The return of the JAG-log

Bijna 2 jaar geleden schreef ik iets over het fenomeen JAG-log . En hoe dat alweer uitgestorven leek te zijn. De term scoorde destijds slechts 12 hits aan Nederlandstalige pagina’s op Google. En nog altijd zijn het er niet veel. De teller van Google blijft ook vandaag de dag steken op een schamele 18.

Maar! Dankzij deze site stuitte ik gisteren op een Amerikaanse webloggemeenschap, Twitter.com geheten.Wat blijkt? JAG-logging is back!

Mooiste Jag-log op Twitter dat ik tot nu toe heb ontdekt is van een meisje dat zich Darkness noemt. Haar recentste 5 postings:

About to take my first shower since Sunday. Ew. (January 24)
About to walk my carless ass to Lowe’s for a bag of potting soil. I forsee this ending poorly. (January 24)
Just turned down a job offer. Experiencing mental distress. (January 25)   
Wasting my last day of unemployment (January 29)   
Office jobs are so pointless (about 18 hours ago) 

Instant update: check ook de button rechtsonderaan op deze site.

Advertisements

Permafrost

Ik kan vannacht geen al te gestileerd en gefundeerd stukje schrijven, want morgenvroeg nog voor ‘t ochtendgloren zullen ze eindelijk komen: de dakdekkers. Voor mij is daarbij een cruciale taak weggelegd: het horen van de deurbel. Kortom zaak straks om niet met mijn oververmoeide harses dwars door de wekker heen te pitten.

Toch zou ik het op dit moment graag doen: een gestaafd betoog neerpennen over iets waar ik me vanavond danig de tering van schrok.
Ik heb het over de uitzending van Pauw en Witteman waar de een of andere milieu-journalist te gast was. Een sympathieke, maar verder niet al te mediagenieke knakker, die vertelde over een van zijn expedities naar Alaska.
"Ha, ha", vertelde hij bij een foto van een verzakt huis, "tsja, dat was natuurlijk ook niet zo slim van die meneer, om een woning te bouwen op een betonnen plaat, op die smeltende permafrost. Beton is zo’n geval niet de handigste fundering. Beter had ie…"
"Smeltende permafrost?" vroegen Pauw en Witteman.
"Ja, dat is een groot probleem, ha, ha."
De sympathieke milieu-journalist slikte even vanwege zijn droge mond. Hij was zo nerveus als de pokken, dat kon je zien. Zijn gegrinnik kwam dan ook niet zozeer voort uit leedvermaak om de domme huisjesbouwer, maar eerder uit zenuwen. Zenuwen vanwege zijn eigen verschijning op TV.

Maar wie weet lag er nog meer ten grondslag aan die nervositeit. Zoals de tikkende tijdbom die onder die smeltende permafrost ligt opgeslagen: 900 miljard ton methaan. Methaan is een broeikasgas dat 21 keer schadelijker is dan CO2. We spreken over een potentiele gasvulkaan die zich bij verdere global warming vrolijk zal gaan uitleven. Door de atmosfeer zal gaan fladderen.
"Ha, ha", hikte de sympathieke milieu-journalist, terwijl hij de vorige alinea uiteen zette. Ondertussen scanden zijn ogen wanhopig de tafel op een glas water om zijn droge keel te smeren.
"Goh", zeiden Pauw en Witteman, "900 miljard ton, is dat veel?"
"Mwoh", zei de sympathieke milieu-journalist.
"Het valt wel mee?"
"Ha, ha! Dat weet ik niet. Het is ongeveer 150 ton per mens."
"Ja? En? Dus? Heeft dat effect?", vroegen Pauw en Witteman.
"Ha, ha, dat weet ik niet. Dat moet je aan de topwetenschappers vragen. De echte knappe koppen. Ik heb daar niet genoeg verstand van."
"Maar wat denk je?"
Nog altijd die ogen die naar water zochten. Nog altijd die droge mond en dat zenuwachtige opsommen van zijn kennis: "De hoeveelheid methaangas onder de permafrost is in het totaal ongeveer 4000 keer het volume aan wat er momenteel aan CO2 in de atmosfeer zit.. Ha, ha.."

"Het is tijd voor de Zapservice!" zeiden Pauw en Witteman.

Ik keek de uitzending af, zag nog een sympathieke rapster (de eerste Nederlandse vrouwelijke rapper met een platencontract; Nina), maar sloeg daarna direct aan het googlen.
‘Methaan + Permafrost’ typte ik in.

Ik ontdekte weer eens dat internet als wetenschappelijke informatiebron volstrekt onbetrouwbaar is, want de tegenstrijdigheden in als feiten gebrachte schrijfsels duikelden over elkaar heen. Maar zelfs de uit wetenschappelijke tijdschriften gecopy-paste artikelen logenstraften elkaar keer op keer.
Waarvan ik alleen maar zenuwachtiger werd. Niemand leek het te weten.

