Zwitserland 2

Scene I

"He, wat is dat toch een vervelend ding", riep mijn moeder vanuit de keuken.
"Watte?" vroeg mijn vader vanaf de luie leren bank voor de open haard.
"Die prullenbak", zei mijn moeder, "ik krijg de vuilniszak er niet in, want die rubberen ring schiet er telkens af. Wat een ongelooflijk onhandig systeem."
"Watte?" vroeg mijn broertje, die na een avondlijke douchebeurt de kamer in kwam lopen.
"Mama vindt de prullenbak ka uu tee", zei mijn zusje, "hoe was de douche?"
"Ook ka uu tee", zei mijn broertje, "het warme water was halverwege op".
"Ka uu tee?" vroeg mijn moeder.
"Een afkorting voor Kwalitatief Uitermate Treurig", zei ik.
"Ach so", knikte mijn moeder begrijpend.
"Kinderen Uit Tiel", grinnikte mijn vader.

Scene II

Een van de hoogtepunten tijdens onze vakanties in Zwitserland is altijd de pizza-avond van mijn zusje. Elke dag leggen wij een voettocht van 8 uur af door de bergen en hangen daarna allen versuft in de touwen, zonder ook nog maar een greintje fut in onze donder. Er is echter 1 uitzondering. En dat is mijn zusje op pizza-avond.
Op de een of andere manier weet ze traditioneel 1 keer per herfstvakantie een duistere energielaag in zichzelf aan te boren, en begint dan direct na terugkomst in het chalet enthousiast deeg te kneden. Vervolgens wappert ze twee uur lang met het samengeperste meel door de lucht om de ultieme bodem te creeeren.
Dit jaar wilde mijn moeder haar deze onmenselijke arbeid besparen, en wees haar op de plaatselijke Coop, alwaar ze kant-en-klare pizza-ondergrond verkochten.
"Hmmm", twijfelde mijn zusje.
Desondanks werd het halffabricaat al vroeg in de week aangeschaft.
Pas op pizza-avond zelf besefte mijn zusje dat ze er in was getuind. De omstandigheden werkten sowieso al niet mee. Het enige voorhanden snijmes was volgens mijn zusje kaa uu tee, de oven kwalitatief uitermate treurig, maar die bodem van de Coop, die was gewoon regelrecht kut.
Hij wilde maar niet knapperig worden.
Hij bleef blank en slapjes. Zompig. Dat was het woord.
"Was jij dat niet?" vroeg I., de kersverse eega van mijn broertje, aan mij, "was jij dat niet die hield van zompige bodems?"
"Jazekers", zei ik verlekkerd, "zompig is helemaal mijn ding!"
Het is waar. Ik ben verkikkerd op zompig. Dat had I. goed onthouden.
"Hmmm", zei mijn zusje streng. Ze inspecteerde de rest van haar tafelgasten.
"Ik vind ‘m heerlijk", zei mijn broertje.
"Dank je", zei mijn zusje.
"Bovendien", zei mijn broertje, "na zo’n lange dag lopen smaakt alles."

I. sloeg haar ogen ten hemel om direct daarna haar blik naar mijn broertje te verplaatsen: "Wat doe je nou! Dat laatste moet je er natuurlijk niet bij zeggen!"

Wat zal ik zeggen? Ongemakkelijke situaties, slechte timing-momenten, ongelukkige manieren van uitdrukken die over elkaar heen buitelen, ze liggen per definitie op de loer zodra je met 6 familieleden een week lang gemeenschappelijk bivakkeert op een beperkt aantal vierkante meters.
En als het allemaal nog iets emotioneler wordt dan in scene II, dan kan het zelfs uitmonden in heftige discussies, of, hou je hart maar vast, conflicten!
Daarover misschien een andere keer in scene III en eventueel IV. 

