Vallen

In het derde en laatste bedrijf van ‘kleine doorschijnende man’ valt de hoofdpersoon van de roman bij voortduring op z’n bek. Letterlijk. Tot z’n achterhoofd aanvoelt als een stapeltje van plakjes kaas, en z’n knieen zijn opgezwollen tot een formaat weermee bij wijze van spreken een officiele voetbalwedstrijd gespeeld mag worden.

Vallen.

Het hoort bij het leven. Vooral bij het begin en het einde daarvan, als je een baby bent of een bejaarde. Maar als je pech hebt, er aanleg voor bezit, of er gewoon een destructieve hang naar hebt, kan het ook tijdens de periode die de bloei van je bestaan zou moeten representeren. Alleen bedoelen we dan vaak met vallen niet zozeer de buitelingen die F.S. en ik maakten na de presentatie van de roman, maar het vallen in de figuurlijke zin: ‘Je gezicht verliezen’. Nee, niet je gezicht verliezen omdat bloedkorsten de blik op je tronie ontnemen, wijsneus, ik bedoel: gedurende geruime tijd voor lul staan ten overstaande van je omgeving door fundamentaal mislukte beslissingen, of handelingen (of het gebrek daaraan) tijdens het actieve volwassen zijn. Het kan van alles zijn. Een republikeinse politicus die de pech had dat tijdens een stroomstoring de noodverlichting automatisch aansprong in net een darkroom teveel, een operazanger die denkt nog te kunnen autorijden na 30 vodkaatjes ijs, of gewoon een voetballer die de beslissende penalty mist in de strafschoppenreeks tijdens de WK-finale.

En dat zijn alleen nog maar de beroemden op aarde. Veel omvangrijker is het onbekende leed. De tragiek van mensen zonder zelfs maar fifteen minutes of fame (nooit door de voorselectie gekomen van Lingo, en net ziek toen de rest van de school op de tribunes zat van ‘Ren je rot’, en op het moment dat de dijk voor je huis op springen stond, interviewden ze de buurman – je kent het wel), mannen die tijdens verjaardagsfeestjes stilletjes in een hoekje wegduiken om uit het zicht van hun eega’s stiekem de ene na de andere pils aan hun mond te zetten, om zich ondertussen dood te ergeren aan opnieuw die buurman, die met z’n stomme paarse brilmontuur, grappen maakt waar om hun vrouwen het bijkans in hun broekrokken doen van het lachen.
Die mannen. Die hebben het pas echt zuur als ze iets stoms doen op hun werk, waardoor ze de laan uit worden gestuurd. Hoge bomen vangen veel wind vind ik derhalve een lulspreekwoord. Mogen ze van mij meteen opdoeken.

Vallen. Ik heb er niet echt verstand van, maar volgens mij is er een trend gaande dat mensen er steeds banger voor worden. En het daarmee ook steeds erger vinden. Waardoor ze er nog banger voor worden, en het derhalve nog vreselijker gaan vinden, etc, enz. Enfin, dat de collectieve gewaarwording inzake het vallen een negatieve spiraal heeft ingezet waar je niet gemakkelijk een einde aan maakt. Met als gevolg dat straks iedereen een grijze auto heeft.
Serieus. Je moet er voor de gein maar eens op letten. Ik turf al jaren de grijze auto’s als ik sta te tanken langs de snelweg. En ik kan je verzekeren: het worden er steeds meer. Niet dat ik wil beweren dat ik hiermee een Q.E.D. heb dat 1+1 twee is, daarvoor ontbreken er teveel stappen in het bewijs, maar intuitief zeg ik: de boel convergeert. Of om het populistischer uit te drukken: alles gaat richting eenheidsworst.
Nogmaals, ik heb er geen verstand van, ik ben geen professionele trendwatcher, maar volgens de voorschriften van mijn werkgever mogen er bijvoorbeeld door ons bedrijf inmiddels geen kleurrijke auto’s meer worden geleast. Want dat zou ‘de verkeerde indruk kunnen wekken bij de klant’.
En ondanks dat hun lease-auto zo’n beetje het allerheiligste bezit is van mijn collega’s, stelt niemand daar vragen over.
Allicht niet. Niemand durft. Want verder stelt ook niemand vragen. Dus als je een vraag stelt, val je op. Val je. Op. Doodeng. Niet doen. Zeker niet nu het secundaire arbeidsvoorwaarden betreft. Gevaarlijk, riskant, dodelijk voor mijn carierre. Slik ‘t maar weg, en dan nog even zo kort en efficient mogelijk naborrelen is het parool, en morgen weer fris aan de arbeid.

