En vacances

Eigenlijk geldt hetzelfde verhaal als vorig jaar. Met het verschil dat mijn ouders dit jaar niet op en neer stuiteren tijdens een aardbeving op Java, maar gewoon rustig in Equador bivakkeren, alwaar ze tussen kaaimannen, tarantula’s en Boa Constrictors op de evenaar wat lopen te klooien met boomblaadjes en ‘een verplaatsbare gootsteen’, zoals mijn vader vanavond mailde, om te checken of die blaadjes op het Zuidelijk halfrond inderdaad linksom down the drain cirkelen, en in het Noorden precies andersom.
‘Geloof het of niet’, schreef mijn vader, ‘dat blijkt dus te kloppen!’ 
(‘Ja, ja. En de aarde is rond, zeker.’, wilde ik terugmailen, maar dat vond ik bij nader inzien iets te flauw.)

Nu ik erover nadenk: eigenlijk zijn er wel meer verschillen. Zo is er dit jaar geen Martin Bril-contest in de Volkskrant – de gek schrijft gewoon door vanaf zijn vakantieadres -, maar daar wilde ik het niet over hebben.

Enfin. Ik wilde het hebben over dat het belangrijkste verschil met vorig jaar is, dat er geen verschil is met het vorige jaar.
Een draak van een zin om aan te geven dat de dagelijkse sleur me ongemerkt stevig bij de lurven heeft gegrepen.

Als ik straks op een steen aan de rivier eventjes mijn boekjes terzijde leg om met een Kronenbourg en een goedkope Luxemburgse Marlboro-sigaret naar de zon te staren die achter de bergwand verdwijnt, dan zal ik ongetwijfeld mijn bestaan gaan reflecteren, om vervolgens een trieste jaarbalans te moeten opmaken.

Zo heb ik afgelopen arbeidsseizoen:

– nul gedichten geschreven.
– nul liedjes gecomponeerd.
– nog steeds geen plan voor een roman.
– nul nieuwe interessante personen leren kennen.
– na drie jaar in deze woning nog steeds geen peertje op het toilet.

Het enige wat ik heb gedaan is gewerkt waar ik vorig jaar ook al werkte, georganiseerd wat ik vorig jaar ook al organiseerde en gepresenteerd wat ik vorig jaar ook al presenteerde.
En meer dan ooit heeft het me opgeslokt, verteerd, en energieloos achter gelaten in een persoonlijk creatief maanlandschap.
Natuurlijk, ik ben dit jaar voor het eerst op het Boekenbal geweest, maar in feite sta ik zo stil als een trein in de regen, om Neruda te parafraseren.

Ja, sorry, ik dacht: ik doe maar wat linkjes, dan hebben jullie de komende tijd wat te (her)lezen.
Ik bedoel, ik ben geen Martin Bril. Daar waar ik me vorig jaar nog had voorgenomen om vanaf mijn vakantie-adres zo af en toe een stukje te schrijven, daar ben ik dit jaar, deze zomer, deze vakantie, van plan om me a la Rasmussen rigoreus af te zonderen van de moderne wereld, en me compleet te concentreren op de beklimming van de Galibier.

Het is al zwaar genoeg, dunkt mij, voor een kettingroker en stevige drinker, om op een aftandse Raleigh uit de jaren 70, ooit gescoord voor 50 gulden op de vrijmarkt tijdens Koninginnedag, die het moet stellen zonder bergverzet, een van de traditionele daken van de Tour te bedwingen.
Dus vraag me niet om te faxen waar of precies ik train. Please.

Foto’s en verslag volgen pakweg zondag over drie weken. Wanneer ik als een man met de berg heb gepraat en weer weet waar het in dit leven om gaat.

Advertisements

No Chicken

Let op, misschien ben ik veel te dronken om hier nu iets over te schrijven. Maar het zit me hoog en het moet, ondanks dat ik mezelf prospectief wellicht compleet belachelijk maak.

Waar het om gaat: Rasmussen. Ik heb het er zwaar mee. Niet met Rasmussen zelf, don’t get me wrong, maar wel met L’Equipe, de UCI en Rabobankploegleider Theo de Rooij. De hypocriete flikkers.

Laat ik voorop stellen dat ik geen fan ben van doping. Wel ben ik enorm enthousiast als het om wielrennen gaat. Er is geen sport op aarde waar de fysieke kracht van het collectief uiteindelijk, als het er echt op aan komt, zo mooi en natuurlijk overvloeit in de mentale martelgang van het individu dat de definitieve ultieme prestatie moet leveren.