Ik las een artikel waarin een boek, een naar het Nederlands vertaald boek, werd aangehaald:
"Het vrijkomen van het methaan uit de permafrost en de omringende oceaanbodem vormt een ‘tipping point’: als dit gebeurt kan niets een allesvernietigende omwarming van de aarde voorkomen. De gashydraten onder de permafrost vormen een bedreiging voor de mensheid als soort."

Ik stak nog maar eens een sigaret op en plukte een pils uit de koelkast. What the fuck. Dankzij wat ik net allemaal had gelezen, waande ik me een gelukkig wezen mochten drinken en/of roken het ooit schoppen tot mijn doodsoorzaak.

Het milieu, mensen. Donderdag 1 februari wordt in Parijs een belangrijk rapport gepresenteerd. Op internet is al via diverse wegen door mensen opgeroepen om op die dag vanaf precies 19.55 voor 5 minuten de lichten te doven. Om energie te sparen. Een signaal af te geven.
Het is een symbolische actie. Een sympathieke actie.

Of het zin heeft weet ik niet. Net zoals de wetenschappers nog niks lijken te weten. Ze rollebollen over elkaar heen. Steggelen over de vraag: ligt het aan de mens, of ligt het gewoon aan de natuur.

Ik zou zeggen: hou daar eens mee op. Het is een onzinnige vraag. Het maakt geen fuck uit of het de schuld was van de mens of van de natuur. De een maakt onderdeel uit van de ander. Denk liever aan de toekomst. Keer de vraag voor de grap eens om. Onderzoek of, en zo ja hoe, je als mensheid de natuur kan redden.

Morgenvroeg, voor het ochtendgloren, komen, na 2 mislukte pogingen, eindelijk de dakdekkers. Zij gaan me beschermen tegen het water van boven.
En dat is op zich goed nieuws.

Maar denkend aan de wereld haal ik graag de laatste strofe aan van een gedicht dat door de lokale bevolking aldaar is verkozen tot hun beste vers van de 20e eeuw. Ik heb het over een natie die al eeuwen heeft gestreden tegen het water van onder: de Nederlanders.
En ik heb het over een dichter, wiens naam wellicht verre van de aarde staat, maar hij mag er desalniettemin wezen: H. Marsman:

de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

(uit ‘Herinnering aan Holland’)

Radio 1

Ik zat nog altijd in cafe Reijnders. De spionnen van het Blijbedrijf (zie vorige stukje) waren ‘m net gepeerd, en presentator Krijn Peter betrad de planken. Hij had een lijstje met dichtersnamen in zijn hand, waarop de mijne de eerstvolgende was.

Het zijn altijd de engste seconden. De tijdspanne tussen de opkomst van de presentator die jouw biografie voor gaat staan lezen, en het moment waarop je onvermijdelijk zelf de microfoon in je handen krijgt gedrukt.
Het is het moment waarop je daadwerkelijk beseft dat je niet meer terug kan. Het is te laat om je wegens ziekte af te melden; dat was het al toen je het cafe betrad. Het is ook te laat om te zeggen dat je je gedichten bent vergeten mee te nemen, want verdomme iedereen weet zolangzamerhand wel dat je alles toch uit je kop kent. Maar nu is het dus zelfs te laat om de presentator in de coulissen toe te fluisteren: "Sorry man, maar ik word net gebeld en hoor dat mijn Oma met spoed is opgenomen in het ziekenhuis. Serious shit man, dus ik moet echt wieberen. Duizendmaal excuses, zie je later he? Mazzel!"

Het is te laat. Je zult eraan moeten geloven. Daar klinkt het al: "Dames en heren: ik presenteer u de nationaal poetryslamkampioen 2004: plukdenacht!"
Luid applaus.
Duizend dingen schieten door je kop terwijl je de gang naar het schavot maakt: jat straks niet weer iemand mijn sigaretten van mijn tafeltje als ik op het podium sta? En verdomd, ik heb een droge bek, waarom heb ik geen glas water meegenomen? Staat trouwens mijn gulp niet open? (nee, niet voelen nu, alle ogen zijn al op je gericht).

Ik pakte de microfoon over van Krijn Peter Hesselink en begroette het cafe. Schatte het publiek in en liet mijn hersens ratelen: welke gedichten ga ik in godsnaam voor deze mensen doen?
Veel tijd om te beslissen was er niet uiteraard. Die is er nooit. In een split second moet je inventariseren met wat voor volk en wat voor stemming je te schaften hebt. Poetryslam gaat niet zozeer om goeie gedichten. Poetryslam gaat om het juiste gedicht op het juiste moment.

Na afloop van mijn voordracht kwam er een vrouw op me af. Ze had een grote microfoon in haar hand, met een Avro-logo erop.
"Dat was fantastisch", zei ze, "wat je zoeven deed. Vooral dat eerste gedicht, over de filosoof Hegel! Mag ik je zodadelijk even interviewen voor Radio 1?"
"Ha, ha", zei ik, "laat me raden. Jij bent zeker ook van de stichting Blijbedrijf?"
"Huh?" zei de vrouw.
"Jullie doen mooie dingen", zei ik, "knap gedaan ook. Daarnet met die spionnenoutfits enzo. En nu weer dat retro Avro-logo op die microfoon. Jullie maken er echt werk van! Daar gaat zeker nog best veel tijd in zitten?" 

