Mededeling

Omdat de website van Helmers momenteel kuren vertoont, doe ik de volgende aankondiging op plukdenacht:

ZONDAG 1 OKTOBER 14.00

Banner_1

Lieve bezoekers van Dichters in Helmers,

Na de warmste september van de laatste 3 eeuwen lijkt de temperatuur nu eindelijk te gaan dalen. De bladeren kleuren geel, er liggen pepernoten in de supermarkt, het is kortom herfst. Oftewel poëzietijd!

Op Zondag 1 oktober, vanaf 2 uur ’s middags  wordt het nieuwe seizoen van “Dichters in Helmers” geopend.

Er zijn 9 dichters te beluisteren:

Buddingh’prijswinnaar Willem Thies, Festinakampioen Jérôme Gommers, Fries fenomeen Cornelis van der Wal, NK-slam-kandidaat Krijn Peter Hesselink, de Iranese dichteres Nafiss Nia, de Utrechtse publiekslieveling Doeke Fennema, Dorpsoudste de Jong en zijn achternaamgenoot Boris de Jong plus de levensbestormende Sylvia Hubers zullen meedingen naar de boekenbonnen van Hoogstins.

De presentatie zal in de vertrouwde handen zijn van Lianne van Gemert

Mis het niet!!!

De toegang is uiteraard GRATIS!

Advertisements

Neruda

Vragen van Neruda aan Ariaans

(In Vragen van Neruda reageert een dichter op drie vragen uit het Boek der Vragen van Pablo Neruda. Deze keer: Sven Ariaans.)

Waarom herinneren oudjes zich
niets van schulden of brandwonden?

Wat zeg je me nou, Pablo, meen je dat werkelijk? Even afgezien van Altzheimer-patienten (god hebbe hun geheugen) is mijn ervaring dat oudjes zich schulden maar al te goed herinneren, om van brandwonden nog maar te zwijgen. Maar misschien is het juist dit zwijgen dat je bedoelt, Pablo. Dat zou heel goed kunnen. Jij kwam uit een land waarin je levensverwachting drastisch daalde zodra je het waagde je mond open te doen. Helden worden niet oud, dat weten we allemaal. En wie de honderd wil halen doet er sowieso, ook in een relatief veilige omgeving, verstandig aan de ogen zo af en toe te sluiten, de lippen verzegeld te houden en het geheugen selectief te laten opereren. Maar zal ik je eens iets geks vertellen, Pablo, nu we hier toch zitten te keuvelen? In het land waar ikzelf vandaan kom, zijn het juist de oudjes die zich danig roeren in gesprekken over schulden en brandwonden die zijn aangedaan en opgelopen gedurende de enige serieuze oorlog die wij hier in het recente verleden hebben gekend. En als je hun overlevering mag geloven waren ze allemaal een held, Pablo, de Nederlandse oudjes. Velen hebben brandwonden opgelopen, wat vaak de schuld was van de overburen, door wie ze verraden werden. Het is frappant, maar in dit land zijn alle overburen dood en alle helden nog in leven. Wij zijn een volk van uiterst bekwame herinneringsruiters, Pablo. Maar vertel alsjeblieft tegen niemand dat ik dit gezegd heb, want voor ik het weet ben ik de pisang. In mijn land is het verstandiger te zwijgen over een geschiedenis die je niet hebt meegemaakt.

Poëzie? Ah, je wou het over poëzie hebben. Alors… Dat werpt een ander licht op de zaak. Of misschien ook niet. Wat zal ik zeggen? Zowel de jeugdigen als de oudjes zijn hier niet te beroerd om de reuzen op wiens schouders ze hebben gestaan zo af en toe te roemen. Schulden worden netjes ingelost, er staan maar weinig rekeningen open. En wat hun brandwonden betreft: die worden hier door de dichters breed uitgemeten. Je weet Pablo: een artiestencarièrre is gebaat bij een vette amplitude. Succes is belangrijk, maar periodes van gehavendheid niet minder. Een voormalig bestaan als maudit kan voorwaar geen kwaad en een ongelukkige jeugd is een goudmijn. Ook fictief.

