En vacances

Morgen is het zover. Dan vertrekken L. en ik weer voor 3 weken naar Zuid-Frankrijk.
Eindelijk rust na opnieuw 49 weken het landsbelang in het algemeen en de economie in het bijzonder te hebben gediend.

Toch blijft het altijd een beetje eng. Zo lang zo ver van huis bedoel ik. Ken je die mop van die man die op vakantie gaat?
"Die ging niet", hoor ik je denken.
Nou, mooi dat ie wel ging. En toen gebeurde het volgende:

Een man gaat op vakantie en een vriend van hem past op het huis.

Als hij lekker in Frankrijk op een strandje aan een riviertje een boekje ligt te lezen wordt hij gebeld door zijn vriend. Hij vraagt zijn vriend wat er aan de hand is.
"Nou", zegt die vriend, "ik heb per ongeluk je schep gebroken. Is het goed als ik een nieuwe koop?"
"Natuurlijk", zegt de man, "maar wat moest je in godsnaam met mijn schep?"
"Nou," zegt zijn vriend, "je kat begraven!"
"Mijn kat begraven!?" roept de man.
"Ja, ze lag lekker op het tuinpad te zonnen toen de brandweer aankwam en haar overreed…"
"De brandweer?!" schreeuwt de man.
"Ja, die kwamen de schuur blussen!"
"De schuur?! Stond die in de fik dan?!"
"Ja, overgeslagen uit het huis…"
"Het huis!?! Wat gebeurt daar allemaal?!? Heb je ook nog goed nieuws voor me?"
"Ja," zegt de vriend, "toevallig dat je dat vraagt! Ik maak net een envelop open met de uitslag van je aids-test. Geen paniek, die is positief!"

Dat bedoel ik. Je kan echt geen seconde weg of de pleuris breekt uit. Ja, in je gedachten dan he. Want in werkelijkheid gebeurt er natuurlijk helemaal niets. Niet in je huis, niet met je katten, en zelfs niet in Nederland. Het heftigste nieuws dat ik in de afgelopen 37 jaar dat ik op vakantie ging heb meegemaakt, is dat Willem Ruis plotseling was overleden. Ik herinner me het gezicht van mijn moeder nog precies, toen ze vers terug binnen de landsgrenzen op tankstation Hazeldonk de covers van Prive, Story en Weekend spotte in de schappen. Op slag kleurde mijn mama lijkbleek.
"Wat is er?" vroeg mijn vader, terwijl hij aan de balie een ‘kaartje’ (zoals mijn ouders girocheques noemden) uitschreef om de benzine te betalen.
"Willem Ruis", stotterde mijn moeder, "…"
"Wat!?" riep mijn vader, "wat is er met Willem Ruis!?"
"Dood…", snifde mijn moeder.
"Arrgh!", schreeuwden mijn zusje en ik, en we renden naar de tijdschriften.

Ach ja. Hoe mooi was die tijd. De dagen dat Willem Ruis nog de belangrijkste bindende factor vormde, waar het de gemeenschappelijke interesses van ons gezin betrof.
We waren braver dan de onschuld en raakten desondanks van slag door de dood van een cokesnuivende schuinsmarcheerder.

Er is veel veranderd. Wat allemaal, daar zal ik nu niet over uitwijden. Bottom line is dat mijn ouders nu globetrotten dat het een aard heeft (op dit moment bivakkeren ze vrolijk in het rampgebied op Java, waar ze sinds het begin van hun reis al twee aardbevingen en een tsunami hebben overleefd), en L. en ik, wij gaan elk jaar trouw naar dezelfde stek in de Franse Alpen, rustig aan, geen risico. Mijn zusje, die neemt helemaal het zekere voor het onzekere en blijft al decennia gewoon lekker thuis in haar flatje op 4-hoog in het altijd even pitoreske Tiel.

Enfin (om maar eens met Martin Bril te spreken).
De komende drie weken zit ik lekker in Frankrijk op een strandje aan een riviertje een boekje te lezen. Die gok neem ik.

Of ie goed uitpakt, dat krijgen jullie later te horen.
Overigens niet pas over drie weken. Want!
Ik ga mijn laptop meenemen!
Dom dom dom, ja ik weet het. Maar ik heb zo het vermoeden dat ik eens per week een stukje zal plaatsen (er schijnt ergens in de Franse Alpen een internetcafe te zijn).
En bovendien heeft L. beloofd om haar stukje dat ze heeft geschreven voor de Martin Bril-contest in de Volkskrant, waarbij ze zich had vergist in de deadline, hier op plukdenacht alsnog het publieke levenslicht te laten zien.

