesten wel. Want anders was je een homo.
En dat zou natuurlijk pas echt een ramp wezen.

We hadden stuk voor stuk nog nooit geneukt.
En zeiden al die verloren avonden, nachtenlang om de minuut: "wow, moet je die tieten zien!"

Tot er op een nacht iemand bij was die al wel eens had geneukt. We keken erg tegen ‘m op.
We stemden opnieuw af op de piratenzender.
En wachtten vol spanning op zijn ongetwijfeld wijze commentaar bij de beelden.
"Jezus", zei de jongen die al eens geneukt had, toen ie een voloptueuze schone in net iets te strakke lingerie als een worstje over de grond zag kronkelen, op weg om zo’n eeuwig kloppende paarse wreker met haar kwijlende tronie te omvatten, "wat een ellende vergeleken bij de praktijk! Kunnen jullie hem even op Nederland 1 zetten, want er is vanavond tennis."
"Huh!?" zeiden wij.
"The Australian Open", verklaarde hij zich nader.

Even waren we verbaasd, maar hij was nou eemaal de grote roerganger, dus volgden we zijn bevel op.
En keken tennis.
Ivan Lendl ramde tegen een bal aan.
*Plok* klakte de grote roerganger met zijn vinger in zijn wang.
Daarna sloeg Jimmy Connors de bal terug
*Plok* deed opnieuw de grote roerganger.
En zo ging dat de hele rally door.

Al snel volgden wij zijn voorbeeld.
We plokten ook.

En moesten toegeven: dat was toch eigenlijk een stuk leuker dan porno kijken.

De Verlosser

Cruijff1 Cruijff5_2 Cruijff2 Cruijff3 Cruijff4

Ik ben op slag weer een gelukkig man! Mijn favoriete voetballer/coach/filosoof/bijbelfiguur allertijden komt terug naar Amsterdam.
Hieronder een kort fictief interview middels citaten:

El Salvador! De terugkeer van JC! En dat alles in de Jordaan!

Ho ho. Even rustig aan he. Let op:
"Ik geloof niet. In Spanje slaan alle 22 spelers een kruisje voordat ze het veld opkomen, als het zou werken, zou het dus altijd een gelijk spel worden."

En dat wordt het inderdaad niet altijd. Point taken. U bent God niet. Maar toch. U gaat een comeback maken bij Ajax en dat stemt mij waanzinnig gelukkig. En dan nu de vraag: vanwaar uw plotselinge terugkeer?

Wat zal ik zeggen?
"Vaak moet er iets gebeuren voordat er iets gebeurt."

In dit geval het verval van uw ouwe cluppie?

Inderdaad.
"Er zijn veel mensen die kunnen zeggen dat een voetbalploeg slecht speelt ; er zijn weinig mensen die kunnen zeggen waarom ze slecht speelt en er zijn slechts een paar mensen die kunnen zeggen wat er moet gebeuren om ze beter te laten spelen."

En u bent daarvoor de aangewezen persoon?

"Je kunt beter ten onder gaan met je eigen visie dan met de visie van een ander"

Kunt u specificeren wat nu precies het probleem is van het huidige Ajax. Wat is de angel?

"Als het niet loopt zie je weer hoe belangrijk de details zijn. Dan zijn er details die in detail verkeerd gaan."

En met details bedoelt u bijvoorbeeld het zwalkende beleid van het bestuur het afgelopen decennium?

Ach bestuur, al dat gelul, weet je:
"Voetbal is heel simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen."
En wat besturen betreft:
"Ik ben overal tegen. Tot ik een besluit neem, dan ben ik ervoor. Lijkt me logisch."

U bent niet bang om foute beslissingen te maken?

"Ik maak eigenlijk zelden fouten, want ik heb enorme moeite me te vergissen."
En bedenk daarbij:
"Voetbal is een spel van fouten. Wie de minste fouten maakt wint."

Zoals Italianen?

Zoals Italianen. "Je ken niet van ze winnen, maar je ken wel van ze verliezen."

Maar dat dat is hopelijk toch niet het voetbal dat u voor ogen heeft?

Wat zal ik zeggen?
"Er moet op elke plaats in het veld verdedigd worden. Dat kost het minste energie want dan hoef je niet helemaal terug te lopen om een doelpunt te maken."

