Back Alley Poetry

Het leukste poeziefestival van Nederland is naar mijn bescheiden mening "Dichter bij de bar" in Delft, georganiseerd door Christiaan Mooiweer. Die jongen kwam ooit op het even simpele als geniale idee om aantal goedgebekte podiumdichters in duo’s langs de cafe’s in de binnenstad te laten trekken, om ze ter plekke zeer korte maar evenzo krachtige optredens te laten verzorgen. Een soort poetry-raids. Middels guerrilla-performances het barpubliek dat grotendeels nooit kaas van poezie had gegeten, overdonderen en laten zien dat gedichten wel degelijk entertaining kunnen wezen. "Grappig", "ontroerend", "lekker", "knap", of gewoon "mooi", maar in ieder geval niet per se saai of ouderwets.

Ik heb opgetreden tijdens alledrie de edities van "Dichter bij de bar" die er tot nu toe zijn geweest. En om eerlijk te zijn: toen het evenement voor de eerste keer werd georganiseerd hield ik vantevoren mijn hart vast en zweette duizend peentjes. Bekeringsmissies zijn namelijk de engsten die er zijn, vooral als het poezie betreft.
Maar mijn vrees bleek achteraf voor niets: het werd een daverend succes. En in de jaren daarna werd het alleen nog maar grandiozer.

Morgen is het Nationale Gedichtendag. Of eigenlijk moet ik dat ‘Nationale’ weglaten van de overkoepelende Rotterdamse organisatie (PI), want Gedichtendag beslaat tegenwoordig behalve ons eigen Koninkrijk, ook Vlaanderen. Oftewel ons hele taalgebied. 

De vraag of mijn geboortestad, Tiel (Gelderland), ook onder dat taalgebied valt, daar zullen sommigen misschien over willen discussieren (Tiel heeft namelijk tevens een eigen taal: ‘Tìls’, wat ik overigens het prachtigste dialect van de wereld vind, al was het maar omdat het rijmt op ‘pils’ – kijk daarmee kan je als dichter uit de voeten), maar dit terzijde. Tiel doet morgen ook mee aan Nationale Gedichtendag. En wel met het volgende evenement:

Bap

Tot zover de poster van het festival dat morgen plaats vindt. De inhoud van die poster doet misschien vermoeden dat de opzet min of meer is gejat van het succesvolle "Dichter bij de bar"-festival. En ik kan je vertellen: dat klopt.
Volgens het principe ‘Beter goed gestolen, dan slecht gemaakt’. Of, om in Gedichtendagsfeer te blijven: "beter goed geimiteerd, dan beroerd gecreeerd".

Toch heeft de organisatie een eigen, Tiels tintje aan het concept gegeven. De 3 namen die op de poster staan: Henk van Zon, Khalid Boudou et moi, hebben stuk voor stuk stevige Tielse roots.
Henk van Zon is de zanger van de succesvolste Tielse rockformatie allertijden (‘Urf Rund en Rukvet nr 7’ – Grootste hit: ‘ik ben een beest (altijd geweest)’), die tevens gedichten schrijft. Echte Tielenaar.
Khalid Boudou is de jonge beroemde auteur van o.a. de romans ‘het Schnitzelparadijs’ en ‘Pizza-maffia’, die beiden zijn/worden verfilmd (morgen is die eerste film trouwens ook op TV, geloof ik). Schrijft ook gedichten en woont al heel lang in Tiel, dat door hem consequent  ‘Tiel-a-viv’ wordt genoemd.
En ik, tsja ik. De eerste Nederlands kampioen poetryslam die geboren plus getogen is in Tiel. En al woon ik nu al weer bijna 20 jaar in Amsterdam, ik mocht toch komen.

Sterker nog: de organisatie heeft mij in december 2007 gevraagd om nog 4 andere ‘professionele’ dichters uit de hoofdstad te inviteren voor "Back Alley Poetry" in Tiel.
En dat is gelukt. Ondanks dat de tijd kort was (ik bedoel: ‘hallo, het is Nationale gedichtendag, dan is iedereen al maanden van tevoren bezet!’), heb ik zowaar enkele van mijn favoriete namen uit het circuit bereid gevonden om met me mee te reizen naar mijn geboortestad:

Sander Koolwijk: winnaar NK poetryslam 2005
Bernard Wesseling: winnaar Budding’prijs 2007 voor het beste poezie-debuut
Sander Meij: NK-slam-veteraan

En, tadadatatadaah! De dichter die nadat ze de documentaire "Slammers" hadden gezien, door mijn eigen Tielse vrienden als hun ultieme favoriet werd uitgeroepen: Eus!

Plus! Daarnaast! Hebben wij (Khalid, Henk en ik) vorige week, tijdens een soort voorronde van ‘Back Alley Poetry’, 7 Tielse amateurdichters geselecteerd, waarmee de ‘professionele dichters morgenavond duo’s gaan vormen.

Enfin. Komen dus! Allemaal! Uit het hele land! Wat zeg ik? Uit het hele taalgebied! Vergeet de katheders van waarachter morgen tout dichtend Nederland en Vlaanderen hun poezie zullen mompelen. Ga voor spanning en sensatie! Ga naar Tiel!

Ik besef hoe kansloos de combinatie van die laatste 2 zinnen schijnt. Maar geloof me: het is waar.

Advertisements

Wat ik leuk vind

Ik bevind me in een zware week. Qua bezigheden bedoel ik; er is geen avond dat ik thuis zal zijn. Mijn arme kat, doch die terzijde.

