Liegen

Vanavond was op Canvas ‘Shattered Glass’ te zien, een aanrader.
‘Film van de dag’ van zowel de VPRO-gids (die ‘m bovendien 4 sterren gaf), de Volkskrant en het Parool. Volgens dat laatste dagblad is ‘Shattered Glass’ een "sterk gespeeld en knap geconstrueerd drama naar de opzienbarende kwestie van Stephen Glass (Hayden Christensen), een jonge, sympathieke journalist die in het midden van de jaren negentig furore maakte bij een Amerikaans opinieblad met fantastische artikelen, maar later tegen de lamp liep toen zijn verhalen grotendeels verzonnen bleken."

Zoals jullie zien verwijs ik in deze korte aanbeveling naar makkelijk verifieerbare bronnen. De aangehaalde stempels van goedkeuring en de letterlijk geciteerde recensie uit het Parool kan je zo opzoeken als je wil, om te checken of ik hier niet stiekem uit mijn nek zit lullen.
Niet dat jullie dat zullen doen, want jullie denken: wat zou plukdenacht er in godsnaam voor belangen bij hebben om ons onder valse voorwendselen een film aan te prijzen?
Inderdaad, die heb ik in dit geval niet.

Heel anders wordt het natuurlijk op het moment dat ik die wel zou hebben. Als het een onderwerp zou betreffen waarbij ik met een stevige portie reclame wel degelijk mijn voordeel zou kunnen doen. Ik noem een enthousiast verslag op plukdenacht van een of ander popfestival of dichtpodium dat door een zekere Sven wordt georganiseerd. Ik noem een uitzinnige recensie van een optreden van de Nederlands slamkampioen 2004, ik noem de aanbeveling om over diezelfde podiumdichter eindelijk eens een volwaardige Wikipedia-pagina te schrijven (want die, ahem, *hint hint*, bestaat namelijk nog niet).

Kijk! In dat geval zou het tijd worden om bronnen te checken. En te double-checken. Want niets is zo verleidelijk om de feiten te verdraaien, als voor de eigen carriere. Vraag dat maar aan Stephen Glass. Prachtig om te zien hoe in die film de selfkickende succesjournalist alsmaar fantastischere artikelen uit zijn pen zuigt, en vervolgens bij de feitencheck door wantrouwende collega’s, het hele fictieve netwerk aan bronnen met kunst- en vliegwerk in retrospect uit de grond probeert te stampen. En dat ‘m dat in eerste instantie nog lukt ook.

Maar natuurlijk gaat het uiteindelijk verkeerd. Dat ligt niet aan het feit dat het een Amerikaanse, dus moralistische film is. Integendeel. Het hele levensverhaal van die Stephen Glass is ‘waargebeurd’. Het ligt er meer aan dat je voor het overeind houden van een simpele leugen nou eenmaal een beter geheugen, en vooral ook meer energie nodig hebt dan voor het vertellen een gecompliceerde waarheid.

Dat vooropgesteld. Maar Stephen Glass heeft nog veel meer tegen. Hij heeft te schaften met journalisten. Collega’s bovendien, die als jaloerse jakhalzen op zijn bloed jagen. En Stephen werkt te hard, slaapt te weinig, en ontbeert dus uiteindelijk de energie die noodzakelijk is om de grootste valkuil te vermijden op de uitputtende weg van de instandhouding van een leugen. Hij is als de duivel zelve, die valkuil, en vermomt zich als een verleidelijke harem verpleegsters, maar blijkt uiteindelijk een roedel wolven in schaapskleren. En hij heet: nog meer leugens.

Ze lijken zoooo zalvend, die extra leugens om de lekken in de vorige te dichten. Ze schijnen pleisters op de scheuren vertonende ballon, maar blijken niets anders dan nieuwe kaarten op het kaartenhuis. Ze stoppen het pompen niet. Integendeel. Ze maken de oorspronkelijke leugen alleen maar groter en groter.

Les: Als je liegt, doe het dan simpel. Denk als een kind. Een plan A mag nog net, maar maak geen plan B, laat staan een plan C. Als je al liegt, zorg dan vooral dat je niet kan falen. Hou het eenvoudig en zorg dat er maar 1 uitkomst is. Zorg dat je de juiste personen tegen elkaar uitspeelt en dat ze niet de behoefte voelen om je leugen te achterhalen.