Maar goed. Nu moet ik dus echt naar bed, want anders sneuvelen we morgen al op de A2, nog voor we de kans hebben gekregen om ons tussen de andere oververmoeide gekken op de peage te storten.

Lator!

Advertisements

Zeldzaam

Vanaovnd verliet ik het verlaten kantooreiland. Iedereen was al lang naar huis. Er heerste een desolate sfeer.
Er was echter 1 ding dat ik voor had op mijn reeds lang vertrokken collega’s: Ik had vanaf nu vakantie.

Dikke lul, dikke middelvinger, dikke alles, ze konden me vanaf nu de ballen hachelen, ik was vrij.
Drie weken lang zou ik spoorloos zijn, totally verschwunden. Al zou de wereldeconomie zelve naar de kloten gaan, ik was weg.
Een aangenaam gevoel maakte zich van mij meester.

Hoe zou Floyd Landis, de voormalige meesterknecht van Armstrong, zich hebben gevoeld, vanochtend? Vannacht? Nadat ie vanuit het geel was teruggeworpen naar een 11e stek, op meer dan 8 minuten achterstand?
Kansloos?
Uitgerangeerd?

Mais non. Natuurlijk niet. De beste renner uit de Tour van 2006 zag zichzelf eindelijk buiten de schijnwerpers geplaatst, en pleegde een countercoupe van het formaat waar Bernard Hinault nog een puntje aan kon zuigen (dit is even voor diegenen die de Tour volgden in de tijd van Zoetemelk en Kuiper).

Ik vond het weergaloos. Fenomenaal. Ik betrapte mezelf erop dat ik wilde juichen voor de man die ik gisteren gniffelend tenonder had zien gaan.

Vergeet dat ik Amerikanen eikels vind. Vergeet dat Floyd Landis een kop heeft om op te schieten.
Onthou dat dit de enige man was met lef in zijn donder.
De enige man die dacht: "Dikke lul, dikke middelvinger, dikke alles."
De enige man die dacht "ze kunnen me de ballen hachelen!"
De enige man die dacht: "ik ben vrij!"
En die vervolgens zoiets doms deed, dat niemand het begreep: als klassementsrenner vroeg ontsnappen in een bergetappe.

HULDE.

BRILJANT!

GENIAAL!!!

Los daarvan, de sleutelstrofe blijft: Dikke lul!

Landis

Ik zeg het maar even, opdat men er van leert.

Hitte

Wat deed je op zo’n dag als vandaag, die de warmste schijnt te zijn geweest sinds 1911?
"Ik heb gewoon gewerkt", zou ik moeten bekennen.
Geen dagje vrij genomen?
"Nee", zou ik andermaal moeten passen, "er moesten nog wat dingetjes worden afgemaakt."

Je bent gestoord, maar dat wisten we al. Iets anders nu: wat zijn je plannen voor de avond?
"Ik was van zinnens een stukje te schrijven."
Voor je weblog?
"Voor mijn weblog."
Dat niemand leest, omdat iedereen aan het strand zit of anderszins op vakantie is?
"Euh…"
Wist je dat zo’n beetje elke weblogger de pijp al dagenlang aan Maarten heeft uitgeleend?
"Nee, maar…"
En wist je dat het gewoon totally not cool is om met deze hitte achter je computer te zitten?
"Dat kan wel zijn, maar…"
Stil nou even. Werkelijk, je moet echt iets aan je imago doen. Voor je het weet denken de mensen dat je geen leven hebt.
"En wat dan nog?"
Nou ja! ‘En wat dan nog’, vraagt ie! Zal ik het eens even heel simpel zeggen?
"Doe dat."
Als de mensen denken dat je geen leven hebt, nemen ze je niet serieus. Dan ben je definitief de lul.
"Wie zegt dat?"
Ik. En ik kan het weten.
"Hoezo? Wie ben jij dan?"
Ik ben de hitte.
"Dat klinkt vaag."
Some people call me Lucifer, mocht dat soms een belletje doen rinkelen.
"Ah! De Duivel!"
Krek.
"Crack?"
Nee, ‘krek’, oud-boers Nederlands voor ‘precies’. Dat zou jij toch moeten weten met die uit de klei getrokken achtergrond van je, die je al je hele sterfelijke leven met je meetorst.
"Ah bon. En nou?"
Helemaal niks. Ik wilde alleen maar even zeggen dat je hopeloos ouderwets bezig bent, met dat obligate gedoe van je. Een stukje schrijven bij 36 graden celsius, man, ben jij wel helemaal lekker? Zou je niet liever je meisje gaan verleiden, om wat vlees aan je paal te rijgen? Of ben je daadwerkelijk die latente homo die ik altijd al in je vermoedde?
"Ho, ho, rustig aan, zij leest deze stukjes ook, wil je je taalgebruik alsjeblieft een beetje temperen? Anders kan ik ons gesprek niet integraal weergeven."
O, is dat wat je gaat doen!? Het jezelf lekker makkelijk maken? Gewoon ons dialoogje opnoteren?
"Noteren! Opnoteren is een contaminatie."
‘Contaminatie’, zegt ie. Jezus jongen, zoals ik al zei: get a life!

