Schuldgevoel

Ondanks dat ik ziek was wilde ik vanmorgen, plichtsgetrouw als ik ben, toch naar mijn werk afreizen.
"Weet je het wel zeker?" vroeg L. terwijl ze mijn voorhoofd betastte.
Ik mompelde iets over een belangrijke vergadering, stond op en liep naar de keuken om met barstende koppijn vegetarische filet Americain op grof volkoren te smeren, waarna ik het geheel routineus in boterhamzakjes knoopte.

Het was waar. Ik had een belangrijke vergadering. Maar de werkelijke reden waarom ik naar Zuid-Oost aftaaide zat ‘m meer in de beloningsstructuur van mijn werkgever. Een dagje ziek zijn kost me zo’n 200 euro. Bruto weliswaar, maar toch. Je kan er een hoop pilsjes voor kopen. Ook zou je er, mocht je jezelf daartoe geroepen voelen, 20 kindjes in Afrika mee kunnen redden. Het is in ieder geval niet iets om gemakkelijk te laten schieten, die 200 euro.

Als een zombie woonde de belangrijke vergadering bij. Daarna nam ik plaats achter mijn beeldscherm. Om geen argwaan te wekken liet ik mijn vingers zo nu en dan een dansje uitvoeren over het toetsenbord.

Zo’n dansje bleek genoeg. Niemand merkte het verschil met de normale gang van zaken. Niemand viel het op dat ik te gammel was om een tocht naar de koffie-automaat te ondernemen (iets wat ik normaal gesproken dagelijks minimaal 8 keer doe), of verzuimde rookpauzes in te lassen (dito).
Niemand die zag dat mijn blik op oneindig stond, mijn verstand op nul.
Niemand.
Ik voelde me plotseling niet de enige zombie.

Enfin. Ik heb werkelijk niets nuttigs gedaan. Nou ja, adem halen en bloed rondpompen. En hoewel dat natuurlijk uiterst belangrijke bezigheden zijn (innerlijke noodzaak en zo, weetjewel), moest ik constateren dat daarmee mijn lijst van wapenfeiten voor vandaag was uitgeput.

Ik keek nog eens naar mijn collega’s, die druk in gesprek waren over hun aanstondse vakantiebestemmingen, waarna mijn manager ze uitgebreid onderhield over zijn nieuwe lease-auto en hoe hij daarvoor creatief een kilometervergoeding naar zijn tweede huis in Toscane had weten te bewerkstelligen.

Het was het einde van de werkdag, en ik dacht: Fuck it. Als we dan toch zo gemakkelijk honderden euro mogen ontfutselen ten koste van het grootkapitaal, dan zal ik ze krijgen ook.
Ik pakte mijn internetbankierdingetje en maakte het volledige bedrag dat ik vandaag had verdiend met ziek zijnd werken, over aan het eerste de beste zielige kindjesfonds dat ik kon vinden.

Ik weet niet wat het is. Misschien "The urge to do good", zoals Benjamin Horne, de plotseling bekeerde oerkapitalist uit Twin Peaks, het al wortelknagend uitdrukte.
Oftewel schuldgevoel.

Ik ben blij dat ik in ieder geval nog weet wat dat is.

Advertisements

Cremeren is ook geen optie

Sorry lieve lezers, de afgelopen twee dagen geen logjes, en ook vanavond zullen jullie het met een excuusstukje moeten doen.
Na een lang weekend vol etentjes, galerietjes en een begrafenis (geen schokkend sterfgeval hoor, maak je geen zorgen, maar wel een dode van het kaliber om vandaag vrij voor te nemen), voel ik vanavond een plotselinge koorts opzetten.
En nou is er met koorts niks mis, daar kan je prima mee schrijven, behalve als hij gepaard gaat met een stevige dosis koppijn. En jullie begrijpen: dat laatste is momenteel aan de hand.

Ik voel me ziek, leeg, zo uitgemergeld als de St Pietersberg.
Waarom ik jullie daar mee lastig val? Geen flauw idee.