Hoewel ze daar zelf overigens heel anders over denkt, realiseer ik me nu ze kopjesgevend over mijn toetsenbord flaneert. Waarbij ze met haar rechtervoorpoot aanhoudend de ‘backspace’-toets ingedrukt houdt en ondertussen quasi achteloos en vrolijk spinnend de andere kant opkijkt.

Weg tekst. Dank daarvoor, Wilson.

Katten zijn voorwaar niet dom. Maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over wat ik leuk vind. Mooi is Lucky Fonz III, vanavond in Paradiso, maar wat ik leuk vind is dit:

Sorry ik waag me niet vaak aan youtube-linkjes, en terecht. Ik vertik het dan ook om zo’n startbeeldje te etaleren op deze site (oftewel: het lukt me technisch gewoon domweg niet om in deze toestand enigszins professioneel een normale videolink op dit web-log te plaatsen). Ik doe het gewoon ouderwets:

Vikingen

Gekeken? Mooi!

Ik zeg maar 1 ding: Geef toe.

Lieve jongen

Zojuist heb ik het derde en laatste dagboek uitgelezen over mijn individuele interrailvakantie van 1991.

En ik geloof dat ik daarmee per ongeluk eindelijk een verklaring bij de kladden heb. Of althans een antwoord op de vraag waarom ik mezelf de afgelopen decennia (na 1991 tenminste) zo weinig nachtrust heb gegund en me tegelijkertijd dagelijks de tyfus dronk. En waarom ik zulks nog steeds tot een mijner favoriete levensaanpakken reken.
Komt het:

Als ik mijn derde dagboek mag geloven (en dat mag ik, want in mijn dagboeken ben ik altijd genant eerlijk) ontdekte ik in Praag dat een ‘chronisch slaaptekort’ in combinatie met ‘een stevige pils’ een ‘high’ geeft waarmee ‘geen enkele harddrug zich kan meten’.

"Ja, ja, dat kan je nu wel zeggen", zullen de wetenschappers onder jullie zich afvragen, "maar is dat ook werkelijk zo? Wordt deze conclusie gerechtvaardigd door fundamenteel onderzoek? En was er in die studie sprake van een degelijke controlegroep? En welke axioma’s cq aannames zijn er gehanteerd?"
En, en en, etc, enz.

Welnu, als volgt: Er was slechts 1 proefpersoon. En die proefpersoon was moi. Ik had er een slapeloze reis opzitten van 4 dagen en 4 nachten. Een trip van Loutra Kilini (Griekenland) naar Praag (Tsjechie). Een tocht waarin 9 treinen, 4 bussen, een groot schip, 2 trams en een hele hoop voetwerk een grote rol hadden gespeeld, alsmede 70 pond bagage op een amper 50 kilo’s wegend equivalent aan pril jongenslichaam.
Een jongenslichaam zonder valuta bovendien, althans geen valuta (een laatste Nederlands tientje en 100 Belgische Francs) die in de betreffende landen courant was. Een berooide ziel die, om hotels en campings uit te sparen, zijn welverdiende slaap probeerde te vatten in de gangpaden van boemeltreintjes tussen Udinese en Travisio, tussen Bruck a/d Mur en Klagenfurt, maar daarbij continu onschuldige passagiers over zich heen zag struikelen, tentstokken vanuit bagagerekken op z’n kop voelde donderen, of anders wel door conducteurs werd wakker geschopt.
Het laatste hompje brood met pikante vis had ie al in Brindisi verorberd, meer dan 1000 kilometer terug. Nu, 48 uur veder, had ie niets meer.
Zijn enige bezit bestond uit Slaap en Honger.

Hij kwam aan in Praag. Het was 6.45 in de ochtend en hij stond op station Holesovice. Alles was dicht. Hij rookte van zijn laatste gruis een Drummetje. Om 8.00 ging het postkantoor open en hij sloot aan in de rij. Wisselde zijn Nederlandse tientje voor 144 Tsjechische kronen. Daar was de commissie al vanaf. Hij had omgerekend maar liefst 8 gulden te besteden!
Daarvan reserveerde hij routineus netjes de helft om te bellen naar zijn lieve vriendinnetje in Nederland. Zo was hij. Heel resoluut. Eerlijk delen.
Maar de rest was om te leven. Hij jatte een routekaart voor toeristen bij de VVV. Het klinkt heutzutage misschien enigszins vreemd, maar daarop stonden destijds voornamelijk supermarkten aangegeven.
De jongen was er blij mee. Hij spoedde zich met de 35 kilo bagage op z’n rug naar de dichtstbijzijnde en sloeg voor 42 kronen aan Pivo in. Bier. Voor 8 kroon kocht ie een pakje Sparta-sigaretten, die net zo stoer en vies klonken als ze smaakten. Van de overige 27 kronen (ca 1 euro), kocht ie een halve liter Oostblokchocomel, een chocoladereep met kersensmaak, en 5 droge broodjes voor noodgevallen.

Eenmaal uit de supermarkt sloeg de jongen op een bankje uitgehongerd de halve liter chocolademelk achterover.
"Er zitten witte klonten in, en volgens mij is ie verzuurd, maar voor de rest smaakt ie goed!" noteerde hij enthousiast in zijn dagboek.
Daarna stortte hij zich op de chocolate-bar met kersen.
"Een beetje droog, en de kersen smaken naar beschimmelde olijven maar verder: top! Niks meer aan doen! Helemaal af, die Oostblokprodukten! En goedkoop! Ik wou dat ik meer geld had, dan zou ik er echt mega-veel van inslaan. En een handeltje beginnen in Nederland. Zou ik helemaal binnenlopen. Ik snap niet dat niemand dat doet."

