Schaken heerst!

Yo!

Ha, ha, daar zijn we weer. Jullie enige echte Jip en Janneke!
Wij weten natuurlijk dat Sven had beloofd vanavond eindelijk weer eens een normaal stukje te schrijven, maar dat is hem dus niet gelukt, want hij is gewoon een sukkel!

Weet je namelijk wat hij de laatste tijd de hele avond loopt te doen? Samen met L.?
Weet je het niet? Zullen we het maar zeggen!?
Schaken!!!

‘Nou ja!’ denk je natuurlijk, ‘die sporen niet! Alsof er niks op TV is!’
En wij zeggen: gelijk heb je. Het is echt een stelletje volslagen wereldvreemden, die mensengastouders van ons. Regelrechte weirdos man, ik zweer het je.

Ja, wij hebben Stefan Zweig gelezen met zijn Schachnovelle, wij bedoelen: we zijn niet van de straat, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat je die 60 bladzijden fictie als leidraad moet gaan nemen voor je daadwerkelijke bestaan?

"Sorry Janneke, maar hier ben je me even kwijt. Wat zei je nou allemaal?"

"Dat we niet van de straat zijn, Jip."

"Dat moet je niet opschrijven Janneke, dat is slecht voor onze street credibility, of hoe noem je dat?" 

"Alsof jij ooit op de straat komt."

"Mama zei dat we misschien binnenkort via die bouwsteiger naar beneden mochten, als we al onze brokjes opaten en onze, eh, drukjes niet meer onder de kamerplanten deden, maar in die grote grijze bak.

"Mama, zegt wel meer. Ik zeg: laten we ons spiritueel ontwikkelen. Potje schaken?"

"Tegen jou zeker! Ha, ha! Wijven kunnen niet schaken, gek!"

"Wie zegt dat?"

"Niemand. Het is gewoon genetisch bepaald. Noem mij 1 vrouwelijke speler die in de FIDE top 100 staat."

"…"

"I rest my case."

"Toch wil ik het wel eens proberen. En wie wint mag de titel van ons stukje verzinnen, okay?"

S4020348_1

"Eat this, Janneke! Penning opgeheven, perfecte dekking, kwestie van tijd en ik eet al je pionnen op. Neem ik efkes een foto van, met jou welnemen, ha, ha."

"Je vergeet de matdreiging op de koningsvleugel."

"Welke dreiging?"

"Deze dreiging!"

"Ach so."

"Precies!"

"Dat is gewoon mazzel, die je daar hebt. Daarbij Janneke, geef toe: het blijft een onbenullige bezigheid, dat schaken. Kijk ze nou eens liggen, die twee. Dodelijk vermoeid, na de zoveelste marathonsessie. Terwijl de een prachtige schilderijen had kunnen maken en de ander had een weergaloos stukje had kunnen schrijven."

"je kan gewoon niet tegen je verlies, sukkel!"

"Flikker toch op trut! En een waardeloze titel trouwens, die je nu opschrijft."

Advertisements

Fatige

Goedemorgen lieverds,

Morgen weer een echt stukje.
Thans ben ik te moe. Te moe om een zinnig woord uit te brengen.

"Dat schrijf je wel erg vaak," zei mijn ex-vrouw laatst, "dat je zo moe bent."

Daarin heeft ze gelijk. Ik zou het over diepzinniger zaken moeten hebben, wil ik mijn naam vestigen in de annalen van de literatuur.

Ik vrees echter, dat ik dat niet ga redden. Het enige wat ik ter verdediging kan aanvoeren is een kleine anekdote om mijn algehele vermoeidheid te illustreren.

Misschien ken je het wel. Dat je op kantoor zit en dat je geen fuck hebt te doen. Geloof me, dat maakt de vermoeidheid er niet beter op (of juist wel, het is maar hoe je het taalkundig opvat natuurlijk, (maar tussen ons en twee haakjes, als iets mag worden bestempeld als een vermoeiende bezigheid, dan is het wel de zaken taalkundig opvatten (en dingen, even in z’n algemeenheid, tussen haakjes (en/of komma’s) zetten (of in cursief))).

Wat ik bedoelde: een kleine anekdote, over hoe moe ik was.
Misschien ken je het wel. Het lachen om dingen waarom je eigenlijk niet lachen mag. Omdat het niet grappig is.