Geef ze eens ongelijk, mijn collega’s.
Vallen, in diskrediet geraken of hoe je het ook noemt, is zwaar uit de mode. Ik loop al een aardig tijdje rond, maar ik maak ze steeds minder mee en heb ze zelfs de laatste jaren niet meer in mijn directe werkomgeving aangetroffen: de laatkomers, de mensen met een kegel, de gekreukelde overhemden, de bebloede gezichten en de vindingrijke smoezen. Ik voel me de laatste der Mohikanen.
Vooralsnog word ik nog altijd gedoogd, though.

Er is een spreekwoord waar ik erg veel waarde aan hecht. En zal moeten blijven hechten, zeker als ik mijn plan om daytrader te worden in daden ga omzetten: Quit while you’re ahead.

Waarover morgen meer.

Advertisements

Kleine doorschijnende man

Vandaag heb ik de roman "Kleine doorschijnende man" (geschreven door Erik Jan Harmens),  waarvan ik afgelopen zondag de presentatie bijwoonde, uitgelezen.
Ik kan er veel over zeggen, ik kan er weinig over zeggen, of iets er tussenin. Ik kan er ook helemaal niets over zeggen, bijvoorbeeld omdat ik er vanavond de drive niet voor heb, maar wie begint er nu een alinea met het noemen van een boek waar hij vervolgens niks over wil zeggen, zeg ik dan, met een vraagteken erachter. Zou Erik-Jan zeggen.
Dan ben je een gek. ‘En als je gek bent willen de meisjes niet met je naar bed. Behalve mijn kat dan, maar die is ook niet helemaal lekker.’ (die laatste zin komt overigens niet uit de roman, maar uit een oud gedicht van EJH, en dan niet uit een bundel, want daar staat ie niet in, maar uit mijn geheugen, dus er kunnen quotefoutjes inzitten, doch om te voorkomen dat deze indekking mijnerzijds uitgroeit tot een loei van een disclaimer, vertrouw ik erop, met etc en drie puntjes erachter).

Maar goed. Laat ik helder zijn: "Kleine doorschijnende man" is een fantastisch boek, dat ik iedereen voor zijn verjaardag wil geven, mijn collega’s op kop. De stijl is virtuoos, het ritme zo mogelijk nog virtuozer. Het boek patst je pagina voor pagina heiend op de kanis.

Volgens de achterflap is de "Kleine doorschijnende man" een ‘roman over het failliet van de wedrenmaatschappij en de uiteindelijke onmacht van het individu versus de menigte’.
En met die typering ben ik het eens, iets wat ik niet vaak opmerk over een achterplat na lezing van het desbetreffende boek.
Meer wil ik niet verklappen. Koop die roman. En lees ‘m. En koop ‘m vervolgens nog eens twintig keer en doneer ‘m aan iedereen van wie je houdt, en die je haat, of iets er tussenin.

Groot denken (3)

Zoals aangekondigd vandaag het traditionele stukje met de titel ‘Groot denken’.
Ieder jaar als ik terugkom van vakantie en net weer begonnen ben met werken, realiseer ik me pas echt hoe ellendig ik mijn baan eigenlijk vind. Dat was zo in 2005 (klik!) en dat was zo in 2006 (klik!).
In 2007 (klik!) is het niet anders.

