Festina

Gisteren had Plukdenacht een record aantal unique visitors. En met een beetje mazzel zijn er ook vandaag nog redelijk wat poezieliefhebbers die deze site bezoeken met een retourtje Contrabas.

Om deze mensen niet teleur te stellen: Speciaal voor jullie, in mijn eigen ‘stakerige’ stijl, een weekendtip!

Bent u ook zo iemand die op feestjes graag pleegt te zeggen dat u in 1959, toen u ‘ze toevallig als begeleidingsbandje van Tony Sheridan in Hamburg had zien spelen’, al heeft geroepen dat ‘die Beatles nog eens heel groot gingen worden’?
Zo iemand die overal bij is geweest? Bij het debuut van van Basten in Ajax I en bij Nirvana in Paradiso? Zat u naar eigen zeggen in het publiek tijdens de allereerste Sonja’s Goednieuws-show?

Dan heb ik nog meer goed nieuws: morgen heeft u de kans om in de toekomst niet langer te hoeven veinzen.
Ga gewoon naar cafe Festina Lente, op de Looiersgracht nr 42, hartje Jordaan. Daar vindt zaterdag 30 juni vanaf 17.00 de jaarljkse Grande Finale van de belangrijkste Nederlandse poetryslam plaats.

Ik weet, in het verleden behaalde rendementen zijn geen garantie etc, maar toch. Tests bewijzen het: veel van wat in Festina groeit wordt later big in poezieminnend Nederland.
Neem mijn juryverslag van 2005. De oogst van die lichting twee jaar later: 1 Buddingh’-prijs-winnaar, 3 genomineerden voor diezelfde troffee, een NK-slamkampioen, and a whole lot of debuutbundels.

Ook deed dat jaar nog een zekere Al Galidi mee, later genomineerd voor de VSB-prijs, maar hij haalde de Grande finale niet.
Though luck.
Festina is hard. En zacht. Vernieuwend. En hopeloos ouderwets. Alle kwalificaties zijn van toepassing.
Maar voornamelijk is het de beste vinger aan de pols van vers poezietalent die ik ken.

De line-up voor morgen/vandaag, zaterdag 30 juni 17.00, bestaat o.a. uit Laura Demelza, Robin Veen, Kapitein Lafbek, Martijn den Bakker, Boris de Jong, Nafiss Nia, Meneer Aachenende en Emma ‘slamma’ Burns.

Be there.
Of leer beter liegen.

Advertisements

Ik word gedist

Ik weet dat ik had beloofd iets te schrijven over auto’s kopen enzo, maar first things first. Ik ben vanavond gedist.
Check deze site, en dan met name dit stukje.

"Waarom nou toch?" dacht ik hoog.
Mijn lagere gedachten zal ik niet uitspreken. Of in ieder geval niet opschrijven.
"Rustig ademhalen", zei ik tegen mezelf, "tot 10 tellen."
"L!!!!!" riep ik daarna.
"Watte?" vroeg L.
"Chretien heeft in een artikel op de Contrabas naar me gelinkt."
"Dus?"
"Op een gemene manier", zei ik.
"O."
"Ik moet een reactie schrijven", zei ik.
"Weet je het zeker?", vroeg L., "ben je niet te dronken?"
"Jawel", zei ik, "maar ik moet een reactie schrijven, "morgen surfen er 500 mensen naar plukdenacht die me bij voorbaat een lul vinden."

Enfin: voor al jullie Contrabassurfers: bij deze mijn reactie

En voor de anderen: bis morgen!

Afscheid van The Red Horse (1)

Over een paar dagen zou de APK op The Red Horse, mijn 16 jaar oude Volvo 440, verlopen, en ik had er weinig fidusie in dat ze dit jaar opnieuw zou zwijnen tijdens de keuring.
Er was nogal wat mis, wist ik. Ten eerste kwam ze geen enkele berg meer op. Afgelopen oktober had ik ‘r nog twee keer over zo’n door haar gehate Zwitserse bergpas geloodst ("echt liefje, dit is de laatste, ik zweer het" – "Dat meen je niet! Nog een bergpas!? Nog een ‘laatste’!? Dat zei je bij de vorige ook!") en blijkbaar is er toen iets in haar gebroken, want sindsdien vertikt ze het om hellingen te nemen van meer dan 5%. Een verkeersdrempeltje a la, maar een viaduct gaat echt met hangen en wurgen.
Verder krijgt ze ongelooflijk de hik van files. Letterlijk. Toch, van een potje stevig doorrijden lijkt ze ook niet meer te houden, want als ik haar parkeer na het vervullen van haar echtelijke plicht, staat ze steevast ruim een kwartier vervaarlijk na te briesen en komt er allemaal stoom uit haar oren koelvloeistoftank. 

