Het regent

Soms heb ik genoeg om over te schrijven, maar ontbeer ik de energie om schrift te stellen.

Op dat soort momenten ben ik wel eens jaloers op televisiemakers tijdens regen op Wimbledon. Dat ze dan gewoon een foto kunnen plaatsen om simpelweg onderin beeld te zetten : het regent op Wimbledon.

Wimbledon

Het regent op Wimbledon

‘Een ideale werkdag dunkt mij, voor Heinze Bakker en consorten’, dacht ik vroeger altijd. Lekker backstage de hele middag champagne zitten zuipen en aardbeien vreten.

Als weblogschrijver kan je daar echter niet mee aankomen, al regent het nog zo hard (zoals bijvoorbeeld nu). Natuurlijke omstandigheden zijn geen geldig excuus om niet te schrijven.

Aan de andere kant: webloggen is natuurlijk geen werk. Het is geen verplichting. Dus met permissie, mijn lieve lezers, vandaag even geen schrijfsels van mijn hand, maar een gastlog van Jip en Janneke, zoals L. en ik de kleine katjes voor de time-being hebben gedoopt.

Ja, zij we dan!

Jip_en_janneke

Jullie vroegen je natuurlijk al af hoe het met ons ging!

Wel, we zijn inmiddels zes weken oud en fucking ENERGIEK!!! Sven en L. worden helemaal gek van ons (ha, ha).

Wat wij op zo’n dag als deze doen, als het regent?

Steppen natuurlijk, wij bedoelen, we moeten een beetje in conditie blijven om zodadelijk weer al die mooie antieke meubeltjes aan gort te krabben. De gordijnen kunnen trouwens ook nog best wat rafeltjes gebruiken. Dat zijn belangrijke projecten in deze levensfase, dat moeten jullie niet onderschatten. En straks, als het weer een beetje is opgeknapt, moeten we bovendien al die jonge plantjes nog uit de grond zien te wroeten. Daarnaast heeft mama ons beloofd binnenkort vogelvangles te geven en wij willen haar natuurlijk niet teleurstellen door als volgevreten papkindjes aan de start te verschijnen. Weet je wel hoeveel calorieen er in die moedermelk zit!? Nou dan! Dus…

Zo. Dat was het, geloven we. Het is best leuk hoor, dat schrijven, maar je schiet er verder natuurlijk geen zak mee op. Het is gewoon niet meer van deze tijd, weet je, die hele literatuur (of hoe noemen jullie dat) niet. Wij bedoelen, gisteren kwamen Sven en L. terug van de een of andere dichtersavond. 30 graden Celcius, maar ze waren er toch naartoe gegaan, die malloten. De hele avond bivakkeren in een zweterig zaaltje. Omdat Sven het moest presenteren of iets dergelijks. Daarvoor had ie trouwens de hele dag gewerkt in een bedompt kantoor. Die goser is dus echt gek, wij zweren het je. Hij spoort niet helemaal, maar ja, dat zal wel aan ons liggen. Mama zegt nu dat we dit beter niet op kunnen schrijven omdat ie haar eten betaalt, maar ja, dat is haar probleem, ha, ha.

(Hey Janneke, weet jij waar die buttons voor de emocions zitten? Niet? Nou ja, dan maar zo:)

Dubbele doei!

Jip en Janneke

Zwoele Nacht

De koperen ploert heeft medogenloos huis gehouden vandaag, doch de inbesloten beloning voor een dag van zweet doordrenkt, maakte het geledene bij voorbaat al meer dan goed.
Voor mij althans.

Een zwoele nacht. Zo zeldzaam in Nederland.
En ook de bijkomstige omstandigheden zijn nu ideaal. Ik bedoel, het is juni, er zijn nog geen muggen.

In je hemdje schaken met je liefje op het dakterras bij maanlicht. Wat moet er gebeuren om het leven nog mooier te maken?
Nederland wereldkampioen!
De staatsloterij winnen!
Algehele wereldvrede en dat er geen grenzen meer waren en geen religies en dat iedereen

Terwijl de jonge katjes hun eerste stapjes wagen in het nachtleven van Amsterdam 4-hoog, trek je een goeie rooie open.
Je geeft elkaar een kusje.
Je grinnikt als een van de jonge katjes ontdekt dat het water in het zwembad best wel nat is.
De andere vis je uit je rozenstruik, voordat ie zich snijdt aan de doornen.
Je blik dwaalt eventjes af en je aanschouwt de schaarsverlichte huizendelta’s, het verlaten stratenplan van de stad en je geeft een knipoog aan de Oude Wester.
"Schaak!" zegt je liefje.
Je zet er een paard tussen. Niks aan de hand.