Vanochtend verscheen ik mankepotend en met gekleusde ribben in de kantoortuin van de ABNAMRO. Mijn gezicht zat onder de brandende bloedkorsten, zo groot als gaspitten.
"Maak je geen zorgen, wij vragen niks", zei Snorremans, de oudste van ons kantooreiland grijnzend, "maar laat me raden: zwaar weekend gehad? Ruzie getrapt met moeders de vrouw? Haha!"
"Geschept door een auto", loog ik, "op de fiets, gisteren."
"Serieus?" vroegen de andere twee collega’s. Ontzetting in hun ogen.
"Jazekers", zei ik, "je zal het altijd zien. Drie wekenlang suis je probleemloos van de gevaarlijkste cols in het woestste gedeelte van de Alpen. Met 70 per uur scheer je langs de diepste ravijnen. Pas des problemes. En dan ben je koud terug in Amsterdam en word je op een rustige zondagavond zomaar omver gekegeld door een geruisloze BMW."
"En je had natuurlijk geen helm op", zei een collega.
"Duh", zei ik.

Ik startte mijn computer op en stelde ondertussen voor koffie te halen.
"Laat mij dat maar doen", zei Snorremans. Het is een lieve vent. Echt waar. En ook mijn andere collega’s zijn lieve venten, maar ze zijn me niet dierbaar genoeg om ze de waarheid te vertellen. Gewoon. Omdat ik het gevoel heb dat ze me niet zouden begrijpen. Alcoholisme is sowieso al niet zo’n hobby die zich leent voor overdreven inlevingsvermogen van de gemiddelde medemens.

Feitelijk was wat werkelijk had plaats gevonden niet zo bijzonder. Het laat zich misschien nog het best samenvatten middels het mailtje dat de dichter F.S. me vanavond stuurde, om te vertellen hoe het hem was vergaan nadat we, toen de romanpresentatie van Erik Jan Harmens op het KNSM-eiland was afgelopen, met de pont terug over het IJ waren gevaren en we eenmaal aanbeland aan de centrumkant van de stad, op de steiger een van F’s presentjes voor zijn eerder gehouden optreden soldaat hadden gemaakt:
"dag sven" mailde F.S., "dat was nu eens echt een goed idee van ons, om ook nog die fles jenever op te zuipen.
ik lazerde zoals te verwachten tot twee keer toe van me fietsie, ben mijn brilletje kwijt en mijn fraaie gelaat wordt ontsierd door bloederige wonden.
gezegend de menschen die maat kunnen houden!"

Zelf had ik nog geprobeerd om na het Sheryl Crow-achtige gesprek  met  F.S. – anyway, daar deed het me aan denken: gezellig met een stevige hoeveelheid drank voorhanden, samen verbaasd naar mensen kijken bij de carwash of zoiets, in ieder geval naar een hoop water, in dit geval het IJ – om samen met L. lopend cafe de Doffer te bereiken, alwaar we min of meer hadden afgesproken met nog een ander stel romanpresentatiebezoekers, maar onderweg struikelde ik over een Amsterdammertje (‘paaltje’ that is, geen ‘kleine inwoner’, hoewel ik op dat moment het verschil waarschijnlijk niet meer kon duiden, net zomin als ik bij machte was onderscheid te maken tussen doorwaadware lucht en fysieke obstakels) en ging ik plat op mijn plaat. Klabam, kapats; eerst met mijn neus en daarna met mijn voorhoofd op de klinkers. Een kopstoot die er mocht wezen. Juist omdat mijn gezicht terugdeinsde voor de straat kwam het er met een verticale katapultbeweging extra hard op terecht.
Verdwaasd richtte ik mijn gelaat weer op.
"Nul sterren voor vering, deze straat", wilde ik als oordeel verkondigen, maar de woorden, ze kwamen niet. Ik besloot te blijven liggen. Het was goed zo. Een tukkie alhier kon geen kwaad, dunkte mij.

Pakweg een half uur later moet ik wakker zijn geworden. Ik voelde aan mijn voorhoofd, greep in stollend bloed.
Waar ben ik? vroeg ik me af.
Op de kasseien. Van de Herengracht, las ik op een straatnaambordje.
Ik draaide de film terug. En herinnerde me de val. En hoe ik L. tijdens onze wandeltocht, ruim voor mijn val, reeds vooruit had gestuurd naar de Doffer. "Ga maar vast", had ik gezegd, "ik moet een beetje frisse lucht hebben. Frisse lucht kan volgens mij geen kwaad."
"Weet je het zeker, liefje?"
"Ik weet het zeker."