Ik heb een rare tic. Als ik naar een begrafenis ben geweest, zit ik me die avond altijd af te vragen hoe dat nu zou zijn voor de overledene. Die eerste nacht tussen zes plankjes, bedoel ik.
Overdag zal het allemaal nog wel gaan, met al die familie, vrienden en bekenden op een steenworp afstand. Ze drinken in het gebouw verderop een kopje koffie ter nagedachtenis en halen anekdotes aan waarin jij een louter positieve hoofdrol speelt.
"Horen jullie dat?", zeg je tegen je nieuwe buren, "ik was een goed mens!"
"Ja ja", knarsetanden de onbezochte zielen naast je, "maak je niet te veel illusies. Wij weten hoe dat gaat in dat gebouw. ‘Over de doden niets dan goeds’, maar heb je gezien hoe wij er inmiddels bij liggen? Check dat onkruid boven mijn buik, man! En ik wed dat je op mijn grafsteen niet eens meer mijn naam kan lezen. Of wel soms?"
"Sorry, ze hebben me begraven zonder mijn leesbril."
"Ook zoiets. Daar denken ze niet over na, die nabestaanden. Enfin, wees er aan de andere kant maar blij om, want er gebeuren hier ‘s nachts dingen die je maar beter niet kan zien."
"O ja? Wat dan?"
"Dat wil je niet weten. Sorry, ik heb al te veel gezegd. Ik zou snel nog efkes een paar uurtjes van je welverdiende eeuwige rust vatten, nu het nog licht is."

Brrr.

Nu is het donker, waait het dat het een aard heeft en regent het pijpestelen. Wie weet dansen momenteel witte wieven en dwaallichten macabere rondjes boven kerkhoven allerlande, ter choreografische begeleiding van bloeddorstige Dracula’s die versgestorven maagden aan stukken scheuren.

Ik hoop dat ik ooit rijk genoeg word om naast mijn toekomstige graf tot in de eeuwigheid 24-uurs bewaking te kunnen bekostigen.
Aan de bewaker in kwestie stel ik geen hoge eisen. Een pilsje drinken tijdens het werk mag best. En roken is ook een pre. Zodat we lekker van gedachten kunnen wisselen. Letterlijk als dat kan, dat van gedachten wisselen. Ik betaal ‘m tenslotte niet voor niets.

Goed, jullie merken, de koorts speelt mij parten. Ik moet gaan slapen.
Truste.

Waakvlam

Het is zielig maar waar, ik moest werken vandaag. Daar waar de rest van Nederland genoot van een vrije vrijdag na Hemelvaart, fietste deze jongen door de kletterende regen naar de altijd gezellige Bijlmer, om braaf plaats te nemen achter zijn pitoreske computer, teneinde voor waakvlam van onze economie te spelen.

Als externe, gedetacheerde medewerker ben je op dit soort dagen altijd de lul. Als er gewerkt moet worden met Kerst, Pasen of Oud-en-Nieuw, staat je naam onvermijdelijk bovenaan de lijst.
Toch vond ik het vandaag niet zo erg. Het was sowieso kloteweer en bovendien heeft het zijn voordelen, moet je rekenen, om als enige ziel op de werkvloer te bivakkeren.
Het maakt "meer mogelijk", om maar eens een van de beroemde ABNAMRO-slogans (die overigens op onze afdeling worden verzonnen), aan te halen. Zonder managers en andere collega’s in de buurt, kan je het je veroorloven om ten tonele te verschijnen als een lookalike van Maarten van Rossem; de bekende historicus die graag mag koketteren met zijn zeldzaam lage douche-frequentie.

Met mijn 5-dagsbaard, vettige haarslierten en nagels in nationale rouw, liep ik naar de koffie-automaat. Terwijl de drab in het plastic druppelde, checkte ik mijn gezicht in het bruine spiegelende plexiglas boven het keuzemenu.

Er was maar een conclusie mogelijk: ik zag eruit als een demente bejaarde die tien jaar was vergeten te slapen.
En zo voelde ik me ook.
Ik stak een verboden Marlboro op en keek nog eens goed in het glas.
‘Wow’, dacht ik, ‘een levend lijk, een rasechte zombie. Nog een nachtvorstje en ik ben de pijp uit.’
Ik keek achterom, naar de verlaten kantoortuin.
Ik vond het enorm rock ‘n roll.