Je kijkt nog eens naar die verlaten straten, die zwarte ramen, die pittende massa van wereldstadbewoners en denkt bij jezelf: ‘Ben ik nou de enige? Is er werkelijk geen andere ziel te bekennen die de schaarsheid van dit soort nachten op waarde weet te schatten?’
Je neemt nog een slok.
‘Dat gaat lekker’, denk je, ‘met die markteconomie. Met dat vertrouwen van beleidmakers in  calculerende burgers.’

Maar eigenlijk kan je dat verder niet zo veel schelen.
Dat is namelijk nog het allermooiste van een zwoele nacht: je adopteert als vanzelf de Carribean lifestile. Jah man! Relax, weet je!
Je maakt je nergens meer druk om.

En je kan plotseling ontzettend goed tegen je verlies.
Dat vindt je liefje lief.
Want dat had ze niet van je verwacht.
Wat nu zou rijmen is: "zwoele nacht".

Dus dat schrijf ik dan maar op.

Relaí!

Ik schrok vanmorgen wakker om 11 uur en dacht: ‘Fuck, ik heb me verslapen!’
Als een malloot sprong ik uit bed en rende vloekend naar de badkamer.
"Relax", zei L., terwijl ze zich nog eens omdraaide.
"Wat nou relax!", gilde ik, "ik kom vet te laat op mijn werk!"
"Relax", zei L. opnieuw, "het is weekend."

O ja, weekend!

Sterker nog, het was zo’n zeldzaam weekend waarin ik werkelijk helemaal niets hoefde te doen. Geen optredens, geen juryverplichtingen, geen etentjes.
Wow.

De zon stond hoog aan de hemel, het kwik op de thermometer was bezig aan een beklimming Hors Categorie en ik liep de trap op om de deur naar het dakterras open te zetten.

"Gereed maken voor appèl", riep ik tegen mijn aldaar aanwezige flora.
De flora ging er meteen eens even extra mooi bij staan.
"Wingerd op het Zuid-Westen?" vroeg ik.
"Present, Lord Sven."
"Hoe staan de zaken ervoor? Vochtigheid/Temperatuur-rapport, alsjeblieft. Is het allemaal een beetje vol te houden, of moeten er maatregelen worden getroffen?"
"De lucht is kurkdroog en bloedheet, Lord Sven, maar de aarde waarin wij zijn geworteld biedt voorlopig nog voldoende verkoeling en vloeistofreserves. Wel wil ik je graag van dienst zijn met het advies om vanavond rond zonsondergang maximaal te sproeien."
"Dank je Wingerd", zei ik, "advies bij deze geintegreerd in de agenda. Iets anders: Hoe is het met de ziekenboeg?"
"Nou", zei de Wingerd, "het gaat eigenlijk best goed. Alleen hebben de twee klimhortensia’s te schaften met wat schuimkevertjes, en ook ene korenbloem op het Zuid-Oosten schijnt zo’n gifgroen parasietje onder de knop te hebben. Mijn advies zou zijn: direct in quarantaine die handel. Efkes verpoten naar het terras van de overburen of zo."
Spontaan werden de klimhortensia’s wit van schrik. De desbetreffende korenbloem probeerde zich te verschuilen achter een ontluikende zonnebloem.
"Rustig, rustig", zei ik tegen de Wingerd, niet meteen panikeren. Ik zal zodadelijk even langskomen met wat tissues om die ploerten van een schuimmonstertjes te pletten.

Een zucht van verlichting golfde over het terras. "Verraaier!" sisten sommigen naar de Wingerd, maar dan alleen diegenen die ver van ‘m af stonden. De Clementia bijvoorbeeld, vlak naast ‘m, was wel wijzer en hield haar lippen stijf op elkaar. Een verkeerd woord en ze zou nog voor de avond door een tentakel van de Wingerd worden gewurgd, wist ze – ja, lieve lezers, het is een woeste maatschappij hoor, zo’n dakterras, onderschat dat niet.

Maar als je er een beetje energie in steekt om die goed te besturen, dan heb je ook wat. Zeker op zonovergoten dagen als deze.
Als een blije kleuter liep ik de rest van de planten en bloemen af. Ik uitte diverse Oh’s! en Ah’s!