U bent niet zo’n voorstander van lopen? Van knokken voor de zaak? Sleuren over het veld, zoals vroeger Peter van Vossen, en tegenwoordig Dirk Kuijt bij Liverpool?

"Je hebt voetbalsituaties en situaties die voortkomen uit vechten, ik zie liever een voetbalsituatie."

Maar u heeft zelf gezegd dat bewegen en snelheid essentieel zijn voor het voetbal!

"Als je sneller wilt spelen kun je wel harder lopen maar in wezen bepaalt de bal de snelheid van het spel."

Verklaar u nader.

"Als je ergens niet bent, ben je óf te vroeg óf te laat."
"Het gaat om spelinzicht."
"Ik heb een vreselijke hekel aan iemand die beweegt, maar niet weet waar naartoe."

Ik heb u inderdaad nooit echt zien sprinten op de grasmat. Lag dat aan uw kettingrokerij, of..

*stellig*
"Als je een speler ziet sprinten is hij te laat vertrokken."

En u had een superieur spelinzicht?

"Als ze bij mij normaal timeden waren ze altijd net iets te laat."

En u heeft daardoor veel gewonnen in uw leven?

Wat zal ik zeggen?
"We gingen op zoek naar de overwinning en dan kom je hem vanzelf tegen."

*De verlosser raakt zichtbaar vermoeid door mijn domme vragen en trekt zijn jas aan om ‘m te peren.*

U gaat er vandoor? vraag ik.

En dan, om met Ivo Niehe te spreken, gebeurt er dit:

Cruyff barst los in een tirade: "Ja, dat is toch logisch! Want ofschoon ik graag met de auto was gekomen, wie ik in Barcelona overal kan parkeren, is het hier in Amsterdam gewoon een drama en moet ik dus met de trein.
"En als ik ‘m mis, dan ben ik niet te laat, maar gewoon ruim op tijd voor de volgende", maar toch. Ik bedoel die files hier in Nederland, wie natuurlijk inherent zijn aan incapabel machtsmisbruik van de overheid, maar dat is logisch, wil ik toch even mensen erop wijzen dat de oplossing heel simpel is. Ik bedoel:
"Mensen moeten gewoon harder gaan rijden, dan zijn ze sneller van de weg, dus zijn er minder files."

Met alle excuus, Johan, maar dit gaat niet meer over voetbal.

Weet je,
"Als jij verstand had van voetbal, dan zou jij hier zitten."

En dat zit ik niet.

Precies!
"Je gaat het pas zien als je het doorhebt."
"En als ik zou willen dat je het begreep legde ik het wel beter uit."

Het gaat helemaal goed komen met Ajax, ik voel het.
Om met Andre Hazes te spreken: "En dat meen ik."

Can't touch that (anymore)

Ik stond op het perron van Amsterdam Bijlmer ArenA en wachtte op de Intercity naar Utrecht Centraal. Het was 18.00 en de trein van 17.59 bleek een fiks aantal minuten vertraging te zijn opgelopen, deduceerde ik voor het gemak uit de onverstaanbare boodschap van de omroeper.
Ik trok een pils open en stak een Marlboro op. Het vroor, het was februari, en het waaide. Dat laatste had met de maand niets te maken, in de Bijlmer waait het altijd. Ik vond mijn leven kut, en dat ik vanavond naar Tiel moest voor een Appelpopvergadering met de kassawerkgroep vond ik ook niet direct florisant.

De trein had inderdaad vertraging en zat stampvol. Ik wurmde me door de massa richting een gangpad waarin ik vanzelf tot staande stilstand werd gedwongen. Ik probeerde met mijn geplette bierblik een Spits te lezen.
Kansloos.
"Er spelen kinderen op het spoor tussen Breukelen en Maarssen", zo meldde de intercom, "dus om veiligheidsredenen kunnen we het komende traject afleggen met maximaal 30 km per uur."
Right.

Ruim een uur later stapte ik uit op Utrecht Centraal. Ik had dorst als de pokken en verschrikkelijk veel zin in een sigaret. Het wemelde van de spoorpolitie though, en nergens een rookpaal te bekennen.
"Ik dacht dat jullie momenteel in staking waren!" riep ik onderzoekend tegen een man in uniform, om te checken hoe mijn kansen zouden liggen als ik er hier ter plekke 1 zou opsteken.
"Wij niet", zei de man ernstig.
"Kut", zei ik.
"Zeg dat wel", zei de man.
Een dubbele boodschap, maar ik nam het zekere voor het onzekere, en liet mijn Marlboro’s onaangeroerd.