Wie kan de zee bewegen
redelijk te zijn?

Kom nou toch Pablo, de zee is redelijk. Bijna per definitie. Hoe zal ik dat eens proberen duidelijk te maken? Hier voor de Nederlandse kust ligt de zee erbij als een ‘kuil vol afval’, gelijk het hart van die geliefde waarover je vroeger eens hebt gedicht. Ha, ha. Had je op die leeftijd eigenlijk Shakespeare al gelezen? Of wist je nog niet dat je een vrouw nooit tegen je in het harnas mag jagen? Hier in Nederland zeggen ze al eeuwen over de zee dat ze geeft en ze neemt. Ook een oude nationale volksspreuk is: "wie kaatst kan de bal verwachten". Wel, de zee Pablo, en dat weet jij als geen ander, is weliswaar een trage, maar ook een verdomd effectieve kaatser die de bal uit de onmogelijkste hoeken weet te retourneren. De zee heeft geduld en een oneindig geheugen. Alles keert uiteindelijk weer om. Maar hoewel het mechanisme in principe hetzelfde is, prefereer ik toch de zee boven een muur. In de zee kan je zwemmen. Gestreeld worden door de stroming, gelikt door het schuim. De zee, mijn lieve Pablo, heeft gevoel. En je zal mij niet horen zeggen dat muren dat niet hebben, maar toch. Muren zijn een stuk meer macho. Iedere klimmer zal je het kunnen vertellen: niet jij bepaalt of je boven komt, maar de berg. Bergen eisen respect, en als je dat ook maar een seconde niet uitstraalt, glij je direct uit over het eerste beste steentje en tuimel je in een hectometerdiepe gletsjerspleet. De zee daarentegen heeft geduld, ik zei het al. Ze kan een hoop slikken en geeft je de tijd om fouten te herstellen. Maak daar echter geen misbruik van. Denk nooit: ‘recht zo ie gaat, en voor de rest zien we het wel’, want op het moment dat die gedachte toeslaat betreed je de gevarenzone. Het kan lang duren of het kan kort duren, maar als je volhardt in de gedachte met alles weg te komen ontkiemt de dag waarop de zee het niet meer zal slikken. De dag waarop haar de schelpen van de ogen zullen vallen en dat ze opeens zal zeggen: Bekijk het maar! En tja, dan tovert ze onder een oorlogshemel (jeetje, waar komt die zo plotseling vandaan?) golvensalvo’s tevoorschijn ter grootte van de Niagara-watervallen en word je met huid en haar verzwolgen. Je kent het wel. Op de lange termijn geldt: what you give is what you get. And what you don’t, you don’t.

Ik weet het Pablo, ik zeg niets nieuws. Dat doe ik overigens ook niet in mijn gedichten. Net als de zee kaats ik terug wat er in mij is gestopt. Het voornaamste wat ik aan de werkelijkheid verander is dat ik haar stroomlijn, vloeiender maak. Daarnaast ben ik net als jij niet vies van grote woorden, tot op het bombastische af zelfs, en ben ik verkikkerd op pathetiek. Jij won er ooit de Nobelprijs mee, ikzelf heb het op die manier geschopt tot nationaal topscorer allertijden op het gebied van de poetryslam. Of we daar gelukkiger van zijn geworden? Laten we eerlijk wezen: ik denk van wel.

Bestaat er iets treurigers op de wereld
dan een stilstaande trein in de regen?