Ter illustratie een voorbeeldje: vroeger, toen ik en mijn twee beste vrienden nog kinderen waren, wilden we niets liever dan tot diep in de nacht voetballen op een veldje een paar straten verderop, net als onze Amboneze, Marokkaanse en White-trash kameraden. Wij welopgevoede Nederlanders moesten echter elke avond al om half 6 thuis zijn voor het eten, om daarna in bad te worden geplempt en vervolgens met natte haartjes naar bed te worden gebonjourd. Eventueel nog een staartje Sesamstraat meepikken, maar meer zat er niet in.
Onrechtvaardig, geef toe!

Hoe konden wij zo ooit in het Nederlands elftal komen!? Nou dan! Dus hanteerden we vaak met succes het volgende concept:
Dan zei welopgevoed vriendje a tegen moeder a: "Mag ik vanavond voetballen op het veldje? welopgevoed vriendje b en welopgevoed vriendje c mogen het vanavond ook van mama b en mama c!". Welopgevoede vriendjes b en c stonden er ondertussen uiteraard beamend bij te knikken.
"Nou goed dan", zei moeder a steevast.
Waarna we togen naar moeder b en c met eenzelfde verhaal. Telkens met net iets andere letters natuurlijk, maar you get the point, I take.

Ik zeg niet dat dit plan waterdicht was. Maar het werkte wel. Wij waren vaak tot ver in de avond buiten met onze kameraden. En zo raakten wij aan de drank en aan het roken, en op het crim..  leerden wij ontzettend goed voetballen.
Een meerderheid, dat is belangrijk. Mensen stemmen graag mee met de meerderheid. Dat hadden wij al vroeg in de smiezen.

Anyway. Ik dwaal helemaal af van wat ik eigenlijk wilde zeggen, geloof ik.

Ik wilde eigenlijk zeggen dat het met het aandoenlijke ratje Stephen Glass nog helemaal goed is gekomen. Hij is rechten gaan studeren en woont tegenwoordig in New York. In 2003 bracht ie een roman uit. De fabel-nogwat. In ieder geval een boek over een journalist die via fictieve verhalen in de negentiger jaren van de vorige eeuw succes probeerde te boeken in het non-fictie-circuit.
Als bestseller een prachtige paradox: Dankzij de hype van ‘waargebeurd’, toch nog gelauwerd om zijn leugens.

Maar nu wil ik toch nog iets meer zeggen:

"Op dit moment draait in de bioscopen de op ware gebeurtenissen gebaseerde film ‘The Hoax’ over schrijver Clifford Irving, die een web van leugens bouwde rondom de grotendeels verzonnen biografie van de filmproducent Howard Hughes. Schandalen als deze veroorzaken altijd ophef; ze laten zien hoe onbetrouwbaar de media kunnen zijn."
(Bron: de Volkskrant)

Die laatste zin, die is belangrijk. Het is m.i. de motor van de meeste ellende. Maar daarover een andere keer veel meer.

Advertisements

Pinkpop!

En hoe enthousiast ik daarover ben. Vooral over de recentste editie. Maar dat ik daar nu niks over kan schrijven. Omdat ik te moe ben. Te op. Te uitgeleefd, weetikveel.

Zie het maar als een goed teken.

Op TV is nu de herhaling van Pinkpop op Nederland 3. Net was Korn. Presentator Giel Beelen liep hun kleedkamer in. En vond een strijkijzer.

"Nou ja!" zei Giel hoogstopgewonden, "een strijkijzer!".

"Comment?" vroegen de leden van Korn, "why is that thing such a big deal to ya?"

Giel: "An iron! That’s the toppunt of burgerlijkheid!"

"Ah!", zeiden de leden van Korn, "What was it you called it? An iron? We just use it for warming our sandwiches."

En nu ga ik slapen.

Pinkpop!

Even kort. Dit weekend was een van de beste Pinkpopedities ever, wat mij betreft. Bij deze mijn hoogtepunten van afgelopen zondag:

– 13.30: Dat het me ondanks de strenge poortcontrole waarbij mensen zelfs hun vlijtig gesmeerde broodjes en onderin hun tas verstopte Sultanakaakjes werden afgenomen, is gelukt om een fles champagne naar binnen te smokkelen.

