GRREATT

Vandaag stond het op alle Nederlandse nieuwssites die internet herbergt en ook was het een hoofditem in de diverse journaals op radio en TV: ‘Rookverbod horeca zorgt voor spectaculaire daling aantal hartaanvallen’.
Studies zouden aantonen dat in EU-landen waar een rookverbod is doorgevoerd in de horeca, het aantal hartaanvallen drastisch is afgenomen. Bijvoorbeeld in Schotland, waar het sinds 2006 van kracht is, met maar liefst 17 procent!

*Zucht*
We schreven vandaag 27 november 2007. Reeds op 14 november 2007, bijna 2 weken geleden dus, stond er in de Britse kranten en op de BBC-website, dat er van deze cijfers, en met name de conclusies die daaruit werden getrokken, (let op, ik zeg het nu even in ouderwets Nederlands:) werkelijk GEEN ENE HOL klopte.

Ik zal jullie verder niet vervelen met allerlei wetenschappelijke uiteenzettingen, maar toon slechts het grafiekje dat ik uit het BBC-artikel heb gecopy-paste, en dat het aantal hartaanvallen in Schotland gedurende de afgelopen jaren representeert:

Heart_disease416x219

Strekking: Het aantal hartaanvallen daalde ook al drastisch voordat het rookverbod werd ingevoerd, en van die door antirookorganisaties geclaimde 17% sinds 2006, klopt ook geen zak. Laat staan dat het er enig verband zou zijn tussen het aantal hartaanvallen en de plaatselijke invoering van het rookverbod in de horeca.

En toch. Toch nemen de Nederlandse media zo’n persberichtje van de gesubsidieerde lobby-organisatie Stivoro klakkeloos over. In vette letters. Zonder er vraagtekens bij te zetten. Zonder ook maar even te checken of het klopt wat er wordt beweerd.

En hoewel dat op zich allemaal nog niet zo erg zou hoeven zijn, immers: noem mij de eerste weldenkende mens die alles gelooft wat de media beweren, is het toch verschrikkelijk. Want mensen zijn nou eenmaal niet weldenkend. 
Dat grijp ik niet uit de lucht. Goebbels, die de propaganda-machine van Hitler runde, vatte het al eens eerder treffend samen: "als je een leugen maar vaak genoeg herhaalt, gaan mensen ‘m vanzelf geloven".

Stivoro heeft van die wetenschap, net als alle antirook-lobbys die haar zijn voorgegaan in Amerika, slim gebruik gemaakt.
Inmiddels geven ze in Amerika al lang toe dat ze de zaak bewust hebben misleid  (klik!), maar Stivoro strijdt onverdroten voort en komt met radiospotjes op de proppen waar je broek van afzakt.

Ik weet niet of jullie vaak naar de radio luisteren, maar zo ja, dan hebben jullie vast wel eens het spotje voorbij horen komen van de site rokendoejebuiten.nl.
Ene Ian McGregor, een zogenaamde Schot, die verdacht goed Nederlands spreekt, zegt met Scottish accent: "Als iek in NedeRRland ben, veRRrbaas ik me altijd weeRRr als ik mensen binnen zie RRroiken. In Scotland RRroiken wij altijd boiten. In de pub, op het werk, gaan wij gewoon naaRRr boiten! Ook als ik Thois wil RRroiken, ga ik naaRRr boiten. En ik kan je veRRrtellen: Its GRRREATT! Dus ga snel naaRRr RRroikendoejeboiten.nl!"

‘Ja hoor, natuurlijk!’, denk ik dan, ‘in het land met het kutste weer van de hele wereld, namelijk Schotland, daar waar het 360 dagen per jaar RRregent, is het GRRREATT om boiten te RRoiken? FlikkeRRr toch op, mongool!.

Ik bedoel, die hele Ian kwam niet al te geloofwaardig over, wat mij betreft.
Sommige collega’s in het rookhok van ABNAMRO dachten daar echter inmiddels al anders over. Die vonden het wel een goeie campagne. De spot had ze "aan het denken gezet". En het was dat wij niet boiten mochten RRroiken voor ons kantoorgebouw, omdat zulks niet al te representatief zou kunnen overkomen bij arriverende klanten, maar anders…
Anders zouden ze het wel doen, beweerden ze. Want boiten roken is GRREATT! Frisse lucht enzo, geen stinkende kleren…

Djiezus. Fuck man. Ik heb het gevoel dat ik een verloren strijd aan het strijden ben. En natuurlijk zou ik, als een van de laatste verzetstrijders, kunnen opteren voor dezelfde succesvolle methode die de vijand er de laatste decennia op na heeft gehouden. Ik zou kunnen strooien met statistieken, en nog eerlijker ook, van kankeronderzoeken in de USA, waarbij de reductie in het aantal sterfgevallen per 100.000 inwoners in rookstaten sterker is gestegen dan in de niet-rook-staten (echt waar!), maar dat doe ik niet.
 