Ik moest toegeven: daar zat iets in.

Vraag

Vanmiddag kreeg ik een emailtje van mijn ex-vrouw: "zin om vanavond bij mij wat zware dingen van vierhoog naar beneden te tillen voor het grof vuil?"
Het was 30 graden celcius, ik moest toegeven dat ze er een ontwikkeld gevoel voor humor op na hield.
"Best", mailde ik terug.

Want ik ben nou eenmaal een bloem voor deze samenleving het kwam me ergens wel goed uit, daar ik al tijden op een geschikt moment zat te wachten om haar om een nog veel grotere gunst te vragen (namelijk het dagelijks besproeien van mijn lieve plantjes op het dakterras tijdens mijn vakantie).

Door de verzengende hitte peddelde ik per fiets naar mijn voormalige echtelijke woning en belde aan.
"Hoi", zei mijn ex-vrouw.
"Hoi", zei ik, "is het veel?"
"Mwoh", zei mijn ex-vrouw.

We sleurden wat vergane houten bakken met tuinaarde de trappen af.
Daarna sleepten we wat zakken kattegrind vanuit haar auto naar boven.
Het was niet zoveel bijzonders.
Ik twijfelde of ik mijn vraag zou stellen. Of ik om haar om de tegengunst durfde te vragen.

Eerst maar eens een pils, dacht ik, daar is immers nog nooit iemand dood van gegaan.
We dronken een pils op haar dakterras, dat er overigens ook mag wezen. Strak aan het Vondelpark en alles, en vergeven van de Leeuwenbekjes.
"Tsja", zei ze, "die Leeuwenbekjes, ze verspreiden zich vanzelf. Sommigen krijgen heel aparte kleuren."
"Geinig", zei ik.
Daarna keek ik naar haar appelboom. Die deed het goed.
"Je appelboom doet het goed", zei ik.
"Ja, he?"
"Ja", zei ik, "bij mij is er afgelopen weekend eentje geknakt."
"Hoe dat zo?"
"Te enthousiast met z’n appels", zei ik naar waarheid, "z’n takken hielden het niet meer. Ik kan er niet over uit. Ze zeggen altijd dat de natuur zichzelf een beetje in de peiling houdt, zelfredzaam is en dergelijke, maar deze is desondanks aan megalomanie tenonder gegaan."
"Kut zeg", zei mijn ex-vrouw, "zullen we nog een pils nemen?"

We namen nog een pils.

"Even heel wat anders", zei ik, "hoe zit dat eigenlijk met die Chinees hier op de hoek? Dat ouwe trouwe The golden Horse, wat is daarmee gebeurd?"
"Die is gemoderniseerd", zei mijn ex-vrouw, "hij moest wel. Het was altijd leeg. Hij heet nu de Dim Sum King."
"Ik zag het", zei ik, "ze hebben het barokke eikenhouten interieur vervangen door een kekke counter en een terras met plastic tafeltjes."
"En nu loopt het storm", zei mijn ex-vrouw.
"Kan je er nog wel gewoon vetarme babi pangang met vegetarische bami krijgen?" vroeg ik.
"Wie wil er nou een vleesgerecht met vegetarische bami?"
"Wij, vroeger", zei ik.
"Verrek!… Ik weet het niet. Het enige wat ik weet is dat je bij die dim sums nog wel gewoon kan kiezen uit drie opvulsels."
"Rijst, bami of nasi", knikte ik.
"Nee", zei mijn ex-vrouw, "nu is het rijst, bami of friet."