– 13.45: Dat L. en ik het festivalterrein opkwamen tijdens Gabriel Rios die daarop spontaan ‘Broaddaylight’ inzette. En vooral natuurlijk dat op datzelfde moment de zon doorbrak, die tegen alle voorspellingen in, de hele zondag (what’s in a name) niet meer zou verdwijnen.

– 15.45: Dat ik de verrekijker van mijn Opa had meegenomen, zodat ik optimaal kon ervaren hoe de zanger van Razorlight aan het einde van hun set op zijn knieen ging, om minutenlang, nonverbaal, een soort androgyne versie van Jim Morison ten beste te geven.

– 16.30: Vooraan tegen stagebarriers aanleunen met een hele batterij pils en L. aan mijn zijde, met een half uur wachten voor de boeg tot Iggy and the Stooges zou beginnen.

– 17.00-18.00: Iggy. Die versterkers neukt, kogelslingert met zijn microfoon, plus de Stooges die hun volumeknoppen naar max hebben gedraaid en er stevig op los rampestampen. Iggy die niet aan setopbouw doet, die niet zoals zoveel internationale festivalbandjes langzaamaan voortkabbelt om er pas aan het einde dat ene hitje uit te persen, maar er meteen vol invliegt.
Ik hou mijn hart vast. Gaat dat wel goed, Iggy? denk ik, als ie al na twee nummers zijn troefkaart, wild sjamaanachtig gedans met ontbloot bovenlichaam, volledig lijkt te hebben uitgekauwd.
Maar natuurlijk gaat het goed. Du moment dat Iggy Pop voelt dat het publiek zich dreigt te gaan vervelen, schakelt ie een tandje hoger. Hij laat Oma’s uit de achterste rijen meeschreeuwen met de puberale oneliner: "my idea of fun: is killing everyone". Nog voordat ook dat effect is uitgewerkt, nodigt ie tijdens het daaropvolgende nummer, ‘No fun (to be alone)’ (duh), iedereen uit om de "stage te invaden".
En daar gaan ze, de ‘stage-invaders’. Sommigen trekken hun broek naar beneden en laten hun lul zien aan de 60.000 man publiek. De plaatselijke camera’s zoomen er gretig op in.
Ik vind het fantastisch.
"Hiervoor ben ik gekomen!", zeg ik dronken van niet alleen vreugde tegen L.
Maar ik meen het wel. Want het is zo’n verademing om op een popfestival waar de commercie hoogtij viert, noodgedwongen door monopolist Mojo die bandjesprijzen opstuwt tot het belachelijke, waardoor organisatoren zich in allerlei bochten moeten wringen om onder het mom van ‘voor uw eigen veiligheid’ zelfmeegenomen flesjes ranja en doosjes rozijnen te confisqueren, opdat er tenminste op het festivalterrein een behoorlijke drank- en eet-omzet kan worden gedraaid teneinde de begroting sluitend te krijgen zo’n ouwe lul als Iggy Pop de universele aversie jegens gelatenheid blijkbaar nog altijd het sprekendst weet te vertolken. Ondanks dat ie zelf natuurlijk ook een vuile hypocriet is.
Of zoiets.
Well. Fuck it. Je had er gewoon bij moeten zijn, sukkel.

– Het meisje met de traan op het videoscherm tijdens Chasing Cars van Snow Patrol. Maar uberhaupt Snow Patrol. Hoe lief die zanger keek naar het publiek. Telkens.

– En hoe blij L. was met d’r broodje champignon.

– Lekkere champagne trouwens.

– De opening van de slotact van de zondag; Muse met ‘Black hole’: een soort hedendaagse versie van Hendrix’ Voodoo Chile.
Maar uberhaupt Muse. Ook al is het een en al voortborduursel op ‘Paranoid Android’ van Radiohead, het is wel goed gedaan. Ofzo.

L. en ik, we konden er maar geen afscheid van nemen, Muse, terwijl we toch echt van plan waren de grote massa voor te zijn om de trein terug te halen naar Heerlen, alwaar we logeerden (dat rijmt! Hoera, ik ben een dichter!).