Maar zelfs ook zonder dat collectief. Ik bedoel, renners zijn geen voetballers. Daar waar nachtbraker Romario rustig balletjes afwachtte en zijn schouders ophaalde als ‘m 90 minuten lang geen bespeelbare pass werd toebedeeld, daar kan de klassementsrenner, de kopman van een topploeg, zich niet verschuilen. Aanklampen moet-ie, en meeharken. Tot en met ie op de slotcol vier maal dood is gegaan en zes keer gestorven.

En dan moet ie op dat moment ook nog, als het even kan, demarreren.
Djiezus.

Rasmussen is een man naar m’n hart. Een freak. Stickertjes van z’n fiets pulken, gaatjes in z’n zadel boren en het vertikken om een geel polsbandje te dragen voor Lance Armstrongs actie tegen kanker. ‘Zo’n bandje is toch bijna een gram, weet je.’
Rasmussen is een neuroot in zijn queeste naar het lichtst mogelijke gewicht.
En dat vind ik prachtig. Als ik dat soort dingen lees word ik helemaal warm vanbinnen.

Waar L’Equipe mee bezig is, kan ik voor mezelf nog wel verklaren. Want het is inderdaad kut dat er sinds het dopingschandaal rondom volksheld Virenque geen Franse renner van betekenis een promintente rol voor zijn rekening heeft kunnen opeisen binnen de Tour.
En dat de UCI als een speelbal is van de publieke opinie, dat weet iedereen.
Maar potverdorie, dat Theo de Rooij, toch zelf een ex-renner, zo resoluut en onverbiddelijk, maar vooral zoals het spreekwoordelijke blad aan de boom, zou omslaan ten gevolge van een niet gecheckte verklaring van de een of andere Italiaan die in zijn tijd altijd aaste op de bolletjestrui, maar die nooit over het talent bleek te beschikken om ‘m tot aan Parijs te behouden Cassani, dat had ik niet verwacht.

Er zullen commerciele belangen meespelen. Uiteraard. Dat doen ze altijd. Ik bedoel, het is verdomde klote als je volgend jaar met je Raboploeg met de stille trom wordt uitgerangeerd en niet eens mee mag doen. Zou toch zonde zijn van zo’n belofte als, ik noem maar iemand: Thomas Dekker, die dit jaar toch maar mooi pakweg 53e zal worden.

Het is allemaal begrijpelijk. Maar er is maar een man die een jaar lang heel zijn complete ziel en zaligheid heeft opgeofferd.
1 man die, ook al zou ie in de Dolomieten (zijn woonplaats) hebben getraind ipv in Mexico (waar zijn vrouw woont), echt heeft geleden, en die nu nog meer lijdt dan ooit.

Michael Boogerds commentaar aan de start van de etappe vanochtend, dat vanavond werd uitgezonden in het Tournournaal, was wat dat betreft veelzeggend.
Ik ga het niet herhalen. Check het maar op uitzendinggemist.nl ofzo. Doe ook eens wat moeite, verdomme.
Enfin, het komt er op neer dat ie het niet eens is met de beslissing van zijn ploegleiding.
"Waarom?" vroeg de verslaggever.
"Dat zeg ik op mijn gevoel", zei Michael.

En zo is het.

Gevoel.
Fuck de publieke opinie.
L. komt net op de proppen met nog een stapelgedicht in dit kader. De titel heb ik er zelf voor de gelegenheid bij verzonnen. Komt ie:

De_pers

Stapelgedichtrasmussen

Plantjes

En het zijn zulke mooie plantjes. Want daar gaat het me eigenlijk om. De esthetiek. Ik bedoel, ik blow niet eens, laat staan dat ik handel. Enfin. Vanavond was ik kwaad en heb ik het volgende stukje geschreven:

Vandaag stond rechtsbovenaan op de voorpagina van de Volkskrant een kop in vette letters: ‘Kleine wiettelers straffen’.
‘De thuisteelt van een tot vijf hennepplanten moet strafbaar worden’, zo vervolgde het artikel, ‘Het Nationaal Netwerk Drugsexpertise van de politie adviseert dat aan de raad van hoofdcommissarissen. De opbrengst van een kleine hennepteler is volgens de politie-experts te groot geworden om ongemoeid te laten. Vijf planten kunnen jaarlijks tot 3.000 euro opleveren. (Zie verder: Binnenland pagina 3).