Enfin. Wat heeft dat nu allemaal met ‘groot denken’ te maken? zullen jullie je afvragen.
Het antwoord is: niets.
Althans niets directs.
En misschien zelfs niks indirects. Ik weet het niet. Het enige wat ik weet is dat ik mijn werk kut vind. En dat ik iets anders wil. Zoals elk jaar na de vakantie heb ik weer het plan opgevat om daytrader te gaan worden (net zoals in dat stukje van vorig jaar dus).
Ik meen het. Volgens mij ben ik er nu, behalve technisch en economisch, eindelijk ook psychologisch klaar voor.

Toen ik dit jaar de Galibier beklom, en werkelijke pijn voelde, pijn veel groter nog dan de soort die ik gisteren ervaarde/ervoer toen ik de Herengracht kopte, besefte ik: dit is wat ik wil. Hier ben ik voor geboren, dit is waarom ik op aarde ben: Heroisch lijden in de persoonlijke marge. Een hoek op je giechel is slechts surrogaat. Om je echt te realiseren dat je leeft in al je voegen, heb je een col nodig, of een tradingprogramma waarmee je tien keer dagelijks je vroegere jaarinkomen op het spel mag zetten.

Als ik een bank zou zijn, en bovenstaande alinea(‘s) zou lezen, zou ik mijzelf nooit ook nog maar enige vorm van krediet meer verstrekken, en al helemaal niet om te gaan daytraden, maar geloof me als ik zeg dat ik denk dat de mentaliteit die je nodig hebt voor het beklimmen van cols, weleens de sleutel zou kunnen zijn tot het bestaan van een succesvol handelaar.

Het heeft te maken met doorzettingsvermogen en kunnen incasseren. Zoiets als het leven, dus eigenlijk. Maar dan op het juiste moment.

Werk

De eerste werkweek zit er weer op en er rest slechts 1 conclusie: my life sucks. Bigtime.
Het is gewoon niet te doen. Die tijdsverspilling, dat mateloos onbetekenende verblijven op een bankkantoor temidden van goedbedoelende, maar daarom niet minder onbenullige mede-loonslaven.

Blauwdruk van de gesprekken na de vakantie bij de koffie-automaat met mijn collega’s:

willekeurige collega: "Goeie vakantie gehad?"
moi: "Heerlijk, en jij?"
willekeurige collega: "Ook heerlijk. Helemaal top. Super gewoon. […] {ellenlang verhaal inclusief alle ins en outs van dingen die zelfs voor een weblogschrijver te saai zijn om te kunnen onthouden} […]. Maar het is natuurlijk toch altijd weer lekker om gewoon aan het werk te kunnen. Wees eerlijk, na twee weekjes begint het een beetje te kriebelen, dat niksdoen. Dan zit je stiekem toch weer te verlangen naar je oude vertrouwde bezigheden.
moi: "HmmHMM" – uitgesproken met de tongval van een sceptische dikke negerin. Want je denkt dat hij/zij een geintje maakt, de stijlvorm ironie bezigt, en je speelt het spelletje mee.
willekeurige collega – steevast onverstoorbaar: "Je gaat je toch een beetje verloren voelen als zo’n vakantie al te lang duurt. Hoe zal ik het zeggen? Je mist dingen. Je taken, je targets.. Zelfs je collega’s, ha, ha! Nee geintje."
moi: "Ha, ha!"
willekeurige collega: "Wahahahaha!
moi: "hahaha!"
willekeurige collega: "Nee, maar echt waar, hahaha. Na twee weken… je mist toch… hoe zal ik het zeggen… Noem het desnoods een stukje zingeving."
moi: whahahahahahaha!
willekeurige collega: ?

Iedereen op mijn werk is zo op zijn/haar plek. Serieus. Behalve ik.
De ironie wil dat zij een grotere kans maken om ontslagen te worden dan ik. Zij zijn ABNAMRO-personeel dat al jaren lang vastgeroest zit in oude functie-omschrijvingen, de favoriete arbeidsplaatsen voor young and eager management om in te snoeien. Ik daarentegen, ben een relatief jonge, maar extreem dure gedetacheerde medewerker die zichzelf onmisbaar heeft gemaakt door als enige op onze werkvloer verstand te hebben van de bedrijfskritische ICT-applicaties.