Ik checkte op mijn werk een site met alternatieve invullingen van het rouwhokje dat tegenwoordig onze pakjes Marlboro ontsiert. Toch geen zak te doen, dus tsja.
Het was een en al (dubbele ontkenning alert:) anti-anti rokersgeblaat dat de klok sloeg.
Vermoeid nam ik de vondsten van mijn creatieve soortgenoten door.
"Een anti-roker is een onruststoker", "Niet-rokers sterven ook", etc, enz.
Ik werd er niet vrolijk van.

Maar toen stuitte ik dus plotseling op de bijdrage van de een of andere puber met een gezonde what da fuck houding. Ik vond ‘m briljant:

"Ik mag overal roken, want ik heb altijd een paal."

En toen moest ik dus vreselijk lachen.
Mijn collega’s fronsten hun wenkbrauwen vanachter hun Excelsheets.

"Sorry", verontschuldigde ik me voor mijn plotselinge lachsalvo bij donkere hemel, "ik ben moe."

Kut

"Wat had je dan gedacht?"  vroeg de enige taxichauffeur die ik kon snaaien om 2.30 op Amsterdam CS.

Het was een Marokkaantje.

"Ik had gedacht dat we zouden winnen", zei ik.

"Serieus?" zei de taxichauffeur, "jullie spelen al het hele toernooi belabberd!"

"Dat is waar", zei ik, "maar als die bal van Cocu erin was gegaan…"

"Dan hadden jullie gewonnen", beaamde de taxichauffeur. "Easy", voegde hij daaraan toe.

Kut.

Een dagje vrij in Jag-log-vorm

10.08  Mijn mobiel gaat. Ik schrik wakker, knallende koppijn, en weet eventjes niet waar ik ben. Ik lig in een vreemd bed.
‘?’, denk ik.
Nadere inspectie leert dat het hier de logeerkamer van mijn ouderlijk huis betreft.
Verrek, denk ik, natuurlijk! Gisteravond Nederland-Argentinie gekeken met mijn vrienden in Tiel.
Ik weet er weinig meer van. Volgens mij is het 0-0 gebleven. Het enige wat me nog helder voor de geest staat is dat ik "Kijk uit!" riep tegen mijn beste vriend, toen ie zijn jarige dochtertje optilde en haar hoofdje dreigde een paar flinke tikken te gaan incasseren van de plafondventilator.
Maar daar had ik het nu niet over. Ik had het over mijn mobiel die rinkelt.
"Met Sven", zeg ik.
"Met Sander", zegt de ander. (Dat rijmt! Ik heb dan ook de Nederlandse kandidaat voor de WK poetryslam aan de lijn, die vanavond zal moeten schitteren tijdens het Poetry International Festival in Rotterdam).
Sander heeft vrijkaartjes voor ons geregeld, vertelt ie. Sander heeft daarnaast een schokkend verhaal. Zijn broer heeft een paar dagen geleden hartaanval gekregen.
"Jezus", zeg ik.
"Het gaat ondertussen wat beter", zegt Sander, "hij loopt alweer. Maar we dachten dat ie dood zou gaan. Hij lag in coma."
"Poe", zeg ik.
"Ja, heftig allemaal", zegt Sander, "maar ik zie jullie vanavond, dan praten we wel verder."

10.25  Ik wil onder de douche. Mijn ouders hebben een nieuwe badkamer. Daarin blijkt geen plaats te zijn ingeruimd voor de oude vertrouwde leentandenborstels. Die vloekten waarschijnlijk met het design.
De badkamer is een beetje zoals een moderne magnetron. Je kan er ongetwijfeld heel veel mee, maar zonder gebruiksaanwijzing kan je het voornamelijk schudden.

10.45  Ik kom beneden, waar mijn moeder en mijn zusje koffie zitten te drinken. Ik wil ook koffie. "Daar staat de Senseo", zegt mijn moeder, en wijst naar het aanrecht.
Ik verknal mijn kopje Senseo doordat ik vergeet het ‘dingetje’ naar beneden te doen. Mijn moeder ruimt de troep op. Het is een lieverd, mijn moeder.