Ik was echter op mijn blote voeten, en vanwege het loeihete plankement begonnen die tegen het einde van de inspectie behoorlijk te branden.
"Jeetje", zei ik tegen de Blauwe Regen op het Westen, "jullie mogen blij zijn dat jullie in een pot aarde staan, het hout waarop ik me moet verplaatsen staat bijkans in de fik."
"Je bedoelt: een vijvertje om je voeten in te blussen zou niet gek zijn."", zei de Blauwe Regen.
"Inderdaad!" zei ik.
"Nou", zei de Blauwe Regen, "dan neem je toch een vijver? Doe ‘s gek!"
"Ja, hallo", zei ik, "weet je wel hoeveel werk dat is? Een vijver aanleggen? Daar heb ik helegaar geen tijd voor! Ik heb doordeweek een baan, weetjenog!"
De Blauwe Regen peinsde even. Toen zei ie: "ik las pas zo’n foldertje van de Blokker. Ja sorry, ik heb verder ‘s nachts toch niks te doen, maar goed, daar zag ik dus in dat je ze kant en klaar kan kopen. Opblaasbare vijvers of zoiets."
"Je bedoelt een kinderzwembadje?" vroeg ik.
"Ja", zei de Blauwe Regen, "dat was het! Een kindervijver! Op het plaatje zaten er inderdaad in plaats van kikkers kinderen in! Anyway. Kost praktisch niks, zo’n kindervijver. Nog geen 10 euro. En misschien kan je ze ook wel krijgen zonder kinderen."

Piiiiiieeeeew! zei mijn gestel de trap afvliegend.
"Wat ga je doen?" vroeg L.
"Naar de Blokker", riep ik.

En nu heb ik dus een dakterras met zwembad!
Cool man!

Zie hier de huidige Zuid-Oost-hoek van mijn dakterras:

Zwembad_1 

V.l.n.r. Van voor naar achter:

Mijn enorm uit de kluiten gewassen Salie-struik, Margrieten die wild zijn aan komen vliegen, een partijtje schaak tussen ondergetekende en de knikkende knieen van mijn tegenstander, de inmiddels schuimmonstervrije klimhortensia’s, daken van Oud-West, toppen van bomen uit het Vondelpark, en heeeeeeeeeeel, heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeel in de verte het hoofdkantoor van de ABNAMRO.

En in het midden natuurlijk het zwemparadijs. Je kon ze inderdaad krijgen zonder kinderen. Dat je niet denkt van: ja, ja, die foto is zeker zo smal omdat op de rechterkant die kindertjes gekneveld met een prop in hu

Even in de Here

Weet je, zowel het weekend als het WK zijn begonnen en het wordt voorlopig ook nog eens ongekend mooi weer, dus ik ben op dit moment veel te gelukkig om te schrijven.

Als ik me nu aan getypsel zou wagen zou dat een verdomd eendimensionaal stukje opleveren. Zo van: "wow man, dat leven hè, dat leven is toch wel een schitterende uitvinding. Wie dat verzonnen heeft, briljant gewoon! Daar zouden ze eens een boek over moeten schrijven!

Er ging vandaag werkelijk helemaal niets mis. De trein kwam vanmorgen praktisch op tijd, op de terugweg zelfs stipt, en toen ik daarna arriveerde bij de Albert Heijn hadden ze waarempel nog brood!
Het werk van hogerhand. Kan niet anders.

God moet hebben gedacht: ‘die Plukdenacht is de laatste tijd zo chagerijnig bezig, laat ik ‘m ‘s een keertje matsen. Bovendien, dat gedoe met zware beproevingen is zooo begin van de jaartelling, het is hoog tijd om de zaken wat moderner aan te pakken. Personeelsmanagement op maat, of hoe noemen ze dat tegenwoordig?’

Ik vermoed dat ie zoiets heeft gepeinsd als: ‘Matsen is het nieuwe kruisigen.’
Dat ie beredeneerde: ‘Plukdenacht is van de patatgeneratie, dus in de watten leggen is het parool, anders kan ik enige loyaliteit gevoeglijk shaken.’

Nou, daar vind ik best iets voor te zeggen.

Heel Simpel

Ik moet zeggen: ik zit ‘m behoorlijk te knijpen. De PvdA wil dat de minister de gemaakte afspraken met de horeca opzegt, en versneld een totaal rookverbod doorvoert in alle cafe’s en restaurants.

Snik, snik.

Wat is er toch aan het gebeuren met de wereld? Waarom moet alles zo rigide? Zo zero-tolerancerig? Zo fundamentalistisch?

Ergens snap ik de PvdA best hoor, begrijp me niet verkeerd. De meerderheid van het Nederlandse volk is voor zo’n rookverbod, dus het is allemaal hartstikke democratisch verantwoord en zo. Bovendien is roken slecht voor de gezondheid dus enig paternalisme valt prima te verdedigen.