Ik kies voor een beeld zonder cijfers. Zonder leugens. Zonder statistieken. Ik kies voor de diehard kroegganger. De diehardkroegganger is een wat oudere man. Of een wat oudere vrouw. En met wat ouder bedoel ik alles boven de 30. De mens zonder kinderen, de mens zonder urgente verplichtingen, de mens zonder in het algemeen. Die mens die iets zoekt, iets mist, maar soms niet weet wat. En waarvoor de kroeg de enige plek op de wereld is, waarvan hij/zij nog de hoop heeft het te kunnen vinden. Het kan sex zijn, een goed gesprek met een toevallige passant, of wellicht een vriendschap voor het leven, je mag het allemaal niet uitsluiten.
En die mensen, lieve lezers, die mensen, die roken, stuk voor stuk. Ketting. Let er maar eens op.
Moeten die mensen voortaan de hele week naar buiten? Dag en nacht? Opdat er dan in de bewuste horecagelegenheid op zondagmiddag eindelijk eens een gezinnetje durft langs te komen?
Een gezinnetje dat in een kwartiertje 2 cola lights, een appelsap en een Fristi naar binnen loopt te zuigen, zonder fooi te geven, en dan weer pleite is omdat het nog voor zessen drie provincies verderop achter de piepers blieft te zitten?

Fuck.

Sorry lieve lezers. Het zijn weer tamelijk zure stukjes de laatste tijd. Geloof ik. Mijn humeur daalt, daar waar de tijdsgeest vordert. Maar niet getreurd. Want dat is:
GRREATT!
Zou Ian McGregor zeggen.

Advertisements

Plichtmatig

Ik trap er telkens weer in. Soms, vaak eigenlijk, heb ik verdomde weinig inspiratie om te schrijven, maar ga ik er toch voor zitten. Zoals bijvoorbeeld vanavond. Uit een misplaatst soort plichtsbesef.

"En dan", om met Ivo Niehe te spreken, "gebeurt er dit:"

De woorden kruipen over het papier als een kolonne rode mieren over een platte steen.
Ze gehoorzamen aan hun botte aangeboren drang om te marcheren. Ze weten niet waarheen en waarom. Ze marcheren maar.
Ze zeggen niets. Ze zingen niet. Ze zwijgen.
Ze lopen stokstijf in het gelid en perfect in de maat.
Ze heffen hun koppen en staren je verbijsterd aan. Ze weten niet wat ze betekenen en jij weet het evenmin.

De bovenstaande passage komt uit het verhaal "Cafe de Raaf nog steeds gesloten", van de Vlaamse schrijver J.M.H. Berckmans.
In het vervolg van z’n tekst zet Jean-Marie uiteen hoe ie een zojuist volgeschreven A4tje in de hens steekt, om de verkoolde resten eerst in z’n asbak en uiteindelijk bij de vuilnis te deponeren.

Ik moest er vanavond weer even aan denken, nadat ik voor de zoveelste keer op ‘select all’ en ‘delete’ had geklikt.

Tante

Ondanks mijn goeie voornemens werd het vannacht toch half 6 voordat ik, zoals ze dat in militaire dienst pleegden te zeggen, ‘in mijn mand lag’.
De wekker had ik desalniettemin gezet op 9 uur, omdat mijn nichtje een paar weken geleden op het briljante idee was gekomen om op een zondagochtend met de hele familie de studio in te duiken om een ‘rap’ om te nemen voor haar aanstonds voor de 60e maal verjarende moeder.

Daar was ik mooi mee gefeliciteerd. Tot overmaat van ramp had ze mij vorige week de opdracht gegeven om de tekst te schrijven voor het feestnummer van vanochtend ("Doe maar iets op ‘Whatta man’ van Salt ‘n Pepa, jij kan toch zo goed rappen? Ha dat rijmt alvast! Enfin doe je best, maak er iets moois van"), dus daar stond ik vanochtend met mijn brakke kop in de studio ten overstaande van pakweg 20 familieleden, die stuk voor stuk wapperden met in veelvoud uitgeprinte A4-tjes: "Hoe moeten we dit in godsnaam inzingen? Dit is veel te moeilijk!"