11.36 Ik ontvlucht het moderne leven in Tiel en vat de trein terug naar good old Amsterdam. Volkskrant erbij. Ik lees de voorpagina. Zie je wel! denk ik, het was inderdaad 0-0. Mijn geheugen is zo slecht nog niet.

14.30  In de top 5 van beste remedies tegen een kater staat al jarenlang op nr 2: een bescheiden pils op mijn dakterras. Op nr 1 staat: een stevige pils op mijn dakterras.

15.30  Ik reserveer een tafel voor 4 personen in Floor; het caferestaurant van de schouwburg waar het festival plaatsvindt.
"Voor hoe laat?" vraagt de vriendelijke jongen.
"18.00 sharp", zeg ik.
"Moet u na het diner naar een voorstelling?" vraagt de vriendelijke jongen, "en zo ja, hoe laat?"
"Om 20.00", zeg ik.
(Het is inderdaad de bedoeling om, voordat het slamgeweld vanaf 21.30 zal losbarsten, nog even het programma rond Brodsky mee te pikken.)

16.10  L. en ik arriveren op Amsterdam CS

16.24 Bernard Wesseling zou om 16.15 bij de AKO-boekwinkel op Amsterdam CS staan, maar hij is er nog steeds niet.
Ik bel.
Voicemail.
Ik sms.

16.29 Dikke lul, we stappen in de trein richting Rotterdam.

16.45 Sms van Bernard: "Sorry Ladz, kreeg net te horen dat ik vandaag mot afwassen. (Curse them into the grave!) Hoop dat jullie niet te lang hebt gewacht! God zegen ons aller Sander."
"Sms van Bernard?" vraagt L.
"Ja", zeg ik, "hij moest plotseling afwassen."
"Afwassen?"
"In Festina."
"Ach so."

18.00 We dineren in Floor met Robin Block die net van het Oerolfestival afkomt en ene Rogier, een vriend van Sander. Rogier komt nogal speedy over.
We hebben het over coke.
"Doe ik al tien jaar niet meer", zegt Rogier, "ik ben gewoon zo van mezelf. Ik zeg altijd: het leven is 1 groot podium, toch?"
"Shakespeare", zeg ik obligaat.
"Maar het is wel waar", zegt Rogier, "niet dan?"
"Weet ik niet", mengt Robin zich, "ik ben meer geinteresseerd in backstage."
"…"
"Wie heeft er pen en papier!" verbreekt Rogier de korte stilte, "die moet ik opschrijven!"

19.55 We scoren aan de balie de vrijkaartjes en gaan naar binnen om in de grote zaal het programma rond Brodsky te zien.
"Heb je je telefoon uit staan?" vraagt Robin me.
"Het geluid wel", zeg ik.

20.13  Ik zit in de zaal en word stevig gebeld en ge-sms’t. Ik probeer Pim te Bokkel, die net iets te laat is, via sms uit te leggen dat we bij Brodsky zitten en dat ie zijn vrijkaartje kan ophalen bij de balie, maar T9 kent Brodsky niet. Lastig. Ik besluit Pim toch maar de onmogelijk herkenbare verbastering voor te schotelen en leg mijn telefoon vervolgens een totalitair zwijgen op.

20.31 Ik moet lachen om een zin uit ‘voordracht voor een symposium’, een vertaald gedicht van Brodsky: "Op zekere leeftijd bekijkt u zulke vrouwen zonder hoop ze nog te kunnen bespringen, zonder toegepaste belangstelling".
‘Toegepaste belangstelling’, dacht ik, ‘wow, die moet ik opschrijven.’

21.30 Brodsky is bijna afgelopen en presentator Erik Menkveld vertelt in zijn slotwoord dat de slammers klaar staan om "zodra wij onze hielen hebben gelicht" per direct het podium over te nemen.
Dat is slecht nieuws. Ik had gehoopt op een pauze. Ik moet er namelijk echt even uit om te roken. De snelste manier om dat te doen is binnen sneaken in de artiestenfoyer. Which I did.

