JAG-log

Er bestaan een hoop verschillende soorten weblogs las ik vandaag op wikipedia, de vrije encyclopedie op internet. Natuurlijk wist ik dat al, maar toch. Het altijd prettig om wat je eigenlijk al weet, zwart op wit bevestigd te zien.
Ik moest denken aan een versje van de voormalige slamdichter Karel van de Berg. Karel is een jongen van mijn eigen leeftijd, die actief was tijdens de begintijd van de Nederlandstalige slam. In, pak ‘m beet, de periode 1998-2001. Hij woonde in Den Haag en legde zich voornamelijk toe op het declameren van kwatrijnen:

Studeren, zeiden lippen
van een eeuwige student
is het leren van begrippen
voor wat je eigenlijk al kent.

Hoe het verder is gegaan met Karel weet ik niet precies. Misschien studeert hij nog steeds, je mag het niet uitsluiten. Ik zag ‘m twee jaar geleden achter de kassa staan van de Albert Heijn-to-go op Den Haag Centraal en rekende een halve liter Heineken bij ‘m af. Hij herkende me niet.
Zo gaan die dingen. Ik begreep het wel. De slamwereld is een vluchtige wereld. Je ontmoet honderden nieuwe gezichten per jaar, waarvan je 99% nooit meer terug ziet. Dus het heeft geen zin om al die gezichten te onthouden. Je weet uit ervaring dat het leeuwendeel na een jaartje in het circuit het bijltje er toch wel bij neer zal gooien. Je weet dat voor slamdichters geldt: eenmaal uit de kast, dan ook alles uit de kast. En vervolgens is de kast leeg, en gaan ze iets normaals doen. Een goeie baan zoeken bijvoorbeeld. Of een hermetische bundel schrijven.

Of een weblog bijhouden. Want daar had ik het over: er bestaan verschillende soorten weblogs. Op wikepedia zag ik allerlei begrippen voorbij komen. Zoals bijvoorbeeld een “JAG-log”. Zoek het maar eens op: “weblog” op wikipedia.
Een Jaglog wordt als derde genoemd van de 16 soorten die ze onderscheiden. En volgens hun houdt een Jaglog het volgende in:

Jaglog
Een Jaglog is een weblog die nietszeggende inhoud bevat die meerdere keren per dag ge-updated wordt. Vaak bestaande uit enkele zinnetjes als “ik laat de hond uit en drink koffie”. Vanuit deze blogvorm is ook de term “jij bent een JAG” voortgekomen (een nietszeggend persoon).

Oftewel, als ik het goed begrijp is een Jaglog een weblog waarin op robotistische “tell don’t show”-wijze verslag wordt gedaan van het prive-leven van de weblogger in kwestie. Zonder chronologische concessies.

Het is 1.30 am. Zojuist een pils opengetrokken.

Het is 1.31 am. Er een shaggie bij gedraaid. En die ook opgestoken.

Het is 1.42 am. Volgens mij heeft de kat honger, maar die heeft vette pech, want ik heb wel iets beters te doen dan de kat voeren. Bovendien heeft ze, zoals jullie hebben kunnen lezen, een paar uur geleden nog eten gehad, dus ze moet niet zo zeiken.

Een JAG-log. Een webcam, maar dan in woorden. Ik had er nog nooit van gehoord. En eerlijk gezegd ken ik er ook geen praktijkvoorbeelden van. Weet iemand misschien (oude) url’s voor me?
Volgens google is het fenomeen namelijk uitgestorven. Slechts 12 hits op de Nederlandstalige pagina’s, die bovendien helaas voornamelijk wikipedia napraten.

Jaglogs. Ik voorzie een potentiele leesverslaving mijnerzijds.

Update Ik heb er eentje ontdekt! Of in ieder geval een (eenmalig) uitstapje in die richting: check 29 april van deze site (naamgrap-alert)

Advertisements

Onhandig bloesemend

“Hey”, zei ik vanavond tegen L. toen ik de TV-pagina van het Parool las, “Ramsey Nasr komt vanavond bij Paul de Leeuw!”
“O”, zei L., “leuk!”

Door omstandigheden iets te laat (mijn moeder belde, verder niks ernstigs) schakelden we om 23.15 de TV in op Nederland 3.
We zagen Paul de Leeuw een zekere meneer Kruimel interviewen.
“Ramsey zal toch niet al zijn geweest?” vroeg L.
“Dat denk ik niet”, zei ik, “ik denk dat ze hem tot laatste bewaren. Ramsey Nasr is tegenwoordig hartstikke hot. Hij stond afgelopen zaterdag nog op de cover van de Volkskrantmagazine.”
“Vertel mij niks”, zei L.