Maar ondertussen ben ik als zware roker die, buiten werktijden om, praktisch woont in de horeca, mooi vies de lul.
Daarom zou ik willen vragen aan die 70% onder jullie die niet roken: “kunnen we geen dealtje sluiten? Kunnen we niet bijvoorbeeld afspreken dat er in elke plaats die beschikt over stadsrechten, tenminste 2 cafeetjes en 1 restaurant mogen blijven bestaan, waarin roken wordt gedoogd?”
“NEEN”, zegt 70% van jullie dan natuurlijk hip, modieus en met een perfect gevoel voor tijdsgeest: “de tijd van pappen en nathouden is voorbij.”
“Ja, maar”, stotter ik dan.
“Niks, ja maar. De tijd van pappen en nathouden is voorbij.”
“Dat heb je al gezegd.”
“Precies. Wij zijn consequent en duidelijk. Recht door zee.”
“Okay. Helder. Maar toch: er schijnen tegenwoordig afzuiginstallaties te zijn die 99% van de..”
“Geen sprake van. Dat schept alleen maar verwarring. Duidelijkheid! Daar gaat het om.”
“Kom nou! Als er een goeie alternatieve oplossing voorhanden is, die voor iedereen het welzijn garandee…”
“Luister je wel? Of zijn we soms nog niet duidelijk genoeg? Afschaffen! Totalverbot. Heel simpel.”

‘Heel simpel’. Zo heette mijn eerste roman. Hij is nooit uitgegeven en zal dat ook nooit worden, want hij stond op een inmiddels gecrashde 386-computer, maar hij ging over mijn militaire diensttijd.
Ik was de inhoud van die roman grotendeels vergeten, maar met de ontwikkelingen in onze huidige maatschappij komen flarden vanzelf weer bovendrijven.
Die dictatoriale illusie van totale controle, bijvoorbeeld, en het navenante vertrouwen in rigide regels.

We waren op oefening in Vogelsang (DL). Met onze YPR (gepantserd rupsvoertuig met 25mm kanon) doorploegden we het zoveelste heideveld. We hadden al uren geen pelotongenoten meer gezien, laat staan stervende zielen. Het leek erop alsof we waren verdwaald.
Luitenant G., onze leidinggevende beroepsmilitair, zat zwetend onder zijn commandoluik met de kaart in zijn hand aanwijzingen te geven aan dienstplichtige Nelissen, de bestuurder van onze YPR.
“LINKS!”, brulde de Luitenant voor de verandering maar eens.
“Daar komen we net vandaan”, piepte Nelissen.
“KAN ME NIET SCHELEN, LINKS!”

Diep in de nacht, bijna 4 uur te laat, arriveerden we op het verzamelpunt, alwaar we ons bij de rest van de Compagnie voegden.
De Luitenant kreeg stevig op zijn flikker van de Majoor.
Briesend kwam hij terug om zich af te reageren op Nelissen. “HEB JE DE DIVERSE  FUNCTIECONTROLES AL UITGEVOERD?” vroeg de Luitenant.
“Ik wilde eigenlijk permissie vragen om eerst even te gaan tanken”, zei Nelissen, “we hebben namelijk nogal veel diesel verspeeld, weet je, met jouw gezoek op de hei. En nu is de aftankplaats nog net open, dus ik dacht..”
“WAT JIJ DENKT KAN ME GEEN HOL SCHELEN! DE DIVERSE FUNCTIECONTROLES ZIJN ESSENTIEEL! DAT STAAT IN HET PROTOCOL! HEEL SIMPEL!”
“Maar als ik die eerst moet doen, is de aftankplaats dicht.”
“ZIE IK ERUIT ALSOF IK DAAR IETS MEE TE SCHAFTEN HEB? NOU DAN! WAAR WACHT JE OP!”
“Maar ik kan de functiecontroles toch ook doen na het tan..”
“NIKS MAAR!!! ZSM FUNCTIECONTROLES 1 T/M 4, EN RAPPORT DAAROVER BIJ MIJ ZODRA JE KLAAR BENT!”

De volgende dag was de grote dag. De dag waar het om ging. De oefening waarbij onze compagnie het zou opnemen tegen een afvaardiging van de Heimat. Altijd leuk, zo’n Nederland-Duitsland-confrontatie.
We stonden goed verdekt opgesteld en zaten verlekkerd te wachten tot het moment waarop we de YPR’s van de moffen bij bosjes konden laten ontploffen met ons 25mm-kanon. Eventueel uitgestegen vijandelijk personeel zouden we neermaaien met de Coax (boordmitrailleur).
We hadden er zin an. De stemming was goed. De Luitenant trakteerde tijdens het wachten op pakjes chocomel.