De wereld is oneerlijk, managers op kop.
Ik bedoel, Ce n’est pas moi, hein? Don’t blame me. Ik heb consequent vanaf mijn stemgerechtigde leeftijd op de linkste in het parlement zetelende partij gestemd, bij elke verkiezing. Dus ik mag mijn handen wassen in onschuld.

It breaks my heart, though. Echt waar. Ik vind het schandalig dat mensen met ziel voor de zaak, werknemers die al 40 jaar loyaal zijn geweest aan het bedrijf, bij bosjes het veld moeten ruimen, om thuis werkeloos hun benen omhoog te houden terwijl hun vrouw onder ze door stofzuigt. While ik, specialist in impressionmanagement, a raison van 10 keer hun WW-uitkering met een cafe au lait uit de bedrijfsautomaat on the side, mijn tijd vul met grasduinen op internet, op zoek naar leuke nieuwtjes en verhaaltjes, en eventueel het schrijven van een roman.

Disclaimer: Voor de managers van de ABNAMRO die eventueel meelezen: allemaal fictie dit hoor! Tssk! Jullie denken toch niet dat het echt zo gaat! Suffies.

Binnenkort een wederkerend stukje. Het vervolg in de cyclus ‘Groot denken’.
Het is weer begonnen.
Zoals elk jaar na de vakantie, als ik ben bijgekomen, als ik ben opgeladen. Ik heb weer plannen. Spectaculaire plannen, maar rustige plannen.
Voor mezelf. En mijn voor liefje.
Waarvan binnenkort akte.

Rue D'Orsel/Goudzoutstraat

Eergisteren had ik beloofd dat ik ook over de andere 4,5 boeken die ik tijdens mijn vakantie heb gelezen nog iets zou zeggen, maar eerlijk gezegd heb ik daar op het moment niet zo gek veel zin meer in.
Niet dat het slechte boeken waren. Au contraire. Op ‘Gehaaid’/’The raw shark texts’ van Steven Hall na, (een bijna 500 pagina’s tellend werk waarbij de auteur erin is geslaagd de beroerdste kenmerken van Harry Potter, De Da Vinci code en Het Kaartenhuis in een roman te verenigen), zou ik er een heel enthousiast stukje over kunnen schrijven. Ik zou de fijnzinnigste passages uit ‘de morgen loeit weer aan’ voor jullie willen herhalen, opdat jullie ‘m voor eeuwig in het hart sluiten, die Tip Marugg, en ik zou een betere ode willen dichten dan de Nits aan het adres van Nescio. Maar het ontbreekt me aan de energie.

Serieus. Ik ben nog geen halve week terug uit Frankrijk, ik zou moeten overstromen van het opgeladen accu-gevoel, maar het tegendeel is het geval.

Ik weet niet waardoor het komt.

Het was zaterdag 18 augustus.
L. en ik zaten op het piepkleine terrasje van een espressobarretje aan de Rue d’Orsel, een stil zijstraatje aan de voet van de Sacre Coeur.
Ze hadden er goeie cafe creme (koffie verkeerd), wat ons betreft zelfs de beste van Parijs. De ouwe Italiaan die achter de bar stond en zo af en toe kwam serveren, was aardig. Hij maakte grapjes over het voetbad dat ie elke keer veroorzaakte met z’n trillende handen.
L. en ik, we snapten de grapjes niet precies, maar we glimlachten wel. En hij glimlachte terug. En bracht dan servetjes waarvan wij zeiden dat ze niet nodig waren: "Ce n’est pas nessecaire!"
"Mais oui!"
Het was de goedkoopste koffie in 4 kilometer omtrek. En zoals ik al zei: de beste.