Het bleek echter geen geintje. De beste vrouw was bezig met het voorbereiden van een live-reportage voor Avro’s ‘1 op de middag’, gepresenteerd door Pieter Jan Hagens, zo vertelde ze. Over een paar minuten moest ze de ether in.
"Meen je dat nou?" vroeg ik.
Ze meende het. Ze schakelde even met de regisseur van Pieter Jan in de studio te Hilversum: "Ik ben er bijna klaar voor", zei ze, "Ik heb jongeren en ik heb een dichter, dus 15.38 moet lukken."

"Jongeren?" vroeg ik.
"Ja", zei de vrouw, "ik wilde een item doen over poezie en jongeren tijdens de nationale gedichtendag. En ik zag een stel jongeren dat bij jou enorm zat te applaudiseren."
"Bedoel je die?" vroeg ik, en wees naar een trio biculturele kansjeugd dat vanuit cafe Reijnders koers zette richting de Burgerking. Een jongen en twee meisjes. Ze hadden een paar minuten geleden inderdaad aandachtig naar mijn voordracht zitten luisteren, wist ik me te herinneren.
Niet vanaf het begin though. In het begin hingen ze verveeld aan de bar. Maar op een gegeven ogenblik had ik 1 van de twee meisjes bij de lurven weten te trekken door haar tijdens mijn laaste gedicht "Picknick in het Vondelpark in de herfst" diep in de ogen te kijken. En wel bij de zinsnede: "Geef toe! krijg de kanker is wat je bedoelt!"
Schot in de roos. Direct daarna had ze de rest aangestoten en waren ze gedrieenlijk aan het kijken en luisteren geslagen. En na afloop had ik inderdaad zowaar applaus van ze gekregen.

Maar nu waren ze dus weer on the road. Om hun babyvetgehalte op peil te houden. Recht zo ie gaat richting de dichtstbijzijnde uitspanning waar ze voedsel verkochten met voldoende onverantwoordelijke ingredienten.

"Potverdorie!", zei de Avro-vrouw, "daar gaan mijn jongeren! Moment!"
Struikelend over microfoondraden, mijn pils omstotend, worstelde ze zich een weg naar buiten en rende achter de jongeren aan.
"Wacht!" riep ze, "wacht! Zodadelijk mogen jullie op Radio 1! Dat is een unieke kans voor jullie om beroemd te worden! We hebben enorm veel luisteraars!"

Uiteindelijk kreeg ze het voor elkaar om de jongeren weer binnen de poorten van cafe Reijnders te lokken.
Ik werd aan ze voorgesteld.
"Goeie shit man, die je maakt", zei de jongen.
"Ja man", zeiden de meisjes.
"Dank je", zei ik. Enigszins ongemakkelijk.

We deden een proefinterviewtje, vlak voordat we de ether in moesten.
"Wat vonden jullie zo goed aan Svens gedichten?" vroeg de Avro-mevrouw.
"Dat ie ‘hoer’ zei", vertelde de jongen.
"En ‘kanker’", zeiden de meisjes in koor.
"Ja", zei de jongen, "dat was ook vet cool."
De Avro-mevrouw ontkleurde. Mocht het een wasmiddelenreclame betreffen: er zouden prijzen zijn gewonnen met het wit rond haar neus.
Prompt daarna kreeg ze een signaal binnen op haar oortje. Ze luisterde en knikte bevend. "Ja, ik ben er klaar voor", zei ze.
Ik keek op de klok van mijn mobiel. Het was 15.38.

Showtime.

Het was bij voorbaat kansloos. De Avro-mevrouw had er niets van begrepen. In ieder geval niet van het concept ‘het juiste gedicht op het juiste moment’.
Ik voelde me ongemakkelijk.
De jongeren voelden zich ongemakkelijk.
De Avro-vrouw voelde zich ongemakkelijk.
Het is allemaal waarschijnlijk na te luisteren op de site uitzending gemist enzo, mocht je behoefte hebben.

De Avro-vrouw stond erop dat ik in de uitzending het filosofische gedicht zou voordragen. Het gedicht met kanker en hoer was geen optie.
Ik droeg voor als reed ik een perfecte 500 meter, maar het resulteerde vanzelfsprekend in beleefde, maar daardoor nietszeggende commentaren van de jongeren.
"Wat vonden jullie ervan?" vroeg de Avro-vrouw in haar live-reportage.
"Ja, dat was wel okay", zei de jongen.
"Ja, best wel", zeiden de meisjes.