– Dat ik nog een blikje Heineken scoorde bij een van de stalletjes op de Hofstraat naast Camping A, en dat ik dacht aan de woorden van de dichter Pom Wolff: "Fuck you all my friends, zo moet een einde zijn", maar dat ik dat dus niet vond.

Okay, ik vond dat ik veel had gezien. Van de sexuele rauwheid van Iggy tot en met de bijna roboteske muzikale perfectie van Muse. Waar gaat het om? dacht ik trouwens. Welke van de twee geeft de doorslag? Ik probeerde me te herinneren hoe geschiedenis in elkaar stak. En ik realiseerde me opeens weer hoe Radiohead niet voorbij was gekomen in de top 2000 van beste nummers ooit, die de publieke Radio eind 2006 organiseerde. Zo snel kan het gaan als je een charismatische zanger ontbeert. En misschien wel terecht. Want, hey, we hebben het over rockmuziek. Toch? Het gaat niet om het kunstje. Het gaat zelfs niet om de Kunst. Het gaat om sex. Laten we eerlijk wezen.

Ik bedoel dat je voelt hoe de muziek tegen je huid aankruipt, en het liefst eronder. Daar gaat ‘t om. Ook al zal Muse morgenochtend ongetwijfeld het absolute hoogtepunt worden genoemd in de diverse krantenrecensies. Dacht ik op zondagavond. Ondanks dat er daarna nog een hele Pinkpopmaandag aan bandjes voorbij  zou komen.

We zaten in cafe Bracke in Heerlen nog een pils te drinken. En toen was het laatste ronde en aanvaardden we de terugtocht naar de moeder van L. Ze was nog op. Middenindenacht. "Hoe laat willen jullie morgen op?" vroeg de moeder van L., "en moet je dinsdag weer werken?"

"Jazeker", zei ik. En ik zag mezelf voor me op mijn tandvlees. Compleet naar de kloten. Totaal op- en uitgeleefd. En pas toen wist ik hoe een einde moest zijn.

Montesquieu had groot gelijk

Vanavond waren Rita Verdonk en Albert Verlinde te gast bij Knevel en v/d Brink. Plus een heel aardige oude man met een stakke scheiding in zijn witte haar die gorilla-expert was, maar over die laatste wilde ik het niet hebben. Ook wilde ik het niet hebben over Rita’s negatieve commentaar op de Generaal Pardon-regeling waarvoor het kabinet vandaag wat spijkers met koppen heeft geslagen. Een regeling die potverdikkie eindelijk eens probeert een rigoreus einde te maken aan de onzekerheid waarin asielzoekers in veel gevallen al bijna een decenniumlang verkeren, maar waarvan Rita voornamelijk vreesde dat ie alleen nog maar meer ‘gelukszoekers’ zou aantrekken. En vooral was ze bang voor ‘onduidelijkheid’.

FuckVerdraaid (excusez, bij Knevel en v/d Brink mag je nou eenmaal geen al te heftige krachttermen gebruiken), heb ik het er godverdommehemeltjelief toch weer over. Sorry hoor, maar ik kan het niet helpen. Het is zo fascinerend om te zien hoe Verdonk er telkens weer in slaagt om de rollen om te draaien.
Hoe ze haar eigen (oude) beleid, waar vaak geen verantwoord touw aan vast viel te knopen, overeind weet (wist) te houden met het mantra: ‘regels zijn regels’.
En hoe een angstig groot aantal kiezers trapt(e) in de schijnillusie dat het strikt uitvoeren van de wet tenminste duidelijkheid verschaft.

Voor al die mensen heb ik nieuws: not! De werkelijke wereld is zo ongelooflijk complex, het scala aan individuele gevallen zo divers, dat de problematiek eenvoudigweg niet met een enkele stringente wet valt te op te lossen.
Gelukkig steekt het Nederlandse rechtssysteem dan ook niet op die manier in elkaar. Goddank hebben we hier niet te schaften met een Zero-tolerance-Sharia, waar een uitgehongerde sterveling die stiekem alvast een hapje neemt van een appel die ie in z’n boodschappenmandje heeft liggen bij de Iranese Albert Heijn, zonder genade de hand wordt afgehakt.
In Nederland wordt in de letter van de wet, recht gesproken op basis van ‘redelijkheid’.

Lastig natuurlijk voor politici als Verdonk, die het liever wat minder nauw zouden nemen met de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht; nochtans een van de belangrijkste grondvesten van onze moderne Westerse beschaving.