En dan heb ik het nog niet eens over haar 2e versnelling die het bijna nooit doet, of over de achterbak die niet open gaat, de alarmlichten die niet meer functioneren, de verschrikte blikken van mede-verkeersgangers als ik het rempedaal lichtjes beroer en ze daarmee deelgenoot maak van een angstaanjagend, door merg been snerpend, geluid.

Maar eigenlijk, weet je, maakt me dat allemaal geeneens zo veel uit. Ik ben een groot fan van de in Oost-Europa gebezigde gezegdes: ‘met een schroevendraaier en plakband kom je door het hele land’ (over de Trabant), en ‘met hamer, naald en draad, kom je tot aan Leningrad’ (ook over de Trabant). Okay, toegegeven, in mijn geval zou je dat moeten vertalen in ‘met een pasje van de wegenwacht, kom je door heel de G8’, of ‘met telefoon en paraplu, kom je door heel de EU’, want ik heb de ballen verstand van autotechniek, maar het gaat om het pricipe.
Het gaat om het vertrouwen. Vertrouwen dat je het uiteindelijk wel met z’n tweetjes zal rooien. En daarin heeft The Red Horse me in al die jaren nooit teleurgesteld.

Maar ja. Punt is wel dat ze het afgelopen jaar extreem veel is gaan zuipen. Begrijpelijk natuurlijk, met zoveel problemen, doe ik zelf ook, maar het werd in haar geval wel echt heel erg. Reed ze vroeger nog een nette 1 op 13, tegenwoordig zit ze al op de 1:6. En het wordt met de dag erger. Nog even ze steekt de Rolls Royces met hun 1:1 naar de kroon.
Fancy natuurlijk, en ontzettend feministisch (ya beat’m, girl! I mean, ya can drink those snobby bastards like.. down!), maar het is wel duur en ik ben voorwaar geen miljonair.

"Weet je, liefje", zei ik afgelopen week tegen The Red Horse, "volgens mij wil jij eigenlijk gewoon met pensioen. Geef toe!"
"He, he. Eindelijk wakker?" zei The Red Horse.
"Wat had je in gedachten? vroeg ik.
"Nou ja, gewoon", zei The Red Horse, "een Caraibisch eiland ofzo. Plat dan, he, natuurlijk. En dat ik dan een beetje terug naar mijn roots kan met de sisters.."
"Woooh", zei ik, "Stop! De Antillen zijn geen optie. Weet je wel hoe duur dat is, dat verschepen? En bovendien, wat lul je nou over ‘sisters’. Je bent helemaal niet zwart, gekkie. Je bent een Volvo, je komt uit Zweden!"
"Brrr", zei The Red Horse, "Zweden, Brgghll. Koud! Jullie Nederlanders gaan met jullie pensioen toch ook allemaal naar de Costa’s?"
"Omdat ze daar het Nederland van 30 jaar geleden eetcultuursgewijs overzichtelijk hebben nagebouwd", zei ik, "en er een zonnetje boven hebben getekend."
"Whatever", zei The Red Horse, "Okay, misschien dat ik jou nou toevallig tijdens een zwak moment heb uitgekozen omdat je ‘Sven’ heet, maar dat wil toch nog niet zeggen dat ik daadwerkelijk warme gevoelens koester voor Zweden. Flikker toch op. Je weet toch inmiddels wat ik lekker vind?"
"Plat en niet te koud."
"Maak daar plat en warm van. En niet te hard werken. Dus ik zou echt het liefst naar de Cara.."
"No go, baby. Maar ik zal proberen een goeie plek te vinden. Ik ga m’n best voor je doen, meissie."

En ondertussen moest ik ook nog een nieuwe Red Horse vinden, om straks zwaar beladen naar de Franse Alpen te kunnen afreizen. Ik kan jullie mededelen: het is gelukt! Waarvan morgen akte.

Wordt vervolgd.