Maar nu ga ik eerst even AFTh-je spelen en dwars tegen de chronologische wetten in, alvast een voorschot nemen door scene VI (van de in het totaal vermoedelijk heilige VII) voortijdig te openbaren:

Meer

Die besneeuwde bobbelbaan links is de Monte Rosa, de hoogste berg van Zwitserland. Hoger zelfs dan de Liskam, de berg rechts ernaast die zich tevens binnen ‘s lands grenzen bevindt en die eigenlijk een tikkeltje kansrijker lijkt om aan de wolken te kunnen krabben. En dan heb ik het nog niet eens over Castor (rechts van de Liskam) of Pollux (waarvan de aanzet tot een helling nog net rechts van Castor valt te detecteren).
Ik verklap jullie: dat is allemaal optisch bedrog. Pollux is meer dan 100 meter lager dan Castor, die op zijn beurt meer dan 300 meter onderdoet voor de de Liskam, enz.
En daarbij: alles smelt en eroseert. Woede, angst, herinneringen. Pieken, dalen, ze vloeien samen, worden gladgestreken, altijd weer.

Wat we uiteindelijk zien is het meer. Daar voelen we ons prettig bij.
Wie daarna nog de diepte in gaat verkilt, versteent en verzuipt.

Het gaat er om je kop boven water te houden. Dat heb je geleerd. En dat is ons gelukt de afgelopen week. Het was opnieuw een fantastische vakantie. Dus dat hebben we ‘m toch maar weer mooi geflikt.

Advertisements

Zwitserland 1

Yeah, I’m back.
Het scheelde niet veel though. Met een beetje pech had ik nu aan gruzelementen gelegen ergens op een snelweg, bijvoorbeeld ter hoogte van Karlsruhe, alwaar plotseling in een bocht een file opdook en ik vol op de rem moest.
Kut, dacht ik terwijl ik in de achteruitkijkspiegel keek; vlak achter me reed een stevige vrachtwagen.
Fuck, fuck, fuck! dacht ik daarna terwijl ik het rempedaal toch maar tot op de bodem intrapte, in het volle besef dat ondertussen mijn remverlichting niet functioneerde.

Dat had mijn vader me namelijk een paar honderd kilometer terug verteld, toen we met onze auto’s stonden te wachten in de rij voor de autotrein bij Goppenstein.
Hij had al vanaf ons huisje in Tasch achter me gereden. Ik had hem gewaarschuwd dat ie in de beklimming van de col Hors Categorie naar diezelfde autotrein beter niet achter me kon zitten, omdat de tweede versnelling van mijn auto niet meer functioneert en ik nogal ongebruikelijke capriolen zou moeten uithalen om uberhaupt boven te komen.
Bezweet stapte hij uit en rende op me af. Ik draaide grijzend mijn raampje open en zei: "ik heb het gehaald!"
"Ja, gefeliciteerd", zei mijn vader, "maar wist je dat behalve je tweede versnelling, je remverlichting het ook niet doet?"
"Meen je dat nou?", zei ik.
"Ja man!", zei mijn vader, "ik dacht, ik zeg het maar even, dan kan je er straks rekening mee houden in de afdaling."
"Jeetje", zei ik, "dat wordt best link."
"Tsja", zei mijn vader, en vooral ook daarna, op de Duitse snelwegen. Maar je kan natuurlijk in noodgevallen altijd je alarmknipperlichten aangooien. Voor als je echt plotseling moet remmen."
Ik durfde niet te zeggen dat mijn alarmknipperlichten het sowieso nooit hebben gedaan.

Met piepende banden kwam ik tot stilstand, net op tijd om niet op mijn voorganger te knallen.
"POEOEOEOEOEOEWWWWT" claxoneerde de 30-tonner diesel achter me bij Karlsruhe, waarschijnlijk omdat ie zich danig de tering was geschrokken van mijn onaangekondigde verlaging in snelheid.
Terwijl ik als een gek schudde aan mijn richtaanwijzerhandel, om met afwisselend links en rechts oranje knipperlicht tenminste iets van een alarm te suggereren, wachtte ik met mijn ogen dicht op het moment dat ik geplet zou worden.
Er schoten van allerlei beelden door mijn hoofd, maar vooral die van het kerkhof in Zermatt, waar een speciaal hoekje is ingericht voor de abgesturzte beklimmers van de Matterhorn.
We hadden het op de laatste dag van onze vakantie bezocht, als eerbetoon aan de berg die tijdens deze week zo centraal had gestaan in onze vakantie.
De 4468 metershoge, maar vooral onmogelijk steile Matterhorn, we hebben ‘m van alle kanten bekeken, en waren tot de conclusie gekomen dat je volslagen debiel, danwel compleet suicidaal moest zijn om een toppoging te wagen. Oftwel een echte bergbeklimmer.