Maar ja, zoals dat gaat in de oorlog, liep het allemaal net ietsje anders dan we hadden verwacht.
“Fuck!” riep ik, de boordschutter, vanuit mijn toren (het hoogste punt in de YPR).
“WAT?” vroeg de Luitenant, “WAT IS ER?”
“Ze komen van de andere kant!”, merkte ik op over de boordtelefoon, “van achteren. We moeten moven, anders vatten ze ons bij de lurven.”
“180 GRADEN DRAAIEN MET JE KANON!” schreeuwde de Luitenant tegen mij, “NU!”.
“Dat gaat niet”, zei ik, “er staat een boom in de weg.”
“EN DE ANDERE KANT?”
“Twee bomen.”
De Luitenant commandeerde prompt twee infanteristen om uit te stijgen en het op een zagen te zetten.
“Zagen heeft geen zin”, zei ik, “volgens mij kunnen we beter de pleiterik maken, ze naderen erg snel.”
“WAT IS SNEL?” schreeuwde de Luitenant, “HOU JE GODVERDOMME EENS AAN DE RADUSA MELDCODE, VOLGENS HET PROTOCOL!”
Hey, die afkorting kende ik. Radusa. Richting, afstand, doel, uitrusting, sterkte, actie.
“Zuid-Zuid-West, 500 meter, ons, YPR’s, 4 stuks, bloeddorstig oprukkend”, zei ik.
“GODVERDEGODVER”, schreeuwde de Luitenant, “KON JE DAT NIET EERDER ZIEN!?”
“Wou je daar nu daadwerkelijk een discussie over gaan voeren?” vroeg ik.
“NEE! NATUURLIJK NIET, LUL!”
De boordintercom kraakte even.
“NELISSEN!?”
“Present.”
“MAXIMAAL VOORWAARTS!”
“Roger.”

PRRtttt..ttt..tt….t……, zei de YPR.
Schokkend kwamen we na 3 centimeter tot stilstand.
“JEZUS CHRISTUS, WAT ZEG IK NOU, NELISSEN! MAXIMAAL VOORWAARTS!!!”
“Sorry Luit”, zei Nelissen, “ik geloof dat we zonder brandstof zitten.”
“KAN ME NIET SCHELEN! RIJDEN GODVERDOMME!!!”

Legendarisch, die laatste woorden van Luitenant G.
Een halve minuut later werden we ontdekt, en volgens het MILES-simulatie-systeem compleet aan gort geschoten.

Ja, sorry, met roken heeft het allemaal niks meer te maken. Maar wel met een manier van denken en zo. Geloof ik.

Anyway. Een maand later zwaaiden Nelissen en ik af. De luitenant werd bevorderd tot kapitein.
Soms ben ik wel eens benieuwd hoe het met hem gaat, met die ouwe trouwe zero tolerance-freak, die fundamentalistische protocol-aanbidder, die Luitenant G.
Zou ie naar Uruzgan zijn uitgezonden? Je weet maar nooit. En misschien voelt ie zich daar wel thuis, je mag het niet uitsluiten.

Misschien is het allemaal wel heel simpel.

.

.

.

 

 

 

 

Update: Kijk aan: medestanders!

Maar er was 1 klein weblogje dat dapper…, etc

Rokersbutton

Update 2: Heuglijke nieuwe cijfers!!!

Pinkpop

We moesten dit weekend toch in Limburg zijn, dus we hadden er even over gedacht: zullen we een dagje Pinkpop meepikken?
Er gaat immers niks boven een dagje languit bivakkeren tussen de Landgraafse heuvels om je in de stralende zonne aan je voeteneind te laten verrassen door de fine fleure van het hedendaagse rock-circuit.
"Hoe zit het met die stralende zonne?" vroeg L., "weet je zeker dat die van de partij zal zijn?"
"Ik durf er niet direct mijn pink onder te verwedden", zei ik, "Het KNMI schat de kans in op zo’n 30%."
"O", zei L.
"Tsja", zei ik.

"Er is vandaag ook een open-atelier-route", zei L., "thuis, in Amsterdam."
We zwegen even.
"Dat maar doen dan?"

Het was tricky, maar als we een beetje zouden doorrijden konden we het nog net halen vanmiddag, die open atelier-route.
Ik trapte de oude Volvo stevig op zijn staart, en rond 3 uur ‘s middags draaide ik ons de A10 op, de ring rond Amsterdam.
"Waar is die open-atelier-route eigenlijk precies?" vroeg ik.
"In de Westerparkbuurt", zei L.
"O", zei ik.
"Is dat ver?" vroeg L.
"Een beetje", zei ik.
"Hoe ver?"
"In het noorden van West, geloof ik."
"En waar zitten we nu?"
"In het zuiden van Oost."