"Wat betekent de poezie voor jou?" vroeg de Avro-mevrouw aan een van de meisjes.
"Heel veel", zei het meisje.
"Wat dan precies?"
"Nou ja, gewoon. Best wel veel."
"Lees jij ook veel?", vroeg de Avro-mevrouw aan het andere meisje.
"Best wel. Weetikveel!" rolde het andere meisje met haar ogen.

Het was kortom tot nu toe een reportage van likmevestje.
"En jij?" vroeg de Avro-mevrouw ten slotte wanhopig aan de jongen.
De jongen was een joint aan het bouwen en keek enigszins verschrikt op.
"Wat betekent poezie voor jou?" vroeg de Avro-mevrouw nogmaals.
De jongen keek schichtig om zich heen. "Weet je", zei hij toen, "poezie maakt je ogen wakker!"
"En zo hebben we toch nog een mooie oneliner aan deze reportage overgehouden", greep Pieter Jan Hagens in vanuit Hilversum: "Poezie maakt je ogen wakker!"

Hij mocht er inderdaad wezen.

En ik? Ik liep terug naar mijn tafeltje. En draaide nog maar eens een shaggie. Want uiteraard waren tijdens mijn afwezigheid mijn sigaretten gestolen.

Mysterieus

Ik zat met de top 3 van het afgelopen NK poetryslam, Pom Wolff, Bernhard Christiansen en Krijn Peter Hesselink, aan een tafeltje in cafe Reijnders. Het was half 3 ‘s middags en
we staarden wat voor ons uit over het Leidse plein.
We zeiden niet veel.

Wat viel er eigenlijk ook te zeggen? Is niet alles al geschreven? – misschien stelden mijn dichterscollega’s zichzelf die vragen, je weet het niet. Ik werd er anderzijds enigszins nerveus van, die stilte, en doorbrak ‘m met een plompverloren vraag.
"Sinds wanneer heb jij een baard?" vroeg ik aan Bernhard.
Hij grijnsde en haalde zijn schouders op.
Daarna was het weer stil.
Gelijk het thema van de Nationale gedichtendag. In welk kader we trouwens waren uitgenodigd om in datzelfde cafe aan het Leidseplein een optreden te verzorgen.

Ik moest denken aan de Amerikaanse uitdrukking: ‘een mysterie verpakken in een raadsel.’ Die kwam me plotseling erg dichterlijk voor. Misschien dat het geen gek idee was om mezelf in het vervolg ook eens iets mysterieuzer op te stellen.
Maar eerst een pils. Zodat ik daar eens uitgebreid over kon gaan peinzen. Peinzen was uberhaupt een goed plan. Het leek alleszins in de mode.

Even later kwam er een jongen binnen in een lange zwarte jas. Hij had een maffia-hoed op zijn kop en een donkere zonnebril op zijn neus. Argwanend liep hij naar de bar en spiedde ondertussen geheimzinnig om zich heen.
Vers weggelopen uit een hele slechte film, of onderdeel van een ontgroeningsspelletje van een studentenvereniging, iets anders kon ik er niet van maken. Maar intrigerend was het wel.
De jongen pakte een notitieblokje tevoorschijn en begon aantekeningen te maken. Daarna voegde hij zich aan een tafeltje met twee meisjesvrouwen, die ieder ook een donkere zonnebril op hun neus hadden. En bovendien gekleed gingen in een mode zoals je die fantaseert bij Oostblokspionnessen uit de vroege jaren zeventig: fabriekspantalons en truttig voorgesteven confectiebloesjes. Dit ensemble uiteraard vervaarlijk en sexy gedragen.

Op een gegeven ogenblik kwam een van de meisjesvrouwen posten bij ons tafeltje. Notitieblokje in de hand.
Het gesprek tussen de dichters had na een paar drankjes zowaar een aanvang genomen, en we voorzagen Pom Wolff van uitgebreide nieuwe kopij voor een gedegen achtergrondartikel bij een bepaald item uit de rubriek ‘rellen’ van zijn poeziesite (omzichtiger en, ha! mysterieuzer kan ik het niet zeggen – ik maak vorderingen).

De meisjesvrouw nam schriftelijk fanatiek kennis van het gedebiteerde. Ze zette er zelfs haar zonnebril voor af, en klapte in een angstaanjagend tempo volgeschreven blaadjes om.
Dat werkte aardig op mijn zenuwen.
"Wat heeft dit te betekenen?" vroeg ik.
Misschien net iets te agressief. Sorry. Maar ik kon er niks aan doen. Roddels a la, maar niet in de hand van een vreemde. Ook al ziet ze eruit als een Bondgirl. Ik ben er blijkbaar niet voor geboren: mysteries.

Het meisje schrok. "Excuses", zei ze.
Ze overhandigde me een flyer.
"Ik ben van de Stichting ‘Blijbedrijf’", zei ze, "en dit is een van onze activiteiten. Wij proberen mensen zomaar blij te maken! Uit het niets. Onverwachts!"
Ik las een paar regels op de flyer:

Bij het Blijbedrijf zijn Blijbrigades uit het hele land aangesloten. Zij verzorgen vrolijke verrassingen zomaar op straat, in een winkel, op het werk of waar dan ook.

