4000

Een paar weken geleden, toen ik in de meterkast moest wezen, stuitte ik per ongeluk op een oude oranje sporttas, die bol stond. Er zat bovendien een sticker van AZ ’67 op.
Ik had de tas ooit gewonnen tijdens een jeugdschaaktoernooi, herinnerde ik me, vlak voordat AZ’67 de finale van de Europacup 3 zou spelen tegen Ipswich Town. En blijkbaar was ik destijds niet de beroerdste geweest om mezelf tot fan te verklaren van de club die op dat moment in de Nederlandse competitie ver boven Ajax, PSV en Feijenoord stond. Ik was eigenlijk voor Ajax en had op zich niets met AZ’67 (behalve dat er een vage tante van me in Alkmaar woonde), maar toen ik 12-min was ging ik over lijken, was zo te zien geen enkele vorm van opportunisme mij vreemd geweest.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over de tas in de meterkast, die dus bol stond.
Even schrok ik. Uit de klauwen gemuteerde lunchpaketten uit 1980? Plus naar adem snakkende kicksen maat 34 en een verteerd blauwwit RKTVC-shirt met bijbehorende vuurrode voetbalsokken uit mijn voetbaljeugd?
Ik durfde ‘m bijna niet open te ritsen. Maar vlak voor ik dat toch deed, wist ik het opeens weer wat erin zat: verrek, dat zijn oude dagboeken! En dan niet uit 1980, want toen schreef ik nog niet, maar gewoon uit mijn studententijd, mijn verblijf op een zolderkamer aan het Roelof Hartplein, toen ik nog dingen neerpende op ouderwets papier ipv ze als een normaal mens in te tikken op de computer.

De meeste van mijn geschreven dagboeken liggen tegenwoordig overigens netjes in een stellingkast op de vijfde verdieping, in mijn glazen schrijvershokje, maar er was een korte periode geweest waarin ik zo slecht schreef, dat ik het tijdens de verhuizing naar mijn huidige woning niet had aangedurfd de pagina’s uit dat betreffende tijdsbestek op te bergen binnen handbereik van toevallige nieuwsgierige bezoekers.

Vandaar die tas dus, in de meterkast. En inderdaad. Een vijftigtal smoezelige schriftjes kwam tevoorschijn, stuk voor stuk stammend uit de periode 1992-1993. Het staartje van mijn studententijd.

Ik heb ze de afgelopen weken bijna allemaal gelezen.
"Ha ha ha!", grinnikte ik regelmatig, "wat slecht!!!" (vrij naar een scene uit het vierde theaterprogramma van Kamp, Kamp en nog eentje waarvan ik niet op de naam kan komen; enfin, een modern cabaret-trio).
Maar tegelijkertijd raakte ik er vet verslaafd aan, aan die slechte dagboeken.
Waar het om ging: in de 80 bladzijden dikke schriften deed ik niets anders dan het minitieus beschrijven van mijn gokverslaving.
Hele avonden zat ik op mijn eentje in studentencafe de Gieter, aan mijn ‘favourite table’. Avond aan avond urenlang op een barkruk aan een houten plaat van 50 vierkante centimeter die wankelde op z’n poten, maar die uitzicht bood op de enige fruitmachine in de uitspanning.
Vaak met slechts een tientje op zak, dat ik optimaal moest zien te splitsen tussen genoeg Duvels om de tijd draaglijk te laten verglijden, en tegelijkertijd voldoende los geld om wanneer het juiste moment zich voordeed, de gokautomaat te plunderen.

Want dat was het idee: gokken met voorkennis. Mijn voordeel doen met het analyseren van de data. Een gokkast moest wettelijk op de lange termijn minimaal 80% van het door spelers gestorte geld weer uitbetalen, dus als iemand 200 gulden naar z’n grootje had gegokt, en blut naar huis vertrok, dan was de kans aanzienlijk dat je vlak daarna van de situatie kon profiteren. Dan stond de kast met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voorlopig op ‘geven’.

Ik leefde er goed van. Ik was student econometrie. Kansberekening was mijn vak.
En ik schreef elke handeling van elke gokker letterlijk op. Data is data. Hoe meer hoe beter, had ik tijdens mijn studie geleerd. Dus ik nam ook factoren als o.a. ‘soort kleding’, ‘geschatte leeftijd’, en ‘staat van dronkenschap’, mee.
Kortom sociologisch ook best interessant, die data die ik allemaal heb verzameld in die 4000 bladzijden.

En met die argumenten in mijn achterhoofd liep ik destijds naar mijn mentor, de man die mijn afstudeerproject moest goedkeuren.
Ik was er van overtuigd dat ik een strategie had ontworpen, en bewezen(!) waarmee je een willekeurig iemand in z’n levensonderhoud zou kunnen laten voorzien.
Het enige wat nodig was, volgens mijn stelling: Geduld. Je houden aan het systeem en je niet laten verleiden door externe omstandigheden.
"Serieus", zei ik, "het is een kwestie van discipline en een paar kwartjes."
Ik zag mezelf het complete daklozenprobleem al oplossen.
Massaal zwervers stallen aan equivalenten van mijn ‘favourite table’ in de overge 8000 horeca-gelegenheden in de stad. Schriftje erbij, observeren, geduld uitoefenen, en cashen maar! 
Controversieel, dat geef ik toe, edoch een zeer nivellerende werking zonder dat je yuppen opzadelt met verhoogde belastingen (als er een klasse ondoordacht wild gokte op fruitmachines in cafe’s, dan was het wel die van de yuppen).
Maar ze wilden er niet aan, op de VU.

Had ik ook niet verwacht.

Dus heb ik mijn stage uiteindelijk niet in de Amsterdamse cafe’s gelopen, maar bij de Adviesraad van het Onderwijs. In Utrecht. Aldaar hadden ze ook de ballen verstand van cijfers, en werd ik weliswaar geprezen om mijn nuttige bijdragen aan hun rapporten, maar diezelfde rapporten zag ik niet veel later steevast in de diepste laden van de uitvoerende bewindslieden verdwijnen.