Op dat terras, op die hoek van dat espressobar-terras, waartegenover een ouderwetse gele brievenbus was bevestigd, zei ik tegen L.: "ik weet niet hoe het komt, maar we zijn dit jaar weer vergeten om ansichtkaarten te versturen."
"Verrek", zei L., "nu je het zegt."
"Dus wat zullen we doen?", vroeg ik.
"Hoe bedoel je?" vroeg L.
"Alsnog een paar kopen?" opperde ik.
"Nu nog? We gaan over 5 minuten weer terug naar Nederland!"
"Mijn Oma’s moeten absoluut een kaart van onze vakantie", zei ik, "anders raken ze danig in de war."

Dus ik kocht een straat verderop twee kaarten van de Sacre Coeur voor mijn Oma’s. Plus eentje van twee vrouwen die cafe cremes dronken op een piepklein terras voor mijn ex-vrouw, die op onze kat paste.
In een bar-tabac kocht ik de bijbehorende timbres/postzegels. En ik sms-te mijn moeder voor het adres van de Oma die onlangs weer van verzorgingstehuis was gewisseld. En ik kocht, nu ik toch onderweg was, een pain au chocolat voor mezelf en een extreem verse croissant voor L.

Terug op het piepkleine terras schreef ik de ansichtkaarten vol met geruststellende woorden voor mijn Oma’s. En een live-verslag op de kaart voor mijn ex-vrouw.
Ik plakte de timbres erop en flikkerde de kaarten in de boite aux lettres aan de overzijde.
Nam een slok van mijn cafe creme en een hap van mijn pain au chocolat. Ik keek naar de stilte van deze straat. En vanuit een ooghoek naar de toeristische drukte verderop.
"Kon het leven maar altijd zo blijven", zei ik.

Voornemens

Deze ochtend ging voor het eerst sinds ruim drie weken mijn wekker weer af op een onfatsoenlijk vroeg tijdstip.
"Fuck", riep ik in mijn halfslaap, "kutwerk!" en drukte op snooze.

9 minuten later krijste opnieuw het alarm en ik besloot een sigaret op te steken.
"De rook die ik uitblaas wordt door de luchtstroom van de airco naar het plafond gedreven om daarna kronkelend tegen de wand neer te dalen", citeerde ik Tip Marugg, "Buiten hoor ik het gekraai van hanen. De morgen loeit weer aan en is niet te vertrouwen."

Het allermooiste van vakantie vind ik, afgezien van cols beklimmen, de schier eindeloze tijd om het op een enorm (her)lezen te zetten.
Vooral voor iemand als ik, die zich in het geval van een meer dan gemiddeld goed boek een leestempo van nog geen 20 bladzijden per uur pleegt te permitteren, is een plichtloze dag een noodzakelijke voorwaarde om optimaal te kunnen voortsjokken in een al dan niet fictieve vertelling.

In de afgelopen 21 dagen heb ik het geschopt tot achtenhalf boek. In chronologische volgorde kwam dat neer op:

1. De kloten van de Marmot – Alex Roeka: een prachtige wielernovelle, rauwer dan ‘de Renner’ van Tim Krabbe; de pijn wordt zo felrealistisch en tegelijkertijd liefdevol beschreven dat je watertandend uitziet naar de hel. Must-read voor iedere massochistisch ingestelde cyclist (met excuses voor het pleonasme).

2. Les Jours Heureux/Gelukkige dagen – Laurent Graff (Fr): over een jongen die memento mori tot vaandel heeft verheven. Al op zijn 18e koopt ie van z’n zilvervlootrekening (bestaat dat trouwens nog?) een graf. En vanaf zijn 35e laat ie zich vrijwillig opnemen in een bejaardentehuis. Hij heeft dan immers alles toch al wel gezien. De rest zou zich laten uittekenen, dus waarom je vanaf je 35e niet meteen genesteld in het voorportaal van de laatste rustplaats?
Interessant boek, van een ‘oud zieltje’, zoals L. zou zeggen, een van de grootste Franse nieuwe schrijvers. Enorm getalenteerd. Plus een ‘lieve jongen’, vond ik. En dat vind ik er niet veel.