Nou is het overigens zo dat het ‘een tot vijf hennepplanten kweken’ volgens de Nederlandse wet sowieso al strafbaar is. Alleen wordt het op dit moment gedoogd.
Een prachtig woord vind ik dat: gedogen. Het zit tegen het tolereren aan. En tolerantie was decennialang verbonden met onze nationale identiteit.

Maar helaas, de times they are a-changing. Beroepsblower Dylan zong het al. En hoewel hij daarbij destijds heel andere, zeg maar gerust complementaire changes voor ogen had, mag hij zichzelf tegelijkertijd feliciteren, want het nummer is hard op weg de proeve van eeuwigheidswaarde te doorstaan.
De hippies van de jaren 60 en 70 zijn van winnaars weer verliezers geworden. Of misschien niet zozeer die hippies van toen, want die hebben inmiddels allemaal een groot huis en een booming reclamebureau on the side, maar wel hun gedachtenerfgoed.

Gedogen is een vies woord geworden. Om van tolerantie nog maar te zwijgen, behalve als het woord wordt gebruikt in combinatie met ‘Zero’.
‘Gedogen en tolereren schept maar onduidelijkheid’, is een vaak gebezigd argument, ‘want dan weet de burger niet meer waar ie aan toe is. Net als de handhavers van de wet.’
Zo staat het ook in het vervolgartikel op de binnenlandpagina 3: "Volgens de recherchechef Ben Janssen van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise is de justitiele aanpak onduidelijk".

Hmm.

Ik geef toe: Het VMBO waar het grootste gedeelte van de nieuwe aanwas van onze politiemacht is opgeleid, zal niet de grootste wiskundewonders hebben opgeleverd, en met het huidige rekenniveau van de PABO-studenten zal het niet meevallen om de toekomstige generatie wegwijs te maken in de kwantummechanica, maar kom op! Tot 5 leren tellen moet toch nog wel lukken?

We hoeven toch niet echt als helemaal debiel te worden beschouwd als samenleving? Mag er alsjeblieft een klein beetje ruimte overblijven voor nuance?

Ik maak mezelf er kwaad om, sorry. Ik word er zo ontzettend misselijk van. Dat pennywise poundfoolish-gedrag van zowel de politieke als justitiele macht, puur om populistisch te scoren met weer een beperkende maatregel voor de een of andere minderheidsgroepering.
Want ja hoor, daar kwamen ze weer voorbij in het artikel: de bijstandstrekkers. Een erg geliefde groep van zondebokken. Daarvan vindt toch 90% van de bevolking dat het luie uitvreters zijn die de hele dag maar op hun nest liggen te rotten, dus laten we die weer eens inzetten als joker om deze nieuwe maatregel er doorheen te drukken.
"Wat als we nou eens opperen dat die bijstandstrekkers stiekem weleens 3000 euro zwart zouden kunnen bijverdienen door vijf plantjes op hun balkon te kweken? Kan electoraal geen kwaad, wat jij Floris-Jan?"
"Goed plan, Roderick!"

Right. Natuurlijk. De bijstandstrekkers die een tot vijf hennepplantjes kweken. Want de werkende medemens is daartoe niet in staat. Want die hebben geen balkon. Laat staan een tuin, waarin ze op een vrije zaterdag wat zaadjes kunnen planten in een zak potgrond van de Praxis.
Djiezus.

Nee, ik geef natuurlijk toe dat illegaal 5 hennepplantjes kweken volgens de letter van de wet kwalijker is dan het compleet legaal opstrijken van 81 miljoen euro aan optie-regelingen na een door de strot gefrotte fusie waarbij een paar duizend werknemers op straat komen te staan (hoppa, naar de bijstand!). Wat dat betreft doe ik mijn best om te blijven geloven in onze rechtsstaat.

Maar maak het me alsjeblieft niet moeilijker dan het is, Roderick. Blijf alsjeblieft gedogen. Anders mag je de volgende keer niet meer op mijn verjaardagsfeestje komen.

Zou je toch mooi een knalfuif missen op het schitterendste dakterras van Oud-West:

Vette_hennepplantage

Het engste is nog dat Roderick tegenwoordig gerepresenteerd wordt door een wijdverspreide naam als Ben Janssen. Pas dan realiseer je: we zijn vies de lul.