Tot zover mijn topografische kennis. Een klassiek verslag van gehannes om op de precieze locatie te geraken zal ik jullie besparen, want uiteindelijk wist ik the Red Horse (de oude Volvo) te stallen in de Barentzstraat, vlakbij Prinseneiland, de plek waar we wezen moesten, en daar gaat het om. Punt uit.
Herkenbare quasi-hilarische verslagen over import-Amsterdammers die de weg in hun eigen stad niet weten zijn er al genoeg, en bovendien heb ik nu eventjes geen zin om voor lul te staan.

Ondertussen was het wel tamelijk van de late aan het worden. We hadden nog een krap uurtje om de 40 ateliers te bezoeken.
40 ateliers, waarvan we in godsnaam niet wisten op welk adressen ze zich probeerden te verschuilen.
Met de PS-bijlage van het Parool in de aanslag, waarin het gebeuren stond aangekondigd, togen we naar het Centrale Verzamelpunt, de Kunstkerk op Prinseneiland 89, in de hoop op z’n minst een routebeschrijving te bemachtigen.
Maar ja. Waar was nr 89? Prinseneiland bleek voorwaar geen rechte weg. Laat staan een locatie waar huisnummers waren verdeeld volgens geometrische logica.

We liepen langs een watertje waar een Dixielandbandje speelde.
Dit is toch heel wat anders dan Pinkpop, dacht ik. Daar moet ik bij zeggen: Dixieland is niet bepaald mijn favoriete muziek. Eerlijk gezegd ga ik zo’n beetje spontaan over mijn nek van Dixieland.
Ik liep alvast naar de waterkant om de peristaltische stuiptrekkingen van mijn maag klaterend luister bij te kunnen zetten, toen ik L. enthousiast hoorde roepen: "Gevonden!"

De Kunstkerk bleek gesitueerd te zijn op de begane grond van een gepimpt pakhuis, met dus op het terras zo’n Dixielandband. Het kan ook een gewone jazz-band zijn geweest, maar jazz vind ik evengoed kut. Teminste: zodra jazzmuzikanten het wagen om vrolijk uit hun ogen te kijken en tot overmaat van ramp hun peuterkoters het podium opvragen om een deuntje mee te jammen.

Maar ik overwon mijn weerstand en liep de Kunstkerk binnen. Aldaar waren bij wijze van visite-lokker de absolute meesterwerken van de 40 deelnemende galeries geexposeerd, en kon je op een kaart zien waar de diverse open ateliers gevestigd waren.
"Als jij naar de kunstwerken kijkt", zei ik tegen L., "en je favoriete nummertjes opschrijft, dan ga ik proberen de locaties van de bijbehorende adressen uit mijn hoofd te leren. We hebben nog maar een half uur, dus hou je een beetje in. Noteer alleen de toppers."

Ik tuurde me helemaal gek op die kaart. Ik heb weliswaar een fotografisch geheugen, maar helaas eentje met een uit de kluiten gewassen sluitertijd.
Op een gegeven moment werd ik op mijn schouder getikt door een van de jazzmuzikanten. Ze hadden blijkbaar pauze.
"Hey knul", zei de olijkerd, "ik wil je niet teleurstellen, maar dat ding waar je nu al een hele tijd naar staat te kijken, hoort er niet bij hoor! Dat is geen kunstwerk! Dat is een kaart!"

Zou je hem niet? Wurgen/kelen/in de gracht smijten met zijn contrabas en tripple driewerf kielhalen?
"Ach so", zei ik, "Entschuldigung."
Want dat leek me op dat moment eerlijk gezegd nog beter.
Of op z’n minst subtieler. Geef toe.

Vanavond woonde ik met L. vanaf 22.10 het staartje van Pinkpop bij op Nederland 3.
We zagen Franz Ferdinand, Skin, af en toe een goed nummer van de Red Hot Chili Peppers en zo nu en dan een stralende zonne.
"Waren we toch maar gegaan", zei L.
"Tsja", zei ik.

"Wat vond je eigelijk het mooiste vanmiddag?" vroeg L.
"Die oude vervallen houten schuur", zei ik naar waarheid. Het was geen schilderij, maar gewoon een onbedoeld accessoire van de kunstroute.
Serieus, Prinseneiland is een van de mooiste buurten van Amsterdam. De illusie van een landelijk provinciedorp op een steenworp van het Centraal Station. Ik zou er zo willen wonen. Van de galeries moeten ze het niet hebben, though.
"Maar van de schilderijen?" vroeg L.
Ik dacht terug aan galerie nummertje 17. Daar had ik een schilderij gezien, dat in mijn kop was blijven hangen:

Pinkpop_2

"Ah die!" zei L., "ja, ik ook!"

We hadden gewoon moeten gaan.