"Jeetje", zei ik.
"Tsja", zei het meisje, "normaal vinden groepjes mannen het heel leuk als er kennis wordt genomen van hun gesprekken. Dus ik dacht…"

Ik las vluchtig verder, en scande hun lijstje met activiteiten:

– Priveconcert voor mensen met liefdesverdriet
– Uitzwaaicommite op het station
– Bloementuin aanleggen op een sombere plek
– Banden oppompen van geparkeerde fietsen
– etc

"Wow..", stamelde ik, maar het meisje was al weer weg. Opgelost in de mensenmassa op het Leidseplein.

Om andere mensen blij te maken.
Is het niet prachtig?

Gedichtenbal

Morgenvroeg kwamen de werkmannen. Om het dak te repareren.

Ik had er een zware dag opzitten. Vergaderingen dat het een aard had en ondertussen computerapplicaties die niet wilden functioneren. Een hoop desparate mailtjes van de bloem onzer economische natie en een hoop corrigerende arbeid mijnerzijds.

Uitgewerkt en uitgeput, na een terugtocht door bittere koude, streek ik neer op een sofa in mijn woning en vroeg aan L.: "What’s next?"
"Gedichtenbal", zei ze.

Daar had ze waarempel gelijk in.
Ik kwam op de proppen met de suggestie om vooraf een karrevracht drank opkikkertje in de Pels te nuttigen.
"We moeten ook iets eten", zei L.
"In de Pels hebben ze soep", zei ik, "en olijven, etc. Eten zat".

We deden wat we zeiden. Vervolgens wandelden we door naar Paradiso, alwaar we de gastenlijst aangrepen om op onze indentiteit te wijzen.
"Euh, hoe was de naam?" vroeg de portier, terwijl hij zijn vinger liet glijden over zo’n 400 gegadigden.

We waren regel ipv uitzondering. Eenmaal gratis binnen kregen we een boekje, de gedichtendagbundel van Leonard Nolens: "een fractie van een kus". Plus een flyer met het programma.
"Het programma ziet er goed uit", zei ik tegen L.
"Ja", zei ze, "we kennen ze bijna allemaal."

We liepen naar beneden, de kelder, waar een editie van Wordscape werd georganiseerd. Featuring Sieger MG, Nafiss Nia, Lucas Hirsch en Frank Starik.
Ik bestelde een grote pils aan de bar. Maar ik wilde beleefd doen en zei: "een grote bier."
"Je hebt een foute ‘r’, zei een jongen.
"Let maar niet op hem", zei het barmeisje tegen me, "hij is dronken."
Ik ben gek op dronken jongens.
"Dat ik een foute ‘r’ heb, kan kloppen", zei ik tegen de jongen, "ik kom uit Tiel. Weet je trouwens waar dat ligt?"
"Huh?", zei de dronken jongen.
En zo waren we de foute ‘r’ weer vergeten.

En zo sprak ik Bernard Wesseling die me plotseling op mijn rug tapte.
En zo kuste ik Aukelien Weverling in haar rode jurk.
En zo zei L.: "laten we liever eens naar boven gaan, naar het programma bij Nolens."

En zo kwamen we op de trap naar boven richting Nolens Starik tegen, die we allebei kusten.
Met Gina v/d Berg van het Poeziecircus in zijn kielzog, die ook wat zoenen verdiende.
En Mirjam Al, organisatrice van de poezieavonden in de Badcupyp, die op diezelfde trap bleef drentelen met een gratis kaascakeje, en me toefluisterde, wijzend naar het uitgezogen brooddeeg: "dit is pas een gedicht!"
En de dichter Merik van der Torren die daarop kokhalzend de WC opzocht.

En Pim te Bokkel die onderaan die trap al eerder het een en ander, over geheel andere zaken, te kennen had gegeven.
En. En. En.

En toen kwamen we boven. Bij Nolens. En toen begroetten we Thomas Mohlmann, en Jan Willem Anker, en en en.
En toen volgden we het programma boven, met mooie namen, en kwam ik achter geheimen. Zoals waarom de poezie van Rutger Kopland zo’n aantrekkingskracht heeft (maar daarover ooit meer).
Het duurde lang. Meer dan twee uur. En op een gegeven ogenblik komt het moment dat je naar de WC moet. Daar ging ik.
Hallo zwaaide ik naar Adriaan Jaeggi bij de bar, en hoi zei ik tegen Alfred Schaffer, en ik proostte met Pom Wolff, en ik gaf een negergroet aan Sander Koolwijk en ik kuste Alexis de Roode en ik begon een gesprek met Krijn Peter Hesselink, en ik, man, het was al laat en ik moest naar huis.
Want morgen om 7.00.