Later die dag, toen de jongen zijn Pivo’s op 1 na allemaal op had gedronken en vervolgens een willekeurige tram had gepakt om een beetje warm te worden, vond ie zichzelf terug op een heuvel in een buitenwijk. Hij schreef op in zijn dagboek: "chronisch slaaptekort in combinatie met een stevige pils geeft een high waarmee geen enkele harddrug zich kan meten."

Daarna was het donker geworden. Nacht. Er reden geen trams meer terug naar het centrum.
Maar hij keek uit over Praag. En zag het mooiste uitzicht dat ie zich kon voorstellen. Hij trok er zijn laatste Pivo bij open. Rookte zijn laatste Sparta-sigaret. Pakte zijn dagboek en noteerde:

"Zo gelukkig heb ik me nog nooit gevoeld."

Wachten

Ik trapte vanmiddag met stevige tegenwind als een gek door om de trein van 14.51 naar Leiden te halen. Om 14.50 mijn fiets vergrendeld op Lelylaan, doorgesprint naar de kaartjesautomaat, perfect 5 vingerig zo snel mogelijk de juiste vakjes op het touchscreen aangeraakt, met de andere 5 m’n bankpas het apparaat ingefrot en m’n pincode ingetoetst, ‘nee’ geantwoord op transactiebon, geaccepteerde pas weer uitgenomen, het ticket uit de machine-lade geplukt, binnen 6 seconden de roltrap richting spoor 1 geslecht en nog net tussen de sluitende sneltreindeuren door naar binnen kunnen springen.

Zulke dingen geven me een goed gevoel.

Stress_is_mijn_muze

Ik ben een man die geboren is voor deadlines. Voor wedstrijdjes met de tijd. En geef toe, er is in dat kader geen idealer battlefield te kiezen dan de wereld van het openbaar vervoer.
Het OV is eerlijk, laat nergens misverstanden over bestaan. Heel simpel: Je hebt een spoorboekje timetable, met zwart op wit overeengekomen afspraken, en vanaf daar is het gewoon man tegen man. Tijd tegen Sven. Alle slappe excuses (‘er stond een rij bij de automaat’, ‘er was geen parkeerplaats voor mijn fiets’, ‘er stond een paard in de gang’) zijn zinloos: de trein vertrekt gewoon, en you lose. 

Als ik ‘m had gemist zou ik me een sukkel hebben gevoeld. Moet je een half uur wachten op de volgende. Op een koud en winderig perron, zonder dat er ook maar iets commercieels in de buurt is, zodat je een troostrijk kopje koffie gevoeglijk op je buik kunt noteren.
Op dat soort momenten zou de tijd je bij de kladden hebben gegrepen.Zich genadeloos laten gelden. Had je kennis gemaakt met gedachten over de eindigheid van het leven. En raar genoeg tegelijkertijd, als je echt lang moet wachten, over de nutteloosheid van het bestaan.

Een beroerd concept kortom: Wachten. Hadden ze nooit moeten uitvinden. Slecht voor de economie bovendien. Werkt recessies in de hand, al dat uitgestelde consumentengedrag, en voor je het weet is iedereen dakloos, zwerver en junk.

In die trein van 14.51, die ik zojuist had gehaald en waar ik dus een goed gevoel over had, trok ik een halve liter Hollandia-pils van de Edah open. En begon te graven in mijn rugzakje op zoek naar iets om te lezen. Ik vond een dagboek uit 1991.
Het ging over mijn interrailvakantie van dat jaar. Mijn toenmalige vriendinnetje had minder dan geen duiten, en werkte zich die zomer te pletter als koffiedame op het hoofdkantoor van Heineken om haar rekening courant situatie enigszins op orde te brengen.
Ik daarentegen had iets meer duiten, ik had namelijk maar liefst 800 gulden gespaard. Dus ik kocht een all-area-treinkaart voor 500 ballen en trok op mijn eentje een maand Europa in, met als opdracht te leven van een tientje (4,50 euro that is) per dag.
Wat ik me nog herinner is dat ik het heel lief vond van mijn vriendin dat ze me dat gunde.

Ik weet niet wie van jullie ‘Honger’ heeft gelezen van Knut Hamsun, (fantastisch boek! Wereldliteratuur! Aanrader!) maar goed, zo ongeveer verliep mijn vakantie.
Terwijl ik de schaarse drachmes/kronen/shillingen/Turkse danwel Italisaanse lires, die ik had gewisseld voornamelijk gebruikte om te bellen naar het thuisfront om aan te horen dat mijn vriendin het ‘geweldig leuk’ had met mijn Tielse vrienden tijdens BBQ-parties tot diep in de zwoele Nederlandse zomernacht, liep ik met mijn 25 kilo’s wegende rugzak door de droge steppen van de Griekse Peleponesos, en leefde toe naar het hoogtepunt van de dag: het afgezonderd eten van een drie dagen oud, verschrompeld hompje brood met een blikje sardientjes in pikante saus.
‘Luxe!’ schreef ik er in dat dagboek achteraan. Want normaal at ik geen pikante sardientjes op mijn enige maaltijd, maar Nutella-kuipjes die ik had gestolen tijdens een van mijn louche pensionstropingen. Sneaky raids, waarbij ik net deed alsof ik betalende gast was, en uit het ontbijtbuffet het een en ander in mijn zakken liet glijden, onderwijl zoveel mogelijk koffie en nep-jus d’organge in mijn keel gietend.

Ik was 21 jaar oud, droeg een hoed, een gitaar, een rugzak van 25 kilo met tent, matje en slaapzak plus ontzettend veel meer aan onzin. Alsmede een plastic tas met Turkse theeglazen, die ik had gekocht in Istanbul als cadeautje voor mijn toenmalige vriendin. Ik kon de hele wereld aan.
Ik had de tijd van mijn leven.