Matterhorn1_1

En nee, wij zijn niet debiel. We lopen en klauteren een hoop, maar we zijn geen echte bergbeklimmers.

Toch kom ik persoonlijk met mijn auto qua eigenschappen een eind in de buurt.
Na een halve minuut deed ik mijn ogen weer open en keek in mijn binnenspiegel. 10 centimeter achter mijn trekhaak zat achter een hoog raam een vrachtwagenchauffeur fanatiek met een wijsvinger tegen zijn voorhoofd te tikken.
"Ja, ja", zei ik half in mezelf, half tegen de man achter me, "ik weet het."

Tegen The Red Horse, mijn auto, fluisterde ik: "nog maar 700 kilometer. Zet ‘m op."

Te druk

Het is weer zover. Morgenochtendvroeg stap ik, zoals elke herfstvakantie, in mijn trouwe vierwieler om linea recta plankgas naar Zwitserland te crossen, om aldaar een weeklang bergwandelingen te maken met mijn familie. Achterliggende gedachte (elk jaar weer): uitrusten, stoom afblazen, onthaasten. Dat de praktijk steevast een heel ander verhaal oplevert, is niet belangrijk. Het gaat om het idee, en het idee is goed.

Dit jaar echter, wierp de praktijk een stevige schaduw naar voren.
Man, het was een gekkenhuis de afgelopen dagen. Wat een fulltime kantoorslaaf die er in zijn vrije tijd wat organiserende en optreedtechnische dichtersactiviteiten op na houdt, allemaal wel niet voor een bergen moet verzetten, om een weekje rustig op vakantie te kunnen. Serieus, de Monch, de Eiger en de Jungfrau zijn er kinderspel bij.

‘Suiss time was running out, it seemed that we would loose the race’, zong Deep Purple ooit (in ‘Smoke on the water’). Het zat de laatste 48 uur continu in mijn kop.

Nadere uitleg aan de hand van anekdotes zal ik jullie besparen. Niet dat ze geen mooie verhalen zouden opleveren, maar ik heb domweg geen tijd meer om ze op te schrijven. Morgen om 7.00 am gaat de wekker, en ik wil mezelf niet bij voorbaat overlevingskansloos op de Duitse snelwegen wagen.

Maar bottomline is: ik zit er doorheen. En dat zit ik al een paar dagen. Zo kon het gebeuren dat ik gisteren na de presentatie van de ‘vette van Breukers’ , een uiterst interessant gesprek heb gevoerd met Co Woudsma, over een onderwerp dat de drukstbezochte poezienieuwssite de afgelopen week danig in zijn greep heeft gehouden, maar in de hectiek op weg naar een ander poezie-gebeuren, waar ik zelf nog op moest treden, de gratis dichtbundels vergat die Co me zojuist had gedoneerd, omdat we zo leuk hadden gepraat. Op een tafeltje van de Cotton Club laten liggen. Vind ik oprecht lullig van mezelf.

Ik realiseerde het me pas toen ik met Frank Starik was begonnen aan een nachtelijke tocht, zonder al te veel fietsverlichting, richting zaal 100.
"Kut", zei ik.
"Wat?" zei Frank.
"Niks", zei ik. Want er was zoveel. Ik was de dichtbundels van Co Woudsma vergeten, en bovendien besefte ik dat ik inmiddels al tamelijk van de late was om een hoogleraar literatuur van de City University van New York, die ik hoogstpersoonlijk in Zaal 100 op het programma had gezet, en die daar speciaal zijn reisprogramma voor had aangepast, nog in actie te zien, of zelfs maar te ontmoeten.