Gaat het allemaal niet om.

Het gaat erom dat het laat is, ik morgen weer moet werken, en ik er verdomme nooit eens aan toe kom om op te schrijven wat ik eigenlijk had willen zeggen.

Ik heb geen tijd meer om te analyseren, laat staan om te interpreteren, echt na te denken en/of creatief te zijn. Ik ben verworden tot loonslaaf en verkeer in permanente staat van vermoeidheid. Soms, in een droom, denk ik nog eens terug aan het systeem. Maar wat geduld is, en het laten verglijden van tijd, dat is me al lang geleden vreemd geworden.   

Vandaar misschien, die heimwee naar de 4000 bladzijden.

Advertisements

Zesde zintuig

Vanavond zaten L. en ik "de avond van de Hiphop" te kijken op Nederland 3. Een verdomd lange zit.
"Wil je het echt helemaal zien?" vroeg L. halverwege.
"In ieder geval tot Def P. is geweest", zei ik.
Ik had in de VPRO-gids gelezen dat Def P. te gast zou zijn in deze uitzending, en je moet van goede huize komen wil je me in die wetenschap forceren van kanaal te wisselen. Of beter gezegd: van sterke huize. Bijvoorbeeld uit een geslacht van karateka’s met zwarte band en een dubieus verleden. Anders is het een absolute no go.

Je moet weten: ik was vroeger een enorme fan van Def P. Oftewel Pascal Griffioen, zoals ie in het echt heet. ‘Echt’ is een belangrijk woord in de hiphop. Bijna het enige woord dat telt zelfs, als het om kwalificering gaat. ‘Respect’ is voor beginners, ‘dope’ voor de grijze middenmoot. Het hoogste wat je in de hiphop kan bereiken is dat je ‘echt’ wordt genoemd.
En Pascal Griffioen was echt.
Of in ieder geval iemand met een tyfushekel aan alles wat nep was.
Of, zoals ie het in zijn hoedanigheid van Def P. zo poetisch kon uitdrukken tenoverstaande van een fictieve dame:

Ik pleur die tante Toos op haar doos
ram m’n knuppel recht in de roos
en laat ‘r harder zuigen dan een windhoos

Heb je genoeg gehad?
Neem dan maar een lekker warm bad, schat
in zoutzuur
en rot weg als een houtschuur
Je bent zo nep als koudvuur

Dichtregels om je vingers bij af te likken, vond ik destijds. Mijn toenmalige partner dacht er iets anders over. Genuanceerder met name, maar daar begon het dus al mee. Ik bedoel, als je echt wil zijn, dan is er geen ruimte voor nuance, dan is het alles of iets niets.
Dacht ik.
Toen.

Inmiddels weet ik beter. Helaas, zeg ik daar bij. Het is geen lolletje om te beseffen dat de wereld niet in zwart en wit kan worden ingedeeld. Dat het allemaal verdraaid ingewikkeld is en dat ‘echtheid’ voor zover het ‘eerlijkheid’ betreft, maar ook als het gaat om ‘consequent zijn’, naarmate je ouder en wijzer wordt, in al zijn complexiteit voor velerlei uitleg vatbaar blijkt. Dat er tegelijkertijd meerdere invalshoeken te verdedigen zijn.
Stop.
Dat de werkelijkheid uit meer bestaat dan jouw ego alleen.
Stop!
Ik kan je verzekeren: die aha-erlebnis kan je zwaar op je dak vallen.
STOP!!!
Of laat ik er niet omheen draaien: die is gewoon verrekte klote.
AAAAAAAAARRRRRRRRGGGGGGHHHHHHHHHH!!!!

Def P. is in hetzelfde jaar geboren als ik. En beleefde op ongeveer dezelfde leeftijd zijn aha-erlebnis. Wat er daarna uit zijn pen voortkwam was softe genuanceerde kutrap. Nog altijd knap van taal, maar qua inhoud verwerd hij tot een prediker van het politiek-correcte woord. Wel met een scherp randje hier en daar, maar altijd was daar uiteindelijk weer die dodelijke nuance.
Hij leek wel mij.
Mij in mijn hoedanigheid van dichter.
En ik kan je verzekeren: dat is geen goed nieuws voor de hiphop.

Vanavond op Nederland 3 zat Pascal Griffioen er gelaten bij toen het allereerste wapenfeitje van de Osdorp Posse op het scherm werd geprojecteerd; de door de OP zelf opgenomen clip ‘Moordenaar’.
Def P., toen nog met een Jim Morisson-kapsel, die rapt:
Ik zat in tram 5
en mijn lul stond stijf
want naast me zat een lekker wijf

Even verderop in de tekst legt de OP woordelijk iedereen om die hun pad kruist. Met een glimlach. Want, hey, ze zijn "gewoon een moordenaar!"
"Een moordenaar?"
"Een moordenaar!"

Ach ja, zag je de 37-jarige Pascal mijmeren, zittend aan de bar van de TV-studio, kaalgeschoren en met een petje op zijn kop: geinig die jeugdzonde weer eens te zien.

Op het geprojecteerde scherm in de studio interviewde een VPRO-documentaire-maker de toen pakweg 20jarige Def P; "Waarom maken jullie zo’n shockerend nummer?"
De 20 jaar jonge Def P. grinnikte met blozende wangetjes: "om te shockeren."

Geen woord Frans bij. Gewoon eerlijk. Oprecht. Echt.

Maar de rest van de 100 aanwezige rappers in de TV-studio had er niet zoveel mee, met die oude OP. Met die oude Def P.
De nieuwkomertjes buitelden voor de microfoon van de presentator over elkaar heen om te zeggen voor wie ze wel ‘respect’ hadden, wie ze wel ‘dope’ vonden, wie pas echt ‘echt’ was.