Daarvoor in de plaats besloot de stoptrein richting Tiel een half uurtje later te nemen en Hoog Catharijne in te duiken, op zoek naar een cafe om een pils te drinken en een sigaret te roken. Ik bedoel, ik was nu toch al te laat.

Dat ik in cafe Centraal, in de stationshal vlak naast de Bruna, kansloos zou wezen, wist ik eigenlijk al vantevoren. Met Kerstmis, toen ik naar mijn ouders afreisde had ik reeds ontdekt dat ze daar vanaf 1 januari het rookverbod vervroegd zouden invoeren. ‘Als service aan de klandizie’, stond destijds op affiches te lezen.
Het aftandse bruine cafe, vroeger een berucht rokershol, een vluchtheuveltje van de moderne geschiedenis, dat altijd afgeladen was, bood vanavond een troosteloze aanblik. Het was compleet verlaten. De 4 man/vrouw personeel hingen verveeld over de bar, wachtend op hun beurt om buiten op het personeelsbalkon een snel sigaretje te kunnen opsteken.
In de zaak zelf hingen overal niet-rook stickers.
Hoe dom kan je zijn als eigenaar? Hoe fatalistisch kan je wezen dat je de naderende strop om je nering vrijwillig voortijdig om je nek heen trekt? Ik bedoel, die moet in zijn leven wel heel erg veel gezopen hebben. Respect daarvoor, maar hey, ik was ondertussen vies in de aap gelogeerd.

Ik liep naar de hoek van het officiele NS-restaurant, rechtsachter, vlak na de ‘Albert Heijn to Go’. Little chance besefte ik, edoch je weet maar nooit.
Helaas.
Dieper Hoog Catharijne in dan maar. Droeviger kon mijn leven toch niet worden.

In een grijs verleden, toen ik nog een glanzende wetenschappelijke carierre voor ogen had en stage liep bij de ARO (Adviesraad voor het Onderwijs), waar ik over een prive-kamer beschikte met twee tafels en zes stoelen en uitzicht op de Dom, en gezeteld was naast de rechterhand van de belangrijke politieke mannen uit die tijd (jongen, het netwerk dat ik toen heb opgedaan, en waar ik… maar ik moest in dienst, en in het leger lustte ik wel een drankje, en ging ik nadenken over het leven, etc, en dat is nooit goed, vooral niet als het je carierre betreft. Dat is zeg maar gerust dodelijk. Want/dus/enz, toen wilde ik schrijver worden, of desnoods dichter, en daarna is het rap bergafwaarts gegaan. En nu, nu ben ik een mislukte computerprogrammeur bij een recent overgenomen loserbank. En dat dan ook nog eens in een dependance daarvan, in de Bijlmer), maar toen dus he? Toen liep ik als 23-jarige succes-econometrist, en tegelijkertijd als een van Neerlands talentvolste onderwijswetenschappers dagelijks door de gangen van het ziekste winkelcentrum uit de Randstad, en om half 9 ‘s ochtends dronk ik dan een zwarte koffie in het foute bruine cafe tegenover waar tegenwoordig dat Chinese Charlie-foodcenter zit. Louter bij wijze van voorbereiding op mijn werkdag. Mijn kantoor zat tien minuten verderop, maar hier kon ik nog snel even van het leven proeven, voordat ik me tussen de frisgewassen knappe koppen zou begeven.
Ze dronken allemaal een pils daar, om half 9 ‘s ochtends, in dat foute bruine cafe op Hoog Catharijne. En ze zeiden zinnige dingen. Althans dingen waar ik iets aan had. Waar ik iets mee kon. Onderwijsbeleidsbepalendtechnisch. Of misschien zeiden ze het niet, maar ze straalden het wel uit. Ik bedoel, het waren slimme mensen. In ieder geval slimmer dan de meeste mensen waar ik heutzutage mee op kantoor bivakkeer. Ze hadden alleen geen diploma. En misten bovendien bepaalde maatschappelijk vereiste sociale vaardigheden.