Friet bij de Chinees. Juist.
Ik grinnikte de grinnik van de aangeschoten berusting, het stadium waarin nog geen plaats is voor dronken fatalisme. Hoewel ik moet toegeven dat de laatstgenoemde gemoedstoestand met rasse schreden naderde.

Ik staarde wezenloos in de verte.

Toen flapte ik het eruit: "Wil jij alsjeblieft mijn lieve plantjes water geven als ik op vakantie ben?"
"Dat is goed", zei mijn ex-vrouw.

Just like that.
Het is een schat.

Byron Katie (1)

"Liefje, weet jij in welk boekje van Katie dat verhaal stond over dat geld?" vroeg ik.
"Thank you, liefje, wat aardig dat je dat aan mij vraagt!", zei L., "het voelt zooo goed om te weten dat je in deze kwestie een beroep durft te doen op mijn kennis!"
"Thank you", zei ik, "ik ben zo blij dat ik in die mogelijkheid verkeer! Weet je wel hoe gelukkig ik met je ben!?"
"Thank you!", zei L.

Nadat we anderhalve dag workshops hebben gevolgd bij de Amerikaanse goeroe Byron Katie, voeren L. en ik aan de lopende band van dit soort gesprekken.
Het is best lollig.

Ik weet niet of je haar kent, maar Byron Katie is iemand die de wereld heeft veroverd met haar "4 vragen-theorie". Een pragmatische psycho-therapeutische aanpak die past op een post-it:

Oordeel over je naaste. Schrijf het op. Stel vier vragen. Keer het om.
– Is het waar?
– Kun je absoluut weten dat het waar is?
– Hoe reageer je wanneer je die gedachte hebt?
– Wat zou je zijn zonder die gedachte?
Keer het (je gedachte) om:
Vervang zijn/haar naam door jouw naam.

De bedoeling is dat er door het volgen van dit protocol een wereld voor je opengaat. Dat je door al je vooroordelen heen breekt, dat mentale blokkades worden opgeheven en dat je de schellen van de ogen vallen.

Ik moet toegeven: ik ben doorgaans erg sceptisch omtrent dit soort hapklare concepten om je leven te verlichten. Mijn grote vraag bij dit soort goeroes is altijd: gebeurt dat ook? Is het waar?
En belangrijker, "Kun je absoluut weten dat het waar is?"

Ik zat kortom met een scepsis die door deze sympatieke grijze vrouwe recursief werd ondervangen.

Het was wreed, ze had op werkelijk alles een antwoord. 
Tijdens de workshop wist ze in een confrontatie met een desparate eega van een doorgedraaide Israelier, de bommen ondergeschikt te maken aan een lekker ontbijtje, en als toegift schudde ze ook nog even de algemene oplossing voor de Midden-Oosten-problematiek uit haar mouw.

Best knap.

[rewind]
L. overhandigde me het boekje "Over werk en geld".
Ik las hardop voor: "Geld is opwindend en avontuurlijk’- is dat waar? Het ligt daar maar! Het is zelfs saai – al die gezichtjes."

Ik vond het een steengoeie zin, die laatste. Toch zei ik: "op papier stelt het allemaal niet zoveel voor."
"Ja, maar die workshops", zei L.
"Inderdaad", zei ik, "Wow, die workshops!"

Ik las verder in het boekje:
"Je denkt dat je leven er veel beter op zou worden als je die groene auto had, want het hebben van die auto betekent iets. Wat dan? Misschien betekent het alleen maar dat je een groene auto hebt. Je rijdt door de straat en iemand denkt: ‘wat moet ze in godsnaam met een groene auto!?’ Iemand anders zegt: ‘Wauw, ze heeft een groene auto!’ Weer een ander zegt: ‘Grmpf. Waarom heeft zij wel een groene auto?’
Het betekent wat jij denkt dat het betekent."

Ja, je had echt die workshops moeten meemaken.

Thank you, dat je begrijpt dat het me vanavond niet lukt om daar verslag van te doen. Ik ben heel gelukkig dat jij je in me kan verplaatsen. Jij bent mijn vriend. Ik ben zooo blij dat je kan wachten tot morgen, als ik er wel toe in staat ben.

Thank you!