Ik was eindelijk mezelf.

En met het concept wachten had ik totaal geen problemen.

Elektrische sigaret

Vorige week was ik tijdens het staartje van een Appelpopsponsor-avond in kasteel Wijenburg met mijn twee beste vrienden aan het overleggen naar welke wereldstad we dit jaar zouden gaan voor ons jaarlijkse vakantieweekendje samen.
"Zullen we weer eens naar Liverpool?" stelde er eentje voor.
"Daar mag je niet meer roken", zei ik.
"Ah, dat is inderdaad een ‘no go’. Parijs dan maar?"
"Idem dito."
"Parijs? Frankrijk!? Een rookverbod!? Dat meen je niet!"
"Toch wel", zei ik.
"Ongelooflijk! Ze zijn nu echt allemaal gek geworden! Enfin, heb jij een ander voorstel?"
"Berlijn misschien", zei ik, "volgens mij wordt het daar nog wel toegestaan. Althans, Joe Jackson is lang geleden verhuisd van New York naar Londen, omdat ie in de horeca van the Big Apple niet meer mocht roken, en toen in Londen na een tijdje ook een rookverbod werd uitgevaardigd is ie ‘m gepeerd naar Berlijn."
"Dat klinkt goed", zeiden mijn vrienden, "dan wordt het dus Berlijn. Zoek jij thuis even uit, of het inderdaad klopt dat je daar nog normaal overal een peuk op mag steken?"
"Consideer het gedaan", zei ik.

En dus bestookte ik afgelopen maandag op mijn werk google met de zoekterm "rookverbod + Duitsland".
Het bleek ingewikkelder dan ik dacht. In 8 van de 16 Duitse deelstaten was zojuist per 1 januari 2008 wel degelijk een rookverbod van kracht, leerde ik, maar in welke 8 precies, viel nog niet zo 1-2-3 te achterhalen. Daar kwam bij dat er werd gemeld dat er in die 8 betreffende staten tot 1 juli vooralsnog geen boetes zouden worden uitgedeeld en het roken tot die tijd dus nog gewoon zou worden gedoogd.
Dat laatste veronderstelde ik tenminste. Maar of zulks daadwerkelijk het geval is, je weet het niet.
Het leek mij verstandig om Berlijn voor de zekerheid toch maar links te laten liggen, en op zoek te gaan naar een geheel nieuwe bestemming. Iets in het Oostblok ofzo. Of in ieder geval een plek waar ze gewend waren aan een stevige portie vergiftigde bruinkooldamp, waar alle bomen over een aangekoekte roetlaag beschikten, en waar ze niet bepaald wakker zouden liggen van zo iets onschuldigs als een sigaret. Een plek kortom, waar het tenminste nog gewoon gezellig is.
Dat ze ‘m in het voormalige Oostblok bovendien doorgaans stevig weten te raken qua drank, die er op de koop toe spotgoedkoop is, sterkte mij alleen maar in mijn overtuiging dat deze regio wel eens een groot scala aan heel slimme vakantiebestemmingen zou kunnen opleveren voor mij en mijn vrienden.

Aan de andere kant: wij spreken geen van drieen Slavische talen. En ook het vooruitzicht om twee dagen achterelkaar enkel zuurkool met reuzel te moeten vreten, kwam me tamelijk onaantrekkelijk voor.

Wat te doen?
Ik zat echt enorm te peinzen toen een jonge collega, ook een roker, out of the blue een vraag aan me stelde: "Heb jij wel eens een elektrische sigaret geprobeerd?" vroeg ie.
"Elektrische sigaret?" zei ik.
"Ja, je weet wel, die je overal mag roken, zelfs in een vliegtuig, omdat er geen…"
"Ja, ik ken het verschijnsel", onderbrak ik ‘m, "maar geprobeerd? Nee. Jij?"
"Nee, ook niet. Maar ik ben wel benieuwd. Of het iets is, bedoel ik."
"Vanwege het rookverbod in de Nederlandse horeca van aanstaande juli, zeker", beaamde ik.
"Ook", zei mijn collega.
"Waarom nog meer dan?" vroeg ik.
"Zolangzamerhand al mijn vrienden zijn gestopt", vertelde mijn collega, "ik ben echt de laatste der Mohikanen. Op feestjes sta ik in mijn eentje op het balkon."
"Dan heb je de verkeerde vrienden", zei ik.
"Vertel me niks", zei mijn collega, "maar ja, wat doe je eraan? Ze krijgen tegenwoordig allemaal maar kinderen, en die kan je nou eenmaal moeilijk gaan.."
"Vergassen", beaamde ik.
"Aan tabaksdampen blootstellen", nuanceerde mijn collega.
"Op die manier", zei ik.

"Ik weet het niet", zei ik, "volgens mij kan zo’n ektro-ding het nooit halen bij the real thing."
"Nou", zei mijn collega, "ik lees hier net in een of ander forum over best enthousiaste ervaringen."
"Flikker toch op", zei ik, "mijn tante heeft een keer van de drogist zo’n Supersmoker mogen uitproberen. En om kort te gaan: Ze vond er geen reet aan."
"Ja hallo", zei mijn collega, "de Supersmoker, die is inderdaad zwaar kut, dat schrijft ook iedereen in dat forum, maar er zijn er nog veel meer! Over sommige andere merken zijn ze verschrikkelijk lyrisch!"
"Laat zien!" riep ik.