Ouders

Mijn ouders, allebei 60+, zijn vorige week vertrokken voor een ‘avontuurlijke vakantie’ in de jungle van Equador.
Ik heb er met mijn spinnen- en slangenfobie persoonlijk helemaal niets mee, de jungle, maar als mijn vader en moeder zonodig het oerwoud in willen, dan moeten ze natuurlijk vooral gaan. Ze zijn tenslotte oud en wijs genoeg om dat soort dingen zelf te beslissen.

Na een sms-je dat ze veilig waren geland, volgde een lange week van radiostilte.
Hmm.

"Heb jij al iets van papa en mama gehoord?" mailde ik mijn zusje na een paar dagen.
"Nee, nog niet", mailde ze terug, "maar waarschijnlijk zijn er in de jungle ook niet zo gek veel internetcafe’s en/of mobiele telefoonzendmasten."
"Daar zit iets in", beaamde ik.

Op zich was het even wennen though. Normaal worden we tijdens de exotische vakanties van mijn ouders bijna dagelijks doodgemaild met ellenlange verslagen waarin nauwkeurig uiteen wordt gezet op wat voor tijdstip ze welke locale gerechten hebben genuttigd, inclusief een complete beschrijving van de klederdracht van het bedienend personeel en het motief op de servetjes.
Maar ja, blijkbaar was de jungle van Equador toch net iets andere koek dan een excursie naar Paaseiland of een rondreis door China.
Anyway, ik betrapte mezelf erop dat ik ze zowaar miste, die geruststellende Voskuiliaanse optekeningen van wanneer en wat er aan plaatselijke fauna allemaal door hun slokdarm was gegleden.
Eerlijk gezegd was ik bang dat voor de verandering de rollen eens waren omgedraaid.
Je kan het niet uitsluiten, in de jungle.

Groot was dan ook mijn vreugde toen ik gisteren eindelijk een berichtje aantrof in mijn inbox, getiteld "eerste verslag", dat afkomstig was van mijn vader.
Hij bleek in de een of andere nederzetting een oude rammelende 386-computer te hebben aangetroffen die in verbinding stond met het worldwideweb, dus hij was direct gaan zitten om een stukje te tikken naar het thuisfront.

Het verhaal begon met een beschrijving van een geslaagde vliegreis, maar al snel daarna begon het ‘geduvel’, zoals mijn vader het uitdrukte.
Vervolgens een heel relaas over o.a. ‘corrupte politie’ en ‘dronken dorpsoudsten die de weg versperren’, dat uitmondt in:

Om een lang verhaal kort te maken … we zijn toen een stukje gaan lopen met de bagage en hadden stiekem met wat figuren afgesproken dat die ons uit het zicht verder zouden brengen naar een volgend busje, want onze chauffeur durfde niet verder.

Verhalen van gegijzelde journalisten in Nigaragua en in koelen bloede neergeschoten toeristen in Colombia flitsten door mijn hoofd. Maar goed. Ze leefden blijkbaar nog, dus ik las door.

Al met al kostte ons dat een paar uur extra. Daardoor kwamen we pas tegen de schemering aan bij de motrista´s, Indianen met een extra gen, waardoor ze zich uitstekend kunnen orienteren, en met gemotoriseerde kano´s die ons verder het oerwoud in zouden brengen.
Zo´n kleine drie uur later kwamen we bij ons kampement. Op een grote overdekte vlonder hing een aantal klamboe´s waar we in konden gaan slapen.
´s Nachts moest je over een vlonderpad naar de wc´s en dat liep wat verkeerd af voor L.
(pdn: mijn moeder). Die kwam om een uur of twee ´s nachts ten val en had een tand door haar lip. Onder het bloed dus en nergens stromend schoon water. Zo goed en kwaad als het ging hebben we het met onze watervoorraad schoongemaakt. De volgende dag een ontsmettingspil genomen, maar het zag er niet uit en doktoren zijn er niet in de buurt. Dat neemt niet weg dat we toch erg genieten van het programma in de jungle.

Mijn vader zou mijn vader niet zijn als hij niet enorm zou genieten van iets waarvoor hij nou eenmaal heeft betaald. Daar is hij altijd al ontzettend goed in geweest: Gij zult genieten. Wat dat betreft is hij raar genoeg qua tijdsgeest nu weer helemaal uptodate.