Maar eerst naar de WC. Ik kwam terug van de WC in de stampvolle bovenzaal. Er zat een vrouw op mijn stoel. Ze had last van haar rug, verklaarde ze. Ik was niet de beroerdste om te blijven staan.
Ik rolde een shaggie, maar stak ‘m niet op. De rugpijnvrouw keek me daarvoor te angstig en ik wilde mijn goeie daad niet devalueren.
Ik glimlachte.
Ze glimlachte vriendelijk terug.
En samen luisterden we net zo glimlachend naar de afsluiting van het Nolensprogramma door Gerrit Kouwenaar.

En toen was het tijd om te dansen. Zei Erik Menkveldt, de presentator van de Nolensavond. Beneden in de grote zaal van Paradiso zouden oa Tsead Bruinja en Ramona Marmaris plaatjes draaien.
En dat zullen ze ongetwijfeld hebben gedaan. Ik heb het niet bewust meegemaakt though. Ik heb aan de bar een aantal vodka’s zitten hijsen met Willem Thies. Froukje v/d Ploeg geinterviewd over haar kansen mbt de publieksprijs voor haar bundel "Kater", en met Robin Block gesproken over het optreden van Lucky Fonz III in de Kring, en op Noorderslag en zijn potentie voor Appelpop, maar vooral heb ik ondertussen gekeken naar mijn meisje, L., dat zo mooi danste, samen met Gina vd B.

Ik liep op L. af.
"Ik moet gaan", zei ik.
"O, moet je gaan?", zei ze, "zal ik meegaan?"
"Nee", zei ik, "daarvoor dans je te mooi. Jij moet blijven."

Ze bleef.
Ik ging.

Zo was ‘t het beste.
Morgen is morgen.
En waar dat voor de een bijna nu is, maintenant, heute godverdomme, is het voor de ander gewoon Mañana.

Mañana is de beurt aan de werkmannen. Aan moi.

Puberteit

Het was zondagmiddag en ik zat op de bank voor het haardvuur. Zonder mijn lieve vriendinnetje L. overigens, want die lag in bed, ze was ziek.
En ik, ik verveelde me.
Het is best gezellig, zo’n vuurtje, maar geef toe: in je eentje is er geen reet aan.
Ik ben een man, geen cowboy.

Enfin. Wat te doen? Welke activiteit leent zich bij uitstek om solitair te worden aangegaan op een verloren zondagmiddag, met knetterend hout in het blikveld?
Ik kon er voorwaar niet opkomen.
Eindelijk de kerstboom aftuigen? (nah, geen zin)
Eindelijk de belastingen van 2004 doen? (nah, geen zin)
Eindelijk een roman schrijven? (Ja! En dan ga ik schrijven over… over… Nah, geen zin).

Angst, verwarring en paniek, handen in het haar, de hele santekraam. Lijdzaam moest ik constateren dat ik het domweg was ontwend om vrije tijd te hebben.

"Wat is er liefje", vroeg L. vanuit bed, "wat zit je te zuchten en te kreunen?"
"Ik verveel me", zei ik.
"Dat komt dan goed uit", zei L., "kan je mooi een kopje thee voor me maken."
Ze trok het klamme dekbed weer over zich heen en probeerde opnieuw koers te zetten richting iets wat het midden hield tussen een koortsig dromenland en een halfwakend lijden.

Ik vulde de waterkoker en knipte hem aan.
Verdronk even later een Pickwickbuiltje.
Voor een moment had mijn leven nut.

Ik schudde L. wakker. "Je thee", zei ik.
"Mmbrll", zei L.
"Ik verveel me", zei ik.
"Ga dan op internet", zei L.
"Dat heb ik al uit", zei ik.
"Of een boek lezen."

Ping!
"Weet jij waar mijn oude dagboeken zijn?" vroeg ik aan L. (strikvraag).
"Geen flauw idee." (phew).

Ik haalde mijn complete woning overhoop. Geen krocht was veilig.
Na een uur overzag ik het slagveld aan uit z’n verband gerukt opslagpotentieel. Bataljons geplunderde verhuisdozen, beschimmelde blikken trommels, de frikadelvormige plunjebaal uit mijn diensttijd, zelfs de laatjes uit mijn videomeubel, ze leidden voor even een zwervend bestaan op mijn parket.
"Potverdomme", vloekte ik, "een oranje voetbaltas van Intersport met een AZ ’67-sticker erop, hoe moeilijk kan dat zijn?"

Uiteindelijk vond ik de tas in de meterkast. Direct onder de kampeerspullen. De 4-persoons Aldi-tent, de elektische koelbox en de jeu de boulesballen. Logische plek natuurlijk, achteraf gezien.

Enfin. Ik had ze. Mijn ouwe trouwe dagboeken.
Ik plukte een pils uit de koelkast, stak een shaggie op en ging er eens goed voor zitten. Ik viste het oudste dagboek uit de tas, het schrift dat ik had volgeschreven tijdens mijn middelbare schoollessen Nederlands.