Want hey, ook ik zit ‘m stiekem te knijpen. Als 1 juli aanbreekt dan is het zomer en kan ik nog gewoon op ieder cafe-terras een shaggie opsteken (dat doen ze heel geniepig slim, die bewindslieden; ‘zachtjes laten wennen’ – lees gekookt worden als een kikker), maar zodra de herfst z’n intrede doet, ben ik vies de lul, en is het helaas bye bye horeca voor mensen zoals ik.
Tenzij: de elektronische sigaret! "Voor de draad ermee!", riep ik tegen mijn collega, "kom op met die lyrische ervaringen!"

Mijn collega toonde me enkele pagina’s die hij inmiddels had opgeslagen onder zijn ‘favorieten’.
Bovendien toonde hij me een tabel met een vergelijkend warenonderzoek. Merken en cijfers:

Tabel2

(Tip: Klik op tabel voor leesbaarheid)

Ik ben dol op cijfers.
"Wow", zei ik, "we moeten de Sedansa hebben!"
"Precies!" kraaide mijn collega, "want het gaat natuurlijk om de ‘hijs’, het gevoel dat het op je longen klapt!"
"Waarvoor rook je immers anders!" juichte ik.

Dus.

Laat ik daar een iets langere ‘dus’ van maken: voordat ik a pakweg 99 euro zo’n plastic staaf met ampules aanschaf, ben ik dus benieuwd lieve lezers. Als 1 of meerderen van jullie enthousiaste ervaringen heeft/hebben met een bepaald merk elektrische sigaret: Please, mail me dan, of zet ze uiteen in een openbare reactie op dit stukje.
Ik denk namelijk dat we elkaar daar een lol mee doen.

Om jullie ook alvast een lol te doen als tegenprestatie 2 stripjes over de elektrische sigaret:

Scan0001

Scan0002

Wijlen Karel Glastra van Loon, praktizerend SP-er, debuteerde ooit met "vannacht is de wereld gek geworden."

En ook ik zeg: mijn vrienden hebben gelijk. Ik bedoel, roken verbieden en tegelijkertijd nieuwe kolencentrales toestaan, djiezus. Think! (What you’re trying to do to me! – Aretha Franklin).

Kleren kopen

Kleren kopen is voor mij echt een probleem. Nog afgezien van mijn antipathie jegens shoppingstraten in het algemeen en kledingwinkels in het bijzonder, beschik ik over een buitengewoon beroerde maat. Ik ben te dun of te kort of zoiets; in ieder geval is mijn maat zelden voorhanden in het standaard-assortiment van de grote ketens. Gevolg: een spoor van al even kansloze queestes door tous les boutiquejes die Amsterdam rijk is, en een almaar chagrijniger wordende Sven, die zijn haat jegens kleding kopen met elke poging dieper geworteld ziet geraken.
Dus nam ik me een paar jaar geleden voor: ik schaf pas weer kleding aan als werkelijk alles waarover ik nu beschik tot op de draad versleten is, en het echt niet anders kan.

Enfin. Die dag was gisteren aangebroken. Ik moest echt een nieuwe broek voor mijn werk. Ik bedoel, mijn pantalons die ik ooit 12 jaar geleden in grote getale had aangeschaft bij een  inmiddels ter ziele gegane discountketen (iets met een ‘P’, en daarna een ‘e’ geloof ik; help me Char!), die als enige confectiemaat 44 verstrekten, waren inmiddels stuk voor stuk voorzien van diverse brandgaatjes. De afgelopen maanden heb ik daarom bij de ABNAMRO rondgelopen in een partijtje redelijk nette ribbroeken, dat ik vorig jaar op de kop had weten te tikken tijdens de sales bij H&M, maar die bleken van dusdanig slechte kwaliteit, dat ik reeds gisteren het laatste exemplaar wegens versleten plekken bij de knieen en broekzakken, moest afschrijven om dreigende representativiteitsproblemen voor te wezen.

Dus L. en ik gisteren de stad in. In het PS, de magazine-bijlage van het Parool, had ik net het wekelijkse interview gelezen met zo’n semi-bekende Amsterdammer, die zijn favoriete en meest afschuwelijk bevonden plekjes van de stad mag benoemen, en op de vraag "wat is de engste straat?", had de meneer in kwestie geroepen: "De Kalverstraat op zaterdag".
En daar had hij natuurlijk gelijk in, maar toch gingen we juist daar naartoe. Ik bedoel, ik kon in de urgente paniek geen behoorlijk alternatief verzinnen. In de Kalverstraat zitten nou eenmaal de meeste H&M’s en hoewel het gezien mijn ervaringen uiteraard verstandiger zou wezen om voor een iets langere termijn oplossing te kiezen, won toch de hoop dat ik er op deze manier misschien het snelst van af zou zijn.

Dus daar stonden we in het filiaal onderin de Kalvertoren, L & ik. Het was er te druk voor woorden; mensen daalden als ingepotte asperges de roltrappen af en voor de pashokjes stonden kilometerslange rijen pubers te wachten tot ze aan de beurt waren om hun goudbestikte spijkerbroeken te passen.
Me duwend en trekkend door de menigte worstelend, begaf ik me sprintend naar de rekken die vorig jaar nog voor verlossing hadden gezorgd.
"Kut!" riep ik aldaar aangekomen tegen L., "ze hebben de ribbroeken verplaatst!"
Maar L. was er nog niet.
Blijkbaar kon ze niet zo goed associaal duwen en worstelen als ik, en lag ze nog een halve roltrap achter.
Ik sprintte terug, wachtte haar ongeduldig op, en toen ze onderaan was gekomen sleurde ik haar direct weer terug mee naar boven en riep: "We gaan naar het volgende filiaal, op de hoek van die straat waar de Esprit ook zit, misschien dat het daar minder druk is."
"Zouden we daar beter niet eerst eens even koffie gaan drinken?" vroeg L., "om tot rust te komen; je bent namelijk een beetje aan het doordraaien. Zo kan je niet nadenken. Misschien moet je eerst eens even overpeinzen waar je het meeste kans maakt om die precieze kleren die je blijkbaar in gedachten hebt, het makkelijkst kan scoren."
"Wat!? Doordraaien!?" schreeuwde ik verward, "En hoezo koffie!? In de H&M?"
"Nee, bij Esprit", zei L.
"Eerst een broek kopen!" riep ik, "ik moet echt een broek, en het is al bijna sluitingstijd. En als ik geen nieuwe broek heb, dan word ik waarschijnlijk ontslagen, en dan kan ik de hypotheek niet meer betalen, en dan moeten ik mijn huis uit, en dan.. dan.. dat is toch een ramp!? Een drama! Kom op, rennen!"