Maar voorlopig hadden we dus eerst nog te schaften met meneer Kruimel. Meneer Kruimel ging, of was ooit gegaan, over de altijd weer spannende lintjesregen voor Koninginnedag, als ik het goed heb begrepen.
“Misschien krijg jij er morgen ook wel eentje”, zei de oude heer Kruimel tegen Paul de Leeuw.
Paul, zichtbaar verrast, flapte er wat zenuwachtige wartaal uit, maar herstelde zich snel. Adrem als ie is, mimede hij er recht in de camera kijkend, spontaan een ongeinteresseerde blik achteraan.
Het publiek lachen natuurlijk. Om dat gespeeld politiek incorrecte, en de adremheid waarmee het gepaard ging.
Maar meneer Kruimel liet zich niet van zijn stuk brengen. “Ik merk het al”, zei hij tegen Paul de Leeuw, “jij hebt ook de kriebels in je knoopsgat!”
“Welk knoopsgat bedoelt u precies?”, zei Paul de Leeuw, “met die kriebels?”.
Gevolg van die opmerking: een nog harder lachend publiek, en Paul die besloot dat het een goeie grap was geweest om het item mee af te ronden. Next!

Next was een gezinnetje dat fan was van Alpenkreuzers. Dat was natuurlijk bij voorbaat al goed voor het nodige gegniffel.
Publiek. Een roedel Pavlov-honden verbleekt erbij. Publiek begint als vanzelf te grinniken bij het horen van woorden als “Ikea” of “Erica Terpstra.” En dat geldt echt niet alleen voor TV-publiek. Het gebeurde ook bij Poezie in Carre. Soms word ik er een heel klein beetje droevig van.

Terwijl vader en zoon van het gezinnetje in de weer gingen om live in de studio een Alpenkreuzer op te tuigen, kondigde Paul de Leeuw de volgende gast aan: Ali B.
Twee komieken naast elkaar op de bank.
“Hey”, zei Ali B. om zich heen kijkend, “je hebt het hier zowaar een beetje Marokkaans ingericht!”
Hij doelde op de Oosterse tapijten die her en der over de studiovloer waren gedrappeerd.
“Ben je gek”, zei Paul de Leeuw, “dat is gewoon Ikea!”
“HAHAHAHAHA!”, deed het publiek.

“Maar vertel”, zei Paul, “hoe zit dat nou met jou en de koningin. Met dat huggen en zo.”
Ali B. vertelde over zijn contact met Hare Majesteit. Hoe hij op die bewuste dag dat hij in Almere The Queen had gehugd, eigenlijk moest optreden in Venlo.
“Dus je zei: Sorry Bea, ik heb het te druk!?”, vroeg Paul.
“Nee, ik dacht: het is wel de koningin, weet je”, zei Ali B., “En dan ook nog eens Koningin B, snap je!?”
“HAHAHAHAHA!”, deed het publiek opnieuw, waarna het overging op een donderende ovatie.

“Hahaha”, deed ook Paul de Leeuw. Niet veel later liep hij samen met Ali naar een foto die op een studiomuur werd geprojecteerd. Het was de foto van Ramsey Nasr die op de cover van de Volkskrantmagazine had gestaan.
“Ah!” riepen L. en ik, “eindelijk!”

“Wie denk je dat dat is?” vroeg Paul aan Ali B.
“Geen flauw idee”, zei Ali.
“Waar doet ie je aan denken?” vroeg Paul, “waar lijkt ie op?”
“Aan een Marco Borsato die aan de crack is.”
HAHAHAHAHA!

“Het is een dichter”, vertelde Paul de Leeuw, “de stadsdichter van Antwerpen. Hij heeft zojuist twee bundels uitgegeven. Verder is hij een Palestijn.”
“O”, zei Ali B., “dus hij is net zo explosief op het podium als ik!”
HAHAHAHAHA!

Daarna was het moment dat er een of ander cirkelachtig podiumdeel werd omgedraaid en Ramsey, even plotseling als eindelijk, ten tonele verscheen. Hij mocht plaats nemen op de Ikea-bank, tussen Ali B. en Paul in.
Ik schrok. Ik zag een uitgeblust pafferig gezicht. Ik had de herinnering aan een engelachtige verschijning waarmee ik anderhalf jaar geleden had opgetreden in de Hoekse Waard, nog vers op mijn netvlies.
Hij moet hebben gezopen, dacht ik. Of misschien ook niet. Misschien is het gewoon waar wat ze zeggen: dat the camera adds ten pounds.
“Hij ziet er slecht uit”, zei ik tegen L.
“Dat valt wel mee”, zei L.