Grappig dat je dat ook aan mij vraagt. Je vroeg het al eerder aan iemand anders en die antwoordde dat een stilstaande trein in de hitte hem nog veel treuriger leek. Ik mag misschien niet voor jou spreken, Pablo, maar als ik die stilstaande trein en die regen even beschouw als metafoor (wist je trouwens dat er na je dood een erg succesvolle film is geweest, volledig gebaseerd op die neiging tot rechtlijnige metaforen van jou? Ging er in als koek bij het publiek: een verhaaltje over een Italiaanse Postino die het mooiste meisje van het dorp weet te versieren dankzij jouw enthousiaste inwijding van de beste man in de wereld van simpele poëzietechnieken – Madonna draagt nog een gedicht van je voor op de bijbehorende CD; ze vond je erg ‘cool’, heeft ze later in een interview verklaard, dus je hoeft je de komende twee generaties geen zorgen te maken over je urgentie, haha), dan vind ik het beeld van een uitgerangeerde dichter die zowel zijn inspiratie als zijn publiek is verloren toch net iets triester dan dat van de poëet die weliswaar stilstaat in zijn ontwikkeling maar ondertussen voluit onder het hete licht van de schijnwerpers bivakkeert. Met de laatste hoef je geen medelijden te hebben. Het publiek wil toch niets liever dan dat hij/zij zijn oude kunstje herhaalt. Ik weet: iets anders willen en het niet kunnen is droevig, maar als zulks nu eenmaal de situatie is, dan blijft het nog altijd prettiger om te worden bejubeld dan in zure recensies te worden afgeserveerd.

Maar wat nog erger is: helemaal te worden genegeerd. Hoe zal ik het zeggen, Pablo? Ik vind regen soms ook iets gezelligs hebben en hoewel ik besef dat ‘gezellig’ een typisch Hollands woord is dat volgens sommigen onvertaalbaar is, heb ik het idee dat jij je er wel iets bij voor zal kunnen stellen. "Ik voelde me eenzaam als een tunnel. Van mij vluchtten vogels en de nacht betrad me met zijn machtige invasie.", dichtte je, "om mijzelf te overleven smeedde ik jou tot een wapen, tot een pijl op mijn boog, tot een steen in mijn slinger." Je schreef dat in het gedicht ‘Vrouwenlichaam’. ‘Cuerpo de mujer’ zo je wilt, maar mijn Spaans is verder niet zo goed, vergeef me.

Anyway. Om te antwoorden op je laatste vraag; ‘bestaat er iets treuriger
s op de wereld dan een stilstaande trein in de regen?’ zou ik willen zeggen: "Jazeker: een stilstaande trein in de regen en geen vrouw die wil duwen."

Alexander

"Komt er vanavond nog iets op TV?" vroeg ik het afgelopen weekend aan L.
"Weinig", zei L., "alleen een Franse film."
"Een goeie?" vroeg ik.
Ze bladerde terug in het Parool om de bijbehorende TV-recensie te lezen.
"Hmmm", mompelde ze, "hij heeft geen rood aanbevelingsvinkje."
Daarna zei ze: "de kritiek eindigt met ‘geschikt om mysterieus kijkend een sigaretje bij te roken.’"
Ik wist genoeg. Dat werd dus de videotheek.

Ik bedoel, ik was ziek. Ik had recht op simpel vermaak. "Liefje", zei ik, terwijl ik mijn hoofd schuin hield en haar zo zielig mogelijk probeerde aan te kijken, "zou jij het heel erg vinden om een paar DVD’s te gaan huren?"