Frank en ik arriveerden op de Wittestraat, voor de deur van Zaal 100. Ik reed er in eerste instantie straal voorbij, zo speedy was ik, maar Frank floot me terug.
"We zijn er al", zei Frank.
"Verrek", zei ik, en maakte een gezien mijn toestand indrukwekkende curve van 180 graden met Mad da 4th (mijn fiets).
We hannesten wat met sleuteltjes en toen dat was gelukt liepen we het gebouw binnen.
De eerste die ik tegenkwam was de Amerikaanse hoogleraar. Hij stond op het punt om naar zijn hotel te gaan.
Ik gaf ‘m een hand, die hij niet bepaald van harte schudde. He was zichtbaar not amused.
"Sorry", zei ik, "we (ik wees naar Frank, die er net iets dichterlijker uitzag dan ikzelf) also had another poetry-meeting earlier this evening, on the other side of town. It all got delayed a little."
Hij bleef Amerikaans beleefd: vriendelijk in woord, vergezeld door nog maar eens een dodelijke blik.

Daarna vertrok ie.

Later zou Frank ter plekke nog optreden met een uitvaartgedicht voor Egbert Meijer. En ik met een herdenking van de legende van Oostende, de ouwe trouwe Fleris.
Dat deden we goed. We waren de enigen die het matte publiek enigszins bij de lurven wisten te grijpen.
Desondanks voelde ik me nog steeds lullig.

Ik was om 4 uur thuis. Om 7 uur ging de wekker. Werk.

Morgen gaat opnieuw op 7 uur de wekker. Niet voor mijn werk, maar voor mijn vakantie.
Quelle vie. Quelle vie.
Als ik slim ben begin ik z.s.m. aan een in memoriam-gedicht voor mezelf. Want als ik de afgelopen dagen iets heb geleerd, dan is het wel dat ik beter moet plannen. Vooral op de ultra-korte termijn.

Klinkt dat overspannen genoeg?

Gelukkig. Verder gaat het wel hoor. Maak je geen zorgen.

Gezellig

Meestal verblijven L. en ik bij mij in het rustige Oud-West op de Wilhelminastraat, maar zo af en toe komt het voor dat we door omstandigheden (romanpresentaties, bundeldoops, expositie-openingen, je kent het wel) , in L’s residentie op het Singel logeren. L’s optrekje in de binnenstad. L’s chaotische vierkante meters huurbezit aan de grachten.

Ze heeft onderburen. Ik ook, dat geef ik toe, maar L. heeft echt onderburen. Daar waar de mijnen als fulltime yup buitenshuis fijne overuren draaien op kantoren buiten de ring, daar is de onderbuurman van L. een artistiekerige Rus die professioneel viool speelt. En dat is toch net iets andere koek. Dag en nacht oefenen, die jongen. Hij kan het goed hoor, viool spelen, daar zul je van mij verder geen kwaad woord over horen, maar man, wat snerpt ‘t. Ik spreek over een penetratie van vloeren en muren, waar een Black & Dekker klopboor nog een puntje aan kan zuigen.

Een stukje schrijven is er kortom niet bij. Laat staan slapen. En dan heb ik het nog niet eens over die smetfobische snol de vriendin van de Rus die de zolder heeft ingepikt, om ter plekke 24-7 een wasmachine te laten dansen. Ik weet niet of je bekend bent met de doorsnee bouwconstructie van monumentale pandjes, maar neem van mij aan dat bij L. thuis de koffiekopjes in de keukenkastjes dag en nacht rinkelen.

Maar daar wilde ik het dus helemaal niet over hebben, potverdorie. Ik wilde eigenlijk eindelijk weer eens iets gezelligs schrijven.

[Hans Teeuwen-modus on] Ja-ha-haaaa, dames en heren, en weet je wat pas echt gezellig is? Nee? Nee? Nee? Godverdomme man! Serieus? Meen je dat nou? Weet je het echt niet? Zal ik het dan maar vertellen? Godverdomme man! De terugweg!
Ja-ha-haaa!
[Hans Teeuwen-modus off]

Tsja, de terugweg. Naar mij. Die is inderdaad altijd best gezellig. Vroeger gingen we met de taxi. Want dat vonden we toen wel romantisch. Maar je weet hoe dat gaat, romantiek is heel mooi, maar ook duur, en enfin. Dus daarna gingen we een tijdje met de fiets. Totdat ik een paar keer achter elkaar te lazerus was en niet meer in staat bleek om L., die met een tigtal plastic zakken op het achterzitje zat, zonder lichamelijk letsel op ordentelijke wijze over de diverse bruggen te vervoeren.
Waarna we gevoeglijk besloten voortaan met de tram te gaan.