We werden getrakteerd op een optreden van Nina, de eerste op platenlabel uitgebrachte Nederlandstalige vrouwelijke rapster. ‘Lastig’, heet haar CD.
Nina is een volvette, sympathieke Surinaamse jonge schoone uit de Bijlmer, dat wist ik al sinds Pauw en Witteman waar ze een tijdje geleden te gast was. Maar nu ging ze dus een nummer doen. Het was getiteld ‘Vroeger’.

Een suikerzoet sentimenteel Sinterklaasgedicht volgde, begeleid door piano-klanken die het glazuur een definitief Waterloo bezorgden.
Er was weinig lastigs bij.
Ach ja, zal Def P. ongetwijfeld aan de bar van de TV-studio hebben gemijmerd, iedere generatie krijgt de echtheid die ze verdient.
Maar dat kon ik niet meer meepikken, want L. zei: "Def P. is geweest, mogen we nu naar Nederland 1 zappen?"
Ach ja, mijmerde ik.

Op Nederland 1 bleek op dat moment zojuist ‘Het zesde zintuig’ te zijn begonnen.
"Wat is dit voor een programma?" vroeg ik aan L.
Ze las voor uit de gids: "8-delige programmaserie over de zoektocht naar de meest overtuigende bijzondere Nederlander."
"Dat klinkt vaag", zei ik.
"Laten we even kijken", zei L.

We keken.
"Verrek", zei ik, "is dat niet.."
Ik kon mijn zin niet afmaken.
"Jeetje, dat is W.!" riep L. "wat doet die nou in dat programma!?"
W. was een meisje dat wij kenden. Een onbekende schrijfster, een onbekende dichteres, een werkneemster bij the Pancake bakery, een roodharig grachtengordeldiertje, en tsja, dan ken je ons al snel.
"Wat toevallig!", zei L.
"6e zintuig", zei ik.
"Dat zal het zijn", zei L.

We keken.
Het programma bleek te gaan over wie over het beste de dingen kon voorvoelen. Een afvalrace tussen 10 kandidaten waarbij het ging om wie over het beste zesde zintuig beschikte. Zoals de titel eigenlijk al zei.
Als eerste moesten de kandidaten raden welke 2 van de 8 aanwezige vrouwen in het panel zwanger waren.
Om kort te gaan: dat deden ze slecht.
"Wat een waardeloos programma", zei ik, "zullen we weer naar Nederland 3 zapp.."
"Stil", zei L. ‘zodadelijk komt W.!"

W. kwam. Ze had ze allebei mis.
"Die kan het schudden", zei ik, "zullen we weer naar.."
"Even kijken hoe de volgende opdracht gaat", zei L.

De volgende opdracht bestond uit geblinddoekt gokken welke bekende Nederlander er voor hun neus stond.
Het was John de Wolf, maar niemand raadde het.
Sommigen kwamen in de buurt. Een heel eind zelfs. Er waren er tussen die ter plekke in de smiezen kregen dat ze te schaften hadden met iemand die kampte met een gezwollen kniegewricht (wat klopte), of iemand die zonder voorinformatie geblinddoekt aanvoelde dat de persoon Johan heette (wat ook klopte; zo heette John de Wolf in zijn paspoort) en die voetballer was. Heel knap. Maar die iemand was niet W. W. kwam niet verder dan de opmerking: "volgens mij is het een vrouw!?"
Ze was daarmee de enige van de kandidaten die zelfs het geslacht niet wist te duiden.
"Hoe is zij in godsnaam in dat programma verzeild geraakt?" zei ik.
"Je kent W.", zei L.
"Dat is waar", zei ik.

De laatste opdracht betrof het raden wat er een jaar eerder precies gebeurd was in een bepaalde Haagse parkeergarage. Opnieuw geblindoekt. De moeder en zus van de man die er ooit was vermoord, waren in een caravan op afstand aanwezig, om met een monitor voor hun ogen en een koptelefoon over hun oren, te checken
over hoeveel zesde zintuig de kandidaten beschikten.
Opnieuw kwamen sommigen een heel eind. Sterker nog, er waren er tussen die de moord tot in detail konden navoelen, en zelfs extra informatie wisten te verschaffen voor de politie die nog op zoek was naar de kleur en het type van de tweede vluchtauto.
Zoniet W. W. was de enige die niet aanvoelde had dat het hier uberhaupt om een moord was gegaan.
"Een parkeergarage?" vroeg ze.
"Ja", ze de presentatrice van het programma, "dat hebben we inderdaad gezegd: een parkeergarage. Wat denk je dat er hier is gebeurd?"
"Een verkeersongeluk, denk ik", zei W.
Ze dacht even na. "Volgens mij is het Marco Bakker! Klopt dat?"
"Euh, nee", zei de presentatrice.
"Gaat het om een bekende Nederlander?" vroeg W.
"Nee", zei de presentatrice, "het gaat niet om een bekende Nederlander."
"O", zei W.

Aan het eind van de uitzending was er een jury die op grond van de beelden mocht bepalen wie van de overgebleven kandidaten het minst over ‘het zesde zintuig’ beschikte.
Uit de rode envelop kwam de naam van W. tevoorschijn.
Ze leek oprecht verbaasd.

"W. had beter kunnen meedoen aan het nulde zintuig", zei L.

Ik zei niets terug. Ik dacht alleen maar aan die geldingsdang die tegenwoordig van iedereen bezit lijkt te hebben genomen. Waar komt dat vandaan? dacht ik.

Er schoot een herinnering door mijn hoofd. Iets van vroeger. Het sloeg nergens op.