De eerste zinnen die ik las luidden: "gisteren was het zondag. Familie op bezoek. Weer drie kostbare uren naar de kloten. Aan de andere kant, verder wist ik ook niks te doen."

De puberteit is een kuttijd. Je bent lusteloos als de pokken. En tegelijkertijd geengageerd.
Ik stuitte vanmiddag in een dagboek op een van mijn eerste gedichten. We schrijven pakweg 1985. Het heeft een cryptische titel. Bijna net zo raadselachtig als de opslagplaats die ik had verzonnen voor mijn tas met dagboeken, maar dat terzijde:

And the evil doctor Claw

Er waren eens twee ballonnen. Ze waren gelukkig samen. Echter, nucleaire wespen dreigden hun geluk te verstoren.
Hiertoe nam men ijzeren wespvrije ballonhouders. Voor slechts 3.95 te koop bij de filialen van het grootste winkelconcern, dat zelfstandige ondernemingen had geruineerd, zodat grote werkloosheid het gevolg was. Een loon en prijzenspiraal vloeide daaruit voort en de ballonnenhouders kostten daarna 4.25, 5.85, etc tot uiteindelijk 13.60.

En daar eindigt het gedicht. Het NK poetryslam zou ik er hedentendage waarschijnlijk niet mee winnen. Hoewel je zulks natuurlijk nooit mag uitsluiten, maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over wat ik in godsnaam bedoelde met dat gedicht.
Vanmiddag bij het haardvuur had ik geen flauw idee. Ik vond het een schattig gedicht. Een slecht gedicht, maar schattig. Ondanks dat ik er geen zak van begreep, of misschien juist daarom.

Nu ik het intyp op mijn laptop krijg ik plotseling een vermoeden. Waarschijnlijk had ik het over de wapenwedloop en geven de getallen die ik gebruik de verhoudingen weer tussen de toenmalige defensiebudgetten van de USA en de USSR. Of iets dergelijks. Weetikveel. Ik was ook toen al een cijferfreak, dat weet ik wel. Een getallengek, die niet te beroerd was om eendimensionale ratio de poezie-wereld in te wrikken.   

Ik ervaar dat vanavond als een teleurstelling. Waar ik vanmiddag in al mijn onbegrip nog enige vorm van genialiteit kon vermoeden in mijn jonge ikje, moet ik thans constateren dat mijn puberbrein zich niet buiten reeds lang bewandelde paden durfde te begeven.
Het desbetreffende gedicht is geschreven tijdens een van de eerste lessen ‘Moderne literatuur’. Willem Kloos en zijn Tachtigers kwamen in verzet tegen de dominee-dichters en andere brave burgers. Ze hadden een hekel aan de moralistische verzen van Ten Kate, staat in mijn schriftje Nederlands.
"Terecht", wist mijn leraar in 1985 met z’n hippe leren heuptas volgens mijn overlevering te melden; "want de Tachtigers zochten het in ‘schoonheid’. Zij maakten veelvuldig gebruik van de ‘erlebte rede’, d.w.z. een tussenvorm van de directe en de indirecte rede, zoals bijvoorbeeld: ‘Hij zei hij kwam ook’"
‘Fuck’, dacht ik, ‘dat klopt grammaticaal voor geen meter! Wat loop je nou te bazelen baardmans! Eerst ons de afgelopen jaren op de mouw proberen te spelden dat grammatica het allerbelangrijkste kenmerk van de beschaving is, en nu plotseling enthousiast voor het voetlicht treden met een dooie debiel die niet eens normaal Nederlands kon schrijven!?’

Ik zal in verzet zijn gegaan, zoals het een rechtgeaarde puber betaamt. Ik zal helemaal voor Ten Kate zijn geweest.
Met de preek als gevolg.

De puberteit. Het mooist vind ik ‘m weergegeven in een cartoon van Peter van Straaten.
Wat je ziet is een pubermeisje die achter een computer zit. Op de achtergrond zitten haar ouders voor het haardvuur.
"Wil je nog koffie lieve?", vraagt de vader.
"Lekker, schat!", zegt de moeder.
Het meisje grijpt met haar handen in haar haren en verzucht: "Mijn god! Wat zijn ze dom!"

Kan ik niet overtreffen. Is briljant.

In mijn dagboek kwam ik een pagina tegen. Ik had het meisje waar ik vreselijk verliefd op was, het meisje dat achter me zat bij Nederlands, gevraagd om 1 zinnetje in mijn schrift te schrijven.
"Huh", zei ze.
"Een opdracht", probeerde ik.
Ze knabbelde heel lief op een plukje haar en schreef: "zeg 47 keer ja".
In ontroerend meisjeshandschrift.
Ik vocht tegen mijn tranen, maar heb er paginabreed in knalgele fluoriserende letters ondergeschreven:

NEE

En toonde dat.
Kijk. Dat is ook puberteit. Maar dan the real deal.