3. Spel – Stephen Enter. Stephen Enter, al meerdere malen genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, is vast ook een enorm lieve jongen, maar dan meer van het type Arthur Japin. Beetje Zijig. Maar goed, daar waar Japin door de literaire kritiek (m.i. overigens terecht) wordt verguisd, daar gooit Enter redelijke ogen, en dat zal absoluut liggen aan zijn vermogen om een verhaalstructuur technisch goed neer te zetten. Okay, de eindes zijn in deze bundel veelal een ietwat geforceerd, maar over het algemeen ben en blijf je behoorlijk geinteresseerd gedurende de chronologische beschrijving van Norberts (Stephens – ongetwijfeld) jeugd, die in 11 hoofdstukken uiteen wordt gezet, waarbij hij volgens de achterflap "de roman zo heeft vormgegeven dat ieder hoofdstuk een eigen sfeer ademt, waarbij toon en zelfs stijl steeds veranderen – van avontuurlijk tot archaisch, van dromerig tot nostalgisch tot rauw en scherp realistisch."
Ik zou na lezing zeggen: Als je eerlijk bent zou je op dat achterplat moeten schrijven: "zo dat ieder hoofdstuk dezelfde sfeer uitademt, waarbij de toon en zelfs de stijl continu archaisch, dromerig en nostalgisch is, maar dat geeft niet, want dat past gewoon bij die goser, snap je."
Niks mis mee.

4. Indecision/Besluiteloos – Benjamin Kunkel (VS): misschien wel het boek dat in theorie het beste aansloot bij mijn private smaak. Okay op het laatst, na bijna 300 pagina’s begint het zolangzamerhand wel heel erg te storen dat iedereen, hoewel zelfverkozen aan lager wal geraakt, uiteindelijk toch op New Yorkse wijze continu intelligent, knap van uiterlijk en witty van geest moet zijn; kortom dat het een beetje verzandt in, ik noem maar wat, ‘Phileine zegt sorry’, maar de eerste pakweg 30 pagina’s mogen er wezen. Die las ik onbevangen. En misschien heeft het te maken met mijn verlangen om ooit nog eens een nieuwe Catcher in the Rye te lezen. In dat kader had ik in het begin drie passages aangekruist met potentie:

[I – p17] ‘Ik zou doodgaan. Petrus zou vragen: "En hoe was het?", en ik zou antwoorden: "Geweldig. Lekker eten ook, al lustte ik niet alles. Maar de mensen waren allemaal erg aardig." En meer niet.’

[II – p25] "Fuck man, vertel mij wat," zei Sanch. "Hugo Sanchez drinkt zestien espresso’s per dag. En die is al afgekickt – zijn mensen hebben hem ertoe gedwongen. Hij dronk er eerst vierentwintig."
"Fantastisch!" Ik was echt onder de indruk van die man. "Wie is Hugo Sanchez?"
"Een eh, soort revolutionair."
"Zo te horen wel", zei ik.

[III – p31] "Maar wanneer ik aan het werk was en ontspannen, onspontaan en veel te hoog opgeleid in het airconditioningsklimaat zat, kwam het me vaak voor dat de beproevingen van de nederige werkezels in het bedrijfsleven onevenredig werden opgeblazen door diegenen die in sociale gelijkheid en mogelijkheden voor alle mensen geloofden. Het was weliswaar juist dat het werk slecht werd betaald, er geen secundaire arbeidsvoorwaarden bestonden, de promotiemogelijkheden in de praktijk nihil waren en het bedrijf onze sluimerende talenten vrijwel volledig negeerde – maar wat een ontzagwekkende, welhaast plantaardige vredigheid lag er in dit werken."

Ik geef toe, dat laatste citaat heeft te maken met projectie mijnerzijds, maar in die eerste twee ligt met enige goedwilligheid toch wel degelijk de geest van die ouwe trouwe Holden besloten.

Bon. Tot zover. Het is laat aan het worden. Althans laat voor de nieuwe Sven. Ik heb namelijk een goed voornemen, eh, voorgenomen, tijdens de vakantie: voortaan als het even kan, vroeger naar bed.
Anders ga ik namelijk dood. En dat is immers ook niet lollig, om met een stopwoordje van Nescio te spreken.

Morgen of een andere keer meer over de rest van de 4enhalve boeken (Gehaaid, Pedaalridder, de Morgen Loeit weer aan, de uitvreter/titaantjes/dichtertje/mene tekel en een vreemdsoortig onheil).