I don't live this week

We schreven woensdag 31 mei en ik was nog altijd hemeltergend ziek, maar net als die dag ervoor ging ik gewoon naar mijn werk.
"I don’t live today-hey-hey", neuriede ik per ongeluk op de fiets. Weliswaar geheel naar omstandigheden, maar bepaald ongewild. Want vervolgens zat het nummer van Jimi Hendrix direct in mijn hoofd, om er de rest van de dag niet meer uit te gaan. Ik kan je vertellen dat zulks geen lolletje is: een snoeihard, monotoon en onmelodieus rocknummer van Hendrix in je harses, terwijl je barst van de koppijn.

I don’t TOW-NOW-NOW-NOW, live today-hey-hey, TOW-NOW-NOW-NOW
I don’t TOW-NOW-NOW-NOW, live today-hey-hey, TOW-NOW-NOW-NOW
I don’t TOW-NOW-NOW-NOW, live today-hey-hey, TOW-NOW-NOW-NOW
(maal 3600)

Het hield maar niet op, dat nummer.
Toen ik ‘s avonds thuis kwam was ik behalve een ziek, tevens een gebroken man. Totaal uitgeblust. Compleet naar de kloten. Het zieligste hoopje mens van het Westelijk halfrond. En dan had ik nog niet eens gedronken.

Dat kwam daarna pas.
"Hoi liefie", zei ik tegen L. toen ik thuis kwam en gaf haar een kus.
"Jeetje, schatje! wat zie jij er uit!" riep L., "ben je nog steeds ziek?"
"Wat heet", zei ik, "ik zou nu het liefste direct neerstorten in bed."
"Nou, dan doe je dat toch! Zal ik een kopje thee voor je maken? Of wil je meteen gaan slapen?"
"Niks daarvan", zei ik, "we moeten zodadelijk de stad in, uit eten."
"?"
"Die dinerbon van mijn werk, weet je nog!", verduidelijkte ik, "dit is de laatste dag waarop ie geldig is!"

Het was waar. In februari had ik een cadeaubon van mijn manager gekregen omdat ik 10 jaar in dienst was. Ik en L. mochten eenmalig uit eten voor een godsvermogen, op kosten van de zaak. Onder de voorwaarde dat we zulks zouden doen voor 1 juni. Waarom die deadline werd gesteld weet ik niet precies. Misschien dat het anders lastig werd met het presenteren van de kwartaalcijfers of zo.
Enfin, ik was die deadline glad vergeten, maar zag ‘m net op tijd in mijn agenda, met als gevolg dat het afgelopen woensdagavond een acuut geval betrof van nu of nooit.

Met mijn koortsige hoofd had ik die middag gereserveerd bij Van Vlaanderen, op de Weteringschans, een restaurant met een Michelin-ster. Oorspronkelijk had ik naar La Rive (Of Le Rive? zelfstandige naamwoorden in het Frans die eindigen op ‘e’ worden meestal vooraf gegaan door ‘la’ toch?) gewild, in het Amstelhotel, maar daar mag je tegenwoordig niet meer roken las ik vorige maand in het Parool, dus die kunnen klandizie mijnerzijds voorgoed vergeten (Tsk, een Franse naam voeren, en dan niet mogen roken, stelletje schijnheilige conards (of is het connards met dubbel ‘n’? Ik moet nodig mijn Frans weer eens gaan ophalen)).

Van Vlaanderen dus. We waren er nog nooit geweest, maar volgens mijn ex-vrouw was het een van weinige restaurants die een Michelinster wisten te voeren, zonder te verworden tot ballentent.
Toen we aankwamen bij het pand en door de ramen gluurden keken we recht in de smoel van Jack Spijkerman. Ik wist niet of ik dat nou moest opvatten als een goed teken.

Maar ik moet zeggen, het voordeel van de twijfel dat ik Van Vlaanderen op dat moment gunde (Jack rookte immers nog altijd shag, verder was er godzijdank geen BN-er te bekennen en met de stropdassen viel het ook alleszins mee) werd verre van gelogenstraft.

Het eten was gewoon Wow!
Sorry, ik heb er geen ander woord voor. Serieus, ik ben best wat gewend, maar de verrassingen die hier alleen al in het voorgerecht verstopt zaten, oh man! Ik ging er van spinnen (niet als een kat, maar meer alsof je vlinders voelt fladderen in je buik. Precies! Zoals bij verliefdheid, maar dan zonder spanning, dus prettiger), zo lekker. Het was vis, maar ondertussen stiekem verrijkt met eendenpate, munt, asperges die ze in een wijn moeten hebben gekookt waar aan Grande Cru nog een puntje aan kan zuigen, en meer van dat soort dingen, plus dat dan allemaal perfect uitgebalanceerd of zoiets. Ik heb er geen verstand van, ik ben geen Johannes van Dam, maar als ik ga spinnen, reken dan maar dat het goed is.