21.31 Ik bestel een gratis pils aan de artiestenbar.
"Bent u genodigd?" vraagt een vriendelijke lookalike van Michael Jackson (en dan bedoel ik de Michael Jackson uit de tijd dat hij "Ben" zong, toen ie nog zwart was en kroeshaar had).
"Uiteraard", bluf ik tegen Michael.
Voor de zekerheid doe ik net alsof ik me hier helemaal op mijn gemak voel. Ik zwaai naar Bas Kwakman, de festivaldirecteur, die toevallig een paar meter verderop staat.
Goddank zwaait ie terug.
Waarop Michael als de bliksem toont dat ie van wanten weet.
‘Brutale mensen hebben de halve wereld’, denk ik, ‘dat is op zich een dubieus gegeven. Aan de andere kant merkte Freek de Jonge al op dat verlegenen blijkbaar beslag leggen op de andere helft, dus ik hoef me niet schuldig te voelen.
Bovendien heb ik nog altijd mijn gage van vorig jaar niet ontvangen van Poetry, en daar komt bij: van een zo’n pilsje gaan ze niet dood. Het is niet dat ik door deze clandestiene actie het voortbestaan van de internationale poezie acuut in gevaar breng.’
Moreel at ease steek ik een Marlboro op.

21.42 Het WK poetryslam begint. Spannond! Je suis benieuwd. Jurylid Simon Vinkenoog geeft middels het declameren van twee gedichten een briljant schot voor de boeg, door op zijn geheel eigen weergaloze wijze te laten zien waar het om gaat bij slam. Vergeet diepere lagen, de zaal van voor tot achter op z’n kop zetten is parool. Performance, performance, performance!

21.57 En performen kunnen ze, de slammers van vanavond!

21.58  Die Duitser is goed!

22.19 Die Amerikaan is ook goed!

22.20  Maar wat zei hij ook alweer precies?

22.30  Ik zeg op de WC tegen de Duitser, die naast me staat te pissen, dat ik ‘m goed vond.
"Thanks man!" zegt ie.
"Je was een van de weinigen met diepere lagen", zeg ik.
"Y
eah, thanks man", zegt de Duitser.
Hij staat na de eerste ronde enerlaatste in het tussenklassement. Hij weet dat ie de titel kan vergeten.

23.15 Elvis wint. Elvis uit Engeland. Het olijke bashen van de USA op rijm heeft blijkbaar vruchten afgeworpen.

0.32 Afterparty in de schouwburgfoyer met Jules Deelder als DJ. Ik zwaai naar Xavier Roelens. Hij zwaait terug. "Ik lees morgen het verslag wel", grijnst ie.
Ik grimas. Ik weet nu al dat het nooit van een verslag zal komen. De boekjes met de vertaalde gedichten van de slammers zijn niet meer te krijgen (de boekenstandjes bij Poetry gaan met het jaar eerder dicht, schande), ik heb niets opgeschreven, en mijn geheugen, tsja mijn geheugen. Dat zegt nog altijd: 0-0.

Een 0-0 kan een prachtige wedstrijd zijn, ongelooflijk spannond ook, maar het zijn tegelijkertijd ook typisch van die wedstrijden die je niet per se hoeft her te beleven.

Bij deze dus geen verslag.

Taart

Een van de moeilijkste dingen van werken vind ik verjaardagen.
Dat een collega trakteert op taart bedoel ik, en dat dan iedereen staand met zo’n schoteltje in z’n poten geforceerd een gesprek op gang probeert te brengen.
"Hoe is het eigenlijk tegenwoordig op jullie afdeling?" wordt je dan bijvoorbeeld gevraagd door een toevallige buurman in de kring. Natuurlijk net op het moment dat je mond bezig is om een stuk taaie vlaaibodem met twintig bevroren kruisbessen te vermalen.
"Bwruk", zeg je dan, *slik*/*gloek*, "druk, druk, druk, en bij jullie?"
"Ook bwruk."
Daarna valt er een ongemakkelijke stilte.
"…."
Je voelt hoe je buurman wanhopig zit te broeden op nog een vraag, maar je hoopt dat je blik en je lichaamstaal dodelijk genoeg zijn om hernieuwde pogingen tot een diepte-interview definitief te fnuiken.
Net als je denkt daarin te zijn geslaagd en het aandurft om een verse vrachtlading aan geglazuurde e-nummers richting slokdarm te lepelen, blijkt je hoop ijdel en komt de toevallige buurman in kwestie alsnog op de proppen met een vraag die uitblinkt in onbenulligheid, maar tegelijkertijd onmogelijk valt te negeren.
Dus daar moet je weer, met dat beboterde bladerdeeg in je bek.