Ik ga me nu naast de hopelijk grootste fan van mijn edele intenties voegen: mijn liefje.

I'm back

Galibier

"Als je ogen van ellende allebei een andere kant opkijken, het snot uit je neus druipt, het schuim op je bek staat, je lichaam aanvoelt als een mishandelde lap en je geest een grote schreeuw is om het verlossende einde, dan en alleen dan krijg je een vage notie van wat het leven betekent en wie of wat je bent, ook al zul je het nooit kunnen zeggen"

Dit is een citaat komt uit een boekje van singer songwriter Alex Roeka, dat ik afgelopen najaar heb gekregen van Suster Bertken. Niet voor niets heeft Alex het in dit verband over de beklimming van de Galibier.
Maar om een lang verhaal kort te maken: ladies and gentlemen, I did it! Ich habe es geschaft, je le fait, ik heb ‘t ‘m geflikt. De fiets die hier bij het 2645 meter hoge bordje prijkt is de mijne.

Voor de kenners zou ik zeggen: check dat verzet, inventariseer het medogenloze gebrek aan bergversnellingen op deze aftandse Raleigh. En huiver.
Geef toe: het is zelfs voor een Rasmussen of een Contador bijkans een mission impossible om een dergelijk verhikel naar de top van en hors categorie Alpencol te loodsen. Laat staan voor een 38jarige kettingrokende alcoholist.

Ergo: ik heb geleden. Zwaar geleden. Dusdanig pijn gehad dat ik nog meer dan verlangen naar het breken van mijn voorvork teneinde een technisch mankement aan te kunnen wenden ter verdediging van mijn falen, een diep ravijn terzijde van me wenste waarin ik aan alle ellende een einde zou kunnen maken middels een voor de nabestaanden voor altijd onopgehelderd gebleven, mysterieuze ‘stuurfout’.
Maar er was geen ravijn, althans niet diep genoeg voor 100% zekerheid, en mijn voorvork wilde ook maar niet breken, dus ik moest door en ik ging door, nee gelul allemaal natuurlijk, stoere wielerpraat, maar het was wel waar.

En dan altijd, ik wist het nog van de Alpe D’Huez en van de Mont Ventoux, altijd komt dat moment dat je je realiseert dat het binnen de mogelijkheden ligt, dat je het waarempel nog gaat halen ook, die top.
Raar genoeg komt dat altijd net bij een wat steiler stukje. Dat je denkt: godverdomme, donder alsjeblieft totaal de stront in stomme kutberg, dit is gewoon niet meer eerlijk. Valse hoer! En dat je dan tegen alle krampen in, noodgedwongen aanzet en dat je plotseling merkt dat je je benen niet meer voelt, dood als ze zijn, en dat je geest het overneemt. En dat je weer een keuze hebt. Doodgaan en verliezen of doodgaan en winnen.
Vanaf dan is het een eitje.
Natuurlijk, je hebt het zuur in je bek boven de borrelende vulkaan in je maag, het snot druipt van je oorlellen, en je zou vanaf nu nog tien keer liever drie keer de marathon van New York op klompen rennen dan die laatste kilometer omhoog te moeten fietsen, maar het is tenminste overzichtelijk geworden. Het is opeens haalbaar.

En in die laatste kilometer beleef je wat Alex Roeka al beloofde: dan krijg je een vage notie van wat het leven betekent en wie of wat je bent.
Helemaal fantastisch. Eindelijk de rauwe werkelijkheid in optima forma op mijn netvlies en voelen tot in de voegen van mijn ziel.
Ik voelde me kut. Ik vond het leven kut, en vond mezelf dom bezig. Niet zozeer qua het beklimmen van die berg, maar meer in het algemeen. In het dagelijkse. In het normale.

Een belangrijk inzicht.
Laat me er alsjeblieft iets mee doen.

P.S. Voor de ongelovigen: check deze site. Ik was op 13 augustus op de Galibier. Het is even zoeken, maar ik was die jongen met rugzak, zonder helm, en op die fiets die je hierboven hebt gezien.