Maar ik dwaal af. Want ik wilde het zoals gezegd helemaal niet over Verdonk hebben. Ik wilde het hebben over Albert Verlinde. Die Rita onderbrak in haar tirade, om haar vervolgens helemaal gelijk te geven. Ik quote (min of meer):
Zonder een spoortje van ironie zei Albert: "Ik ben het helemaal met je eens Rita. Nederland is het land van de onduidelijkheid. Als ik in Griekenland (sic (sic)) ben, dan is dat een verademing. Daar weet je tenminste waar je aan toe bent. Daar kom je er al heel snel achter dat je voor een buskaartje bij de sigarenzaak moet zijn, en dat je dat nergens anders kan kopen. Duidelijk. Hier in Nederland kan je ook een buskaartje kopen in een sigarenzaak, maar als je dat niet hebt gedaan, dan blijk je ook gewoon een kaartje te kunnen kopen in de bus! Dat is toch belachelijk! Dat schept alleen maar onduidelijkheid!"

Ik kreeg neigingen om naar de TV te rennen en op het scherm te kloppen: "Hallo! Iemand wakker daar!? Is het niet volstrekt logisch dat je een buskaartje kan kopen in de bus? Is het niet gewoon een extra service, dat je ook in het voren alvast een goedkopere strippenkaart kan kopen in een sigarenzaak, of ben ik nou gek?"

Blijkbaar wel.
De medegasten en de presentatoren van Knevel en v/d Brink knikten beamend op Verlindes uiteenzetting.
‘Typisch het Hollandse poldermodel’, zag je ze denken; ‘alles moet maar kunnen. Stel je voor, een buskaartje kopen in de bus! Belachelijk! Als we niet uitkijken vormen we straks de achterhoede van Europa. Zelfs Griekenland loopt nu al op ons voor.’

Regels zijn regels. Het gaat er helaas nog steeds goed in. Hoog tijd om bandjes te gaan kijken op Pinkpop. Waarvan akte. Lator.

PS: ik wilde met in het voren bedachte rade eigenlijk ook nog iets adequaats zeggen over die oude man, die gorilla-expert. Iets wat dit stukje helemaal briljant zou maken. Maar ik ben het vergeten. Het enige wat ik nog weet is dat ie verdomdbehoorlijk intelligente dingen te zeggen had over onze soort; de primaten.

Ofzo.

Vijf Vliegensvlugge Vragen

Omdat ik vandaag te moe ben om een column-achtig stukje te schrijven, bij deze maar eens iets simpels. Een opzetje waardoor dat hele weblog-schrijven (ik zeg schrijven, niet lezen) ooit populair is geworden: het spelen van zesderangspubertijdschriftje met jezelf:

Goedenavond Plukdenacht.

Goedenavond.

Mogen we u De Vijf Vliegensvlugge Vragen stellen?

Natuurlijk. Graag zelfs!

Dat komt er verdomd enthousiast uit. Hoe dat zo?

Normaal wordt mij nooit iets gevraagd. Dan zit ik de hele nacht eenzaam te tikken op een stukje over een onderwerp waarvoor ik eigenlijk te dronken ben, maar waar ik met een uiterste krachtinspanning toch nog iets van probeer te maken. En soms lukt dat, soms ook niet. Toch wordt er, als ik het eenmaal op internet heb gezet, zelden of nooit op gereageerd, laat staan dat er vragen worden gesteld. Terwijl ik nochtans een behoorlijk aantal bezoekers heb.

Is dat frustrerend?

Geenszins. Hoe meer bezoekers hoe beter.

Wij bedoelden eigenlijk: is het niet frustrerend dat die bezoekers niet reageren?

Op die fiets! Nou, mijn primaire gedach.. 

Stop! Cut! Sorry Plukdenacht, we moeten je nu toch echt even onderbreken. Onze lezers zitten niet te wachten op genuanceerde antwoorden. Belichtingen vanuit verschillende perspectieven doe je maar in je eigen tijd. Anyway. Genoeg geouwehoerd qua kennismakingsgesprekje. Laten we liever beginnen met waarvoor we hier gekomen zijn: De Vijf Vliegensvlugge Vragen aan een BW-er.