"Vertel mij wat", wilde ik eigenlijk zeggen, maar dat zou niet erg functioneel zijn geweest, vandaar dat ik riep: "Maak je geen zorgen, ik doe het gewoon een keertje voor, dan zullen jullie zien hoe makkelijk het is."

"Okay", zeiden ze, "doe maar voor dan."
Het was zondagochtendvroeg, ik had een vieze kater, zo eentje waarbij je de gal zich opdringt aan je mondhoeken en je hele lichaam schreeuwt om water, maar toch kreeg ik op dat moment spontaan zin in een enorme pils.
Het is de druk mensen, de druk die me dagelijks weer wordt opgelegd, en niet mijn verslaving. Zou een verslaafde roepen. En ik moet zeggen: hij heeft gelijk.

Toch pakte ik geen pils uit mijn rugzak. Want hey, temidden van je familie, op zondagochtendvroeg, een halve literblik Aldibier aan je lippen zetten, dat is gewoon zooo niet hoe je herinnerd wilt worden. Denk ik tenminste. Ik ben er nog niet helemaal uit, though.
Anyways, ik nam het zekere voor het onzekere, tapte een glas water uit de lekkende studiokraan, schraapte mijn keel, startte het karaoke-bestand van ‘Whatta man’ op mijn meegebrachte laptop, en rapte er op los.
"Zie je", zei ik toen ik klaar was, "appeltje eitje."

Er werd wat gemompeld; "Klinkt inderdaad eigenlijk wel heel erg goed. En best makkelijk."
"Duh!", wilde ik uitschreeuwen, "ik heb potverdorie al jullie aangeleverde anekdotes omgezet in 4 regelige Jip en Janneke strofes; het 300 lettergrepen per zin tellende metrum van de Salt ‘n Pepa dames, speciaal voor jullie teruggebracht naar het behapbare aantal van 20! Dus!"
Maar dat zei ik niet. Ik zei: "That’s the spirit!"

En okay, bij de eerste twee familieleden die het studiohokje in moesten om hun 4 regels in te zingen, was er nog enige begeleiding nodig van mijn kant. En van de studiomixer niet te vergeten, Lowietje, die het gebrek aan ritmegevoel bij de eerste twee slachtoffers met ingenieus knip- en plakwerk, dusdanig wist te maskeren, dat ze op het eindresultaat klonken als twee serieuze kandidaten voor de Idols-finale.
Maar wat ik wilde zeggen: daarna ging het van een leien dakje.

De familie ging helemaal los, alsof ze tien kratten bier achter de kiezen hadden, hoewel we compleet nuchter waren.
Ik zal jullie niet vervelen met het eindresultaat, laat staan met de groepsfoto’s die we hebben gemaakt voor het CD-hoesje. Ik bedoel, die zijn voor jullie, lieve lezers, allemaal net zo interessant als het trouwalbum van de overbuurvrouw die je niet kent, maar geloof me: we waren goed bezig daar.

En toch he. Toch. Als het dan allemaal is volbracht, je zelfgeschreven tekstje volmaakt op tape staat, en iedereen om 14.00 weer zijns weegs gaat, en je allenig door de regen naar huis toe fietst, krijg je het gevoel: hier klop iets niet.

En toen ik langs het Roelof Hartplein fietste, daar waar ik jaren een kamer heb gehuurd van het feestvarken, wist ik opeens wie ik miste: mijn tante voor wie we het hele nummer gezongen hadden. Zij zou wel voor hebben gezorgd voor een vette afterparty. Zij is van de drankjes en van de sigaretten. Zij is van gezelligheid, ooit de belangrijkste connectie.

Dacht ik vanmiddag. Maar dat stond verder niet in de tekst.

Ondertussen regende het maar door, en had ik net als op de heenweg, de wind tegen.

SMS

"Bier is best lekker", sms-te mijn beste vriend me out of the blue vanavond, zo rond half 10, vanuit Kerk-Avezaath.
Ah, realiseerde ik me, dat is waar ook. Hij is sinds een paar weken gestopt met drinken, maar heeft met zichzelf afgesproken dat ie daar op zaterdagavonden een uitzondering op mag maken.
"Vertel mij wat", sms-te ik terug, "klapt er wel in zeker die eerste"
"Het is mijn vierde al hik" sms-te mijn beste vriend.
"Dan gaan we gelijk op", antwoordde ik.
"Waar zit je" sms-te mijn beste vriend.
"Thuis", repliede ik naar waarheid. 