Dokument

Ik ben een stier. Qua sterrenbeeld bedoel ik. Ik weet niet of ik nou echt moet geloven in horoscopen (eerlijk gezegd ben ik mijn vertrouwen daarin verloren toen ik rond mijn 18e verjaardag werd opgeroepen voor de keuring van Militaire Dienst en een hele middag verkeerde in een groep van 100 jongens met dezelfde geboortedatum als de mijne; no way dat wij ook maar iets van elkander weg hadden), maar ik moet toegeven dat ik wel degelijk beschik over wat volgens de horoscoopleer voor een stier de kenmerkendste eigenschap is: het hechten aan gewoontes.

Altijd als ik thuiskom uit mijn werk draai ik een vast ritueel af (mijn meisje een kusje geven, de kat over z’n kop krabbelen, me omkleden, een pils uit de koelkast vatten, etc), en een belangrijk onderdeel van dat ritueel is dat ik in sneltreinvaart de Volkskrant en het Parool probeer door te nemen, voordat het kwart voor 7 is en ik moet gaan koken (zodat we om stipt half 8 kunnen eten met het RTL-nieuws, etc).
Als je me stoort in dat ritueel, bijvoorbeeld door me onverwacht te bellen, dan krijg je een erg chagrijnige plukdenacht aan de telefoon.
Sorry, can’t help it, ik ben nou eenmaal een stier, weet je nog. Verder niks aan de hand.

Bon. Vanavond kwam ik dus ook terug uit mijn werk en zat in TGV-tempo de Volkskrant te koppensnellen toen ik, vlak voordat ik moest gaan koken, tijdens de allerlaatste pagina stuitte op de TV-recensie-column van Wim de Jong.
Hij was getiteld : "Slapjanus" en ging over het "tweeluik van Dokument over gokverslaving."

Ah! dacht ik, dat tweeluik heb ik gezien! Prachtuitzendingen! En ik offerde 2 minuten van mijn schema om het stukje in zijn geheel te kunnen lezen.
Het is namelijk altijd leuk om iemands mening op papier te zien over iets waarvan je zelf ook verstand denkt te hebben.
Tot mijn stijgende verbazing vond Wim het "een hele prestatie", dat ie het tweeluik had uitgezeten.
Ik citeer verder: "De makers van Dokument zeggen over hun programma dat het de ‘strijd toont van individuele mensen op het maatschappelijke vlak.’ Daaraan is niets gelogen of overdreven." … "Ze leggen echte gebeurtenissen vast uit de levens van gewone mensen, jawel. Maar laat hier onderhand maar eens zijn genoteerd dat gewone mensen toch vooral aan de andere kant van het beeldscherm thuishoren."

Dat is een tamelijk discutabel standpunt, als je het mij vraagt. Maar los daarvan, het ging hier niet over gewone mensen. Deze mensen waren gokverslaafd. Okay het waren geen BN’ers die gokverslaafd waren, dat geef ik toe. Maar laat hier onderhand maar eens zijn genoteerd dat BN’ers toch vooral weg moeten blijven in documentaires die de strijd proberen te tonen van individuele mensen op het maatschappelijke vlak.
(Documentaires betreffende de ondraaglijkheid van het BN’er bestaan uitgezonderd, uiteraard.)

Wim had er geen reet van begrepen, van dat hele tweeluik niet, en misschien ontbeerde hij zelfs de kennis van het concept documentaire an sich. Ik weet het niet.
Wel weet ik dat ie in zijn column het verhaal van "Christian (33) uit Limburg" onterecht afdeed als "gezeik en gezanik."

Christian was (net als Ria uit het eerste deel van het tweeluik) gewoon een gokverslaafde, die vond dat er niet zo gek veel mis was met zijn leven. Hij had het best wel naar zijn zin. Hij had er een vorm voor gevonden en wist zich financieel gezien prima te handhaven. Zijn probleem was meer dat anderen (lees de maatschappij in het algemeen en zijn moeder en vriend in het bijzonder) het een moreel probleem vonden.