Arme knul

We zaten met een bord op schoot het half 8-journaal te kijken. Nog enigszins versuft door de werkdag reeg ik een witte asperge aan mijn vork en probeerde er met mijn mes wat eigeel bij te punteren. Met succes.
De RTL-4 anchorman vertelde ondertussen iets over het plan van Rouvoet om probleemjongeren verplicht naar een campus te sturen.

"Mooi woord", smaalde ik tegen L., terwijl ik de vork naar mijn mond bracht, "campus. Klinkt toch net een slagje vriendelijker dan ‘strafkamp’, of ‘eiland met een groot hek eromheen’. Slimme jongen, die Rouvoet."
En kijk aan, daar donderde het eigeel van mijn vork af, recht in het vijvertje gewurzte curry van Hela, dat bestemd was om mijn rundervink in te soppen.
"Godv.., zei ik, maar maakte de vloek niet af, want het zou me gezien het voorval niets verbazen als die ouwe stiekem zat te luistervinken.
"Kut!", zei ik dus maar.
"Wat?" vroeg L.
"Mijn eigeel", gebaarde ik, "in mijn curry."
"Is dat zo erg?" vroeg L.

Nee, natuurlijk was dat niet zo erg. Aan de andere kant: na een lange werkdag is het wel erg. Na een lange werkdag is alles erg. Dan is elke kleine tegenslag een ramp.
Misschien moet ik eens iets aan yoga gaan doen ofzo.

Ik sneed een stukje van mijn rundervink af, en doopte het in de rooie smurrie met gele spikkeltjes. Met lange tanden nam ik er een hapje van.
Vies. Bah.
Ik had ook helemaal geen zin om te eten. Ik had zin in een pils. Een stevige.

Met een schuin oog keek ik naar de reportage die het RTL-nieuws had gemaakt in een reeds bestaande ‘campus’. Een Marrokaanse jongen stond te doen wat je je voorstelt bij machine-bankwerken.
‘Arme knul’, dacht ik.
Toch zag ie er verdomde vrolijk uit.
"Voel je je hier thuis?" vroeg de verslaggever.
"Jazeker", zei de jongen, "ik ben helemaal op mijn plek. Een goeie opleiding is belangrijk, en die krijg ik hier. Zodat ik straks veel geld kan verdienen. Want serieus, zonder een paar biertjes komt zo iemand als ik niet ver. Zonder een paar biertjes is mijn leven waardeloos."

Ik vatte ‘m volledig.
"Wat een lieve jongen!" riep ik tegen L.
"?" zei L.
"Dat is toch schattig" zei ik, "dat zo’n jongen wil gaan werken om tenminste een paar biertjes te kunnen betalen?"
"Biertjes?"
"Ja, biertjes! Pilsen! Hij zei het net zelf: ‘zonder een paar biertjes kom ik niet ver’"
"Je bedoelt papiertje!"
"Zei ie dat? Papiertje?"
"Zeker weten."
Ik herhaalde het phonetisch in mezelf: ‘paa.. piertje.’

"Ach so", zuchtte ik. En dacht: Arme knul.

Foppe's eleven

Binnenkort start er een nieuwe internetsite over voetbal. Over het hoe en wat mag ik waarschijnlijk nog niks verklappen, maar het kind in mij vindt het leuk om al wel vast te vermelden dat ik ‘gevraagd ben’ om daar zo af en toe een stukje voor te schrijven.
Om met een bekend typetje van Koot en Bie, dat vroeger altijd geheimzinnig grijnzend van ijdeltuiterij opdook tijdens de formatie, te spreken: "mijn naam wordt genoemd, ja. Inderdaad."

Enfin. Deze week aan mij, en zo’n twintig andere ‘op grond van hun toon’ geselecteerde webloggers, de taak om alvast een proefstukje te leveren, zodat de hoofdredactie een beetje in de peiling kan krijgen wat voor vlees ze in de Kuip hebben gehaald. Want ‘met grappige toon’ een zwaar narcistisch weblog schrijven is 1 ding, iets zinnigs uitkramen over voetbal is heel wat anders. Vooral als zo’n stukje niet langer mag zijn dan 250 woorden en er een totalverbot geldt voor de ‘ik-vorm’.
Ja, je hoort het goed. Ik, Ich, moi, mag niet schrijven in de IK-vorm.

Over uitdagingen gesproken.