Dat ging een tijd lang goed. Het was best gezellig. Met z’n allen in tweezittertjes achter elkaar. Beetje naar buiten kijken. Hey: de Keizersgracht. Wow. En kijk nou, de Overtoom! Tsjonge, jonge, mooi man!
Het ging allemaal goed. Tot de nieuwe tram-line werd uitgebacht. Ik heb het nu over de zoevende (maar bij elke bocht overdreven schokkende) blauw-witte monsters die de lieve gedegen gele klingelaars hebben vervangen. Ik weet niet wie het heeft verzonnen, maar het schijnt een Duitser te zijn geweest. Onthoud die generalisering! Of nee, vergeet ‘m maar. Want daar gaat het niet om. Het gaat er om dat je in de nieuwe trams tegenover elkaar zit.
‘Gezellig’, zal de maker misschien hebben gedacht, ‘dan kan je met elkaar praten.’
Duh.
De praktijk: iedereen loopt elkaar wereldvreemd in de bek te staren en voelt zich fucking ongemakkelijk.

Zo ook wij. Dus wij doen het niet meer. De tram. Als het niet hoeft, tenminste.

Wij gaan tegenwoordig lopen. Is ontzettend 2006, lopen, maar daar gaat het niet om. Fuck, ik wil geen quasi-leuk modern stukje schrijven ofzo. Ik geloof in lopen. Serieus, je ziet de stad beter.

L. ook. L. gelooft ook in lopen. In ieder geval zolang we genoeg ‘stops’ inlassen. Pauzes. Uitrustmomenten.
Onze eerste stop is altijd cafe de Pels, op zo’n 100 meter van haar woning. En zo zou ik nog twintig hectometerpaaltjes kunnen slaan bij horeca-uitspanningen op de slechts 2 kilometerlange route van haar naar mij.

Maar daar gaat het niet om. Ik wilde het hebben over gezelligheid, een van de unieksten der Nederlandsche woorden, het gerucht gaat zelfs dat het onvertaalbaar is voor andere landen.

We wankelden de Pels uit. We hadden nog 1.9 kilometer te gaan.
"Heb jij alle tassen", vroeg L.
"Ik denk het wel", zei ik.
We maakten ons er verder niet druk om.

We liepen richting Runstraat, richting de Doffer.
Ik klampte me 50 meter verderop vast aan een etalage.
"Hey", zei ik tegen L., "er staat hier een vreemde tas in de vensterbank. Buiten!"
"Jeetje", zei L.
"Van jou?" vroeg ik.
"Nee, niet van mij", zei L.

We keken naar de tas. Het was een damestasje. Hip. Hij zag eruit alsof er een hoop make-up, reserve-panties en condooms inzaten. En geld waarschijnlijk.
Ik zette L’s tassen op de grond om dit object nader te bestuderen.
Mijn vingers reikten naar de ritssluiting, maar deinsden op het laatste moment terug.

L. ook. L. wilde hem ook openmaken.
"Wacht!", zei ik, "doe maar niet! Straks is het een bom!"
"Een bom?"
"Je weet maar nooit."
""Waarschijnlijk is het een tasje van een meisje dat in het restaurant hiernaast zit te eten."
"Waarschijnlijk wel."
"Wat zullen we doen?"

"Kijk", zei ik "daar lopen twee politie-agenten. Misschien moeten we ze er even bij roepen. Wellicht kunnen ze het opnemen in de categorie gevonden voorwerpen."
"Dikke lul", zei L., "ik heb geen identiteitsbewijs bij me."
"Verrek", zei ik, "ik ook niet."

Toen zijn we maar doorgelopen. En zagen we hoe de twee politie-agenten een oud vrouwtje dat een prima achterlicht voerde op haar brommer, maar tegelijkertijd beschikte over een enigszins haperende voorlamp (zwak flikkerend), zonder pardon op de bon slingerden.

"Dat hebben we slim gedaan", zei ik tegen L, eenmaal veilig aanbeland binnen de muren van de uitspanning op hectometerpaal 1,8.
"Precies!", zei L.

Gezelligheid is een keuze.
Fuck, ik werp maar een stelling op, maar misschien, heel misschien is onze maatschappij best een klein beetje verkouden.