De lieve schat kwam terug met een flinke stapel waaronder "Alexander", het mega-epos van Oliver Stone over de grote Griekse wereldveroveraar. Een film die naar ik hoopte bijna 3 uur lang garant zou staan voor bloedige veldslagen onder leiding van een van mijn favoriete imperialisten.
En ik moet zeggen: mijn hoop was niet ijdel. Er werden aardig wat Perzen doorkliefd en de manier waarop dat gebeurde werd aangenaam smakeloos in beeld gebracht.
"Gatsie", zei L. als weer eens een sierlijke curve van een afgehakte arm perfect werd gevolgd door de camera, of als de hals van een onthoofd lichaam voor bloedvulkaan speelde, "moet dat nou?"
"Tsja liefje", zei ik met 9 maanden militaire dienst in mijn broekzak, "dat is nou eenmaal oorlog."
Ik pelde een pistachenootje open.
"Vind je dit echt leuk om te zien?" vroeg L.
"Nou", zei ik, "het gaat me eigenlijk vooral om de tactieken."
"Tactieken?"
"Ja", zei ik, "met een legertje van 40.000 man een zwaarbewapende overmacht van een kwart miljoen in de pan hakken, daar moet je strategisch gezien toch tamelijk briljant voor zijn."
"O."
"Inderdaad", zei ik, "kijk! Aandacht afgeleid naar de flanken, gat gecreeerd in het midden en doorstoten maar! Het is net voetbal."
"Voetbal?"
"Bij wijze van spreken dan. Er komt in zo’n oorlog natuurlijk nog veel meer bij kijken. Zoals bijvoorbeeld psychologie. Kijk! Nu gaat ie hoogstpersoonlijk hun leider vatten! Dat ie zulks uberhaupt durft te proberen betekent natuurlijk al een mentale dreun van jawelste voor de Perzische troepen. En als die Osama-looalike ‘m nu zou proberen te peren, dan is het gebeurd. Dan is het gedaan met het moreel van het Oosterse leger."
"Die Osama kijkt nu inderdaad verdomd angstig uit zijn ogen."
"Precies! How to bluf your way into woestijnbattles! Go Alexander!"
Voor ons ogen galoppeerde de jonge blonde Griekse halfgod op zijn volbloed vervaarlijk zwaaiend met zijn vooroorlogse Excalibur regelrecht richting de machthebber van Babylon. En niet zonder gevolgen.
"Baardmans peert ‘m!" riep L.
"Ik wist ‘t!" juichte ik, "Alexander is my man!"
"Dat doet ie inderdaad niet slecht!" zei L., "voor een homo."

Het was waar. ‘Alexander’ toont praktisch onverhuld dat Griekenlands grootste held bepaald niet vies was van ‘s lands traditie, oftwel een voorkeur had voor het gaatje waar het vlees zich het strakst om de lul spant. Met als gevolg onbezwangerde vrouwen en een boezemvriend die geen moment van zijn zijde mocht wijken.

In Amerika is de film totaal geflopt. Iets waar ik in eerste instantie niets van begreep. Ik bedoel, de Westerse heroiek was er dusdanig dik bovenop gelegd (het Perzische leger bestaat uit ‘slaven’, die worden geregeerd door een ‘dictator’, die er bovendien uitziet als Osama Bin Laden, en Alexander wil die slaven ‘bevrijden’, en als ‘m dat is gelukt, dan wil ie niet ‘rusten voordat de voortvluchtige leider gevangen wordt genomen’, en laat ie zijn leger gevoeglijk nog jaren jagen, tot Osama uiteindelijk in een uithoek van de wereld wordt gecaptured, en daarna komt alles helemaal goed met de wereld), dat ik het niet vreemd zou hebben gevonden als de conservatiefste hawks uit de meest rechtse Amerikaanse denktanks ‘Alexander’ het liefst als verplichte kost voor elke Highschool hadden gezien.
Hier hoefde je niet bij na te denken, dacht ik, er was geen spoor van de Franse cinema te bekennen. Dit was straight propaganda voor het Bushregime.
Maar dus toch geflopt. Blijkbaar vergeten dat er in de Verenigde Staten nog altijd sprake is van een enorme homofobie.

And now for something completely different. Vanavond keek ik even naar Oprah. James Blunt was te gast. Nou weet ik dat het bepaald niet bon ton is om met James Blunt te dwepen, maar goed.
Ook deze avond brak ie toonladders met die engelogen van ‘m en die verbeten trek om zijn mond. Sorry, ik vind hem ‘echt’, voor wat dat waard moge zijn.
Toch, vanavond bij Oprah, ging het even falikant mis. James zong zijn grootste hit ‘You’re beautiful’ (nu ook nr 1 in de billboardchart van Amerika) en er leek geen vuiltje aan de lucht.
Maar verdomme. Daar waar Jim Morisson het tijdens zijn debuut bij Amerika’s dichtst bekeken programma presteerde om tijdens het zingen van ‘Light my fire’ het door de producenten vooraf verboden woord ‘high’ extra hard in de camera te schreeuwen, daar bleek James Blunt aan de tekst van nota bene het zoetsappigste nummer van het afgelopen decennium, consessies te hebben gedaan.
Natuurlijk, er was inderdaad dat ene zinnetje. Maar dat was zoooo onschuldig. Het zorgde ervoor dat het nummer In Europa nog net een beetje te pruimen viel.
Maar vanavond zong James in plaats van "I was fucking high", bij Oprah voor de gelegenheid: "I was flying high".