De laatste keer dat ik gesponnen heb was ca tien jaar geleden. Toen ik voor het eerst een slokje mocht nemen van een Rothschild Lafitte-wijn. Dat was in La (le) Rive overigens. Maar daar had ik het niet over. Ik had het over smaaksensatie. Gewaarwording Hors Categorie. Dat had ik dus woensdag bij het eten in Van Vlaanderen. En met die wijn tien jaar geleden, van La Rive.
Hoe het in de hemel is kunnen wij op ons aarde niet voorstellen, maar als je er een idee van wilt krijgen, dan moet je een avond tijdens de verschillende gangen heel hard heen en weer rennen tussen de Weteringschans (voor het eten) en de Sarphatistraat (voor de drank), en daarnaast over genoeg inlevingsvermogen beschikken om je te kunnen verplaatsen in de situatie waarin dat rennen dus niet hoeft.

Maar ik dwaal af. Want de wijn bij van Vlaanderen was, hoewel niet zo ultiem als die van La Rive, ook best goed. En we mochten, correctie, moesten er een hoop van drinken, wilden we het volledige ons ter beschikking gestelde godsvermogen uitgeven.
En dat deden we dus maar.
We dronken zoveel wijn dat ik vergat dat ik ziek was.

Dus ik dacht: kom, laten we op de terugweg via cafe de Pels lopen. Even rustig afpilsen evalueren.
We struikelden liepen straalbezopen prettig aangeschoten de kroeg binnen.
Zal je net zien dat er twee dichters zitten. Niet de minsten bovendien. Eus Kuiper hing met een van zijn beste vrienden, Diederik, op twee krukken aan het uiteinde van de toog. Menno Wigman zat met zijn ex, Lisa, aan een van de nieuwe tafeltjes, vlakbij de deur.

Tsja, hoe gaan die dingen? Je vraagt het je de volgende ochtend met hernieuwde en heviger koppijn altijd weer af, maar op de een of andere manier eindig je steevast met z’n allen in een kroeg die er een nog latere sluitingstijd op na houdt dan de Pels. Zoals bijvoorbeeld afgelopen woensdagnacht (donderdagochtend, zo je wilt), de Doffer.

Daar zaten we dan. De immer bloeiende Fleur Noire van de Nederlandse poezie, de verlepte slammer, de combi van die twee, plus L., L. en D.
We dronken nog maar eens een stevige pils. We hadden het over Reve. De combi was samen met D. naar zijn begrafenis geweest.
Dat vond ik wel goed van hem. Van allebei, bedoel ik.

De Fleur Noire vroeg iets omtrent de stand van zaken aangaande de aanstaande debuutbundel van de combi, die binnenkort zal verschijnen via de Bezige Bij.
"Ik moet nog 40 gedichten", zei de combi.
"En hoeveel tijd heb je?"
"Te weinig", zei de combi. Hij staarde in zijn glas.
"Hoezo?" vroeg de zwarte bloem.
"Ach nee, het is ook gelul", zei de combi, " ik heb na het WK nog 3 maanden."
"Dat is weinig"
"Ik zie wel."

Daarna ging het weer vele pilsen over Reve. Plus misschien wel over andere dingen, wie zal het in retrospect kunnen zeggen?

Pas moi. Ik, ik zat daar maar te wankelen op mijn stoel, te vechten tegen de slaap en tegelijkertijd wilde ik het allemaal niet missen. Ik wil nooit iets missen. Maar mede door die eigenschap, ben ik chronisch te moe om het allemaal goed te kunnen volgen.
Heel soms denk ik tijdens die door uitputting getroubleerde observaties toch iets briljants te euh, nou ja, denken dus. En die gedachte schrijf ik dan op een bierviltje.

Maar ja, je weet misschien hoe dat gaat met briljante gedachten op bierviltjes. Je vraagt je de volgende ochtend met hernieuwde en heviger koppijn altijd weer af, wat je daar nou in godsnaam mee bedoelde.
"Redeneringen waarbij de schilderijen van Picasso verbleekten als puzzelstukjes" had ik bijvoorbeeld opgeschreven.

Ik vermoed dat ik bedoelde dat de redeneringen die mij op het laatst tijdens die woensdagn
acht (donderdagochtend) ter ore kwamen, wilde laten gelden als regelrecht abstract.
Abstractie. Destijds een moedig en noodzakelijk stapje verder in de beeldende kunst.

En ik, ik was waarschijnlijk weer dronken bezig geweest abstractie te willen duiden.
Arme ik.
Ik, ik moet gaan slapen.
Het is Pinksterweekend. Er is tijd.