Mannen

Het waren stormachtige dagen de afgelopen week en dan heb ik het nog niet eens over het weer. Ik heb het over bundelpresentaties van Vrouwkje Tuinman (dinsdag bij uitgeverij Nijgh en van Ditmar) en Pim te Bokkel (woensdag in Festina Lente) die allebei uitmondden in afterparties plus daaruit voortvloeiende after-afterparties en zelfs after-after-afterparties waarvan uiteindelijk de finish naadloos overging in het uur waarop de werkende medemens normaal gesproken kwiek en fris onder de douche vandaan stapt om zich naar de arbeid te spoeden.

Op zich geen probleem. Ik ben de laatste om de dichtende klasse feestjes te misgunnen. Wat echter voor een complicatie zorgde was dat ik mezelf mag scharen onder beide gilden en gevoeglijk een aantal etmalen vies de lul was waar het slapen betrof.
Ik was even te moe voor komma’s kortom. Dus dat jullie niet denken van hey plukdenacht heel leuk allemaal dit maar je hebt de ballen verstand van interpunctie!

Bon.

Op donderdagavond, vlak na mijn werk, was ik terug te vinden met tandenstokers tussen mijn wallen teneinde L. nog enigszins in de ogen te kunnen kijken.
"Ga nog voetballen vanavond?" vroeg ze.
"Ik zal wel moeten", zei ik, "Sander heeft mij de vorige keer de sleutels van de gymzaal meegegeven."
"Hoezo dat?"
"Hij kon zelf deze week niet komen. Iets van een thermo-dagje met zijn vriendin, geloof ik."
"Thermo-dagje?"
"Ja, een thermo-dagje, ja! Of weetikveel! Kunnen we het daar alsjeblieft een andere keer over hebben? Ik ben MOE!"

"Weet je wel zeker dat het voetballen uberhaupt doorgaat?" vroeg L., "ik bedoel, denk je echt dat er iemand van de jongens komt opdagen met deze storm?"
"Storm?"

Het was waar. Buiten woedde de ergste Zuidwesterstorm sinds jaren. Beneden op straat kon je mannen zien vliegeren met aangelijnde honden.

"Verrek", zei ik en checkte het dakterras. Mijn dakterras dat in onderdelen lag opgeslagen bij de buren, overkoepeld door klapperend landbouwplastic.
Ik inspecteerde mijn lieve plantjes, die ik anderhalve week eerder stevig had gestut met een tigtal vuilniszakken, elk gevuld met compacte wortelopslag. Oftewel onontkluwbare klompen tuinaarde van ruim een halve kubieke meter.
Het zat nog allemaal snor, constateerde ik, en liep weer naar beneden om mijn voetbaltas in te pakken.

"Ben je nou serieus?" vroeg L., "of maak je een geintje? Ga je echt, of zit je me te dollen?"
"Ik kan het niet maken om niet te gaan", zei ik, "stel dat er een malloot de storm trotseert op z’n fiets en dan een gesloten gymzaal treft, omdat ik zo’n mietje was dat er niet doorheen durfde!?"
L. haalde haar schouders op.
Ze verzuchtte er nog net niet ‘mannen’ bij.

Doch mannen waren we. En niks ‘maar’, we waren gewoon regelrecht aardige mannen. Er bleken liefst 6 exemplaren te zijn die met windkracht 10 de tocht naar de gymzaal in Bos en Lommer hadden aanvaard, puur om hun collega-zaalvoetballers niet teleur te stellen.
Zelfs Sander kwam alsnog opdagen. Vers terug van het thermodagje met zijn hoogzwangere vriendin.

We speelden alsof ons leven er vanaf hing. Ik verloor in de hitte van de strijd de complete nagel van mijn grote teen (voor fetisjisten en/of ongelovigen kan ik een detailfoto opsturen; ik heb ‘m namelijk bewaard-daar ben ik dan weer een vrouw in) en geloof me, dat doet pijn als de neten. Maar ik ging gewoon door.
In mezelf memoreerde ik het citaat van Aart Staartjes, dat op mij als kind zoveel indruk had gemaakt. De legendarische woorden waardoor ik als jong straatvoetballertje nooit versaagde:
"Ja, kinderen, ik weet nog wel dat wij de Straat van Gibraltar aanlegden… Het was toen windkracht 124, het ging danig tekeer!"

De Stratenmaker op zee-show. Ik weet niet meer precies hoe de aankondigingstune luidde, maar volgens mij ging het ongeveer zo:

Mijn oude lieve Opa vraagt altijd aan mij
Wat wil je later worden in de maatschappij?
Word je later dokter, word je dominee?

Opa, lieve Opa, ik heb geen idee
Nachtwaker? Nee
Haringkaker? Nee
Maar stratenmaker, ja stratenmaker, ja stratenmaker op zee.

Ik wist vanaf toen precies wat ik wilde worden. Nee, geen stratenmaker. Hoewel dat op zich een optie was. Maar het kon ook veel simpeler.
Gewoon: Man.