De eerste dag in de jungle hebben we een wandeling gemaakt waarbij we van plan waren drie uur door te brengen. Het liep weer wat anders, want de gids bleek toch niet zo bekend met het gebied. We waren verdwaald. Met lianenbladeren en andere zaken zijn we toen op zijn Klein Duimpjes aan de gang gegaan om niet verder te verdwalen met allerlei markeringstekens. Intussen hadden we een tarantula (gemeen spinnetje) gespot en ara´s in de bomen gezien.
Een van de motorista´s was al wat ongerust geworden en was ons gaan zoeken. Een paar uur later dan de bedoeling kwamen we uiteindelijk weer bij de boot. Daar troffen we op een meter afstand van de boot een kaaiman aan, die er erg rustig bij lag, maar we bleven hem toch maar even nauwlettend in de gaten houden.

Wist je papa, dat die 80 km/u kunnen rennen op die korte pootjes?
O ja, en wist je dat die Steve Irwin niet zo gek oud is geworden?

Toen het donker was ging de eerste boot terug met de kampbeheerder, maar wij maakten nog stiekem met Nella een uitstapje naar een ander kamp, omdat je daar kaaimannen kon spotten in het donker. Door met een zaklantaarn te schijnen zie je soms een tweetal rode oogjes verschijnen en dan weet je: daar zit er dus een. We hadden weer geluk, dus we waren weer wat laat terug, maar niemand die daar problemen van maakt.
Ik vergeet trouwens te vertellen dat we nog wat later kwamen omdat we een boa constrictor..

Ja, sorry hoor. Toen durfde ik dus eigenlijk niet meer verder te lezen. Ik bedoel, ik wil zelf vanaf volgende week ook nog met een gerust hart op vakantie kunnen.
Enfin. Ik las toch maar door. Je kan het maar beter gewoon weten, dacht ik, wat je ouders allemaal uitspoken. Dan kan je er tenminste met ze over in gesprek gaan. Alles beter dan dat het achter je rug om gaat.

Nu ben ik met Nella even in een van de schaarse dorpjes, naar een farmacia, zeg maar een soort van apotheek om voor L. wat spullen te halen, want het was ontstoken. Ze ziet er momenteel niet uit, maar ik weet hoe mooi het allemaal weer kan worden. Nu een blauwe kin, opgezwollen lippen met wat korstjes en een tweetal blauwe knieen. Ik hoor jullie al mompelen … ach wat zielig, maar dat is niet nodig, want ze houdt zich kranig. Voor nog geen tientje heb je hier een antibioticakuurtje…

Jongen toch, dacht ik, doen jullie wel verstandig? Lezen jullie dan toch tenminste de bijsluiter van die medicijnen? En verzekeren jullie je ervan dat je die goed begrijpt in het Spaans?
Wat zeg je? Er zit er geen bij?
Maar…
Iets is beter dan niets?
Want jullie moeten morgen immers weer verder?
Naar het nevelwoud?
Wat! Piranhas?
Nee, ik weet best dat het maar kleine visjes zijn, maar…
Snorkelen bij de Galataposeilanden?
Die haaien doen meestal niets?
Nee, als jij het zegt.
Nee, dat beloof ik. Ik zal me geen zorgen maken.

Hell. Ouders. Ik zou zeggen: begin er niet aan.

The Cavern Beatles

"Waar zit je?" vroeg mijn beste vriend over zijn mobiel.
"Op Amsterdam Centraal", zei ik, terwijl ik de jongen van New York Pizza driftig aanwees dat ik graag een stuk pizza Hawai wilde bestellen ipv de Pepperoni die hij uit de vitrine dreigde te vissen.
"Schiet je wel een beetje op", zei mijn beste vriend, "wij slaan net af richting Haarlem. Over een half uurtje zijn we in Bloemendaal."
"Maak je geen zorgen", zei ik, "ik ben er ruim op tijd."

Op station Bloemendaal was ik de enige die uitstapte, samen met een clubje in leer gestoken 50-plussers.
Kordaat marcheerde ik naar het grote bord waarop de plaatselijke plattegrond stond afgebeeld. En ontdekte dat het een fucking eind lopen was naar het openluchttheater waarin het concert zou plaatsvinden.
Prompt ging mijn mobiel: "Waar blijf je nou? Wij zijn er al!"
"Ik ben er bijna", zei ik, "maak je geen zorgen, bestel maar alvast een grote pils voor me."
Ondertussen verdrong het groepje in leer gestoken 50-plussers zich achter me om ook een blik te kunnen werpen op het openbare dorpsplan.
"Kut!" riepen ze, "dat is godsamme een teringeind lopen, naar dat openluchttheater! En nog ingewikkeld ook, met al die kronkelige weggetjes!"
"Wie zijn dat?" vroeg mijn beste vriend.
"Ook Beatlesfans", zei ik.
"Geen paniek", meldde de oudste van het clubje op de achtergrond, ik heb een kaart van Bloemendaal uitgeprint op internet, volg mij maar."
"En ze hebben een kaart", zei ik tegen mijn beste vriend, dus het komt helemaal goed. Echt, ik ben er binnen een paar minuten."