Net als ik. Morgen wellicht weer nader tot u.

462-0614

Op een prachtige maar verraderlijk koude herfstavond vier uur lang continu van dampende kroeg naar verzengend heet cafe marcheren om ter plekke je longen uit je strot te dichten is het mooiste wat er is. Begrijp me niet verkeerd.

Toch heeft die blootstelling aan heftig alternerende temperaturen ook een klein nadeeltje: je wordt er stikverkouden van. En als je dan bovendien, zoals ik afgelopen vrijdag, door omstandigheden (vitamine- slaap- en adequate kleding-tekort in combinatie met drank-, nicotine- en stress-overschot, oftewel mijn dagelijks leven tussen haakjes)  beschikt over een gebrekkige weerstand, dan ben je de lul en word je regelrecht ziek.

Enfin, jullie voelen hem aankomen: ik ben vannacht weer eens niet in staat om een stukje te schrijven.

‘Fraai is dat’, zullen jullie nu misschien denken, ‘en dat noemt zich nou "plukdenacht"! Zodra meneer zich ook maar een beetje in het daadwerkelijke nachtleven stort, kunnen wij het direct schudden qua kopij. Dat geeft geen pas! Kan hij zich dan helemaal niet in onze situatie verplaatsen? Wij willen als ‘s nachts de muren op ons afvliegen op zijn minst een troostend stukje kunnen lezen!’

Jullie hebben gelijk. Ik zal het proberen goed te maken. Brel heeft het gedaan voor de nuttelozen van de nacht, ik schakel op mijn beurt een van mijn favoriete dichters, Charles Bukowski, in voor zij die mij het dierbaarst zijn: de eenzamelingen onder ons.

Komt ie:

Het was weer geweldig

En dan heb ik het over de tweede editie van het gewaagdste poeziefestival van Nederland: ‘Dichter bij de bar’ in Delft.
Stel je voor. Je hebt nog nooit een gedicht gelezen en zit na een drukke werkweek op vrijdagavond een welkome pils weg te tikken in cafe de Pelicaan of een welverdiend vorkje te prikken in restaurant Wijnhaven. Eindelijk rust aan je kop. Komen er in 1 keer twee vreemde snoeshanen binnenlopen die beweren dat ze dichter zijn. Serieus, die eikels wijzen naar een poster op het raam en melden dat dit cafe/restaurant deze avond meedoet aan het een of andere poezie-gebeuren. Quoi? denk je, poezie? Kan dat niet in de bibliotheek ofzo? Moet je mij daar nu juist vanavond mee lastig vallen?
En ja hoor, die gekken klimmen inderdaad op de bar en de cafe-eigenaar zet de muziek uit.
Fuck, denk je, dat heb ik weer.

Bon. Dan nu even naar de andere kant. Het perspectief vanuit de dichter. In deze setting te moeten optreden, is op zijn zachtst gezegd een uitdaging. En daar moet je als dichter maar net van houden.
Je krijgt een nano-seconde initiele aandacht en daarin moet je het publiek direct bij de lurven zien te grijpen. Lukt dit je niet, dan weet je dat hervat geroezemoes je deel zal zijn. Een rabarber-rabarber-rabarber waarin je kansloos bent om ook nog maar iemand te bereiken.
Wat het publiek in die nano-seconde feitelijk zegt is: You’d better be great. Eigenlijk is ‘overrompelend’ een beter woord, maar wat ik bedoel is dat het tamelijk specifieke kwaliteiten vereist om een dergelijk optreden tot een succes te maken. Het knappe van initiatiefnemer en organisator Christiaan Mooiweer is dat hij opnieuw precies die 12 dichters heeft weten te programmeren die tot zulks in staat waren. Het waren stuk voor stuk ambassadeurs die bruggen konden slaan naar de bezoekers, grotendeels poezie-heidenen  verkerend in vergaande staat van onwetendheid.