Ja jongen, ik was danig aan het panikeren. De Kalverstraat had me reeds na 5 minuten goed bij m’n kloten.

L. probeerde me tot rust te manen, liet me in het volgende filiaal van H&M, waar het inderdaad minder druk was, nette zwarte spijkerbroeken passen en Hiphoptrousers. Want dat waren ter plekke de enige pants voorhanden die enigszins in de buurt kwamen van mijn maat.
Ik paste de nette zwarte spijkerbroek. Wijdtesize 28. Wat ik prima kan hebben, en hij fitte dan ook perfect en kostte bovendien maar 9 euro, edoch ik zag er tegelijkertijd uit als de eerste de beste junk.
Het was zo’n broek die je echt van je benen af moet pellen, als je ‘m uittrekt.
"Het zijn skinnyjeans", verklaarde L., "die horen zo."
Ik keek nog eens in de spiegel.
‘Hmm’, verplaatste ik me in mijn leidinggevende, ‘wil ik Herman Brood in dienst? Dacht het niet.’
"Afgekeurd", zei ik tegen L., "next".
Ze reikte me de Hiphopbroek aan.
En ik moet toegeven: die zat alvast een stuk prettiger. Maar ja, om nou de complete Marketingafdeling continu te confronteren met de bovenste helft van mijn boxershorts, dat leek me ook niet echt een slimme carierremove.
Dus ik klipte de verfrommelde broeken weer op de klerenhangers, hing ze terug in de rekken en sleurde L. mee terug de Kalverstraat in, op weg naar het volgende filiaal van de H&M. Dat tegenover de MacDonalds. "Als we snel zijn kunnen we het nog net halen", zei ik tegen L.
We haalden het. Het bleek echter een filiaal voor enkel kinderkleding.

"Fuck", zei ik, "dat was het dan. Missie mislukt."
Ik zal daarbij een enigszins teleurgestelde blik hebben tentoongespreid. Of waarschijnlijker: een zwaar depressieve. Ik keek vermoedelijk oprecht of een toekomstig clochard-bestaan me onafwendbaar toescheen.
Beroerd geacteerd dramaqueenisme, het is mij voorwaar niet vreemd.
L., die ondertussen ontzettend veel zin in koffie moet hebben gehad, alsmede de neiging om mij vuistdiep de grond in te timmeren, beet nog eenmaal op haar tandjes en opperde: "Misschien is de C&A nog wel open. Volgens mij hebben ze daar ook ribbroeken. En pantalons."

"Verrek!", zei ik, en nog eenmaal sleurde ik L.’s arm speedwandelend mee door de engste straat van Nederland, de diverse verontwaardigde ‘hola’s!’ en ‘hey’s!’ van tegenliggers waar we tegen opbotsten strak negerend, en verdomd!
De C&A was nog open. Tot 19.00, maar liefst!

Op een negerjongen en zijn vriendin die een pak wilden kopen en een verwarde man met een oogafwijking na, waren er totaal geen klanten aanwezig op de herenafdeling van de 3 verdiepingen tellende winkel.
Ik zeg: ideaal. In alle rust viste ik 2 ribbroeken uit de schappen in precies mijn maat. In de pashokjes draaide ik mijn kont, bekeek mezelf in de spiegel en vroeg aan L. "Wat denk je?"
"Helemaal goed", zuchtte ze, "precies wat je had."
"Dat dacht ik ook!", joelde ik, "en dat allemaal dankzij jou! Je hebt wel een beloning verdiend!"
"Ah! Wat voor beloning had je precies in gedachten?" vroeg L.
Ik stak mijn kop om de hoek van het pashokje, en zag hoe de negerjongen en zijn vriendin in en om een ander pashokje bezig waren met de diverse kledingstukken van een potentieel pak te bestuderen. Ik gaf een knipoog aan de negerjongen.
Ik keek weer naar L., die op het stoeltje naast mijn hokje zat. Ik vond ‘r mooi en overwoog een foute opmerking. Maakte die ook. En de negerjongen grijnsde. Maar natuurlijk zijn we daarvoor in de plaats gewoon meteen die twee ribbroeken gaan afrekenen om vervolgens ergens koffie te drinken.

Of nou ja, ik een pils dan.
Maar de missie was geslaagd. Ik ben weer voor minstens 6 maanden uit de problemen.

Bobby Fischer

In 1943 werd ergens op een vierde verdieping in Chicago een jongetje geboren, dat toen ie zes jaar was, een cadeautje kreeg van zijn zusje. Ze had het gekocht in de snoepwinkel op de hoek.
Nou zal zulks vast vaker gebeuren, zusjes die broertjes cadeautjes geven, maar in dit geval betrof het een presentje dat danige invloed zou hebben op het latere verloop van de wereldgeschiedenis: een schaakbord.