Op Fietse (4)

Ik ben normaal al niet zo’n liefhebber van werken, maar vandaag fietste ik met extra tegenzin richting de burelen van de ABNAMRO in Amsterdam Zuid-Oost.
"Het is gemeen", zei ik tegen mijn fiets, "25 graden celsius op mijn dakterras, de Koninginnerit van de Tour de France live op de TV, en ik? Ik moet de hele dag in een kantoorpand achter een computerscherm zitten."
"En ik dan!", zei mijn fiets, "wat dacht je van mij!? Voor mij is het ook geen lolletje hoor, om in deze bloedhitte jouw onuitgeslapen gestalte door de stad heen te loodsen! Om daarna de hele dag in de verzengende zonne weg te staan branden in een verlaten fietsklem op het troosteloze asfalt van de Bank! Maar hoor je mij klagen?"
"Euh".. zei ik.
"Precies!", zei mijn fiets, "denk liever eens aan al die arme werklozen, die zouden een moord doen voor jouw baan!"
"Dat betwijfel ik."
"Ach kom nou toch op man", zei mijn fiets, "mij maak je niets wijs. Ik weet precies hoe dat gaat met jou. Zodra jij binnenkomt op je werk is het eerste wat je doet een cafe au lait uit de koffie-automaat tappen, internet opstarten, en vervolgens is het van tralalala. En daar krijg je nog voor betaald ook!"
"Ho ho ho", zei ik, "Soms moet ik wel echt werken, hoor!"
"O ja? Hoe komt het dan dat je me op de terugweg steevast hele verhalen loopt te vertellen over wat je nu weer allemaal hebt gelezen op het worldwideweb?"
"Ik werk gewoon erg efficient", zei ik, "dus dan hou je wat tijd over."
"Ha, ha, ha", schamperde mijn fiets, "jij!? Efficient!? Laat me niet lachen! Jij kan al maanden amper meer uit je ogen kijken van het slaaptekort! Het is dat je voor mij hebt gekozen, en niet voor zo’n leasebak als je collega’s, anders was je al minstens 6 keer verongelukt in het forenzenverkeer."
"In dat laatste zou je wel eens gelijk kunnen hebben", zei ik, "maar daaruit blijkt dus eigenlijk exact hoe efficient ik ben."

Wow, dacht ik, het is nog waar ook. Mijn collega’s betalen zich de tyfus aan bijtelling op hun belastbare inkomen om zich dagelijks oververmoeid op de snelweg te begeven en/of gestresst in de file te bivakkeren. Ik daarentegen fiets via Vondel- Beatrix- en Amstelpark over het pad richting tuinhuisjescomplex De Toekomst, zie pony’s, papegaaien en parelhoentjes, bespaar bakken met geld en kweek ondertussen een ijzeren conditie. Dit alles alleen maar door een fiets in plaats van een auto te declareren bij mijn werkgever.
Nooit bij stil gestaan. Ik deed het oorspronkelijk voor het milieu, niet eens voor mezelf.

Fietsen. Ik ben gek op fietsen.
Aangekomen op mijn werk tapte ik een cafe au lait en ging als een gek aan de arbeid, opdat ik vanaf 11.38, wanneer de renners van start zouden gaan, de handen vrij zou hebben om middels continu alt-tabben tussen teletekst pagina 851+852, het live-verslag op www.nu.nl en uiteraard www.letour.fr, de ploeg van onze grootste concurrent in het bankwezen een klaterende overwinning te zien behalen.
(met excuses voor de lange zin, maar het was dan ook een lange etappe, met een record aantal cols).

"En" vroeg Mademoiselle da 4th (mijn fiets) terwijl ik haar ontgrendelde voor de terugweg, "wie heeft er gewonnen?"
"Dennis", zei ik.
"Die Rus uit de ploeg van Boogerd?"
"Ja", zei ik.
"Dus nu ben je zeker wel vrolijk", zei Mad.
"Ja", zei ik, "nu ben ik erg vrolijk."
"Laat me raden", zei Mad, "je wil zodadelijk terwijl we terugrijden de etappe gaan naspelen?"
"Inderdaad", zei ik.

En daar gingen we.
"Boogerd aan de leiding in een fenomenale cadans", riep ik, terwijl we een trosje schoolmeisjes inhaalden in de klim naar het viaduct over de Amstel.
"Ze moeten stuk voor stuk lossen!" speelde Mad het spelletje joelend mee.