En aangezien Chris zijn vriend en zijn moeder hoog had zitten, liep ie dus braaf naar de psychiater, en naar andere hulpverleners en liet ie zich zelfs interviewen door documentairemakers.
Puur om zijn moeder en zijn vriend een lol te doen, zag je, als je door de beelden heen las.
Voor hun schudde hij tegenover de hulpverleners allerlei verzachtende omstandigheden uit zijn mouw. Op een routine die verslaafden eigen is, lulde hij de hulpverleners het bos in, of stuurde ze met een kluitje in het riet. Hij zette al zijn kaarten op behoud van eigen identiteit, en probeerde ondertussen zijn sociale omgeving gelukkig houden.

"Gejeremieer en zelfbeklag", vond Wim de Jong.

Oneens, zeg ik. Die hele gang door het hulpverlenerscircuit doorloopt Chris uit liefde voor zijn naasten, die verkeren in onbegrip.

"Slapjanus", vond Wim.

Integendeel, zeg ik. Slap is het pas als je niet de moeite neemt om je medemens probeert te doorgronden. Als je iemand die geen vlieg kwaad doet (behalve zo af en toe zijn eigen bankrekening) moreel veroordeelt.

Wat zal ik nog meer zeggen? Ik ben zelf zo’n moreel veroordeelde. Ik ben kettingroker en volgens de definities van de diverse instanties zwaar alcoholist, dus ook ik krijg van mijn naasten regelmatig het nodige aan vriendelijke doch dwingende adviezen voor mijn kiezen geworpen.
(Ook ben ik trouwens een behoorlijke periode gokverslaafd geweest. Pas op het moment dat de euro werd ingevoerd ben ik ermee gestopt. De fruitmachine-branche had destijds geen zin in conversie-maatregelen en slikte gewoon euro’s voor guldens; ik schrok me dusdanig te pletter van het geslagen gat in mijn banksaldo, dat ik geen halve maatregelen heb genomen en per direct ben gekapt. Ik zal kortom een van de zeldzame mensen zijn die er door de euro financieel op vooruit is gegaan, maar dit alles terzijde.)

Wat ik wilde vertellen: ik weet hoe ik er mee om moet gaan. Met moralisten die je het licht in de ogen niet gunnen, bedoel ik.
Hier een korte cursus:
Eerlijk zijn is het domste wat je kan doen, als je tenminste de lieve vrede wil bewaren.
Verbergen is het beste.
Maar vroeg of laat word je gesnapt en dan is smoezen verzinnen wat dat betreft een teken van ontwikkeling.
Zeg bijvoorbeeld dat je sterrenbeeld Stier is. Dat je er niks aan kan doen. Dat je nou eenmaal vatbaar bent voor gewoontes en dat zulks astereologisch bepaald is.

Herhaal deze stappen in elk deeltraject van het circuit waarin je terecht komt.
Rek de tijd en zorg dat je ondertussen beroemd wordt.
Als gitaargod, dichter of weblogger desnoods, maakt niet uit wat, als je maar in beeld bent.

De achilleshiel van irritante, moralistische, betweterige figuren, is namelijk hun fascinatie voor roem.

Ook daar weet ik overigens alles van.

Hond bijt staart

"Kunnen jullie even naar de kamer van I. komen?", vroeg de afdelingssecretaresse aan mij en mijn 3 collega’s van ons kantooreilandje, "ze heeft een belangrijke mededeling voor jullie."
Een belangrijke mededeling. Altijd spannend. Wat zou het dit keer wezen? Was er opnieuw een zeezeiler van de ABNAMRO 2 door de golven van het dek gerukt? Mocht ons bloedeigen kantooreilandje participeren in een proef met nieuwe koffie-automaten? Of werden we gewoon ontslagen?
Als je bij I., de hoogste baas van een 250 man tellende afdeling, op kantoor mocht komen was alles mogelijk.