Anyway. Het interview begon. Paul de Leeuw stelde een vraag.
“Ik ben bang dat ik daar niet direct een guitig antwoord op kan geven”, antwoordde Ramsey, wellicht zenuwachtig geworden door de omstandigheden. Nerveus door het plotselinge besef dat lachbejag het kloppende hart is van hedendaagse talkshows.
Maar voor indekken is in diezelfde hedendaagse talkshows geen tijd, en al helemaal geen genade.
“Nou ja!”, riep Paul in de camera met het rode lampje kijkend, “wat is dat nou weer voor een woord, guitig!?”
Het publiek lachte niet. Er was iets dood gevallen.

“Doe maar een gedicht”, zei Paul in paniek.
Ramsey zette een gedicht in. Maar terwijl hij zijn eerste regels uitsprak was de Alpenkreuzerman net toe aan het in de vloer rammen van zijn tentharingen.
Ramsey werd boos, vroeg om stilte.
Hij kreeg die stilte inderdaad voor vijf zinnen, die hij wijd gebarend en in prachtig functioneel Vlaams wist uit te spreken, maar toen begon de Alpenkreuzerman opnieuw op zijn haringen te timmeren.
HAHAHAHAHA! deed het publiek.
Zich hierdoor gesterkt voelend joeg de grijnzende Alpenkreuzerman een metalen stengel extra diep door de podiumdelen heen.
Kwaad stond Ramey op, om de man de hamer uit zijn hand te rukken.

Ali B. zag het allemaal hoofdschuddend aan.
“Weet je wat het is”, zei Ali tegen Ramsey, “ik begrijp er gewoon niks van, poezie! Man, ik ben een rapper, maar jij hebt meer gebaren nodig dan ik, en er is nog steeds niemand die je snapt!”
HAHAHAHAHA!
“Poezie hoef je ook niet te snappen”, probeerde Ramsey, “Bij poezie is het juist de bedoeling dat je..”
“Het rijmt niet eens!” interumpeerde Ali.
“Ja, er is een dunne lijn tussen poezie en proza”, mengde Paul zich in de hoogstaande discussie.
“Wacht”, zei Ali B. door Ramsey’s bundel bladerend, “hier rijmt het wel, maar dan pas vier zinnen later! Dat kan toch niet?”
“Dat is poezie”, probeerde Ramsey, “soms rijmt het na 4 zinnen.”
Mooie gelaagde opmerking. Maar aan de overige aanwezigen niet besteed.
Het publiek tapte met de vingers op de ongeduldige dijen. Wanneer mogen we weer lachen?

“Hoe is dat nou?” vroeg Paul de Leeuw in godsnaam maar aan Ramsey, “om stadsdichter van Antwerpen te zijn?”
Ramsey begon over zeppelins als metafoor in hoger maatschappijverband, maar toen dat niet aansloeg probeerde hij het over een aansprekendere boeg te gooien. Hij vertelde over hoe hij “het urinoir” was van de stad. Dat de vreemdste figuren hem benaderden, om kond te doen van hun doorbraak in de chaostheorie, of de uitvinding van de zoveelste perpetuum mobile, en of Ramsey maar even zijn “macht” wilde gebruiken om zulks als agendapunt aan te voeren op de gemeenteraadsvergadering. Hij werd belaagd door “allerlei gekken.”

“Je bent zelf gek”, zag je het publiek denken. En Paul erbij, om over Ali B. nog maar te zwijgen.

“Kan jij niet eens proberen om wat dichtregels van Ramsey te rappen”, probeerde Paul Ali te verleiden in een poging om de lach van het publiek die al meer dan anderhalve minuut niet had geklonken, te laten weerschallen.
Ali B. waagde een korte poging, maar strandde. En beriep zich opnieuw op onbegrip.

“Fuck man!”, zei Ali B. tegen Ramsey, “ik zweer het je, vroeger dronk en blowde ik me helmaal gek, maar tegenwoordig ga ik dus skien, snorkelen en op safari, ik bedoel, ik sta echt open voor nieuwe dingen, weet je, maar jou begrijp ik gewoon niet.”
Ramsey keek naar Paul.
“Ik ook niet!”, zei Paul tegen de camera met het rode lampje, “maar ik doe tenminste alsof.”
HAHAHAHAHAHA!