We zaten met z’n vieren, zoals altijd na sluitingstijd van de Tielse cafe’s, in het ouderlijk huis van mijn beste vriend I. Hij woonde het dichtste bij de binnenstad, hij was altijd de lul waar het post-horecanale leefruimte verschaffen betrof. Als een brok ongebluste hormonen daalden wij neder in de door I’s moeder bijelkaar gespaarde lederen bankstellen. Porno wilden we zien, op de piraat.

Maar porno kwam er die nacht niet in bij I.
Er was tennis. De US-open.
En dan heb ik het niet over Jimmy Connors tegen Paul Haarhuis. Die  bloedstollende halve finale. Nee, ik heb het gewoon over een doodsaaie voorronde.
"Wat moeten we nou met tennis!" riepen we in koor.
"Tennis demonstreert de zinloosheid van het leven", zei I., "want dat is het. Het leven is zinloos…"
"Tot je een paar tieten ziet!", probeerde A.
Maar het hielp niet. I. was onverbiddelijk. Tennis.

"Plok", plokte A. met de vinger in zijn wang terwijl de ene speler een bal sloeg.
"Plok", plokte M. met de vinger in zijn wang terwijl de andere speler een bal sloeg.

Je moet wat.

"Hoeveel geld denk je dat ik in mijn portemonnaie heb", vroeg I. aan mij.
Hij had een enge kop. Een kop van iemand die de een of andere complottheorie aanhing.
"Kan mij het bommen", zei ik.
"Nee, serieus", zei I.
"Weetikveel, 50 gulden?" gokte ik.
"Nee, nu even echt nadenken", zei I., "probeer je te concentreren. Denk echt aan al die muntjes. Kijk of je ze in gedachten kan voelen."
"Jezus", zei ik.
"Gewoon doen", zei I., "voor de gein."

"Plok", zei A.
"Plok", zei M. 

Ik probeerde me te concentreren op zijn portemonnaie. "63,45", zei ik toen.
I. telde het briefje voor briefje, gulden voor gulden, stuiver voor stuiver uit op tafel.
Het klopte. Het was precies 63,45.

"Heel mooi. En mogen we dan nu porno kijken?" zei A.

En zulks geschiedde.

Garage

Vanmiddag werd ik gebeld door de garageman. "Hij is klaar", zei hij, "ik heb de kapotte radiateur vervangen en ook het akkefietje met die accu opgelost. Ik heb een zekeringetje weggehaald en nu trekt ie geen stroom meer weg in stilstand. Weet u trouwens waar dat zekeringetje voor diende?"
"Geen flauw idee", zei ik, "zeg het maar."
"Nee, ik heb ook geen idee", zei de garageman, "ik dacht: misschien weet u het."
"Weetikveel", zei ik, "Het is een nieuwe accu. De ANWB heeft ‘m er een maand geleden ingezet."
"O", zei de garageman. "Affijn, ik dacht: laat ik voor de gein dat zekeringetje eens weghalen. En waarempel, toen deed ie het dus weer goed."

Ik was even stil. Zijn laatste opmerking stelde me nou niet bepaald gerust.
En blijkbaar duurde mijn stille onrust nogal lang.
"Wanneer ken u ‘m komen halen?" vroeg de garageman ongeduldig.
"Euh", zei ik.
Het was erg druk op mijn werk. "Euh", zei ik opnieuw, "kan ik ‘m misschien morgenochtend vroeg komen oppikken?"
"Morgen werk ik niet", zei de garageman, "het zal vanmiddag moeten."
"O", zei ik, "en tot hoe laat bent u vanmiddag open?"
"Tot 5 uur."
"Goed", zuchtte ik, "dan zal ik er voor vijven zijn."
Ik wilde alweer neerleggen, maar de garageman had nog een vraag: "hoe wilde u gaan betalen?" Nog voor ik kon antwoorden voegde hij daaraan toe: "als u cash betaalt is het op de kop af 250 euro."
"En als ik wil pinnen?" vroeg ik.
"Dan wordt het een stuk duurder", zei de garageman.
Oftewel: als je verder geen moeilijke vragen stelt, kan je deze reparatie voor een prikkie op de kop tikken en kan ik op mijn beurt zo zwart als de kachel 250 euri in mijn overall steken.

Een verleidelijk aanbod. Samen de belastingdienst naaien. Aan de andere kant kon ik als klant papiergestaafde garantie op de reparatie in deze natuurlijk gevoeglijk op mijn buik schrijven.
"Ik denk er nog even over na", zei ik.
Maar pinde vlak daarna op de begane grond van het ABNAMRO-kantoor waar ik werk, voor de zekerheid toch maar alvast 250 euro aan cash.

Om 4 uur vertrok ik per fiets vanuit Zuid-Oost naar Oud-West en dacht onderweg: een nieuwe radiateur, dat klinkt best duur. En akkefietjes met accu’s ook. Om nog maar te zwijgen over de combinatie van de oncontroleerbaarheid van het daadwerkelijk aantal besteedde uren en de hoogte van het arbeidsloon. Ik bedoel, als ik tegen mijn eigen uurtarief bij de Bank een paar uurtjes zou moeten sleutelen aan een auto, dan was de opdrachtgever een veelvoud kwijt van het bedrag dat de garageman had voorgesteld in de, eh, schikking.
Moeilijk, moeilijk.

En die garantie inderdaad. Maar hey, bedacht ik toen, het is wel een Bovag-garage, dat bedrijf van die knakker. Dat had ik zelf op de gevel gezien. Dus dat is betrouwbaar! Want dat zegt de reclame! Bovag=vakmensen. Geen beunhazen!
En hoe leuk ik de reclamespotjes van de Belastingdienst tegenwoordig ook vind (leuker althans dan die van de Bovag), ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om deze financiele besparing, in dit geval ter grootte van pakweg een vijftal romantische buitenshuisze dineetjes met L., zomaar door mijn neus te laten boren.