Misschien ligt het aan mij, en aan mijn sociale vaardigheden, maar ik vind: taart eten en smalltalken gaan niet samen.
Daarnaast: verjaardagen vier je maar thuis. Met je eigen vrienden.

Vanochtend dacht ik een slimme move te maken. Vorige week had onze afdelingssecretaresse per mail al laten weten dat ze heden om 10.00 a.m. haar 40e lente luister bij wilde zetten met een gezellig samenzijn van de complete derde verdieping. Vanmorgen stonden 20 dozen Hema-taarten dreigend opgesteld in rijen van vier, als brute reminder aan dat mailtje.
‘Dikke snikkel’, dacht ik om 9.55, ‘deze jongen gaat er nu eventjes heel snel tussenuit piepen.’

Which I did.

Ik sneakte naar het rookhok. Normaal komt daar geen hond en kan ik eindeloos vrije trappen oefenen met de sponzen voetbal die daar ligt.
Shaggie erbij. Chill man!

Vanochtend was het anders. Bij binnenkomst in het rookhok staarde ik recht in de ogen van twee vrouwen. Gezien hun betrapte blik, dacht ik te schaften te hebben met verjaardaghatende lotgenoten die op hetzelfde idee waren gekomen.
Ik rolde mijn shaggie.
Ze kuchten demonstratief toen ik ‘m opstak, maar daarna wendden ze hun blik weer van mij af en begonnen (vervolgden) een gesprek.

"Ja,", zei vrouw 1, "en toen zei mijn moeder dus: ‘je moet gewoon kinderen nemen, want straks gaat ie er vandoor met zo’n jong ding, en dan neemt ie daarmee kinderen!’"
"Nou ja!" zei vrouw 2, als een echte vriendin. (‘Nou ja!’ is voor echte vriendinnen in veel gevallen een ontzettend goeie zin om te zeggen.)
"Precies!", zei vrouw 1, "dus ik zeg tegen me moeder: ‘Juist daarom! Juist daarom wil ik geen kinderen! Want als ie er dan toch vandoor gaat met zo’n jonge snol, dan heb ik dus echt geen zin om met een stel van die kutkoters te blijven zitten! Dan ben ik helemaal de lul! Krijgt hij ze lekker een keer in de twee weken in het weekend, en moet ik zorgdragen voor de rest van de pleuriszooi! Weet je wel wat daar allemaal bij komt kijken, kinderen!’"

Dat zal je moeder beter weten dan jij, dacht ik, maar ik zei wijselijk niets. Ik rookte mijn shaggie.

"Ach ja", zei vrouw 2, "mannen hebben het zo gemakkelijk."
"Ja", zei vrouw 1, "ze zijn inderdaad allemaal hetzelfde."
Ze keken eventjes vuil naar mij.
"Kerels…", verzuchtte vrouw 2.
"Eikels", zei vrouw 1.
"Dus je neemt geen kinderen?" vroeg vrouw 2.
"Ik kijk wel mooi uit! Het gaat al 15 jaar goed tussen ons, dus waarom zou ik nu in een keer kinderen moeten!? Toch?"
"Precies."

Ik nam een laatste trekje van mijn shaggie en drukte ‘m uit.
"Doeg!" zei ik tegen de 2 vrouwen.
Ze zeiden niks terug.

Desalniettemin vond ik mijn onderneming behoorlijk geslaagd.
Voor herhaling vatbaar.

Elfenbeinkuste

"Waar ga jij vrijdag voetbal kijken?" mailde mijn ex-vrouw vorige week, "zeker in Tiel?"
Het is waar, voetbal kijk ik het liefste in Tiel. In Tiel heb je tenminste niet te schaften met weloverwogen, objectieve spelanalyses van mede-bezoekers. Zo van: "die anderen zijn ook best wel goed."
Nee, in Tiel is het standaardcommentaar bij balbezit van de tegenstander gewoon: "Schup ‘m voor z’n kloten, godverdomme!"
En als er dan inderdaad een opponent wordt belaagd met een vliegende tackle op kniehoogte, stijgt er een oorverdovend gejuich op in de menigte.
De scheidsrechter moet het vervolgens niet wagen om een vrije trap tegen te geven, want dan is hij een blinde mongool, die is "omgekocht."
Als er daarentegen ook maar iemand een pink uitsteekt naar een Nederlandse speler, dan is het huis te klein, en worden er verbaal doodstraffen gevonnist van de gruwelijkste soort.
Prachtig.
Wat zal ik zeggen? Voetbal moet je subjectief beleven, anders is er geen zak aan.