Ramsey probeerde het nog een keer. ”
Nogmaals, je moet poezie niet per se willen begrijpen. Zie het als een kermisattractie. Daarin zweef je rond en heb je plezier, zonder dat je op dat moment denkt: “goh, hoe zit dat nou precies met die middelpuntvliedende krachten en dergelijke”.

Poezie als kermisattractie is misschien een ietwat gevoeligliggende vergelijking, maar potverdikkie, in het kader van de avond mocht ie er wezen.

Bangladesh (slot)

Dit is het vervolg van het verhaal van gisteren.

A., I. en ik, we verlieten de Griek en zetten de voettocht in richting de Twentietoe, het jeugdcentrum waar die avond de Finale van de Parel van de Betuwe werd gehouden. De Parel van de Betuwe is een bandjesconcours, een soort Grote Prijs van Nederland, maar dan van Tiel en omstreken.
Met Turn Left, ons eigen vroegere bandje hadden diverse malen aan meegedaan, inmiddels alweer ruim een decennium geleden. De Finale hadden we echter nooit weten te halen. Daarvoor waren we domweg te slecht. Was ik te slecht, moet ik eigenlijk zeggen.

Turn Left ontstond op de jongenskamer van mijn beste vriend I.
“Weet je wat wij moeten doen?”, had I. gezegd, toen we ons weer eens een middag stierlijk zaten te vervelen.
“Nou?” vroeg ik.
“Een rockband beginnen!”
Op zich een briljant plan natuurlijk, als je 16 bent.
“Maar”, vroeg ik, “moeten we daar niet eerst een instrument voor leren bespelen?”
“We’ll cross that bridge when we get there”, zei I., “eerst maar eens een naam. Wat denk jij?”
We kwamen uit op “Turn Left”, qua metrum gejat van de band “Go West”, en letterlijk gezien inhoudelijk ook, maar politiek gezien betekende het toch compleet het tegenovergestelde. En dat was precies de bedoeling. We waren rechtgeaarde communisten in die dagen moet je bedenken; wij sympathiseerden met de CCC, (Cellules Communistes Combatantes) en ook de leden van de RAF (Rot Armee Fraction) rekenden wij tot lichtende voorbeelden, achtten we waarachtige helden. Wat dat betreft verschilden we niet eens zo gek veel van Mohammed B. en consorten.
Hoewel.
Op onze boekenplankjes prijkten Das Kapital van Marx en het Rode boekje van Mao, maar die literatuur hebben we nooit daadwerkelijk gelezen. Wij wilden enkel een statement maken: “De wereld is gemeen! En kut! Er moet iets veranderen!”
Waarmee we eigenlijk bedoelden: Wij vervelen ons te pletter, er is hier geen zak te doen, en we hebben veel te weinig geld. Doe eens wat onze kant opschuiven, van die duiten!”

Of misschien bedoelden we dat zelfs niet eens, want we hadden, geloof ik, wel degelijk enig sociaal gevoel in onze donder. Wat ons met name aantrok in het idee van een bandje was de mogelijkheid om ontzettend beroemd te worden.
Een bandje, zo beredeneerden wij, = stoer = wijven. En dat is het enige waar het op je 16e om gaat. Het was vast niet voor niks dat Koning Leon de Eerste dagelijks zijn gitaar meesleepte naar school, om op het plein wat valse akoorden voor zich uit te tokkelen.

En het bleek te werken. A. kocht een drumstel, I. en ik kochten een gitaar + versterker, we scoorden wat boekjes met uitleg over akoordenschema’s en gingen de planken op. Binnen notime waren we de hotste act in town. Vooral omdat we het advies dat de Beatles ooit was gegeven tijdens hun prille jaren in Hamburg, linea recta hadden gekopieerd: “Mach Schau!”
Tijdens ons allereerste optreden, in diezelfde Agnietenhof, scheurden I. en ik elkaar, zoals afgesproken, de kleren van het lijf tijdens onze vlammende cover van Cold Turkey. Eerder die avond was ik in een spectaculaire poging de molenwiek van Pete Townsend te imiteren, met gitaar en al dwars door een spleet tussen twee podiumdelen heen gedonderd, die door het ongekende volume dat Turn Left produceerde, waren gaan schuiven.
Mijn gitaarsnaren naar de galemiezen en ik zo mank als Nelis. Maar niks aan de hand. Met bebloede kop en een in allerijl geleende Flying V-gitaar van de bevriende Hardrockband Kalkar (vernoemd naar de Duitse kerncentrale), stond ik binnen een halve minuut weer op het podium, met drie brandende sigaretten tegelijk in mijn mond, zoals Keith in zijn betere dagen.
Helden waren, we, en mijn zusje startte prompt een breedafgenomen fanclubblad.