Ik kwam om 10 voor 5 aan bij de garage. Keek voor de zekerheid even onder de motorkap. Daar glom inderdaad een spiksplinternieuwe radiateur.
"Ziet het er goed uit, of ziet het er goed uit?", zei de garageman met een pilsje in zijn hand.
"Prachtig", zei ik, en zocht in mijn broekzak naar de 5 biljetten van 50.
Terwijl ik het geld aan ‘m overhandigde zei ie: "ik heb er een paar blokkies mee gereden. Volgens mij ken het geen kwaad, dat weghalen van dat zekeringetje. Maar ik zou zeggen: test ‘t zelf effe van ‘t weekend. Mocht het problemen geven, dan ken je ‘m gewoon maandagochtend weer kome brenge. Maak ik ‘t in orde. Gratis uiteraard."

Kijk! dacht ik, waar heb ik me zorgen om gemaakt!? Om niks toch? Mondelinge afspraken zijn immers ook rechtsgeldig, had ik ooit vaag begrepen van een nog vagere rechtenstudent, dus hier had ik mijn garantie.
Het is waar, dacht ik, je moet de dingen niet moeilijker maken dan ze zijn. ‘Niet altijd in van die doemscenario’s denken’, zoals sommige mensen me weleens plegen te verwijten, ‘dan zou je een stuk gelukkiger wezen, Sven.’
Deze sommige mensen hadden gelijk besefte ik.

Ik stapte in mijn Volvo. Legde de 300 meter af die de garage scheidde van mijn woning.
Toen ik had ingeparkeerd voor mijn deur, keek ik voor de zekerheid toch nog een keer onder de motorkap. Ik rook een branderige geur. Ik opende de dop van mijn koelvloeistoftank. Dat gaf een sissend geluid. De koelvloeistoftank bleek op een bodempje na leeg.
Ik keek op mijn mobiel hoe laat het was: kwart over vijf.
Kut.

Weet je wat het is? Ik maak me geen zorgen dat het uiteindelijk allemaal wel goed komt. Of nou ja, eigenlijk wel, maar daar gaat het niet om. Het is gewoon dat ik zo ontzettend moe word van dat continue op je hoede moeten zijn.

Vorige maand is het dak van mijn etage compleet vernieuwd. Een operatie die nogal wat voeten in de aarde had, letterlijk en figuurlijk, zoals jullie eerder hebben kunnen lezen. Well, I’ve got news for you: het lekt opnieuw als de pokken.
Ook heb ik vorige maand mijn accu laten vervangen door een ANWB-man. Kostte een hoop geld. Na een dag stond ik echter weer met een auto die niet wilde starten omdat de accu leeg was. Opnieuw een ANWB-man laten komen. Die kon de oorzaak niet vinden en heeft een provisorische oplossing aangebracht. Een lang technisch verhaal, maar het kwam er op neer dat ik elke keer als ik niet reed, 1 van de 2 accu-polen moest loswrikken, opdat er tijdens stilstand geen stroom uit werd weggetrokken. Wilde ik opnieuw gaan rijden, dan moest ik de accupool weer vasttimmeren.
Heel fijn. Comfortabel ook. Gemak dient de mens.

Morgenochtend om 8.00 komen opnieuw de dakmensen om te kijken wat ze verkeerd hebben gedaan. Maandagochtend kan ik eventueel opnieuw naar de garage (of ik kan gewoon in het weekend zelf koelvloeistof gaan scoren en die aanvullen, en kijken of het complete koelingssysteem nog steeds zo lek is als een mandje), maar zoals ik al zei: daar gaat het niet om.
Het is meer dat ik er eigenlijk allemaal totaal geen tijd voor heb. En vooral dat ik er zo ongelooflijk. Moe. Van. Word.

Hint voor de Christelijke kant van het vandaag geinstalleerde nieuwe kabinet: zelfs ik! Zelfs ik ben bereid te bidden! Te bidden voor de dag dat de markteconomie, waarin wij dwalen als blinden dankzij de overvloed aan heidense informatie, uit de mode raakt. En we gewoon weer kunnen vertrouwen op vakmensen.
Steuntje in de rug voor de sociaal-democratische zijde: als dat wonder Gods geschiedt, dan mogen wat mij betreft de belastingen omhoog.

Spaarlampen

Gisteren bij Ikea heb ik 12 spaarlampen ingeslagen van diverse pluimage. Van kleine fitting tot grote fitting, van 7 watt (die omgerekend voor circa 30 ouderwetse watts zouden zorgen) tot 15 watt (you do the math) en van peertjeslookalikes tot en met die lelijke bundels van 4 uitgerekte tampons.
Het was voor een goed doel, hield ik mezelf voor: het milieu! Met visioenen van aanvriezende poolkappen en de redding van de ijsbeer op mijn netvlies wierp ik ze in mijn winkelkar en voelde me een fris en modern mens.

Bovendien hielp het natuurlijk dat ze in de aanbieding waren. Weliswaar alleen voor houders van de Ikea family-membershipscard, maar die had ik zojuist aangeschaft, dus geen vuiltje aan de lucht, laat staan een uitdijend gat in de ozonlaag.
Okay, het was even slikken toen bij de kassa bleek dat de aanbieding alleen gold voor de 60 watt-exemplaren (de lelijke tampons), maar dat mocht het tintelende gevoel goed bezig te zijn niet drukken.
Tevreden legde ik de energiebespaarders op de achterbank van mijn 1 op 8 verslindende Volvo en vervoerde ze naar huis.

En vanavond was het dus tijd om daad bij het woord te voegen en alle twaalf lampen op mijn etage te vervangen door de milieuvriendelijke exemplaren.
Ik begon met het gezellige mini-schemerlampje naast de computer. "Tadaah", riep ik tegen L., terwijl ik de schakelaar aanknipte.
We staarden even naar het resultaat.
"Wat vind je ervan?" vroeg ik aan L.
"Ik weet niet", zei ze, terwijl ze er met een schuin schildersoog naar keek.
"?", zei ik.
"Het is een beetje groenig", zei L., "dat spaarlampenlicht."
"Groenig?"
"Groenig."