Enfin, daar zit ik dus. Vanavond, in mijn glazen schrijfhok op mijn dakterras, waar het overigens regent dat het klettert, het ene na het andere shaggie weg te paffen zonder dat me ook maar de geringste ingeving te binnen schiet om zo’n stukje uberhaupt te beginnen.

Serieus, schrijven over anderen, voetballers dan ook nog, zonder dat ik persoonlijk mag interacteren, valt me zwaar. Toch heb ik een poging gewaagd. Komt ie:
(O ja, en het moest ook nog grappig zijn, en actueel, met een of meerdere linkjes erbij naar officiele nieuwsberichten – the horror).

Foppe’s Eleven

Volgens Jan Mulder speelde Ryan Babel zaterdagavond een ‘blinder‘, zoals de Engelsen dat noemen. En ook Royston Drenthe, de voornaamste smaakmaker van het tournooi, noemde Babel in de finale unstoppable. Babel was niet de enige. Werkelijk alles op het veld wat oranje droeg steeg tijdens de finale in de Euroborg ver boven zichzelf uit. Nadat Servie in de eerste 8 minuten van de 2e helft 3 dotten van kansen op de gelijkmaker om zeep had gebracht, en Babel in de 60 minuut de dodelijke 2-0 aantekende, werd laatstgenoemde tot overmaat van vreugde ook nog eens op de hak gelopen door de gevaarlijkste Servier tot dantoe. Als getroffen door een mortier weggelopen uit een drama van Shakespeare kronkelde Babel over de grond. Briljant. Peijnenburg van eigen deeg: Rood voor de Servier!
Daarna was het driedubbele scharen troef op de Hollandsche flanken en werd de wedstrijd met onvervalst galleryplay sensationeel uitgetiktact.
Met een 4-1 recordscore op het conto mocht de onder Surinaamse vlaggen bedolven selectie de beker in ontvangst nemen uit handen van de Heizeldrama-matchwinnaar Michel Platini.
En ik zeg dan ook welgemeend: Gefeliciteerd Jong Oranje! Met de beste wedstrijd van jullie seizoen.
Dat de talentvolste selectie van het tournooi, die van Portugal, een penalty is onthouden tegen Nederland, daar hebben we het verder niet meer over. Voetbal is oorlog. En daarin is niet de beste de winnaar, maar de winnaar de beste.
En zoals jullie in Nederland plegen te zeggen: dat is logisch.

Garrincha

Zo. Geen woord teveel. En ik er toch maar mooi stiekem de ik-vorm ingemanoevreerd. Plus mijn geambieerde nickname op die site: Garrincha.
Als er een voetballer was die het ging om de schoonheid ipv het resultaat dan is hij het wel. Ik kan honderdduizend anekdotes over ‘m vertellen, en ze zijn allemaal even mooi, maar dat doe ik later.
Als ik definitief ben opgenomen in de selectie.

Harde werker

Er zijn nogal wat dichters die er een dubbelleven op na houden. En dan heb ik het niet over jezelf uit het zicht van moeders de vrouw de tyfus zuipen, je neusschot kapotsnuiven en vies doen met jonge meisjes (hoewel veel poeten daar verrekte goed in zijn), nee, ik bedoel vanuit beroepsmatig oogpunt.
Zo zijn sommige dichters tevens psychiater, verdienen anderen stiekem hun geld als computerprogrammeur, maar veruit de meest voorkomende nevenfunctie is die van beeldend kunstenaar.
100% hard maken kan ik die laatste bewering overigens niet, althans niet wetenschappelijk, maar ik kom er in ieder geval verdomde veel tegen die naast hun schrijverschap tevens graag een professioneel potje mogen kleien of schilderen.

Ik vind het op zich een logische combinatie van beroepen, laat daarover geen misverstanden bestaan, het is allebei creatief enzo, maar toch neigt iets in mij gevoelsmatig naar wantrouwen als iemand zichzelf als multi-talent affichieert.
Waarschijnlijk denkt dat iets in mij dan onbewust aan de aquarellen van acteur Jeroen Krabbe, of aan boeken van topmodel Daphne Deckers. Of aan stervoetballer Marco van Basten als bondscoach.

Ik begrijp het helemaal, het is verleidelijk om de grenzen tussen de verschillende (kunst)disciplines te verkennen, maar excellente resultaten uit het verleden in de ene bieden absoluut geen garantie voor positieve rendementen voor de toekomst in de andere.