Maar ik dwaal af. Over mijn vroegere vrienden van Hoog Catharijne een andere keer meer. Ik was vandaag enkel benieuwd of het nog bestond, die oude foute kroeg.
Niet dus.
Kut.
Een kekke kledingwinkel had z’n intrek genomen in de voormalige uitspanning.
Ik liep voort, op zoek naar de sigarenzaak verderop. Om tenminste iets vertrouwds te begroeten. Ik kon me bijna niet voorstellen dat ie nog zou bestaan, gegeven het huidige rokersklimaat en de gestegen grondprijzen, maar waarempel, hij bestond nog (schuin tegenover de ABNAMRO-automaten, daar waar je rechtsaf naar Vredenburg afslaat).
Het was er op de koop toe nog best druk.
Toen ik aan de beurt was vroeg ik om een pakje Marlboro. Maar waar ik eigenlijk voor kwam was de vervolgvraag: "Meneer, weet u misschien een cafe op Hoog Catharijne waar je nog mag roken?"
"Jazeker", zei de uitbater, "dan moet je bij de Gasterije wezen".
"Waar zit die?" vroeg ik. Jubelstemming in my eyes, dat kun je je voorstellen.
"Richting de Albert Heijn", zei de beste man.
"De Albert Heijn To Go?" vroeg ik.
"Nee, de gewone Albert Heijn", zei de sigarenverkoper, "hier vlak om de hoek. Bij de ABNAMRO-automaten linksaf."
"Thanx!" riep ik.
"Hij is nog ongeveer 10 minuten open", zei de man, "dus ik zou er de sokken in zetten."
"Say no more!" repliceerde ik, en trok een sprint waar Speedy Gonzalez nog een puntje aan had kunnen zuigen.

Het was geweldig. De Gasterije bleek een ontzettend ongezellige, op Amerikaanse leest geschoeide koffiesalon, maar ze schonken voor de toevallige liefhebber ook een bescheiden pils, en verdomd, je mocht er roken als een schoorsteen. Op wat Marokkaanse meisjes na zat er geen kip, de serveerster was van het type Tinke Schouten gone fat, en achter de afwasmachine liepen twee Turken de borstels de vervangen. Hier was ik helemaal op mijn plek. Ik had nog een paar minuten. Ik bestelde een pils bij de serveerster, plukte de Nederlandse vertaling van Hotwatermusic (Bukowski) uit mijn rugzak en stak een sigaret op.
Ik las het verhaal ‘Het is een smerige wereld’.

Ik herlas de zinnen: "Het belooft een kloteavond te worden, dacht ik. Veel erger kan het niet worden. Ik had het mis."

Prachtig.

En daarna las ik het verhaal ‘450 kilo’. Dat gaat over twee mislukte schrijvers die op een motelkamer bivakkeren met een opgeduikeld meisje erbij. En dat die twee worden opgeschrikt door twee enorm vette mannen die in het zwembad springen.
En dat dan de ene katterige mislukte schrijver, Louie, tegen de andere zegt: "Dit kan gevaarlijk worden. Ik bedoel, nu we zulke vetklompen zien is de kans groot dat we wat tegen ze gaan schreeuwen. Ontzettend kinderachtig, natuurlijk. Maar met zo’n kater kan er van alles gebeuren."

Vervolgens mijmeren ze even door over dat ze
fysiek kansloos zijn tegenover die 450 kilo’s, dus hoe rampzalig het zou zijn als…

En prompt roept uiteraard de ene schrijver, Louie genaamd,: "He VETZAK!"
De rapen gaar.
De Vetzakken kijken boos naar boven.
"He Vetzak", brulde Louie, "als je een scheet laat, blaas je vast en zeker zeewier van hier naar Bermuda!"
"He Loui", probeert die andere schrijver, Eric, te sussen: "er is daar beneden helemaal geen zeewier."
"Ik zie helemaal geen zeewier, VETZAK!" brulde Louie, "Dat heb je zeker in je hol gezogen!"
‘O mijn God’, zei Eric, ‘ik ben schrijver geworden omdat ik een lafaard ben, maar nu staat me een geweldadige dood te wachten’.
[…]
"Wat heeft dit alles te maken met hoogstaande en beklijvende literatuur?" vroeg Eric.
"Niks, vrees ik", antwoordde Louie.

Ah, man!
Those were the days.