De sukkel.
De nepsoldaat.

Zal ik eens dramatisch doen? Ach ja, waarom niet. Dat mag best als je een paar dagen ziek bent geweest, geen alcohol meer gewend bent, en het grote niet meer van het kleine kan onderscheiden zodra je de eerste procenten weer in je giechel kiept. Komt ie:

Ik kan bijna 40 jaar na dato alleen maar constateren dat we er op achteruit zijn gegaan.
Ik ben conservatief, en mis een hoop van vroeger. Ik mis de gulden. Ik mis de uit het assortiment genomen pizza’s con frutta van de Albert Heijn. Maar bovenal mis ik nieuwe boeken van Salinger.

Ik wil graag goed geschreven lezen hoe het nou echt met ze gaat, die Amerikanen. Misschien dat ik dan snap wat ze van plan zijn.

Doktertje spelen

Om nou te zeggen dat ik weer gezond ben is overdreven, maar de koorts is pleite en mijn poten weten me overeind te houden.

Dit was niet precies zoals ik het vanmiddag over de telefoon formuleerde tegen mijn moeder, maar de strekking was hetzelfde.
"Gelukkig", zei ze.
"Ja", zei ik.
"Ik was erg bezorgd", vertelde mijn moeder, "je klonk zo zielig afgelopen donderdag."
"Ik was ook erg zielig", zei ik.

"Weet je nou wat het geweest is?" vroeg mijn moeder, "heb je de dokter nog langs laten komen?"
"Langs laten komen?"
"Ja", zei mijn moeder, "een huisbezoek."
"Nee", zei ik, "daar doet mijn dokter niet aan. Althans niet buiten een straal van 200 meter vanaf haar praktijk."
"Wat is dat nou weer voor een onzin!"
"Dat is Amsterdam", zei ik.
"Dan neem je toch een andere huisarts!" riep mijn moeder.
"Ook dat kan je vergeten", zei ik, "in Amsterdam."
"Hoezo?"
"Alle huisartspraktijken zitten vol. Ze nemen alleen nog maar nieuwkomers aan, die hier net zijn komen wonen. Want dat zijn ze verplicht. Maar de rest kan het shaken."
"Nou ja!" riep mijn moeder.
"Wat je zegt", zei ik.

"Wat een belachelijk verhaal", zei mijn moeder, "dus toen moest je een afspraak maken, om met 40 graden koorts zelf helemaal naar je dokter toe te strompelen?"
"Was het maar zo makkelijk", zei ik.
"Hoezo?" vroeg mijn moeder op een toon die verried dat ze vermoedde dat ze in de maling werd genomen.
"Ik begin er niet meer aan", zei ik, "een afspraak proberen te maken met mijn dokter. De laatste paar keer dat ik dat deed kreeg ik haar assistente aan de lijn die me gevoeglijk afscheepte met het standaardantwoord: ‘een afspraak is niet nodig; ik zou het nog even 5 dagen aankijken, en als de klachten dan niet minder worden mag u opnieuw contact met ons opnemen’. Waarna ik steevast 14 dagen later een factuur op de mat kreeg a 30 euro voor het ‘telefonische consult’."
"Nou ja!" riep mijn moeder.
"Wat je zegt", zei ik.