Ons twaalfkoppige Carnivale zwierf gisteren in 6 duo’s langs 10 horeca-uitspanningen. Ik toerde, net als vorig jaar, rond met Peter M. van der Linden, maar nieuw deze keer: onze niet te vergeten gids Isabel; schat van een meid. Woont nu 11 jaar in Delft, maar ze komt oorspronkelijk uit Zuid-Limburg, net als L. Zoals jullie misschien wel weten ben ik Zuidelijk accent-fetisjist – er zijn dagen dat ik het antwoordapparaat van Belgisch restaurant ‘Lieve’ bel, enkel om een Zuidelijke stem te horen en puur om me gevoeglijk weer goed te voelen – maar Isabels accent was dus in die 11 jaar tijd zo’n 100 kilometer in Noordwestelijke richting geevolueerd, en op de lijn Vaals-Delft aanbeland in Tilburg.   
"Maar kan je het nog wel?" vroeg ik, "Limburgs?"
Dat kon ze. Ze deed het voor.
"Wow", zei ik, "mooi!"
"Ja he?", zei Isabel, "maar Limburgs is in het dagelijks leven niet handig. Ik heb toen ik hier net kwam wonen veel blunders gemaakt."
"O ja?" vroeg ik.
"Ja", zei Isabel, "sommige uitdrukkingen zijn in Limburg net iets anders."
"Zoals?" vroeg ik.
"Ik had het over de WC ‘aftrekken’", vertelde Isabel, "want zo heette dat bij ons. Maar hier in Delft werd daar natuurlijk erg om gelachen, want hoe noemen jullie het ook alweer?"
"Doortrekken", zei ik.
"Precies!", zei Isabel, "dus ze lagen hier natuurlijk helemaal dubbel."
Toch had dit haar blijkbaar geen windeieren gelegd, want naarmate de avond vorderde konden Peter en ik concluderen dat als er iemand in Delft rondliep die heeeeel veel mensen kende, die persoon luisterde naar de naam Isabel. Of beter gezegd: ‘Bel’, zoals ze op straat en in elk cafe door praktisch de helft van de plaatselijk bevolking werd aangehaald.
"’Bel’ is voor vrienden", lichtte ze toe aan Peter en mij, "als jullie willen mogen jullie me ook ‘Bel’ noemen."
Zoals gezegd: een hele lieve schat – als je dit leest, Bel, thanks voor de perfecte begeleiding!

Alleen al de entree van Bel was in bijna elke horeca-gelegenheid een goed begin. Om te beweren dat Peter en ik ‘m daarna alleen nog maar hoefden in te koppen gaat te ver, maar potverdorie, ze hielp wel.
We liepen gedrieenlijk van cafe-restaurant ‘de V.’ naar cafe-reataurant ‘de Wijnhaven’ en kwamen op straat organisator Christiaan tegen.
"Hoe gaat ie?" vroeg hij.
"Helemaal perfect!" riepen we in koor.
"Waar moeten jullie nu naartoe?"
"Naar de Wijnhaven", zei Bel.
Christiaans gezicht betrok; "dat is de moeilijkste plek", zei ie, "tenminste als ik afga op wat ik tot nu toe van de anderen heb gehoord."
"Maak je geen zorgen", zeiden Peet en ik vol bravoure. We hadden reeds 3 succesvolle performances achter de rug en konden een extra uitdaginkje wel gebruiken.

We liepen de Wijnhaven binnen.
"Mijn god, jullie zijn zeker ook weer van die dichters", zeiden twee jonge jongens aan de toog. Ze bekeken ons met de blik van de oude mannetjes die altijd op het balkon zaten bij de Muppetshow.
"Helemaal correct", zei ik.
Ze keken elkaar veelbetekend aan en besloten alvast om mij en Peet, die de zaak naarstig spotte op een goeie plek die als podium kon dienen, tijdens onze verdere aanwezigheid totaal te negeren.
Bel meldde ondertussen onze aankomst bij de barman, bestelde drie fluitjes en liet onze anderhalve literfles Spa Blauw bijvullen. Daarna voegde ze zich aan de grootste tafel, in het hart van de zaak. Ze maakte wat praatjes met bekenden. Een van die bekenden was een iets oudere man die er totaal geen zin in leek te hebben: weer van die dichters. We waren nog niet eens begonnen, maar hij stak zijn protest bepaald niet onder stoelen of banken.