"Nee, helaas", mailde ik terug naar mijn ex-vrouw, "de wedstrijd begint al om 18.00, dus ik red het nooit om vanuit mijn werk op tijd in Tiel te zijn."
"O", schreef ze, "zin om dan met mij te kijken, gewoon in Amsterdam?"
"Waar precies?" vroeg ik.
"Bij de VU hebben ze op de binnenplaats een groot scherm", mailde mijn ex-vrouw, "bier 1 euro, en bij een goal van Nederland krijg je een gratis bitterbal."
"Klinkt goed", schreef ik.
"Dat is dan afgesproken", stelde ze vast.

Op vrijdag zelf, de dag van de wedstrijd, belde ze me nog even. "Trek jij eigenlijk iets oranjes aan?" vroeg ze.
"Jazeker", zei ik.

Dus daar fietsten we, allebei met iets oranjes om de schouders (verwassen shirts uit de tijd dat we nog getrouwd waren), op koers naar het altijd bruisende Buitenveldert.
In de tegenovergestelde richting bewogen zich minstens zo oranje colonnes richting de cafe’s van het Leidse Plein.

"Zijn ze eigenlijk goed?" vroeg mijn ex-vrouw, "die voetballers van Ivoorkust?"
"In de afgelopen wedstrijd net zo goed als Argentinie", zei ik.
"Argentinie, dat is toch die ploeg die net met 6-0 van Servie heeft gewonnen?"
"Precies. En Servie was in de afgelopen wedstrijd ongeveer even goed als Nederland, dus als je een beetje kan rekenen…"
"gaan we vet verliezen", vulde mijn ex-vrouw aan.
"kunnen we die bitterballen gevoeglijk vergeten", zei ik.
"Best wel dapper dat we toch in het oranje zijn."
"Dapperheid is het enige wapen dat ons rest."

We kwamen aan bij de VU. Het was al behoorlijk druk, maar we wisten desalniettemin een plaatsje vooraan te bemachtigen. Achter ons zat een rij ebbenhoutzwarte uitwisselingsstudenten. Ze grijnsden er vervaarlijk op los.
Hoe dapper ik ook was, ik wist nu al dat ik het scanderen van "schup ‘m voor z’n kloten" voorlopig eventjes achterwege ging laten.
Eerst maar eens een paar honderd pils. Daarna zouden we wel verder zien.

Voor ons probeerde een student van het organisatiecommitee de stemming erin te brengen door oranje schuimplastic borden met handvatten uit te delen, waarop aan de ene kant "GOAL!" stond gedrukt, en aan de andere kant "WISSEL!"
Het was de bedoeling dat we die op adequate tijdstippen in de lucht zouden houden, vertelde de organisator.
Een van die adequate tijdstippen was overigens NU, nog voor de wedstrijd begonnen was, want dan kon de fotograaf alvast een mooi plaatje maken. Belangrijk natuurlijk, om de subsidie voor het gebeuren te kunnen verantwoorden. Zo van: Kijk nou toch hoe gezellig, daar op de VU! En hoe multicultureel! Zo kan het dus ook!

En zowaar, ik moet toegeven, zo kon het dus ook.
"Are you all from Ivory coast?" vroeg ik aan een pikzwarte meneer achter me.
"No, we are from Angola", zei ie.
Ik slaakte een zucht van opluchting.
"Wie hoop je dat er wint", vroeg ik in het Engels.
"Maakt me niet uit", zei hij in het Frans, "als er maar een hoop goals vallen, want dan krijgen we veel gratis bitterballen!"

De wedstrijd brandde los.
"On y va!" riep de pikzwarte meneer.
"Hup Van der Sar!" scandeerde mijn ex-vrouw (die vindt ze nou eenmaal het leukste)
"Schup ze voor hun kloten!" riep ik.

We zagen alledrie een prachtige wedstrijd.
Subjectiviteit. Daar draait het om.