"Dus nou weet je nog steeds niet wat het geweest is?" vroeg mijn moeder.
"Jawel", zei ik, "tenminste, L. heeft het even gegoogled. Vanwege de symptomen: de keel- en de hoofdpijn, de opgezette lymfeklieren, de opgezwollen amandelen en de verdere malaise, konden we via het ziekteverloop, het patroon van de hoge koorts die na 72 uur iets minder werd, decuceren dat het hoogstwaarschijnlijk om amandelontsteking gaat, of is gegaan. De omstandigheden die deze ziekte kunnen veroorzaken (nasleep van de ziekte van Pfeiffer, overspannenheid en/of blootstelling aan diverse bacteriele en/of virale infecties tegelijk) maken dat wij onze hypothetische diagnose een waarschijnlijkheid durven toe te dichten van meer dan 95%, aangezien de patient aan al deze voorwaarden min of meer voldoet.
We hopen eigenlijk nu nog alleen dat ik snel een slechte adem krijg, want dat zou betekenen dat zich ter plekke een abces ontwikkelt, een veelvoorkomend vervolgsymptoom cq probleem, en in dat geval weten we het dus praktisch zeker."

Okay, laat ik eerlijk zijn. Net als de eerste alinea van dit stukje formuleerde ik ook die laatste tegenover mijn moeder net iets anders. Ik bedoel, ik heb haar natuurlijk gewoon gerust gesteld. Ik heb haar op de mouw gespeld dat het met de zorg voor haar lieve zoontje uiteindelijk best wel goed is gekomen.
Maar dat laat onverlet dat ik naast mijn eerdere pleidooi voor meer fietsenmakers, tevens wil oproepen tot het aanstellen van meer huisartsen. Dit land is het afgelopen decennium zoveel slechter geworden. Serieus. Vooral qua dienstverlening.

Nederland werkt? Misschien in de betekenis van werkdruk. Maar in de zin van functioneren?
M’n ballen.

Huishoudelijke mededeling

Hb_fever_boy

Nee, dit is geen sigaret.

Integendeel. Momenteel doet zich de unieke situatie voor dat ik al drie dagen niet heb gerookt.
De reden daarvoor kan worden gevonden op mijn thermometer. Dachten jullie dat het buiten warm was voor de tijd van het jaar, dan zijn jullie nog niet in mijn lichaam geweest. Want daar heerst een regelrechte hittegolf. Zowel woensdag, donderdag als vrijdag temperaturen van boven de 40 graden.

Pauvre moi.

Enfin, jullie snappen dat ik de afgelopen dagen even niet in staat was tot stukjes. Zonder sigaretten kan een mens immers niet schrijven.

Neruda

Neruda_jong

Olaf Risee stuurde mij precies 4 weken geleden een mailtje waarin hij vroeg of ik op drie vragen wilde reageren ("het hoeft niet per se een antwoord te zijn") uit het ‘Boek der vragen’ van de Chileense dichter en Nobelprijswinaar Pablo Neruda.

"Ik hoop dat je wilt meewerken en zie alvast uit naar je reactie", schreef Olaf.

Natuurlijk wilde ik meewerken. De eerste dichtbundel die ik in mijn leven had gekregen was ‘Veinte Poemas de Amor y una Cancion Desperada’ geweest en sindsdien heb ik altijd een zwak gehouden voor die ouwe trouwe Pablo.

‘Veinte Poemas de Amor y una Cancion Desperada’ (1924) betekende Pablo’s doorbraak op 20 jarige leeftijd. Het ‘Boek der vragen’ (1973) was zijn allerlaatste werk (op 23 september 1973 stierf hij, 69-jaar oud, aan leukemie). Dit waren de drie vragen die Olaf voor me had geselecteerd:

Waarom herinneren oudjes zich
niets van schulden of brandwonden?

Wie kan de zee bewegen
redelijk te zijn?

Bestaat er iets treurigers op de wereld
dan een stilstaande trein in de regen?

Stilstaande_trein_in_de_regen

Sinds gisteren zijn mijn reacties op deze vragen hier te lezen.

Into great silence

"Heb jij de PS van het Parool ergens gezien!" riep ik tegen L.
"Hoezo?" vroeg ze.
"We moeten vandaag naar een film!" antwoordde ik, "en ik wil weten wat er draait."
Ik had zojuist ontdekt dat we nog precies 12 uur hadden voordat de termijn zou verstrijken waarbinnen ons Albert Heijn-ticket voor een gratis tweede bioscoopkaartje geldig was.