Samen met mijn verse voettochtvrienden zette ik koers richting de zon, het Westen, want daar moesten we naartoe volgens de krasse knar die er zwetend z’n leesbril bij had gepakt, en nu met z’n ogen op 3 mm afstand van zijn papiertje probeerde te ontcijferen welke straatnaam het meest in aanmerking kwam om in te slaan bij de vijfsprong die inmiddels voor ons was opgedoemd.

Daar ging mijn mobiel weer: "Waar zit je in godsnaam?"
"Nog in het peloton", zei ik, "ze zijn niet van de jongsten meer. Het gaat allemaal niet zo snel."
"Doe es vlug demarreren dan", zei mijn beste vriend, "wij zitten inmiddels al aan onze vierde pils!"

Makkelijker gezegd dan gedaan. De Bloemendaalse wegen waren ondoorgrondelijk. Het leek me verstandig om niet te ver uit de buurt te geraken van de man met de kaart.
Ondertussen vergaapten mijn looptochtgenoten zich aan de kasten van huizen, de immense tuinen en vooral aan de imponerende wagenparken op de diverse opritten.
"Jezus", zei een ouwe beatnik, een kale vijftiger met een compensatiestaart tot aan zijn reet, "met een ordinaire Jaguar ben je hier gewoon een loser, voor minder dan een Bentley doen ze het hier niet."
"Met chauffeur", voegde een ander toe.
"Vanzelfsprekend", zei de ouwe beatnik, "wat een stelletje omhoog gevallen arrogante assholes. Ze denken zeker dat ze heel wat beter zijn als ons. Mozeskriebel wat een kouwe kak. Dat zit daar maar met samengeknepen billen in hun dure huisjes een beetje de schone schijn op te houden. Ik moet er niet aan denken, wat een kutleven hebben die gasten. Ze mogen zich totaal niet laten gaan. Ik durf zelfs te wedden dat er in deze straat nog nooit iemand een scheet heeft gelaten."
*Pffrrtt*, klonk het spontaan massaal, waarna de oude mannen over de grond rolden van het lachen.

Heel grappig natuurlijk allemaal, maar het werd hoog tijd om toch eindelijk eens die ingang van het openluchttheater te spotten.
Ah, daar was ie.
Ik checkte mijn mobiel. Het was 5 voor half 9. Precies op tijd voor het concert.
Tevreden stapte ik het kronkelige pad op dat leidde naar de toegangspoort. Aldaar werd ik halt gehouden door een vriendelijke man in uniform.
"Mag ik even in uw rugzak kijken", vroeg ie.
"Maar natuurlijk", zei ik.
"Wilt u ‘m zelf even openen alstublieft."
"Uiteraard", zei ik en gaf een ruk aan de rits.
"Ah", zei de beveiligingsbeambte, "dat dacht ik al."
"Wat?" vroeg ik.
"Meegebrachte consumpties", zei de man wijzend naar mijn 3 halve liters Hollandia-bier, mijn flesje Spa Blauw en het half aangevreten stuk Pizza Hawai, "zijn hier uit veiligheidsoverwegingen niet toegestaan."
"Begrijp ik volkomen", zei ik, "mag ik ze nog even verstoppen in de bosjes? Dan kan ik het meenemen op de terugweg."
"Dat is niet nodig meneer", zei de beveiligingsbeambte, "u mag ze hier op de tafel zetten, en dan krijgt u een nummertje. Daarmee kunt u uw bezittingen na afloop van het concert weer ophalen."
"Cool!", zei ik. En ik meende het. Want dit was uniek. Bij normale concerten wordt het gewoon in een container gepleurd en is het toedeledokie proviand voor de terugreis.
Ik stalde mijn eet-en drinkwaren uit op de daartoe bestemde tafel en nam een bonnetje in ontvangst.
"3 blikken bier, een fles Spa Blauw en een servetje met etenswaar", noteerde de diender braaf, "heeft u verder nog iets aan te geven?"
"Nou", zei ik, "ik weet niet precies wat de veiligheidsregels zijn. Kijkt u anders zelf even."
De man keek in mijn tas. Wat hij zag was een Fleestrui, een walkman en een aantal cassettebandjes. Plus een vervaarlijk groot Zwitsers zakmes.
"Dat ziet er prima uit", zei de man, "loopt u maar door."
"Met een mes?" riep ik verbaasd.
Want ja, hey, ik was inmiddels al aardig dronken, maar vooral nieuwsgierig. En ik dacht: ik krijg dat mes blijkbaar later toch wel terug als ik het moet afgeven.
"Voor zakmessen hebben wij geen instructies gekregen", zei de man, "dus dat lijkt me geen probleem."