Het bleef verdomd lang stil aan de andere kant van de glasvezelkabel. Maar uiteindelijk kwam er na een paar minuten toch een message.
"Zo dat mag wel op AT5"

Goeie dag

Ze zijn zeer zeldzaam, maar zo af en toe heb ik eens een ‘totaal vrije dag’. Dat wil zeggen: een dag waarop niets moet. Een dag waarop niets geregeld hoeft te worden, geen afspraken staan genoteerd, en ik zelfs niet hoef te werken, kortom een waarachtige vrije dag. Beter nog dan die verplichte rustdag van de Christenen, want die moeten dan naar de kerk. Ik daarentegen, ik moest vandaag helemaal niets.

En ik kan je vertellen: dat voelde alsof de verlosser zijn langverwachte comeback eindelijk gestalte had gegeven.

Wat ik dan vandaag heb gedaan? Well. Eerst vet uitgeslapen uiteraard. In de grachtengordel, het huisje van L., alwaar we vannacht waren gecrashed na een heftige Festina Lente-poezieslag-avond, waarvan het overigens zeer gezellige staartje tot de sluitingstijd van en in cafe de Doffer, de laatste krachten uit mijn gestel had gezogen.
Toen ik vanmorgen eindelijk wakker werd en mijn ogen opensloeg, keek ik in het grijnzende gelaat van mijn geliefde.
"Weet je hoe laat het is?" vroeg ze.
"Geen flauw idee", zei ik.
"Half 1!"

Dat was nou nog eens goed nieuws. Half 1! Ik had maar liefst 8 uur geslapen! Een unicum! Ik verklaarde mezelf megafit, en schoot in mijn kleren. "Wat zullen we gaan doen?" vroeg ik aan mijn geliefde, pro-actief als ik ben. 
"Euh", zei L., "wat dacht je bijvoorbeeld van koffie drinken?"
"Goed plan", zei ik, "zal ik ‘m zetten?"
"Misschien", opperde L., "is het nog gezelliger om koffie te gaan drinken in cafe de Pels."

Dat was inderdaad een nog beter plan. Man, de mogelijkheden die je hebt als je over alle tijd beschikt en in de grachtengordel bivakkeert, briljant gewoon.
We stiefelden naar cafe de Pels, alwaar ze sinds jaar en dag de lekkerste koffie verkeerd hebben van de hele stad.
Waarschijnlijk staat dat laatste overigens ook in de ‘Lonely Planet’ en de ‘Let’s go!’, of iets dergelijks, want waar de Pels tot voor kort overdag enkel enige representanten van de vergane glorie uit de vaderlandse journalistieke wereld herbergde, zit het tegenwoordig vanaf ‘s ochtens al stampvol met Amerikaanse toeristen.
We namen plaats aan de grote tafel aan het raam. Naast twee ambitieuze twintigers uit de Verenigde Staten, die op een A4tje bezig waren teksten te maken voor TV-series. 
Ze hadden grootse plannen. Nu het schrijvende gilde van de USA al een paar weken in staking was, zagen zij hun kans schoon om het ontstane gat in te vullen.
"Fucking arrogant", vonden ze de stakende schrijvers, en "total losers."
L. en ik, we aten een tosti kaas-tomaat, en dronken onze koffies verkeerd. Lekker man.

Ik raakte er echt in een goeie bui van.
"Wat zullen we zodadelijk gaan doen?" vroeg ik aan L.
"Zullen we naar de Aldi gaan?", stelde ze voor.
Ze had me geen groter plezier kunnen doen. Ik vind de Aldi fantastisch. En dat meen ik. Toen ik mijn dagen nog sleet in het bezit van een uitkering en opperst geluk, woonde ik op het Paramariboplein in stadsdeel de Baarsjes, om de hoek van de Aldi. Ik liet geen dag verstek gaan zonder een bezoek ter plaatse en onderschreef zo ontzettend de stelling van de Vlaamse cultschrijver JMH Berckmans, die beweerde: "Zonder de Aldi was mijn leven pas echt waardeloos geweest."

Elke keer als ik in de Aldi ben denk ik: "Wow, hier zou ik een gedicht over moeten schrijven". En natuurlijk heb ik dat nooit gedaan. Ik weet overigens niet waarom. Misschien omdat het zou voelen als verraad. Verraad omdat het gewoon niet Aldi-lesque is om uberhaupt een gedicht te schrijven. Ook al ben je nog zo’n ware liefhebber, en schrijf je de mooiste ode die je dichten kan, dan toch zou je juist daarmee door de mand vallen. Ik bedoel, dan heb je het niet begrepen, het Aldi-gevoel. De Aldi-liefde. Om kort te gaan: het valt niet beter te zeggen dan zoals Berckmans het zei.