Een BW-er?

Een bekende weblogger. Het is onze populairste rubriek! Je wou toch niet zeggen dat je die niet kent?

Euh..

Whatever. Sanne, loopt de band? Watte? Okay, excellent. Let’s go. Vraag 1: wat is je favoriete kleur?

Mijn favoriete kleur?

Stop! Cut! Beste Plukdenacht, heel leuk allemaal natuurlijk, die naam van je weblog, maar in tegenstelling tot jou hebben we niet heel de nacht de tijd, okay? Wij stellen hier de vragen. Niet jij. Wij. Capito? Kort en eenduidig antwoorden alsjeblieft. Wat is je favoriete kleur!

Turkwaase.

Jezus, wat is dat nou weer voor een kleur! Sanne, weet jij hoe je dat schrijft? Watte? Okay. Excellent. Let’s go. Vraag 2: Als wat voor dier zou je terug willen komen als je werd gereincarneerd?

Een reiger.

Heel goed. Zie je, zo houden we de vaart erin. Waarom trouwens als reiger? De meeste mensen zeggen als konijn. Zodat ze veel kunnen neuken. Of als tijger ofzo. Wie zegt er nou ‘reiger’? Ben je soms een visverslaafde ofzo?

Nee, integendeel. Maar een reiger is een vogel, met bovendien een prehistorisch uiterlijk, die desondanks in de stad..

Ja, ja, het is al duidelijk. Vraag 3: Wat is je favoriete CD voor als je op een onbewoond eiland zit?

The White Album van the Beatles.

Vraag 4: Waar ben je het bangst voor?

Op een onbewoond eiland?

Stop! Cut! Sann..

Voor vogelspinnen.

Okay dan. We zijn er bijna. Vraag 5: wat is je favoriete standje?

Sorry, mijn wat?

Je favoriete standje! Je meest geliefde sexpositie. Of weetikveel, de neukfantasie waar je aan denkt tijdens de handjive, als je jezelf af loopt te beren.

Afberen?

Ja! Als je je knokkels op sap zet, je navel marineert, jezelf een witte armband cadeau doet, welk plaatje speelt er dan door je hoofd? Dat willen onze lezers graag weten.

Jeetje. Dat is een wel erg intieme vraag. Dat ga ik hier niet vertellen.

Stop! Cut! Sanne, waar ben je? O, daar! Hadden we nog reserves op onze lijst staan? Watte? Hoe ver is dat rijden? Okay dan. Excellent!

100 dagen

Vanavond was het (praktisch) voltallige kabinet te gast bij de EO-versie van Pauw en Witteman: Knevel en van den Brink. De ploeg van ministers en staatssecretarissen zat namelijk aan het eind van hun zogeheten ‘100-dagen-periode’ (een noviteitje waarvoor het kabinet meer dan 3 maanden door den lande was getrokken om de dialoog aan te gaan met het volk), en het kon natuurlijk nooit kwaad om deze mijlpeil breed uit te meten op het podium waar die hele proefballon in de eerste plaats voor verzonnen was: de massamedia.

Ik was uitermate benieuwd naar de versverworven inzichten van onze nieuwe bewindslieden en ging er eens goed voor zitten.

Inmiddels heb ik het programma gezien en ik kan er kort over wezen: een aanfluiting. En dan heb ik het nog niet eens over de TV-uitzending, maar over de versverworven inzichten van de ministers.
Natuurlijk was de regie ook een ramp; ik bedoel, wie verzint er in godsnaam om minister Vogelaar, die duidelijk zwaar beschonken was, de meeste spreektijd toe te bedelen? Pijnlijk om te zien hoe ze met lodderige oogjes verveeld wat cliche’s over probleemwijken reciteerde, om daarna vrolijk lallend los te gaan over het ministeriele sportieve uitje waar ze elke vrijdagochtend zo van genoot.
Boeiend. Not.
Maar dubieus werd het pas toen ze hierbij vooral de loftrompet stak over Rouvoet, de enige mannelijke deelnemer aan het sportieve theekransje, waar verder alleen de vrouwelijke bewindslieden aan deelnamen.
"Ik mag het eigenlijk niet zeggen van de andere vrouwen, maar weet je hoe we ons noemen?", kraaide Vogelaar.
Please! Zeg het niet, zag je Rouvoet ongemakkelijk denken, althans niet hier live op TV!
Maar PvdA-vrouw Vogelaar zei het toch: "Rouvoets Angels!"
Zet die emancipatie-boost die Wouter Bos aan de kabinetssamenstelling wilde geven toch in een enigszins curieus daglicht.