We schoven met z’n vieren aan rond de luxe tafel in de statige kamer. Er liep nog net geen butler rond om een borreltje en een sigaartje te offreren, maar het was goed toeven in deze ruimte.
I. dicteerde nog even een brief aan haar secretaresse, en nam daarna eindelijk plaats tegenover ons.
Gespannen keken we haar aan.
"Ahem", zei I. ernstig, "wat ik nu ga zeggen heeft vooral gevolgen voor jullie vier, dus jullie wilde ik het als eerste vertellen, voordat ik een memo laat uitgaan naar de rest van de afdeling."
Ai, dachten we, dus toch. We vliegen de laan uit.
"Moet S. hier niet bij zijn?" vroeg een van mijn collega’s geschrokken, "onze dagelijkse leidinggevende?"

S. is inderdaad de dagelijks leidinggevende van ons viertjes. D.w.z. hij heeft een eigen hokje met uitzicht op ons kantooreiland, opdat hij ons een beetje in de smiezen kan houden. Wat hij verder doet weet ik eigenlijk niet.
Op 9 januari jl heb ik desalniettemin een aardig stukje over hem weten te schrijven.

"Nee", zei I., "S. hoeft hier niet bij te zijn, want daar gaat het nu juist over."
"?" zeiden wij collectief.
"S. heeft een nieuwe uitdaging gekregen", verduidelijkte I. Per 1 juni is hij niet meer jullie dagelijks leidinggevende."
Onder de tafel balde ik een vreugdevuistje.
"Wie wordt dat dan wel?" vroeg een andere collega.
"Niemand", zei I.
Ik balde twee vreugdevuistjes.
"Maar wie neemt dan zijn taken over?"
"Ook niemand", zei I., "S. is een goeie manager, hij heeft zichzelf overbodig gemaakt. Zijn taken zijn letterlijk en figurlijk opgelost. Jullie kunnen van nu afaan zelfstandig opereren en vallen voortaan rechtstreeks onder mij."

Heb je dat stukje nou (nog eens) gelezen of niet? Dat stukje van 9 januari? Ik persoonlijk wel.
Het blijft fascinerend, dat bedrijfsleven.

What's your excuse?

Ik schaam me bijna om het te bekennen, maar ik kijk dus wel eens naar Jensen. Uiteraard puur in het kader van antropologisch onderzoek, maar dat is geen excuus, want hoe je het ook wendt of keert: je moet beschikken over een twijfelachtige dosis tolerantie voor wansmaak als het je lukt om dat programma langer dan 5 minuten je beeldscherm te laten vullen.
En mij lukte dat.

In deze aflevering was de een of andere 34-jarige Amerikaan te gast, een goeroe uit het bedrijfsleven, hier in Nederland aanwezig om zijn boek te promoten. Het bijzondere aan de goeroe was dat ie geen armen had.
Koren op de molen van Jensen, want dat was lachen natuurlijk.
"Stel je voor: die man zit op de WC en heeft net een grote boodschap gedaan", vertelde Jensen tijdens zijn aankondiging, "hoe moet ie dan z’n reet afvegen, WHAHAHAHAHAHA!!!"
"WHAHAHAHAHAHAHA!!!" antwoordde het publiek.
"Dat gaan we hem natuurlijk allemaal vragen, en hier is ie dan, mijn eerste gast, geef ‘m een warm applaus, de enige echte Mr Foppe!!!"
*DAVEREND APPLAUS*

De Amerikaanse goeroe nam plaats op de bank en wilde gaan vertellen over zijn boek, getiteld "What’s your excuse?"
Maar daar kwam ie niet aan toe.