Enfin, dat waren mijn gedachten toen ik afgelopen vrijdagavond Arti et Amicitiae binnenliep, een kunstenaarssocieteit aan het Rokin.
En toch: waarom dat mijn gedachten waren snap ik nog steeds niet. Laat me dat uitleggen:

Reden van mijn bezoek was een uitnodiging van dichter/beeldend kunstenaar P., 55 jaar, die in 2006 lid was geworden van Arti, en dientengevolge een expositie mocht verzorgen in de befaamde galeriezaal van het societeitsgebouw.
En als er iemand is die het lukt om de scheidslijn tussen poezie en beeldende kunst te doen vervagen dan is het P. wel. Ik ken ‘m voornamelijk van de maandelijkse poetryslam in Festina Lente, die hij diverse malen won. Zijn gedichten gaan enkel over kleuren. Kleuren zijn z’n voornaamste vrienden en hij personificeert ze in zijn poezie. Mocht je ‘m ooit tegenkomen: zijn poetica brengt ie tot uitdrukking in "King Colour", maar zijn mooiste gedicht heet "Geel" en zijn spannendste gedicht is getiteld "Groen".
In dat laatste gedicht zit ook een onspannende (zonder ‘t’) zin: "Groen, het is een onvoorstelbare harde werker", dacht geel."

Werken, dat is een belangrijk thema in zowel de poezie als de beeldende kunst van P.
Het verbaasde me dan ook niet dat tijdens de expositie in "de optocht van bouwvakkers, evenwichtkunstenaars, brancardiers en vaandeldragers", zoals het begeleidende blaadje van Arti meldde, een mannetje meeliep dat bij wijze van spandoek de gebeeldhouwde letters ‘Groen’ droeg, in P.’s "kleine leger dat klaar staat om een nieuwe wereld te bouwen."

Peter_groen

Het blaadje van Arti vertelde nog veel meer. Er was een halve pagina uitleg over de naamstelling van P.’s tentoonstelling, die ‘Pygmodys’ was getiteld; een samenvoeging van de ‘koning/beeldhouwer Pygmalion en Odysseus, ‘de listige leugenaar die de wereld naar zijn hand zet’, las ik, maar ook "de optimistische pool die plannen verzint om de mentale balans te herstellen. De figuratie is hierbij tot sprookjesmateriaal verkleind, zodat deze ook in het groter geheel van de architectuur kan functioneren. De iconografische draad van Pygmodys loopt van de klassieken, via de Middeleeuwse minnecultuur en heraldiek…"
En zo nog een A4tje door.

"Wat vind je ervan?" vroeg P. toen ik ‘m te spreken kreeg tijdens de opening van de tentoonstelling.
"Ja, best cool", zei ik.
"Weet je dat ik wel 15 uur ben bezig geweest om ze precies goed neer te zetten?" vroeg P, "zodat ze het beste uitkomen?"
"Dat kan ik me voorstellen", mompelde ik op de gok, "nog best snel eigenlijk."
"Heb je de film al gezien?" vroeg P.
"Film? Welke film?"
"’P. werkt’", zei P., "heeft mijn broer gemaakt. Hij is eigenlijk fotograaf, maar dit is z’n eerste filmproject. Hij draait in het zaaltje verderop. Hij duurt maar 17 minuten. We hebben al het slechte eruit geschrapt. Want ‘snoeien is groeien’. Een bekend citaat van…"
"Snoeien is groeien!", onderbrak ik ‘m, "ik ga ‘m zodadelijk meteen zien! Maar nu moet ik echt even een sig.. "
"Moet je doen!", zei P., "Kijken! Ik ben benieuwd wat je er van vindt!"

Dus L. en ik na een snelle sigaret richting het geimproviseerde filmzaaltje in Arti.

En we zagen een prachtige film. Man, wat vergt het verdomde veel arbeid om zo’n beeldje in elkaar te frutselen.
Wel mooi werk, trouwens. Echt, ik kreeg er helemaal zin in. Krantenknipsels afscheuren, die in een emmer frotten, cementachtig spul erbij mikken, een beetje erop inhakselen met een schop, en terwijl dat mengsel staat te drogen met fijne hand en een kniptang een hekwerk van kippengaas tot een lichaamsvorm omtoveren, en dan maar boetseren totdat het net een echt mensje is.
(Even voor de pornoverslaafde jongere lezers:) Vervolgens dat mengsel eromheen boetseren, wat me best geil voorkwam, vooral met die tieten en die billen maken enzo. En dan met druiperige verf overheen schilderen. Waarbij ik me zou kunnen voorstellen dat, well, ik bedoel met een beetje kunstzinnige fantasie is een facial er peanuts bij.
Ik bedoel, hij ging er waanzinnig in op, echt op het obsessieve af.
Prachtig.