Maar de regie en Vogelaar even terzijde. Over tot de orde van de dag. De belangrijke dingen. De redactie van Knevel en v/d Brink had mensen van de werkvloer uitgenodigd om in het programma de billateraaltjes van de ministers met de samenleving nog eens dunnetjes over te doen. Dat bleek een goede zet. Want pas toen werd blootgelegd wat een farce die afgelopen 100 dagen zijn geweest. 

Zo was er de directeur van een basisschool die een stevig gevulde plastic Ikea-kuip had meegenomen, zo’n mega-opbergbox waar zelfs de gecompliceerdste freelancer voor drie jaar belastingaangiftes in kwijt kan, om aan te tonen hoeveel post ie in de afgelopen week van de overheid had binnengekregen.
Deed ie slim, die scholenman, zo’n beeld hakt er altijd in, vraag dat maar aan TV-dietistes die een miljoenenpubliek scoren met het etaleren van de weekconsumptie van de gemiddelde vetzak.
"Hoe kan ik zo nog toekomen aan mijn kerntaken?" vroeg de beste man.
Minister Plasterk, van Onderwijs, die van alle kabinetsleden zo’n beetje het meest het land in was geweest, werd gevraagd om zijn reactie. Die luidde ongeveer als volgt: "Tsja. Het onderwijs moet natuurlijk beter. Dat is duidelijk. En dan niet alleen het basisonderwijs, maar ook het middelbaar en hoger onderwijs. Ik herken de situatie."
"En wat gaat u er aan doen?" vroeg een voor de verandering alerte Thijs van den Brink.
"De kwaliteit verhogen", antwoordde Plasterk.

Ook was er een portier van een discotheek uit Hellevoetssluis. Een knakker met een kalend hoofd, maar ondertussen een stevige blonde paardenstaart.
"Hoe ervaart u het respect in de samenleving?" vroegen Knevel en v/d Brink.
"Voor mij?" vroeg de portier.
"Ja", zeiden Knevel en v/d Brink.
"Dat is er niet. Ik krijg de ergste verwensingen naar mijn hoofd geslingerd."
"Kunt u een voorbeeld noemen, wel in het nette graag."
"Nou, laat ik het zo zeggen, als ik die gasten alles zouden uitvoeren wat ze roepen dan zat hier nu een stuk gatenkaas."
"?"
"Zoveel doodsbedreigingen krijg ik."
"En hoe komt dat denkt u? Door allochtonen?"
"Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk eerder door drugs. En dan bedoel ik harddrugs, he, want dat is het probleem. Ik ken als ik wil net zo makkelijk een zakje cocaine scoren als de minister een… een…, nou ja, een hamburger. Als ze nou die harddrugs…"
"Wat vind u daar nu van meneer Balkenende?" werd de portier onderbroken.
"Tsja, die problematiek is bekend. Kijk, we moeten dat ook niet meer accepteren als samenleving. Het wordt tijd dat wij als land de coffeeshops.."
"Meneer had het over harddrugs", onderbrak Thijs v/d Brink onze premier dapper. Vond ik echt een overwacht goeie move van die jongen. Voor een EO-man in hart en nieren bedoel ik. Hij leek zowaar even op de journalist die hij getuige zijn recente interview in het Volkskrantmagazine zo graag wilde zijn.

"Go Thijs!" riep ik, "kom op met die al decennialang bekende cijfers over dat verdomd effectieve onderscheid van ons Nederlanders tussen hard- en softdrugs, en wat voor positieve gevolgen dat allemaal wel niet heeft op de criminaliteit, de verlavingszorg en de maatschappij in z’n geheel!"
Maar veel mocht het niet baten, Balkenende ging onverstoorbaar door met zijn verhaal: "Kijk, als ik zie dat.. (..) En neem nou het nieuws van vandaag. Is het Anne Frankhuis weer beklad (..) Coffeeshops (..)