In de Aldi kochten we een pak A4-papier, een computertablet met muis en pen (daar kwamen we voor – hadden we gezien in de advertentie), een grootverpakking tabaccovloei en 1 blikje SchultenBrau.
"Neemt u er maar eentje?" vroeg de cassiere wijzend naar het blikje.
Het was dezelfde cassiere van 15 jaar geleden, toen ik nog op het plein om de hoek woonde.
Toen nam ik er altijd 24, een heel treetje. Ze leek mij niet te herkennen though. Ik begon in mijn kop theorieen te ontwikkelen over onderbewuste lange termijn geheugens en dergelijke, maar besefte toen ik naar de rij achter me keek, dat het gewoon absurd was om in de Aldi maar 1 blikje bier te kopen.
"Ja", zei ik, "ik neem er maar eentje" (Ik wilde namelijk weer eens testen of dat supergoedkope bier naar mijn huidige smaakmaatstaf nog steeds te drinken was, want dat zou toch weer een paar honderd euro schelen op jaarbasis – red.)
Daarna begon ze tegen L. een gezellig gesprek over het computertablet met muis en pen.
"Waar is dat voor?" vroeg ze aan L.
"Om te tekenen", zei L., "op de computer".
"Ah!", zei de cassiere, "voor de kinderen! Voor Sinterklaas!"
"Nee voor mezelf", zei L.
Dat begreep de cassiere eerst niet helemaal. Maar daarna zei ze dat het haar ook heel leuk leek, zo’n pen. En putte ze zich uit in duizend excuses. Over dat ze niet zo veel verstand had van computers, maar, en, etc, enz, "dus het lijkt me inderdaad heel handig. Een goeie keuze."

Het is echt een aanrader, de Aldi. De rij achter ons volgde het gesprek gelaten en geduldig. Het was een woensdagmiddag in november en niemand had een zak te doen. Prachtig.

Daarna zijn we naar de Super de Boer gegaan om onze ‘vers-bonnen’ uit het gratis boodschappenpakket dat ik eerder deze maand met zegeltjes bij elkaar had gespaard, te converteren in daadwerkelijke levensmiddelen. Want dat moest voor 25 november.
Een hele speurtocht door de supermarkt kortom, om oa gratis Cela Vita aardappelpartjes te scoren, Weide Yoghurt en Johma Fris Garnalensalade. Na een half uurtje hadden we 7 van de 9 goederen gevonden, en vond ik het wel best.
"Laten we gratis gaan afrekenen", zei ik tegen L.
"Maar we hebben de Ola Friso’s nog niet!"
"Ben jij erg dol op Ola Friso’s?"
"Geen idee? Wat zijn dat eigenlijk?"
Ik keek op het voucher. "Yoghurtjes", zei ik, "met bosvruchten, staat hier. Maar we hebben al Weide Yoghurt, met kaneel en appel, dus.."

Dus we gingen. En beloonden onszelf na het vervullen van deze zware taak met wederom ‘een horecabezoek’.
Zo staat het in ieder geval genoteerd, sinds vanavond, in een of ander statistisch onderzoek.

Dat laatste zal ik uitleggen. Ik was vandaag in zo’n goede bui, dat ik toen ik na 4 bokbiertjes in de nieuwe Quelle (op de JPH – de ‘JanPiet’), thuiskwam en mijn ouderwetse analoge telefoon hoorde rinkelen, voor de verandering eens opnam.
En natuurlijk weet ik vantevoren al dat het een marktonderzoekbureau zal zijn, want wie belt me anders op mijn PTT/KPN-nummer?
Niemand, nooit. Behalve mijn moeder, en laatst nog de dichter FS op mijn antwoordapparaat met een vage aankondiging van een beleggingstip, okay, maar verder?

En toch. Ik was in zo’n goeie bui, ik nam op. En inderdaad. Een marktonderzoekbureau.
Maar voor het eerst sinds 15 jaar wist ik m’n ergenis te bedwingen en flikkerde ik de hoorn er niet meteen op.
Ik vond het eerlijk gezegd wel weer eens geinig. Zo’n callcenter-type aan de lijn. Ik stond ‘m met mijn jas nog aan, de Cela vita-aardappelpartjes nog in de hand, gereed om in de koelkast te deponeren, volledig openstaand te woord.
Ik vertelde ‘m alles over mijn winkel- en horeca-bezoek in mijn buurt, want daar ging het onderzoek over.