Het eerste wat Jensen ‘m vroeg was of ie wat te drinken wilde.
Dat wilde hij wel.
"Maar hoe ga je dat dan opdrinken?" vroeg Jensen, terwijl hij een glas champagne uitschonk en "MUWHAHAHA" zei tegen het publiek.
*Gegrinnik*
"Gewoon", zei de goeroe, en pikte het glas met een gesokte voet van Jensens bureau, bracht het naar zijn lippen en nam een teug.
*APPLAUS*
"Wow!", zei Jensen, "Maar dit dan?" en wierp de beste man een banaan toe, "hoe ga je dat oplossen, MUWHAHAHAHA."
*WHAHAHAHAHA*
"Ook met mijn voeten", zei de goeroe, "maar dan moet ik wel eerst even mijn sokken uitdoen."
Hij frummelde voet voor voet zijn sokken uit en pelde met zijn blote tenen de schil van de vrucht.
*APPLAUS*
"Thank you", zei de goeroe, "maar eigenlijk wilde ik vertellen over mijn boek, dat gaat over.."
Jensen was echter alweer onder zijn bureau gedoken en kwam triomfantelijk tevoorschijn met een nieuwe uitdaging, een gesloten blikje frisdrank, "TADAAH!"
*WHAHAHAHAHA*

Verder moest de goeroe nog een cake bakken met zijn tenen en daarna kon ie het toneel weer verlaten.
Over zijn boek had ie amper iets kunnen zeggen.
"Jezus", zei ik tegen L., "wat een ellende, dit programma."
"Ja", zei L., "tenenkrommend."
Toen deden we zelf WHAHAHAHAHAHA.

Aan de andere kant denk ik dat aan het gemiste diepte-interview niet veel verloren is gegaan. Want je kan eigenlijk al precies voorspellen hoe dat zou hebben uitgepakt.

Het boek zal uiteraard hebben gehandeld over dat de beste man het, ondanks dat ie is geboren zonder armen, toch een heel eind heeft weten te schoppen in het leven. Zo is hij inmiddels een afgestudeerd wetenschapper, getrouwd met een mooie vrouw en kan hij autorijden en een eitje bakken zonder de hulp van anderen.
Hij was kortom koren op de molen van het bedrijfsleven, dat met smart zit te wachten op deze prototypes van the American Dream die niet lopen te zeiken over "gelijke kansen" en dat soort gelul, maar die gewoon de handen uit de mouwen steken. Of de tenen uit de sokken in dit geval. Anyway, de boodschap zou duidelijk zijn geweest: niet klagen, maar gewoon de schouders eronder doorzetten, dan komt het allemaal vanzelf goed. Sociale voorzieningen zijn voor watjes.
Mr Foppe werd vanzelfsprekend aan de lopende band uitgenodigd door corporate managers om lezingen te geven op de werkvloeren van noodlijdende bedrijven, om het personeel ervan te overtuigen dat ze losers waren. "Je wilt je baan toch houden? Waarom zou jij er dan niet nog een schepje bovenop kunnen doen? Waarom zou jij niet met wat minder vakantiedagen toekunnen, waarom kan jij niet doorwerken in de avonduren? What’s your excuse?"
Schathemeltje rijk geworden, die Mr Foppe, met zijn lezingen, ongetwijfeld.
Want dat is het geheim van de American Dream. Het komt niet zozeer aan op hard werken, maar vooral op slim wezen. Opportunistisch zijn, kansen grijpen, op en over de ruggen van anderen.

Mr Foppe (zo heette hij echt), de Amerikaanse goeroe, was om zijn boek te promoten niet te beroerd om gewoon een aapje te spelen dat een kunstje kan, in ‘s Neerlands belabberdste praatprogramma.
What’s your excuse?

We leven in een fijne wereld, met een prachtig gidsland.
Ik steek er nog eentje op.
Welterusten.

Onweer

Weinig is mooier dan tijdens daverend onweer te verkeren in mijn schrijvershokje. De regen beukt op tegen de 4 glazen wanden en ik, ik kijk uit over de nachtelijke stad.

Tijdens onweer is de blik op de Westkant het mooiste. Achter me bruist het Centrum en branden er nog volop lichtjes, maar in het Westen is het schitterend donker. Op de rode lantaarns van Schiphol na is de blik op het Westen een inktzwarte bedoening, en dat is ideaal voor het contrast.
Want als dan *FLASH! FLASH!* plotsklaps de bliksem flitst, wordt het nachtelijk leven waarvan Amsterdam-West zojuist nog verstoken leek, opeens in genadeloos licht aan je blootgesteld.