We spoelen 8 jaar vooruit. Bobby Fischer, inmiddels 14 jaar oud, had na aanvankelijk een beetje met z’n zusje te hebben geklooid op de 64 velden ("maar ze vond er geen reet aan"), voornamelijk potjes tegen zichzelf lopen schaken ("meestal won ik"), maar vond het nu hoog tijd om zich eens te meten met de rest van de USA. En prompt werd hij nationaal kampioen. Onder de volwassenen that is, ik bedoel dat hele jeugdtournooi-gedoe sloeg ie gewoon over.

Fischer4

Bobby NK-kampioen schaken.

Maar ik had het over de wereldgeschiedenis. En de wereld, die is groter dan de USA alleen. Hoewel ze daarover aan de overkant van de Atlantische oceaan nogal eens anders over plegen te denken, maar dat terzijde. Anyways. Het was 1957. De tijd van de Koude Oorlog. De Amerikanen waren destijds het rijkste, de Russen de slimsten. Dat uitte zich niet alleen in de ruimtevaart (Amerikanen ontwikkelden in een miljarden dollars-verslindend project een pen die zelfs in gewichtsloze toestand functioneerde – dus hier op aarde ook gewoon op z’n kop kon schrijven – de Russen daarentegen zeiden na de presentatie van al die poeha quasi achteloos: "tsja, och, weet je, wij gebruiken in de ruimte gewoon een potlood!"Tadaah! Nastrovja! en 1-0 voor de Sovjets), maar ook op het terrein van de denksport, met schaken als koningsnummer, waren de Russen in die dagen veruit superieur.
Dus dat gosertje uit Chigaco, die wonderboy, kwam voor de Amerikaanse regering als een geschenk uit de hemel.

Een jaar later, in 1958 werd Fischer als jongste schaker allertijden ‘grootmeester’ en weer een jaar later plaatste hij zich voor het ‘kandidatentournooi’; de prestigieuze wedstrijd van de wereldschaakbond, waaruit de uitdager van de regerend wereldkampioen voortvloeit.
Hij redde het niet, die jonge Fischer. Keer op keer kwam ie in die kandidatentournooien te staan tegenover een blok van Russen, die volgens Bobby stiekem vooraf onderlinge remises hadden afgsproken, opdat ze meer energie overhielden om hem, het Amerikaanse gevaar Fischer, in de kiem te smoren.

Stapelgek en horendol werd ie ervan. En niet alleen daarvan: hij kon ook vreselijk slecht tegen afleidend geluid. Als rechtgeaard autist wenste hij zich volledig te kunnen concentreren, dus eiste hij absolute stilte in de speelzaal. Vrouwen met naaldhakken kwamen er niet in wat hem betreft, laat staan kinderen ("behalve als ze kunnen schaken").
Maar veel gehoor vond ie toen nog niet bij de tournooi-organisatoren, dus trapte ie stennis, heel veel ruzie, en verliet stampvoetend tournooien waarbij hij vlak voor het einde nog op kop had gelegen met 8 1/2 punten uit 10 (wat een onmogelijk hoge score is in de schaakwereld).

Wonderboy Bobby Fischers leek een roemloze toekomst ten deel te vallen. Door al z’n weerzin tegen de complotten die hij vermoedde, schopte hij het nimmer tot winnaar van een kandidatentournooi, en zou ie dus nooit mogen strijden voor de titel van Wereldkampioen. Sterker nog: zelfs aan interzone-tournoois, de voorrondes van de kandidatenmatches, mocht ie niet meer meedoen.

Totdat! Ene Pál Benko (en of de FBI/CIA daarachter heeft gezeten, niemand zal het ooit weten), ‘vrijwillig’ zijn plaats opgaf in het interzone-tournooi van 1970 in Palma de Mallorca, om die te ‘schenken’ aan Bobby Fischer. Hij won dat tournooi met een onovertroffen overmacht. En ook in de kandidatenmatches, die daarop volgden liet ie tennisuitslagen zien: 6-0, 6-0, tegen respectievelijk Mark Taimanov en Bent Larsen. En tevens voormalig wereldkampioen Tigran Petrosjan degradeerde hij met 6½-2½.

En toen was het eindelijk zover.
In 1972 mocht Fischer in Reykjavik (IJsland) de "Match van de Eeuw" spelen om het wereldkampioenschap tegen de toenmalige wereldkampioen, de Rus Boris Spasski.
Fischer verloor de eerste partij door een ontzettend stomme fout. Hij sloeg een ‘vergiftigde pion’ zoals Hans Bohm vanavond bij Pauw en Witteman nog eens aanhaalde. Waardoor z’n loper werd klemgezet en – kort door de bocht – naar de kloten was.
Een fout die zelfs een willekeurige veertienjarige amateur van, ik noem maar wat, de schaakclub van Tiel, niet zou maken.
Fischer baalde als een stekker. Hij was woedend. Het kwam door de camera’s beweerde ie, "die maakten te veel lawaai". "Zo kon ie niet denken". En hij eiste dat de match zou worden voortgezet in een afgezonderde ruimte, zonder publiek en vooral ook: zonder camera’s.
Toen aan die eis in eerste instantie niet werd voldaan, liet ie de tweede partij, waarin ie bovendien met wit mocht spelen, voor wat ie was.
Hij kwam domweg niet opdagen. De organisatie heeft alles in het werk gesteld om ‘m uit dat hotel waar ie zat, tevoorschijn te toveren. Ze hebben geschakeld met limousine-bedrijven en de politie die ‘alle stoplichten op groen’ voor ‘m zou zetten, maar Bobby Fischer vertikte het om te komen, zolang er ook maar 1 lens aanwezig was om opnames te maken.
Het mocht niet baten. Tik tik deed de klok aan de verlaten witte zijde van het bord, en toen de grote wijzer na een uur door de vlag heen ging was het 2-0 voor Spasski.