"Die man doet ook maar zijn werk", dacht ik. En alleen al de gedachte dat iemand anders aan het werk was, en niet moi, maakte me zo vrolijk, en parallel had ik zo’n medelijde
n, dat ik de hele vragenreeks met ‘m doorliep.
Ik zag in gedachten al het vinkje dat zijn superior zou zetten bij zijn naam, omdat ie dit gesprek zo doelmatig en vakkundig had afgerond. Of dat ie in ieder geval een ‘hit’ had gehad. Ik zag z’n kerstbonus groeien, en z’n kindjes mooie cadeautjes krijgen.

Ik had gewoon een goeie dag.

Let's work

Behalve het nummer vanaf wanneer het definitief is misgegaan met Mick Jagger, het volgende:

Afgelopen zaterdag heb ik wat oude dagboeken gelezen uit de periode dat ik net was begonnen met werken. We spreken dan over pakweg 12 jaar geleden, 1995.

Veel zin had ik er vantevoren al niet in gehad, las ik, maar toch zag ik destijds nog 1 lichtpuntje in het contract met het IT-bedrijf, waaronder ik zojuist mijn handtekening had gezet: ik zou zodra mijn proeftijd succesvol was verlopen en mijn tijdelijke aanstelling zou worden omgezet in een vast dienstverband, een lease-auto krijgen van de zaak.

Dat hield me op de been in die begintijd. Want het startsalaris was een schijntje, een fooi, maar die lease-auto, dat leek me ontzettend… volwassen, geloof ik. En "een geslaagde indruk maken". Vooral dat laatste was wel iets wat ik kon gebruiken tegenover mijn toenmalige sociale omgeving, die zelf voornamelijk al enorm geslaagd was, en die het comfortabele uitkeringstrekken waar ik me in de maanden na mijn studie en militaire diensttijd op toe had gelegd, maar moeilijk kon aanzien.
"Ik ben een boek aan het schrijven", probeerde ik me altijd te verdedigen, "een ervaringsdeskundige roman, over hoe debiel het Nederlandse leger functioneert", en dat was nog naar waarheid ook, maar mijn ouders en studievrienden trapten daar niet in.
Aan de betalende arbeid moest ik, net als iedereen. Want tssk, verzuimen je dure wetenschappelijke opleiding adequaat aan te wenden, dat kon eigenlijk zelfs in de negentiger jaren van de vorige eeuw al niet meer. Dat was ook toen al zoooo… enfin, niet van deze tijd. ‘Not done’, was de term in dat decennium. Maar goed, ook toen al diende je dus normaal te participeren in het proces teneinde voldoende inkomstenbelastingen te genereren, opdat de publieke voorzieningen bekostigd konden blijven worden.

Nou zijn de publieke voorzieningen er sinds ik werk (en ik ben niet de enige; de participatiegraad is hoger dan ooit en de werkloosheid op een historisch dieptepunt, net als het schaarse aantal mensen dat uberhaupt nog een soort van uitkering geniet) er eigenlijk alleen maar op achteruit gegaan.

Best raar, als je erover nadenkt. Maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over mezelf. Niet zozeer omdat zulks ontzettend in de tijdsgeest is, maar meer om dit stukje van een kop en een staart te voorzien.

Over die lease-auto dus.
Ik las afgelopen zaterdag die oude dagboeken, waarin de spanningsboog voornamelijk werd gevormd door het moment waarop ik eindelijk zou worden ingewijd in de club van volledig geservicede wagenbezitters.
Elke dag in mijn proeftijd, als ik op mijn fiets reed naar het Amstelstation, alwaar ik de trein moest pakken naar Utrecht, om aldaar over te stappen op de sneltram richting Nieuwegein, keek ik onderweg naar de bolides die in de steden/nieuwbouwwijken/ons bedrijfsterrein geparkeerd stonden, danwel over de A2 raasden in de file bivakkeerden.
Ik fantaseerde eindeloos over de auto die me straks, als ik een vast contract zou krijgen, door de directie toebedeeld zou worden.

Ik deed ontzettend mijn best in mijn proeftijd, was de beste van de klas. Ik dacht bijna zeker te weten dat er eentje zou mogen kiezen uit de middelste categorie. Die van de Renault Laguna’s. Want die wilde ik. Een gele, het liefst. Maar een rooie mocht ook.