"Dat valt toch wel mee?" zei ik.
Ik had potverdorie nog voor bijna 40 euro aan spaarlampen op mijn tafel liggen, plus de recentste acceptgiro van de Nuon.
Ik zette mijn spierballen op en probeerde een enge bek te trekken. "Op wie lijk ik?" vroeg ik, terwijl ik mijn gezicht naast het schemerlampje hield.
Daar had L. niet direct een antwoord op.
"Lijk ik niet op de Hulk?" vroeg ik.
"De Hulk?" zei L.
"No further questions", zei ik, en begon de rest van mijn ouderwetse gloeilampen te vervangen.

Daarna kookte ik spruitjes en bakte twee rundervinken. Gezellig. Ouderwets. Ze zagen er anders uit dan normaal, zo met dat nieuwe lichtje naast het aanrecht, maar dat was gewoon een kwestie van wennen hield ik mezelf voor. Groenig, tskk. Spruitjes zijn nou eenmaal groen. En rundervinken, rundervinken… Het gaat er om hoe het smaakt, niet hoe het er uit ziet. Toch?
Echt, het was maar een klein nuance-verschil. Als je het overdreven wilt stellen dan is normaal licht geel en spaarlampenlicht lime, maar dat is dus alleen voor als je duidelijk wilt maken dat er diverse soorten wit zijn.

In bed, met onze bordjes op schoot keken we het half-acht-journaal. Een van de hoofditems betrof Australie, alwaar ze binnenkort een totaalverbod op ouderwetse gloeilampen willen gaan invoeren.
"Dat is toevallig", zei L.
"Inderdaad", zei ik en prikte doelloos in mijn rundervink; zo onder het schijnsel van dat nieuwe nachtkastlampje wilde hij maar niet smaken.
Ook L. deed verdacht lang over haar gekookte ei.

"De milieubeweging is sceptisch over het in te voeren verbod", vertelde de RTL4-nieuwslezeres.
We veerden op.
"’Het is een druppel op de gloeiende plaat’ zegt de milieubeweging", vertelde de nieuwslezeres, "’het zou veel meer zoden aan de dijk zetten als Australie het verdrag van Kyoto zou ondertekenen.’"

Opgelucht haalden we adem. Ik wist niet hoe snel ik de lampen weer terug moest verwisselen.

Daarna snaaide ik mijn afgeserveerde bord met mijn rundervink onder de neus van de kat vandaan. Die er onder het tijdelijke lichtregime overigens alleen maar aan had gesnuffeld.
Du moment ik mijn nachtkastlampje herwisselde, leek zij echter van zinnens er gretig de tanden in te zetten.
Ik was haar tenauwernood voor.

Spaarlampen, tssk. Ik gaf de milieubeweging helemaal gelijk. Voor een beter klimaat moeten ze toch echt met iets esthetischers op de proppen komen.

Ikea

"Waarvoor is dat tikkende rooie lampje eigenlijk?" vroeg L. terwijl we in de Red Horse, onze auto op weg waren naar Ikea. We stonden eventjes stil voor een stoplicht, vandaar dat het tikkende lampje het geluid van de motor tijdelijk oversteeg.
"Dat is om aan te geven dat jij je gordel niet om hebt", zei ik.
"Kan ie dat zien?" vroeg L.
"Jazeker", zei ik, "Volvo’s zijn slimme auto’s. En bovendien nogal gesteld op veiligheid."
Tevreden wierp ik een blik op het dashboard. Dat L. gordelloos door het leven wenst te gaan gun ik haar van harte, maar het was prettig dat er een lampje knipperde om me eraan te herinneren extra voorzichtig te rijden.
Toen keek ik nog eens goed op het dashboard. En schrok me de tering. "Fuck!" riep ik.
"Watte?" vroeg L.
"Kut! Er brandt nog een rood lampje!"
"Is dat erg?" vroeg L.
"Huhhuh!"