V/d Brink kwam er niet meer tussen, en/of wilde er niet meer tussen komen. Knevel hield sowieso verdacht veel zijn bek. En zo geschiedde het dat Balkenende weer eens kon doen waar ie ontzettend goed in is: een razendsnel, slecht gearticuleerd cq onverstaanbaar betoog houden waarvan alleen de opgedrongen associatie-keten blijft hangen: Problematiek-coffeeshops-Anne Frankhuis beklad-coffeeshops.

Hij is zo ontzettend slim, onze premier.
Hij kan wat alleen de beste aller politici kunnen: het volk zichzelf buitenspel laten zetten.
He has what it takes. Hij kan theoretische en ervarings-deskundigen tegen elkaar uitspelen. Hij kan zich populisme permiteren onder een autoritair aureool van verstand van zaken. De ultieme wolf in schaapskleren.
Let’s face it. Hij is niet meer in te halen. Hij heeft de details in de vingers. Hij noemde vanavond tussen neus en lippen door, in zijn eerder aangehaalde betoog, de minister Bos van Financien: ‘Wouter’. Dodelijk. ‘Wouter’ kon er niets tegen doen, alleen schijnheilig lachen alsof die kleinering ‘m niets deed, want de media zaten aan tafel, en als je bloed laat ruiken onder hun toeziend oog, dan ben je vies de pisang. Dat heeft Wouter maar al te goed geleerd van Ad Melkert.

Ik vrees dat we nog een tijdje met JP op zitten gescheept.
Recht zo ie gaat.
Op de koers van een nog intolerantere samenleving, waarin elk gevoel voor nuance, doordacht beleid en vruchtbare suggesties   
100 dagen worden aangehoord
en effectief in de kiem gesmoord.

Inderdaad. Dat rijmt.

Freedom is just another word

Fragment dat ik vanmiddag tegenkwam in mijn dagboek uit januari 1994:
Er wordt van onze generatie gezegd dat we weinig emoties hebben. Lekker belangrijk.

Ik ben er van overtuigd dat ik die zinnen toen opschreef zonder een grap te willen maken, want het was waar: ik liep in die tijd bepaald niet over van de gevoelens, laat staan sociale. Ik was dienstplichtige in het Nederlandse leger en had de mensheid daar leren  kennen als zijnde zo slecht, of vooral zo dom eigenlijk, dat ik het vertikte om me ook maar een stap meer voor onze soort in te zetten dan strikt noodzakelijk was.

En als afgestudeerd econometrist wist ik dan ook precies wat ik later het liefste wilde worden: uitkeringstrekker. Beetje schrijven en ondertussen stiekem verblijven in het een of andere lageloonland uiteraard, zodat ik het lekker breed kon laten hangen. Elke ochtend middag gewekt worden door een masseuse die aan komt zetten met een plateau gekoelde pilsjes en een bakje mihoen met gamba’s. Geef toe: het kan slechter. Plus dat het altijd mooi weer is natuurlijk, in de 3e wereld.
Ja jongen, kennis is macht. Wat wetenschap van de economische utiliteitstheorie allemaal wel niet voor je kan betekenen, mits correct aangewend.

Ik was ondertussen al goed bezig om me in te leven in mijn toekomstige situatie. Ik ‘profiteerde’ in mijn diensttijd naar eigen schrijven, ‘de verf van de muren’. Ik kon leven van een tientje per week. Ik had geen woning, geen verzekeringen, niets aan vaste lasten. Ik kocht zo af en toe een ontbijtbon voor 45 cent en graaide daarvoor in de kantine voor 3 dagen proviand bij elkaar. Doordeweek logeerde ik op de kazerne, in het weekend bij mijn ouders. Als ik zin had in een stevige pils treinde ik met mijn OV-kaart van Defensie naar de rijkeren onder mijn vrienden om ze te verblijden met mijn gezelschap.

De rest van het tientje besteedde ik aan goedkope drank in de Aldi van Eindhoven, om de muren van de slaapzaal die ‘s avonds op me afkwamen een vriendelijker aangezicht te geven.
Het leven was goed, of op z’n minst behapbaar, en ik had een droom.

Maar van het ideaal dat ik toen had is uiteindelijk niets terecht gekomen.

Zoals die dingen vaker gaan. Bij iedereen. Het is iets met geweten en de tijd. Maar ik dan andersom.