Pas toen er daarop aan alle wensen van Bobby werd voldaan, en er bovendien een miljardair over de brug was gekomen met een hele hoop centjes, nam Fischer weer plaats achter de stukken. Om vervolgens Spasski te verpletteren.
In een perfect American Dream-scenario.
Een Held.
De Russen waren verslagen en Bobby Fischer kreeg de lovendste woorden van Kissinger over zich uitgestort en werd eigenaar van de hoogste onderscheiding van de stad New York.

Na afloop van de WK-match was ie trouwens niet alleen wereldkampioen maar had ie daarnaast de hoogste ELO-rating die er ooit door een speler is gehaald: 2785 (voor wie niet weet waar het over gaat: noem dat getal in schaakland, en je bent helemaal de man).

Daarna heeft ie geen officieel schaakstuk meer aangeraakt. Okay, nog even een partijtje, 20 jaar later in 1992 te Joegoslavie, tegen diezelfde Spasski, om opnieuw de wereldtitel, en vooral om ruim 3 miljoen dollar op te strijken, maar die match is door de FIDE nooit gehonoreerd. Fischer zelf vond ‘m rechtmatig though, want hij was volgens zichzelf nog steeds wereldkampioen en geen enkele nieuwe uitdager had ‘m daarna in een officiele wedstrijd verslagen.
Dat klopte. Het jonge supertalent Karpov uit de Sovjetunie was de winnaar geweest van het eerste kandidatentournooi na 1972, en stond in 1974 te popelen om die Amerikaan van de troon te stoten, maar Fischer was met dusdanig absurde eisen gekomen qua omstandigheden in de speelzaal, dat de wereldschaakbond ze terzijde heeft geschoven en Karpov zonder dat er een stuk was verschoven, als nieuwe kampioen heeft gehuldigd.

Misschien terecht. Fischer was doorgeslagen. A la een Bob Dylan, die destijds het godsdienstpad was ingetuind, zo was Bob Fischer in die dagen de weg kwijt door te ageren tegen alles wat Joods was. Hij was zelf een Jood, of had in ieder geval een Joodse moeder, maar hij voelde zich als voormalig jeugdschaakwonder nogal misbruikt door tussenpersonen die veel geld op hadden gestreken tijdens zijn toenmalige simultaanpartij-schnabbels. En die mensen waren allemaal Joods geweest, dus hij snapte niet dat de wereld trapte in "zo’n verzinsel als de holocaust."

Hmm.

Ook was ie niet heel erg tuk op zoiets als ‘belasting betalen’. Vond ie onzin. Dus dat deed ie niet. Principe-kwestie. Wat ‘m op een veroordeling tot gevangenisstraf kwam te staan en ingewikkelde
dingen met uitleveringsverdragen.
Hij zat toen in Japan, waar de politie niet te beroerd was om aan de verzoeken van de grote economische broer te gaan voldoen, maar vond op het allerlaatst domestie in het schaakgekke Ijsland, waar ie tot op gisteren in de hoofdstad eenzaam op een hotelkamer heeft gewoond.

Fischer1

Bobby Fischer. Wat zal ik erover zeggen? Misschien moet ik het houden bij de wijze woorden van iemand die Bobby Fischer heeft ingehaald, qua jongste grootmeester allertijden; de Hongaarse schaaks(!)ter Judit Polgar: "Hij heeft een tijdje bij ons gewoond [..] Hij was altijd mijn grote held, maar ik dacht op een gegeven ogenblik: ‘ik moet dat loslaten. Er is een groot verschil tussen de mens en de schaker.’

Dat klinkt ontzettend verstandig, en dat is het ook, maar aan de andere kant doe ik dat liever niet. Want daarmee zou ik het gevoel hebben dat ik ‘m onrecht aan doe.
Bobby Fischer was een zonderling, een excentriek figuur. Iemand die bij de herhaling van de beelden van 9-11, waar de vliegtuigen zich in de Twintowers boren, voor de radio uitriep: "Yeah! Damn you, motherfuckers! Nu zijn jullie aan de beurt, stelletje cry-babies! Fuck the US!"

Iemand die op de vraag ‘wat is de essentie van het schaakspel?" antwoordde met "to crush the other guy’s ego."

Maar vooral was het een man met een fenomenaal geheugen. Toen in 1971 een van de Russische giganten (van de vermeende afgesproken remises), Efim Geller, op ‘m afkwam en vroeg aan Fischer of ie zich nog kon herinneren dat ze ooit in 1957 ook een paar vluggertjes tegen elkaar hadden gespeeld, antwoordde Bobby: "Uiteraard", en somde vervolgens van alle tien partijtjes die ze toen buiten contest hadden gedaan, het exacte zettenverloop op.
Een autist kortom, een controversiele weliswaar, maar op zijn vlak een van de intelligentste die we ooit hebben gehad.

Schaker Hans Ree vroeg Fischer ooit hoe hij tegen God zou spelen. Fischer antwoordde: Met zwart zou ik geen schijn van kans tegen Hem maken, maar met wit speel ik gewoon Spaans. Dat is zo’n uitgebalanceerde opening. Dan maakt Hij me niets. Maar misschien speelt Hij wel Siciliaans. Dan speel ik toch de variant met loper c4. Daarmee moet ik remise kunnen maken.

Well, lieve lezers. Dat laatste is happening while we speak.
Want Bobby is dood.

Rest in peace, schaakbroeder.

Fischer3

Robert James Fischer (1943-2008)