Is toch mooi he? Die commercie onder het mom van veiligheid. Dat terrorisme bestrijden gaat nog eens heel groot worden.

Anyway. Ik begroette mijn twee beste vrienden. Plus hun vriendinnen. Waarvan er eentje de Bob was die ze later vanuit deze uithoek terug naar Tiel zou vervoeren. Mijn vrienden zijn niet dom. Ze weten wanneer ze hun meisjes mee moeten nemen.
"Ga zitten", zei mijn beste vriend naast een versverschaft vol blad bier, "het kan elk moment beginnen."

En het begon. Dit zei de website vooraf:

Volgens de kenners hebben zij geen introductie nodig: The Cavern Beatles zijn dé tributeband van de beroemde Fab Four uit Liverpool. Ook Eddie McCaline (John Lennon), Derek Stratton (Paul McCartney), Rick Alan (George Harrison) en Roy Hitchen (Ringo Star) komen uit Liverpool en zij zetten op miraculeuze wijze alle beroemde Beatles-songs weer volop in de schijnwerpers.

En veertig jaar na dato blijken de popkrakers nog altijd fris en springlevend, zoals zij tijdens de ‘swinging sixties’ ook geweest moeten zijn. Met veel raffinement en een groot oog voor detail maakten The Caverns zich alle gebaren en muzikale maniertjes zó eigen dat de internationale pers kopte: "The likenesses are striking, but the sound, the sound. This could, indeed be the Beatles."
"Amazing", kopte The Sunday Times.

En dit was de foto, waarnaar ik inderdaad twee keer moest kijken (vooral naar John):

Cavernbeatles

En mijn beste vriend, die ze al eens had gezien tijdens een Beatlesdag, had me al verzekerd dat het ongelooflijk was.

Maar het was nog waar ook. In het prachtige onschuldige openluchttheater van Bloemendaal (het gras op de vloer van het podium lag er beter bij dan de gemiddelde green op een golfcourt, en de hortensias aan weerszijden waren tot in de puntjes verzorgd, om over het on
s omringende bos nog maar te zwijgen) opende de Cavern Beatles met "I saw her standing there".
Het was precies het geluid van de Beatles zoals ik ze kende van hun live LP’s. Paul op Hofnerbass, John op de Rickenbaker, George op de spinvormige Gibson met f-jes en Ringo deinend met z’n hoofd boven de simpele trommels. Alles over Vox-versterkers en allen in Beatlespakjes en met kapsels die tot op de milimiter waren gepunt naar voorbeeld van de gerepresenteerde fab4.
En okay, dat is allemaal nog relatief makkelijk te doen, als je er een beetje tijd en moeite in steekt, maar het waarlijk wonderbaarlijke komt pas als je hun stemmen hoort.
Man.
Paul is gewoon echt Paul. De stemkleur is hetzelfde.
"Dit is…. dit is… onmogelijk", stamelde ik tegen mijn beste vriend.
"Wacht maar", zei hij, "tot je John hebt gehoord."
And fucking hell, right he was.
John sloeg alles. Toen Eddie McCaline na het eerste nummer de aankondiging van het volgende nummer voor zijn rekening nam, vlogen de haren op mijn armen overeind.
Dit was ‘m gewoon. Hier stond onmiskenbaar John Lennon! In levende lijve! De ploert was helemaal niet doodgeschoten in 1980! He was still alive, de stiekeme bastard! En als klap op de vuurpijl had de sneak een middeltje gevonden waardoor ie er 40 jaar jonger uit zag dan ie hedentendage eigenlijk zou moeten zijn.
"Jesus Christ!", riep ik tegen mijn beste vriend.
"Nee, het is gewoon Lennon", zei mijn beste vriend, "maar daarover is al eerder verwarring geweest."