Ik overlegde met Peet: waar gaan we staan? 
"Podiumwet nr 1", zei Peet: "In ieder geval niet op een plek waar we met onze rug naar een gedeelte van het publiek staan."
"Dan wordt het in dit geval bovenop de bar", zei ik en meldde onze voorkeurslocatie bij de cafe-eigenaar.
"Maar de rest heeft voorgedragen vanaf de trap!", zei de beste man.
"Dat kan wezen", zei ik, "maar vind je het okay als wij het hier op de bar doen?"

Ik klonk gehaast. Het moest namelijk snel, we hadden weinig tijd, het was een moordend optreedschema waaraan we ons hadden te houden.
"Het is jullie feessie", zei de eigenaar, "als je daar iets mee denkt te bereiken…"
"Is dat een ‘ja’?"
"Als je dat zonodig wil, vinnik het best."

Bel bespeelde de tafel in het hart van de zaak. Peet zocht in zijn achterzak naar ‘de speedboat van Noah’, en ik, ik klom op de bar: "Goedenavond!"
Ik knalde er een speedboatversie van mijn gedicht ‘de Waterval’ uit. Het schuim was nog niet uitgesopt of Peet sprong op de bar en ging er in een nog hogere versnelling met Noah overheen.
De mensen, ze juichten, allemaal. De twee oude muppets, ze keken. En namen een verloren slok pils. De iets oudere man aan de tafel in het hart van de zaak, hij mompelde. Hij besefte dat ie door Peter M., die hem tijdens de aankondiging van zijn ultieme slamgedicht (dat inhoudelijk appeleert aan collectieve jeugdherinneringen, en overrompelt als een dolle) ten overstaande van het voltallige publiek had toegevoegd: "maar mensen als u hebben waarschijnlijk uberhaupt nooit een jeugd meegemaakt", in retrospect danig op zijn nummer was gezet.
Het was alleen te zien voor de goede observator, maar de iets oudere man na afloop, hij slikte.

Als de poezie wint van de scepsis, dan is dat mooi. Maar als de poezie het wint van oprechte aversie dan is het helemaal schitterend.

Lieve mensen, ik zou er uren over kunnen doorschrijven, er gebeurde weer zoveel, maar de tijd laat het niet toe. Ik ga mij bij mijn lieve vriendinnetje in bed voegen, dat mij al zoveel dagen en avonden zo weinig heeft gezien (zowel het bed als het lieve vriendinnetje
).

1 dingetje nog. De slotmanifestatie op het biljart van cafe de Klok was wederom weergaloos. Het stond bomvol. Schouder aan schouder had tout Delft zich verzameld om de dichters nog een keer te horen. Voor ons dichters een bad, zo warm, dat ik er geen woorden voor heb.

Of eigenlijk toch, maar daarvoor verwijs ik jullie naar de titel van dit stukje.

Dichter bij de bar

Morgen, of eigenlijk nu al, is het vrijdag de 13e. En prima dag dunkt mij, voor jullie, om eens blind op de NS te vertrouwen en een kijkje te komen nemen bij een van de leukste poeziefestivals van Nederland: "Dichter bij de bar" in Delft.

Ter plekke zullen tussen klokke 21.50 en 0.55 dertien dichters (Jaap Montagne, Gijs ter Haar, Joz Knoop, Peter M. van der Linden, Rijn Vogelaar, Harold de Boer, Upperfloor, Karlijn Groet, Alex Franken, Jeroen Naaktgeboren, Harry Zevenbergen, Daniel Dee en mijzelve) in de vorm van 5 duo’s en 1 trio de bar beklimmen van tien plaatselijke horeca-uitspanningen (De Klomp, De Kurk, Doerak, Bebop, Vlaanderen, De Klok, ‘t Boterhuis, De PeliCaan, De V en De Wijnhaven) om poezie te declameren ten overstaande van argeloze cafebezoekers.

Vorig jaar was het een enorm  succes.

Of om Peter M. te citeren: "Wij brachten taal verbaal zo fraai dat het poëtisch werd, dat het zingen werd, dat het als een witte dolk de oren binnenkwam en nog dagen zoniet weken bleef stomen in het innerlijk van de aanwezigen."

Voor nadere info: check deze site.

Inside-tip: mis vooral de afterparty niet, waarbij de totale line-up hopelijk weer zal performen op het biljart van cafe de Klok.