Ik heb slechte ervaringen met rode lampjes. De eerste keer dat ik ermee te schaften had, reed ik met een zesdehands BMW 316, een dag na de aanschaf, over de A10. Het was pikkedonker, koud en het regende pijpestelen. Ik kwam uit mijn werk in Nieuwegein en was bijna thuis. Negeren, dacht ik, dat rode lampje, zo erg zal het niet zijn. De auto was immers door een Bovaggarage afgeleverd met een verse APK-keuring.
Driehonderd meter later doemden er ondoorzichtbare zwarte wolken op uit mijn motorkap en wist ik mezelf tenauwernood op goed geluk naar de vluchtstrook te navigeren. Alwaar ik naar mijn mobiel viste om de ANWB te bellen. Natuurlijk was mijn batterij net leeg, waardoor ik een kuteind door de regen moest sjouwen, op zoek naar zo’n praatpaal. Geen regenjas bij me, je kent het wel.
Fuck man.
Maar de tweede keer was nog erger. Toen reed ik met 130 kilometer per uur over de letterlijk en figuurlijk allerlinkste baan de A2, ter hoogte van de afslag Utrecht Jaarbeurs. Ik was vroeg van mijn werk weggegaan om de avondspits voor te zijn, maar het was desalniettemin reeds stervensdruk. Samen met een stelletje andere gekken op de linkerbaan hield ik er echter stevig het gas op. Radiovolume op 10 en meezingen dat het een aard heeft, je kent het wel. Tot ik een rood lampje zag oplichten. Fuck, dacht ik, toch niet weer? Maar dit keer was het een ander rood lampje. De vorige keer was ie van het koelwater geweest. De V-snaar bleek te zijn geknapt, of zoiets, en daardoor was het koelingssysteem buiten werking getreden, de temperatuur in mijn motor te hoog opgelopen, tot kokens aan toe, etc. Nu brandde het lampje van de olie.
Negeren dacht ik, er zit vast nog wel voldoende olie in voor die laatste 30 kilometer naar huis. Je weet hoe ze zijn tegenwoordig met die lampjes: ze bouwen altijd een veiligheidsmarge in. Dacht ik.
Een halve kilometer verder weerklonk er een doffe knal, die mijn radiovolume vet overtroefde. De muziek speelde overigens gewoon door, maar gas geven wilde niet meer zo vlotten. Sterker nog: gas geven was er totaal niet meer bij. Hoe zeer ik het pedaal ook naar de bodem trapte, mijn bolide kreeg er de vaart niet in, en ik zag de snelheidsmeter binnen notime teruglopen naar een schamele 100 km uur. Door de bumperklever achter me werd met groot licht geseind. Hij wilde erlangs. Begrijpelijk.
Ik zette in een flits de radio uit. Verrek, dacht ik, ik hoor geen motor meer. Het duurde even, maar toen besefte ik dat het wellicht kon wezen dat mijn motor door een gebrek aan olie was vastgelopen. Ik reed inmiddels 60 kilometer per uur op nog steeds de linkerbaan. Was bezig uit te rollen als een kansloos zweefvliegtuig, realiseerde ik me. Rechts werd ik ingehaald door een toeterende horde, achter me seinden en claxoneerden ze als wildemannen. Op zo’n moment wens je dat je alarmlichten het doen, maar die deden het dus al een jaartje niet, wist ik. Ik zat als een rat in de val. Moest een gok nemen, en met ondertussen 40 km per uur gooide ik mijn knipperlicht uit en sneed me dwars door 2 rijbanen van op hun rem springend haastverkeer, naar opnieuw de vluchtstrook.   
Dit keer scheen de zon en was de batterij van mijn mobiel volledig opgeladen, maar toch voelde ik me beroerder dan de eerste keer met het rooie lampje. Dit maal was de dood dusdanig dichtbij gekomen, dat het me vanwege de posthume zenuwen niet eens meer lukte om een kalmerend shaggie te draaien, zozeer trilden mijn vingers.

En nu dus opnieuw. Vanmiddag. Een rood lampje. We stonden om de hoek van de Ikea voor een stoplicht. Nog 200 meter.
Twijfel. Wat zal ik doen? Ook bij deze auto doen de alarmlichten het niet, wist ik. Wat is dat trouwens toch met mij en auto’s? Waarom zijn bij mijn auto’s altijd de alarmlichten defect, en kan daarnaast de achterbak nooit open? Ik bedoel, what are the odds bij drie auto’s op rij?
Enfin, dat kleine stukje, schatte ik in, dat halen we nog wel.

Hortend en stotend, terwijl een brandlucht onze cabine doordrong, schokten we de parkeergarage van de Ikea binnen.
"Wat is er aan de hand?" vroeg L.
"Ga ik nu onderzoeken", zei ik, en reed het eerste de beste parkeerhaventje in.

Ik opende de motorkap. Brandde mijn poten aan het Zweedse staal. Opende de tank van de koelvloeistof. Inderdaad. Leeg. Maar dat was ie een maand geleden ook al, waarop ik ‘m toen volledig had bijgevuld. Zou ie normaal gesproken toch een tijdje mee moeten kunnen doen. Ik goot er een liter water in uit de fles die ik altijd bij me heb voor noodgevallen.
"Zo", zei ik tegen L., "nu gaan we eerst winkelen. Ga ik over een uurtje kijken hoe het er mee staat."
"Kunnen we er wel weer mee terug?" vroeg L.
"Misschien", zei ik.
"En anders?"
"Anders zijn we de lul. Maar dan kunnen we altijd nog met de metro", zei ik, "als we tenminste niet te veel kopen."
"Brrr", zei L., "de metro."

We stapten de roltrap op.
Volgden de hoofdroute, keken naar slaapkamers, keukendingetjes, garderobekasten, lampen en perzische tapijten. En wasmanden. Want daarvoor waren we gekomen: een mooie, doch goedkope rieten wasmand.
We wrongen ons door de mensenmassa.
"Ik vind het toch een stuk minder relaí winkelen", zei L., "zo met die auto in het achterhoofd."
"Alsof Ikea en relaí ooit samen kunnen gaan", zei ik, terwijl ik in mijn hiel gepierkt werd door een winkelkar, bestuurd door een overenthousiast kleutertje.

Bang als we waren voor de terugweg stelden we ‘m urenlang uit. We verschenen diverse malen in het restaurant om bezinnende koffie verkeerds te drinken. In die pauzes liep ik dan even naar de parkeergarage om te checken hoe het met de auto ging. Hij lekte koelvloeistof dat het een aard was, zoveel was zeker. Bijvullen kon, maar de plas onder de Red Horse werd daarmee hoe langer hoe groter.
De terugweg zou een gok worden. Een kwestie van zoveel mogelijk water meenemen, en hopen dat het genoeg was om middels tussentijds bijvullen, zonder kokende motor de Wilhelminastraat te halen.

We kochten veel. Een rieten wasmand dus, een megagrote plantenpot voor een nog in zijn geboorteplastic vertoevend appelboompje, een flinke dosis spaarlampen in de aanbieding en, tsja. Nog veel meer.
Om de rekening enigszins te temperen, heb ik me ter plekke ingeschreven als lid van de Ikea-family-community, waardoor je gratis de een of andere korting kon krijgen. Scheelde verdomde veel. Vooral op de Branäs rieten mandjes, die nodig waren voor ons badkamermeubel. Kregen we daardoor mee voor 2.95 ipv 5,95. Een mens moet soms zijn principes laten varen in de strijd met het grootkapitaal. Bovendien kregen we met die pas de koffie gratis, en dat vonden we erg attent.