Knabbelend op pepernoten (25 graden Celsius, maar ze zijn er al, met dank aan diezelfde Albert Heijn) namen we de minirecensies door van het huidige filmaanbod.
"Zie je iets?" vroeg ik aan L.
"Weinig", zei ze, "maar misschien is dit wel wat: Fateless."
"Hoeveel sterretjes heeft ie?"
"Vier."
"Wow", zei ik, "klinkt goed. Waar gaat ie over?"
"Aangrijpend Holocaustdrama over een Hongaarse jongen die 3 concentratiekampen overleeft", las L. voor, "en voor wie de bevrijding nauwelijks voor verlichting zorgt."
We grinnikten even.
L. en ik, wij zijn gek op ellende.
"Is een optie", zei ik, "heb je nog meer?"
"Ja deze", zei L., "ook vier sterren: Into great silence. Een sobere documentaire over strenge kartuizer-monniken, die in een Frans klooster een ascetisch, zwijgend leven leiden."
"Jeetje", zei ik, "hoe kan je daar in godsnaam een interessante film van maken?"
"Weetikveel", zei L, "blijkbaar kan dat heel goed, want hij duurt bijna 3 uur."
"My God!" riep ik, "3 uur!? Dat is briljant! Waar draait ie?"
"In Rialto."
"Ai, Rialto. Zouden die AH-kaartjes daar wel geldig zijn?"
"Bel anders even", suggereerde L. en las het telefoonnummer aan me voor.

"Met Rialto", zei de telefoniste van het highbrow filmhuis.
"Met Sven. Ik heb een kort vraagje", zei ik. Enigszins beschaamd vervolgde ik: "Euh.. de Albert Heijnkaartjes, zijn die euh.. ook bij jullie geldig?"
"Albert Heijn-kaartjes?" vroeg de telefoniste.
"Ja, de vouchers die door het bekende supermarktbedrijf worden verstrekt en die recht geven op een gratis tweede entreebewijs voor de cinema", probeerde ik zo deftig mogelijk.
"Dat moet ik even navragen", zei de telefoniste.

Het bleek geen probleem, dus stapten L. en ik even later met een rugzakje vol pils en Pellegrino spuitwater richting het snobparadijs aan de Ceintuurbaan.

"Zit er eigenlijk een pauze in", vroeg ik aan de cassiere, die nors mijn AH-kaartje accepteerde als een deel van de geldige betaling.
"Nee, natuurlijk niet", antwoordde ze.
Voor mij het teken om als een sprinkhaan naar buiten de jumpen en in de portiek als een windhoos aan twee sigaretten tegelijk te zuigen, daar evenzoveel minuten ons scheidden van de start van de documentaire, die zoals gezegd bijna 3 uur zou gaan duren.
"Heb ik nog tijd om een koffie verkeerd te bestellen?" vroeg L.
"Ik zou het niet doen", zei ik tussen twee hijsen door, "je weet hoe ze zijn hier. Als je hier een halve minuut te laat binnenkomt, zit tijdens de rest van de film de helft van het publiek je giftig aan te staren omdat je zogenaamd het begin hebt vergald en daarmee meteen hun complete zondagmiddag."

Precies op tijd namen we plaats aan de flank van een rij stoelen in de overvolle onderzaal van Rialto. Een seconde nadat we waren gezeteld, dimde het licht en verscheen op het doek een geluidsloze beeldintroductie van de maatschappij die de film had geproduceerd. Direct gevolgd door de al even geluidsloze minutenlange projectie van de titel.
In een automatische reflex wilde ik tegen de technici van Rialto roepen dat ze het geluid waren vergeten aan te zetten, maar gelukkig besefte ik net op tijd dat er hier waarschijnlijk sprake was van een sterk staaltje van vorm en inhoud versmelten, en wist ik mijn lippen godzijdank op elkaar te houden.