Een verzopen kat besluipt een slapende duif.
Een merel kijkt onbegrijpend op zijn horloge.
De overbuurvrouw bevredigt een man oraal.

Let op, ik ben geen voyeur. Het gaat me voornamelijk om het uitzicht op de stad. Dat mijn blinde uitzicht in een fractie van een seconde wordt getransformeerd tot een hemels panorama, waarin ik tegelijkertijd het Vondelpark, het World Fashion Centre en het hoofdkantoor van de Belastingen bij Sloterdijk kan zien. Fascinerend. Maar soms zie je tijdens het onweer per ongeluk andere dingen.

Anyway. Daar wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Behalve over de Belastingen dan. Want die heb ik vandaag eindelijk eens gedaan. Het was toch de hele dag kutweer, dus ik dacht: kom, laat ik de belastingen over 2004 eens doen.
Daarbij speelde ook een rol dat ik ruim een maand geleden een blauwe dreigenvelop in de bus had gekregen, waarvan de inhoud me verzekerde dat als ik niet binnen 10 werkdagen aangifte over 2004 zou doen, ik vies de lul zou zijn.
Ze hadden er nog net geen plaatje van die Duitse leraar bij gedaan. Die van die spot: "we gaan dit jaar extra streng controleren", bedoel ik.

"Morgen!" had ik L. gisternacht beloofd, "morgen ga ik echt de belastingen doen."

Vanmorgen sliep ik zo lang mogelijk uit.
Het regende.
Ik bakte voor het eerst sinds tijden weer eens Danerolles-croissantjes.
Het regende nog steeds.
Vervolgens las ik elke letter van de zaterdagedities van de Volkskrant en het Parool.
Het regende nog altijd.
"Waar ga je naartoe?" vroeg L., toen ik mijn joggingschoenen aantrok, "ik dacht dat je de belastingen wilde doen?"
"Ik ga even hardlopen", zei ik, "in het park. Dat is gezond."

Maar uiteindelijk zette ik mezelf dan toch maar aan de arbeid.
Ik heb een grote la. Een lade waarin ik ongezien alle bonnetjes, afschriften en belangrijke papieren flikker, waarvan ik vermoed dat ze wel eens nuttig zouden kunnen zijn voor de belastingen.
Ik schoof wat tafels en stoelen aan de kant en kieperde ‘m om op de vloer.
"Wow", zei L., "da’s een hoop papier."
"Breek me de bek niet open", zei ik.

Zuchtend sorteerde ik de papieren op de bedrijfsnamen van de verschillende instellingen waarmee ik financieel-technisch te schaften had; Delta Lloyd, Aegon, Spaarbeleg, Buro Post, Van Nierop, ABNAMRO, Sogeti, Transiciel, UCC, etc, enz. En dan heb ik het alleen nog maar over mijn werkgever en mijn pensioen-, hypotheek- en lijfrente-instanties. De werkelijke ellende zat ‘m in de bonnetjes voor bijverdiensten en uitgaven als dichter, organisator, filantroop en aanverwante zaken.

Het was geen doen.

Ik besloot de papieren te sorteren op jaartal: 2004, 2005 en 2006. Dat was al een stuk gemakkelijker.
De papieren voor 2004 goot ik in een verhuisdoos.
"Zo", zei ik een uurtje later tegen L., "deze zijn voor mijn financieel adviseur. Die moet het verder maar uitzoeken."
"Heb jij een financieel adviseur?" vroeg L.
"Ja", zei ik.
"Waarom loop je dan in godsnaam te sorteren? Dat is net zoiets als opruimen voordat de werkster komt!"
"Je hebt gelijk", zei ik, "ik betaal niet voor niets 15 euro per maand."
"15 euro per maand!?" riep L.
"Ja", zei ik.
"Da’s veel geld!"
"Integendeel", zei ik, "ze zijn gek", en sloot de doos.

Vannacht keek ik naar het onweer, en dacht: kom, laat ik een stukje schrijven.