We staarden zittend in het rokersgedeelte van het restaurant nog even naar een eenzame oude vrouw die zichtbaar genoot van haar Zweedse gehaktbalschotel met frietjes. Ze had zich helemaal geinstalleerd. Tijdschriftje bij de hand, 25cl flesje witte wijn, een pla
k pure chocolade als toetje. Een pakje Marlboro lights lag klaar om de feestelijke avond te besluiten. Halverwege haar maaltijd werd haar asbak weggejat door een stel opgeschoten jongens met pilsjes, dat er net als wij, al de hele avond was.
De ogen van de oude vrouw schoten vuur. Maar ze durfde niks te zeggen.
Wij ook niet. Wij maakten ons vooral zorgen over de terugreis. Die we nu toch echt moesten aanvaarden.

Daar vulde ik de koelvloeistof bij. Daar startte ik de auto. Daar reden we. Tal van hachelijke situaties verder, waaronder een onverantwoorde pitstop op een afslag langs de Zuid-as, kwamen we uiteindelijk veilig aan in Oud-West.

"Kijk", zei ik tegen Wilson, "moet je eens zien wat een schattige mandjes! En dat voor slechts 2,95!"
"Wow!", zei Wilson.

Wilson_in_branasmand

"Goed materiaal!"

"Dat dacht ik!", zei ik.

Weekend (euh, 1)

Het was een absurd weekend, maar het was voorbij voordat ik er erg in had. Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen. Misschien nog het beste door te vertellen over die cursor die je gedachten niet kan volgen. Ik geef toe, het is alleen herkenbaar voor de naar snelle tikkers onder ons. Voor diegenen: je weet, als je er in Windows een vluchtig typritme op na houdt, dan krijg je regelmatig te schaften met onverwachte verspringingen van het knipperende staafje en kegel je onbedoeld complete eerder geschreven alinea’s omver.

Enfin, het doet er niet toe. Wat ik wil zeggen is dat ik een paar mooie verhalen in de pen heb. Verhalen die ik onrecht aan zou doen door ze in mijn huidige staat op te (ja fuck, doe toch maar die contaminatie want die dekt de lading het beste) noteren.

Vergeef me dit gebrabbel (doet die k*tcursor ‘t weer!). Wat is: Ik heb een avond niet kunnen roken. Wat was: L. en ik waren op visite bij mijn broertje om hem een appelboompje te bezorgen. Niks aan de hand, zou je zeggen. Helemaal Feng Sjoe ingericht, zijn woning, en ik kreeg een pils, en L. een wijntje, en het eten was heerlijk, maar kolere, ik werd er dus totaal hyper. Tip: als je mij gek wil krijgen: voer een strikt non-smoking-regime.
Serieus, na afloop, een taxi-, trein- en tramrit later, stuiterde ik nog uren na.

Si-ga-ret.

Gisterochtend las ik het Volkskrantmagazine. Vraag twee uit de welbekende Nieuwsquiz luidde:
"Hoera! het mag weer van de modepolitie, mannen met:

a) Zwarte coltrui, pony en Gauloise
b) Nikepetje, pilotenjack, witte sneakers
c) Blonde krullen, tweedagenbaardje, matje
d) Jarentachtighoofd, chocoladebruin gezicht

("…)

Ik hoopte vurig dat het antwoord A zou zijn.
Maar dat was het dus niet.

Kun je nagaan hoe erg het is. Met de wereld, bedoel ik.

L'homme du train

Plukdenacht videohuurtip voor als je ‘m gemist hebt: vanavond om 0.00 was op Nederland 2 "L’homme du train" te zien. "Een prachtig drama over de vergankelijkheid van de tijd, nooit ingeloste beloftes en vooral vriendschap, dat met veel inlevingsvermogen wordt overgedragen door twee veteranen van de Franse cinema" schreef het Parool en dat had het in deze over Johnny Hallyday (jaren ’60 popicoon) en meesteracteur Jean Rochefort (die ook met deze rol een prijs won (voor ‘beste acteur’ op het Venetiaanse filmfestival).   
De VPRO-gids sprak van een "tragikomische karakterfilm, gedragen door het sublieme (non)verbaal acteerwerk van de twee Franse cultuurkanonnen."

Zowel de VPRO en het Parool hadden daarmee wat mij betreft niets te veel gezegd.

En teveel zei je al snel, volgens de achterliggende filosofie van deze film. Of om een dialoog aan te halen:

"Is hij altijd zo stil?"
"Ja."
"Hij zegt nooit wat?"
"Alleen om 10 uur ‘s ochtends. Dan zegt hij precies 1 zin."
"Wat doet hij daarvoor?"
"Denken."
"En daarna?"
"Uitrusten."

Enfin, het is moeilijk in woorden te vatten. Je moet ‘m gewoon zien. Je moet meemaken hoe de bankovervaller Milan (Johnny Hallyday) en de gepensioneerde leraar poezie Manesquier (Jean Rochefort) elkaar toevallig ontmoeten op een treinstation, en hoe ze tijdens het zevendaagse verblijf van Milan in het vervallen kasteeltje van Manesquier, hun levenslicht voor het eerst in hun zinloze bestaan tot grote hoogte zien oplaaien. Niet door actie. Maar door een simpele glimp van de andere kant. De noodgedwongen blik op hun tegenpool maakt in beiden inzichten los, die ze doen beseffen dat ze het al hun hele leven verkeerd hebben gedaan.

Niet dat zulks tot iets leidt. Natuurlijk niet. Het leven is immers zinloos. En van die universele herkenbaarheid moeten Franse films het vaak hebben. Maar dat neemt niet weg dat het wel gezellig kan zijn.

En mooi. Dus koop drie flessen goeie rooie wijn ("1 is voor avonturiers. En twee? Twee is op zijn best voor mensen die vooruit denken. Ik heb van alles drie." – Rochefort), twee baguettes en doe eens gek. Kijk die film.