Op de dag dat mijn proeftijd afliep was er slagroomtaart. Van de directie. Ze kwamen ons, een voor de IT klaargestoomd klasje van 10 academici, persoonlijk feliciteren.
Ik hou niet van slagroomtaart. Ik hou niet van taart uberhaupt. Maar dat maakte niet uit. Het leek me een goed teken.
‘Nou, voor de draad ermee’, dacht ik, ‘vertel! Welke auto’s zijn het geworden?’
"We zijn ontzettend verheugd", begon de algemeen directeur zijn speech, "dat jullie allemaal de proeftijd werkelijk excellent hebben doorlopen. Daarom zal het jullie ook niet verbazen dat we jullie daarvoor willen belonen!"
‘Yes!’ dacht ik, ‘We mogen een auto kiezen uit de middelste categorie!"
"We hebben", zei de algemeen directeur, "voor jullie allemaal, alle tien, een vast contract klaarliggen!"
‘Ja ja’, dacht ik, ‘dat wisten we al. Maar vooruit met de geit, vertel het ons, spread the good news!’
"En", vervolgde de algemeen directeur, "dat betekent dat jullie nu eindelijk een lease-auto krijgen!"
*Gejuich van mijn mede-klaargestoomde IT-ers*
"Op de parkeerplaats hier beneden staat voor jullie allemaal", zei de directeur, "en ik herhaal, voor jullie allemaal, een Opel Corsa klaar!"
*Opnieuw gejuich*
Behalve van mij.

Een Opel Corsa. Dat was de allergoedkoopste auto, uit de allerlaagste categorie.
Als de spreekwoordelijke boer die lacht met kiespijn nam ik mijn vaste contract en de sleutels plus papieren van mijn Opel Corsa in ontvangst.
Mijn collega’s renden in opperste vreugde naar buiten om hun auto’s te bewonderen. Ik volgde zwijgend. Teleurgesteld.
En toen ik het kenteken op mijn leasecontract matchde met de nummerborden van de verse aanwinsten in het wagenpark, werd ik pas echt depressief.
Daar waar mijn collega’s het mochten doen met nog enigszins acceptabele rooie, grijze en zwarte varianten, had de directie uitgerekend mij het exemplaar toebedeeld met de kleur mintgroen. MINTGROEN! Nou vraag ik je. Hoe kan je daar in godsnaam geslaagd mee overkomen bij je sociale omgeving?

"Werken", schreef ik toen in mijn dagboek, "is alleen weggelegd voor de allerdomsten."

Maar vandaag de dag doe ik het nog steeds.

Afgelopen zaterdag maakte ik mezelf wijs dat ik het te zwaar had, om uit het zojuist gelezene conclusies te trekken.

Rust

Het was een heftig en zwaar weekend. Vrijdagavond vanuit m’n werk direct door naar Tiel vanwege de condoleance-sessie voor de moeder van mijn beste vriend.
Na afloop met m’n zusje de stad in gegaan om het op een zuipen te zetten. De pilsjes klapten er aardig in, temeer daar ik de hele dag nog niets had gegeten en het er ook niet naar uitzag dat zulks er nog van zou gaan komen. 
En wat gebeurt er als je kapotmoe bent en niks eet en veel drinkt? Juist! Dan raak je overmoedig. Dus wat zeg je als je zusje na de zoveelste bokbier heeft medegedeeld dat ze "nu toch echt naar huis toe moet" en heeft geopperd dat het ivm de vroege begrafenis van morgen "misschien verstandig zou zijn als jij ook…?"
Precies! Dan zeg je: "Mwah, ik ga denk ik nog even kijken in.. Hoe heet die ene kroeg in Tiel ook alweer waar de Appelpoppers altijd zitten?"
Zusje: "De Hartog."
"Die bedoel ik!"

En daar kom je dan inderdaad vrienden tegen, en voor je het weet heb je nog een paar pils in je mik, en laat je je door de barman overhalen om op Nationale Gedichtendag ter plekke een poeziespektakel te organiseren
Om in de sfeer te blijven van onze huidige marketingslogans bij de ABNAMRO: "Alsof je het nog niet druk genoeg hebt."

Na sluitingstijd en een lange voettocht arriveer je driedubbel dronken bij je ouderlijk huis aan de rand van de stad. Je grist de sleutel onder de grijze rolcontainer vandaan, en strompelt half struikelend de drempel over. Zet de wekker van je mobieltje op 3 uur later en probeert de slaap te vatten.