Ach ja. Mad heeft gelijk. Ik heb best een goeie baan.

Bruiloft

Ken je die openingsscene uit Four Weddings and a Funeral? Die waarin Hugh Grant op de wekker kijkt en honderd keer achter elkaar roept: "Fuck! … Fuck, fuck, fuck!"
Vervolgens uit bed springt en als een gek z’n nette pak aantrekt om daarna met een meisje in de auto te duiken en met piepende banden richting een bruiloft te koersen.
"Welke afslag moeten we hebben?" vraagt ie aan het meisje, dat de kaart zit te bestuderen terwijl ze vol gas over de snelweg scheuren.
"Ik ben nog het aan het zoeken", zegt het meisje, "gun me even wat tijd."
"Ik hoop niet dat het de R228 is", zegt Hugh Grant, "want daar rijden we nu net voorbij."
Het meisje kijkt nog eens goed op de kaart en zegt: "het is de R228."
Waarop Hugh Grant opnieuw: "Fuck! … Fuck, fuck, fuck!" roept, om vervolgens vol in de remmen te gaan en de minicooper midden op de snelweg in z’n achteruit te zetten.

Moraal van het verhaal: op een bruiloft kom je niet graag te laat.

Vandaag had ik een bruiloft. De bruidegom was mijn broertje.
Het was de nacht daarvoor nogal van de late geworden (bestuursvergadering van Helmers op het terras van de Italiaan, voortgezet tot sluitingstijd in cafe Quelle en wat er daarna allemaal gebeurde, daar weet ik weinig meer van, of zoiets) en ik heb er vanmorgen bewusteloos als ik was, blijkbaar stevig op los gesnoozed.
"Fuck!" riep ik, toen ik eindelijk bij mijn positieven kwam en de wekker bekeek, "Fuck, fuck, fuck!"
Als een gek schoten L. en ik in onze kleren.
Ik grabbelde de autosleutels uit een la en begon er dreigend mee te wapperen terwijl L. haar tanden poetste.
"Moet jij je niet eerst nog scheren?" vroeg L. tussen twee spoelbeurten door, "je hebt bijna een baard!"
"Geen tijd", riep ik, "en trouwens, mijn vader heeft ook een baard, dus ze moeten niet zeiken."
"Ik heb koffie gezet", zei L., "wat doen we daarmee?"
"Die giet ik wel even in de autobekers voor onderweg", zei ik.

Vol gas scheurden we over de snelweg richting Oegstgeest. We namen de goeie afslag, maar het laatste weggetje richting cafe het Witte Huis, de centrale ontmoetingsplaats, was verraderlijk hobbelig, en mijn rechtervoet had nog altijd geen rust in zijn donder.
"Klots", zei L.’s bodempje koffie.
"Fuck!" zei L.’s nette rok, "nu heb ik een vlek! Fuck, fuck, fuck!"
"Maar we zijn wel op tijd!" riep ik triomfantelijk.
Zoals men weet maakt men op zulke momenten met dergelijke opmerkingen geen vrouwelijke vrienden.
Ik besefte het direct en probeerde haar te lijmen met een kusje.
"Je prikt", zei ze.

Ik begroette mijn broertje en zijn aanstaande eega. We kwamen tegelijkertijd met ze aan. We waren de eersten.
"Netjes op tijd", zei mijn broertje.
"Je kent me", zei ik.

Op tijd komen is een issue in ons gezin. Je kan veel over ons zeggen, maar nooit dat we te laat zijn.
Mijn ouders krijgen dat voor elkaar op de ouderwetse manier: je weken van tevoren vergewissen van alle mogelijke wegwerkzaamheden, drieentwintig alternatieve routes voor noodgevallen uitschrijven in drievoud, en bovenal enorm vroeg opstaan.
Mijn broertje houdt er modernere methoden op na.
"Hebben jullie nog moeten stressen, vanochtend?" vroeg ik.
"Totaal niet", zei mijn broertje.
"Eventjes", zei I., de bruid, "we hadden nog maar 5 minuten voordat we moesten vertrekken toen je broertje erachter kwam dat ie eigenlijk niet wist hoe ie een stropdas moest strikken."
"Jeetje", zei ik tegen mijn broertje, bij wie een onberispelijke knoop in zijn boord prijkte, "en toen?"
Mijn broertje haalde zijn schouders op, "gewoon", zei ie: "Google."