Maar een hoop werk is het wel.

"En?" vroeg P.
"Goeie film", zei ik.
"Snap je nu de tentoonstelling iets beter?" vroeg P.
"De pygmeeen?" wilde ik eruit flappen. Want het het waren verdomde kleine beeldjes. En de titel van de tentoonstelling hielp in dat specifieke opzicht ook al niet mee.

Gelukkig deed ik het niet. Ik deelde mede te hebben genoten van de film. En van de kunst nog meer. Wat absoluut de waarheid was. Hier nog maar eens een plaatje:

Peter_optocht_1

Maar een dag later verblijf ik ondertussen nog steeds met die rare vraag in mijn hoofd: als iets je niet direct bij de lurven vat, is het dan wel? Goeie? K?

Misschien doet het er niet toe. Die hele vraag niet. En zou ik beter die cynische toon ook eens achterwege laten in dit geval. Waarom zou je iets niet mogen uitleggen? Ik weet dat het vreselijk uit de mode is, toelichting, maar zou het niet juist geinig zijn om dat taboe daarop nu weer eens te doorbreken? Ik bedoel in deze tijd waarin van historisch besef sowieso steeds minder sprake is, weinig meer wordt gelezen, en over het onderwijs al decennia wordt geroepen dat het naar de kloten gaat?

Ik bedoel, als ouders er geen tijd meer voor hebben, om over leraren nog maar te zwijgen, zou het dan niet een slim idee zijn om.. En zou het niet over een paar jaar een veel leukere maatschappij…

Grease is vet

Gisteren ben ik naar Poetry International geweest. Naar de uitreiking van Buddingh’prijs om precies te zijn. En daar zou ik een uitgebreid verslag over kunnen schrijven, maar om eerlijk te zijn heb ik er op dit moment de kracht niet voor. Man, ik voel me zo brak als de Waal de Brouwersgracht een gootsteen.

Het was een prachtige avond, laat daarover geen misverstanden bestaan. Ik bedoel, luxe dineren in de tuin van restaurant Floor, flesje Prosecco erbij, en daarna met een meegesmokkelde halve liter Edah-pils in de grote zaal poezievriend Bernard Wesseling tegen alle voorspellingen in de eerste prijs zien binnenslepen; het leven kan slechter.
Als klap op de vuurpijl mocht er na afloop van de voorstelling bij wijze van hoge uitzondering worden gerookt in de Schouwburg, zodat ik mijn verblijf niet voortijdig hoefde af te breken.

Maar ja, elk voordeel heb z’n nadeel. De omstandigheden waren dusdanig comfortabel dat van mijn voornemen om vanwege de volgende werkdag uberhaupt ‘niet te laat’ naar Amsterdam terug te reizen, bar weinig terecht kwam.
Weliswaar waagden L., Eus en ik een dappere poging om samen met de rest van Bernards vriendenschaar de nachttrein van 1.00 te halen, maar er ging iets mis. Wat precies, dat weet ik niet meer, maar het had iets te maken met gebrek aan rantsoen voor de terugtocht.
"Ik ga niet op een droogje in die trein zitten", zei Eus, terwijl de rest al richting station stiefelde.
"Ben je gek, natuurlijk niet", zei ik, "hoeveel heb jij nog bij je?"
"3 pils", zei Eus, "en jij?"
"Ook 3", zei ik.
"Dat is te weinig", zei Eus.
"Vertel mij wat", zei ik.
"Laten we nog een flesje rood meenemen", zei Eus, "voor de zekerheid."
"Briljant."

Probleem was echter dat het barpersoneel het vertikte om ons een hele fles rood mee te geven; "drank mag alleen hier binnen worden genuttigd", deelde het stellig mede.
"Krijg nou de tering", zei Eus.
"Wacht", zei ik, "ik heb connecties!"
Overmoedig tikte ik een organisatieconnectie op z’n schouder: "hoe gaat ie?"
Ik raakte verzeild in een lang verhaal.
Kansloos.