En dat slaap vatten lukt nog wel. Eruit ontwaken is een ander verhaal.
Toch weet je jezelf met een kater als een kerkrat uit je nest op te richten en richting de douche te wankelen, alwaar je lieve moeder alvast een handdoek voor je heeft klaargelegd.
Op haar reservefiets waarvan je de achterband niet opgepompt krijgt wegens te ingewikkeld modern ventieltje, peddel je stuiterend over de klinkers naar de Katholieke Dominicuskerk om de uitvaartdienst bij te wonen.
En daarna de begrafenis op de Papesteeg.
En vervolgens de koffietafel in het rouwcentrum aan de Kwelkade. Alwaar je beste vriend aan je vraagt of je zin hebt om vanavond voetbal met ‘m te kijken.
En natuurlijk heb je vanavond zin om voetbal met ‘m te kijken. Ik bedoel, zijn moeder is net dood. Ik was zelfs gekomen als ie me had gevraagd om mee te gaan naar weetikveel, een musical. Niet dat ie zoiets ooit zou vragen, I mean: hallo, het is mijn beste vriend en niet voor niets, maar enfin. You get the point.

En ‘s avonds ga je inderdaad voetbal met ‘m kijken. In het huis van je andere beste vriend. Kleuters springen om je heen, trekken aan je nek, zetten hun schoen, je moet Sinterklaasliedjes meezingen, het hele rataplan.
En tussendoor klaverjassen en je twijfels uitspreken over van Basten.
Best leuk, en dat meen ik, maar ook best vermoeiend.
In de laatste trein terug naar Amsterdam word je op de hoogte gesteld van een vette vertraging, diep in de nacht arriveer je op Centraal, geen taxi meer te krijgen, behalve die van ene Hassan, die het korte ritje enkel accepteert als er ook twee naieve meisjes mee mogen rijden, die naar het Leidse Plein moeten, en die Hassan op de mouw heeft gespeld dat dat nog veel verder is dan "de JanPiet", waar hij mij eerst naartoe zal brengen.
Hassan haalt de indrukwekkende snelheid van 110 kilometer per uur op de Rozengracht, de longen van de meisjes en die van mij worden naar onze schouders gedrukt, en onze hartslag bereikt het standje maximaal als ie vervolgens op volle kracht het rode stoplicht op de kruising met de Marnixstraat negeert en net voor de van rechtskomende nachtbus weet langs te piepen.
Meer dood dan levend bereik je eindelijk, na 2 etmalen, je eigen bedje en voegt je naast je gade.
"Hoe is het liefje?" vraagt ze, "moe?"
"Breek me de bek niet open", zeg je.
"Gelukkig kan je morgen uitslapen", probeert ze je gerust te stellen.
"Nee", zeg je, "morgen moet ik bijtijds op, want ik moet van mijn nichtje een rap schrijven van 5 minuten, waarmee we volgende week met de familie in de platenstudio een beetje acceptabel voor de dag kunnen komen."

De druk, mensen, de druk, die er op me ligt zo afentoe. Een mens zou van minder overspannen kunnen geraken tijdens zijn ‘vrije’ weekend.

Enfin, die rap heb ik vandaag geschreven. En hij is nog gelukt ook, geloof ik, maar pin me er niet op vast. Ik ben dusdanig naar de kloten dat ik niks meer objectief kan beoordelen.

Het schaarse wat ik nog objectief kan beoordelen is de schoonheid van het enige rustmoment dat ik tijdens de afgelopen 72 uur mocht beleven. Dat verliep als volgt:
Proloog:
Zaterdagmiddag, een paar uur na de begrafenis.
Telefoon, mijn beste vriend: "Waar zit je?"
Ik: "In de Hamsche Brug." (een semi-chique restaurant, net buiten Tiel – pdn)
Beste vriend tegen mijn andere beste vriend: "Nou ja! Hij zit in de Hamsche Brug!" Tegen mij: "Wat doe je daar!?"
Ik: "Een pils drinken. En wat oude dagboeken lezen."
Beste vriend: "Zal ik je even komen oppikken met de auto?"
Ik: "Nee, ik ga liever lopen. Langs de Linge enzo. Het is mooi weer."
Beste vriend tegen andere beste vriend: "Hij gaat liever lopen, zegt ie, hij is gek!" Tegen mij: "Weet je het zeker, vriend? Dat is echt een kuteind. Ik kan je makkelijk even komen halen hoor, ik ben nu nog nuchter."
Ik: "Toch ga ik liever lopen. Vind ik leuk."
Beste vriend: "Jij bent echt een beetje gek he?"
Ik: "Ja".

En toch ben ik het niet. Want geef toe. Het volgende uitzicht had je niet willen missen:

Linge_zonsondergang

De Linge, op 17 november, tijdens zonsondergang, langs zo’n beetje de enige verlaten weg die Tiel nog rijk is.

Mooier wordt er door het leven zelden geschonken.