En natuurlijk bleek niet veel later, tijdens ‘Roll over Beethoven’, George ook ontzettend George te zijn, qua stemkleur, en werd het allemaal alleen maar gekker.

Het was genieten.
En het duurde niet lang of we waren zo dronken dat we temidden van het brave Bloemendaalse publiek, dat voornamelijk bestond uit 50-plussers die met hun glaasjes rose de heupen los gooiden op klassiekers als ‘Long Tall Sally’ en ‘Twist and shout’, begonnen te schreeuwen om ons favoriete Beatlesnummer. Of althans ons favoriete Beatlesnummer om een keer live te horen: ‘Helter Skelter’, uit 1968.
"Duh", zeiden twee jonge jongens achter ons, plaatselijke hockeyjeugd die blijkbaar via hun ouders een tik van de Beatlesmolen hadden meegekregen, "ze spelen alleen maar nummers uit hun vroege periode."
En daar hadden ze gelijk in. De Cavern Beatles spelen voornamelijk het repertoire van voor 1966.
Maar juist op dat moment zetten de Caverns "Don’t let me down" in, toch echt een nummer uit de nadagen.
"Dus…" grijnsden wij triomfantelijk naar de jochies.
"HELTER SKELTER!", smeekten ook zij vanaf toen vervaarlijk met ons mee.

Natuurlijk werd Helter Skelter niet gespeeld. Net zomin als ik Charles Manson uit zou acteren met mijn Zwitserse zakmes.
Maar mooi was het wel. The Cavern Beatles.

Als je een beetje into geniale ongecompliceerde Liverpoolse lads bent: gaat dat zien. Serieus.

Stapeldichten

In de Volkskrant van vandaag las ik het volgende artikeltje:

Vk_20072007

"Moet je luisteren!" zei ik tegen L., "ik lees net over een geinig ideetje in de krant."
"Watte?", riep L., die bezig was om op de kat eten te geven die, de arme stakker, een complete dag op een droogje had gezeten, omdat de klepjes van de catfeeder niet open waren gesprongen tijdens onze 24 uur afwezigheid (batterij op – je zal het altijd zien).
"Het gaat over stapeldichten", zei ik.
"Stapeldichten?"
"Ja, stapeldichten. Het idee is dat je een gedicht maakt van boektitels die je op elkaar hebt gestapeld. Een beetje zoals met die koelkastmagneetjes, maar dan met romans."
"Klinkt goed", zei L, "mag het ook met dichtbundels?"
"Vast wel", zei ik, "alleen zijn die nogal dun, en het is de bedoeling dat je er een foto van maakt en die op het internet plaatst."
"Dus?", vroeg L.
"Die kleine kutomslagjes van dichtbundels zijn volgens mij verdomde beroerd te ontcijferen, op het web."
"So what? Om toegang te krijgen tot goeie poezie moet je altijd wat moeite doen", zei L.
"Dat is waar", beaamde ik.

Dus vanavond, na "jouw vakantie, mijn vakantie", zijn we in onze boekenkasten gedoken. En frobelden de volgende creaties bij elkaar.

Moi:

Stapelgedicht

Oftewel:

Slaap!
Jouw ogen hebben hun stilte
De bloemen van het kwaad

Bloemen op mijn graf

De morgen loeit weer aan
onder de vulkaan

L. kwam niet veel later met het volgende op de proppen:

Het mooie kotsende meisje
in de mist van het schimmenrijk
Het moment
Oneindig dichtbij

Dood op krediet

In beeld levert dat het volgende op:

Stapelgedichtl

"Wow!", zei ik; "Sterk. En dichterlijk."
"De jouwe rijmt", zei L.
"Het is een gave", beaamde ik. Maar was ondertussen vet jaloers.

Anyway. Voor wie het ook een leuk idee vindt, dat stapeldichten: jullie kunnen naar harte(n)lust terecht op deze website

Gaan wij vanaf morgenochtend weer verder met de 3e editie van de jaarlijkse Sonnettine in het Parool. Ditmaal over het stadsarchief.

Maar nog even twee dingen over dat stapeldichten. Ten eerste: witregels zijn wel degelijk belangrijk. En ten tweede: titels doen er toe. Brusselmans zei het al.