Het is altijd weer even wennen, dat artistiekerige gedoe.
De film zelf opende met een shot van een monnik. Hij zat in zijn kamertje op zijn knieen te bidden tegen een muur. In stilte. Er was niks te horen. Te zien was er ook weinig, daar hij werd gefilmd van de zijkant en zijn wellicht prevelende mond aan ons zicht was onttrokken. Er was geen waarneembare actie. Voor hetzelfde geld was het een pop.
De shot duurde 5 minuten.
Best lang.

Dat vond ook een jongen op de eerste rij. Hij besloot iets op te duikelen uit zijn plastic tas om de verveling de kop te bieden. Ik kon niet zien wat precies. Een flesje spa wellicht, een rolletje Rang, of pepermunt misschien, je mag het niet uitsluiten.
"Ritsel", zei zijn plastic tas in ieder geval.
"TSSK!", snoof het publiek. "Nou ja!" hoorde je velen gnuiven. Het echtpaar naast me; zij: latente lesbienne met bloempotkapsel en hippe bril, hij: keurige heer met diepe rimpels en kraaloogjes, zouden de rest van de film hun blik vol toorn niet meer van hem afwenden.
Kijkend naar mijn buren snapte ik opeens weer waarom in spreekwoorden is vastgelegd dat blikken dodelijk kunnen zijn.

Net als stiltes overigens.
Into great silence.
Welk een ellende.
Man, ik kreeg echt respect voor die monniken. Zelfs zoveel dat ik mijn pilsjes in mijn rugzak mijn pilsjes liet zijn. Ik wilde wel eens efkes met die monniken mee lijden, nu ik hier toch zat. Het was gegeven de omstandigheden uberhaupt het hoogst haalbare, een eersteklas reality experience.

Terwijl naast me L. de oogjes allang had toegedaan om het op een geluidloos snurken te zetten, volgde ik vroom de beelden van de gebeden en glimlachte samen met de rest van het publiek na anderhalf uur voor het eerst een voorzichtige glimlach toen een oude monnik strompelend door de sneeuw, leunend op een schep, waarempel eens vriendelijk in de camera grijnste.
Ach, denk je op zo’n moment met je tijdelijk geindoctrineerde hoofdje, je hebt inderdaad maar zo weinig nodig om gelukkig te zijn.

Maar het kon nog veel mooier. Een keer in de week mochten de monniken uit wandelen. Dan maakten ze lange tochten door hun directe omgeving, te weten de hoge Franse Alpen, en gedurende die schaarse uurtjes was het wel geoorloofd om met elkaar te praten. Niet dat dit leidde tot enorm hoogstaande gesprekken op spiritueel niveau, maar toch. Soms gaf het je als kijker het idee dat er wel degelijk van enig menselijk contactelijk verkeer sprake kon zijn.
Om ter illustratie een dialoog op te tekenen:
"Misschien moeten we het handen wassen voordat we de refter ingaan maar eens afschaffen."
"Afschaffen?"
"Ja het is niet echt nuttig. Het heeft op zich weinig zin."
"Daar verbaas je me mee, broeder. Het is een daad die bol staat van symboliek. En als we onze symbolen loslaten, breken we in feite de muren van ons huis af. In die zin is het dus wel degelijk nuttig."
"Tsja, daar heb je gelijk in broeder. Misschien is het mijn probleem. Ik vergeet altijd om van tevoren mijn handen vuil te maken."

Daar moest ik persoonlijk erg hard om lachen. Ik vond het een behoorlijk geslaagde grap. Maar de rest van het publiek ging daar helaas niet in mee.
Dat lachte pas een uur later, tegen het eind van de documentaire, toen de slimme filmmaker een gegarandeerd scorend shotje had ingemonteerd van de kartuizer-monniken die tijdens een van hun wandelingen door de Alpentoppen, een keertje vet uit de band sprongen door in hun pijen van een sneeuwhelling af te roetsjen.
De latente lesbienne en de kraalogige buurman veegden de tranen van hun wangen na dit jolige vertier.
En konden dus toch nog blij naar huis.

Alwaar ze gevoeglijk tijdens een van hun onvermijdelijke eetdates deze documentaire van harte gaan aanbevelen bij vrinden.

Ik moet zeggen: ik geef ze geen ongelijk.