"En?" vroeg Eus.
"Slecht nieuws", zei ik en mompelde iets over een avondwinkel.
"Laten we dan maar naar het station gaan", zei Eus, "misschien kunnen we de rest nog bijhalen."
Op het stationsplein zagen we inderdaad L. die wanhopig gebaarde dat we voort moesten maken.
We versnelden onze pas.
"Waar is de rest?" vroeg ik aan L.
"Die staan al boven, op het perron", zei L.
Om 0.57 renden we de poorten van Rotterdam Centraal binnen. De stationshal was verlaten op een hekversperring na, waartussen zich een overdadig regiment van kaartjesknippers ophield.
"We moeten de trein halen!" riep ik, "hij gaat over 1 minuut!"
"Dat kan wel zijn meneer, maar mogen we eerst alstublieft uw vervoersbewijzen zien?"
Eus en ik, we grabbelden in onze broekzakken.
En we grabbelden en grabbelden.
Net toen we ze gevonden hadden klonk er een schrille fluittoon door de stationshal.
"Ai", grijnsde onze dienstdoende kaartjesknipper, "ik vrees dat u ‘m zojuist gemist heeft."

"Hoe nu?" vroeg ik aan Eus.
"Naar de kroeg", besloot deze.
"Geniaal."

Enfin. A hard day at the office vandaag.
Dus ik was blij dat vanavond ‘Grease’ op Televisie was. Als je brak bent is er niks lekkerder dan uitkateren met onvervalst jeugdsentiment. Ik zag mezelf, 9 jaar oud, weer zitten op de trappen van de overbezette Tielse bioscoop. We schreven 1978 en ik was stapelverliefd op Olivia Newton John. Die lieve brave Sandy, met een kuis diadeem in haar blonde lokjes. Ik was destijds verzot op onschuld. Had nog niks te schaften met hormonen, laat staan dat alleen al het zien van een mooi meisje mijn ‘spermaspiegel tot halverwege mijn oogbollen’ deed stijgen, zoals onze huidige Amsterdamse stadsdichter recent op zijn weblog de gemoedstoestand van een gemiddelde puberjongen zo herkenbaar wist te beschrijven.
Bij sex kon ik me niks voorstellen, behalve dat het vies was. Net als bier en sigaretten. Ik snapte dan ook totaal niet wat Sandy in die stomme Danny Zuko zag, met z’n smerige leren jackie en die eeuwige peuk in z’n smoel.
"Neem mij!" prevelde ik destijds in de bioscoop, toen ik naar Grease keek, "ik ben een veel lievere jongen dan John Travolta, en ook heel erg goed op school! Daar heb je later, als je groot bent, veel meer aan dan aan iemand die toevallig een beetje goed kan dansen."

Tussen mij en Olivia is het overigens nooit iets geworden. Ook niet toen ik het in mijn puberteit op een stevig roken en drinken zette, een leren jack aantrok en in een band ging spelen.
Het is ook ingewikkeld met zo’n jongen uit Nederland, dat snap ik best. Long distance enzo, dat werkt niet in relaties, maar los daarvan was ik toen ook allang niet meer verliefd op Sandy. Vanaf het ogenblik dat mijn hormonen serieus begonnen op te spelen was het snel gedaan met mijn liefde voor living dolls.

Toch, zoals vanavond, kan ik met mijn brakke zelfje weer terugverlangen naar vroeger. En vind ik het, hoewel "you’re the one that I want" veruit het beste nummer is van de hele filmmusical, toch in retrospect weer zonde dat Olivia zichzelf op het laatst zo’n bimbo-look aan meet.
Daar ging mijn ideale moeder.
Ik had zitten kijken met koffie en koekjes, maar nu, zo om 22.30, tijdens de slotscene van de film, liep ik tot mijn eigen verbazing naar de koelkast.
Voor een pils. En ik draaide er een shaggie bij.
"Nu komt het beste nummer", zei ik tegen L.
"Vertel mij wat", zei L., "ik kijk Grease eigenlijk sowieso altijd alleen maar voor het laatste nummer."
"En voor John Travolta", zei ik.
"En voor John Travolta."
"Hoe voel jij je trouwens?" vroeg ik.
"Brak."
"Dus je gaat geen stukje meer schrijven?"
"Nee. Jij wel dan?"