Veel progressie hebben we in die jaren daarna niet geboekt. Dat wil zeggen: ik niet. De anderen werden muzikaal steeds beter, maar ik, ik bleef maar teren op die eerste set grepen die ik had geleerd uit het akkoordenboek. Meer was volgens mij ook niet nodig; “het gaat toch goed zo? We zijn de populairste band van Tiel!”
De andere bandleden dachten daar anders over. Ze vonden het tijd om de zaken serieuzer aan te pakken. Het was gedaan met de Schau. Kwaliteit! was het nieuwe parool. Met name door toedoen van D., onze solo-gitarist.
D. was (en is) de beste gitarist van Tiel en wat mij betreft zelfs de beste van de wereld. Niemand die zo waanzinnig goed aanvoelt hoe je met een Wah-wah om moet gaan. Goor, smerig, vies, vet aangezet, maar dan plotseling overschakelend op iel, naar adem happend kwetsbaar, snijdend gevoelig. Blauwe noten door merg en been. Om er vervolgens een bommentapijt van distortion overheen te donderen, als muzikale napalm.

Maar van Schau machen had ie weinig kaas gegeten. Hij was een stille op de planken. Oprecht, dat wel, maar stil.
En het was vooral D. die zich ongelooflijk ergerde aan mijn amateuristische gitaarspel. Hij voerde een alcoholverbod in tijdens onze optredens, maar nadat zulks nauwelijks voor verbetering had gezorgd in mijn blikkerige gerammel, werd tijdens een bandvergadering besloten dat ik dan in godsnaam maar in de leer moest bij D.
En dus toog ik op vrijdagavonden af naar D’s ouderlijk huis om me te onderwerpen aan strenge een-op-een sessies, waarin me door D. de diverse toonladders werden bijgebracht.
Het fanclubblad ging ondertussen langzaam maar zeker ter ziele.

“Hoe is het gegaan bij D.?” vroeg I. me steevast na die vrijdagavondsessies, “ben je eindelijk iets beter geworden?”
“Ik weet het niet”, zei ik dan, “misschien wel. Maar ik zal nooit een D. worden. Daarvoor ontbeer ik het talent. Mijn kracht ligt meer in het simpele. Ik ben meer zoals Keith.”
Het was vloeken in de kerk.
En niet lang daarna werd ik de band uitgeflikkerd.

Het was ze vergeven. Turn Left had misschien wel vijf keer meegedaan aan de Parel, maar nooit, nooit, nooit hadden we de Finale weten te bereiken.
Na mijn ontslag is ze dat overigens ook niet gelukt. Muzikaal totaal op orde, maar Turn Left was al jaren bepaald geen spannende verschijning meer. Het contact met het publiek was verloren gegaan. Van het enthousiasme, oorspronkelijke de grootste kracht, restte geen enkel spoor.

Turn Left is een aantal malen gereannimeerd, in diverse bezettingen (en ook ik heb ooit een comeback gemaakt), maar stierf uiteindelijk een anonieme dood. Ze is ongeveer 15 jaar geworden.
Wat resteert is nul CD’s, nul prijzen, and a whole lot of music that could have been great.

Jonathan was a rock ‘n roll star
Didn’t make it, but that’s just the way things are

(Rock ‘n roll Star – Fatal Flowers)

Terug, of verder zo je wilt, naar die bewuste zaterdag op stap met mijn beste vriend.
I., A. en ik kwamen aan bij jeugdcentrum Twentietoe. We hadden bij de Griek een flinke bodem aan eten gelegd, maar dat was eigenlijk een klassiek gevalletje “als het kalf verdronken is, etc.” Met name I. en ik waren reeds zo kachel als een tierelier. We hadden de hik en trachtten die middels de ouwe trouwe truc met de vloeitjes (opgerold papietje in je neus frotten om een niesbui te forceren – als dat niet helpt, helpt niets) weer kwijt te raken.
Tevergeefs.

Op de stoep voor de Twentietoe zat een ineengedoken schimmige figuur, een man in zijn late thirties, verloren een joint te pielen.
A. en I. strompelden om hem heen, om in hemelsnaam de ingang te bereiken. Ik niet. Ik bleef staan. Bekeek de schimmige figuur nog eens goed, hij kwam me ergens bekend voor.
De schimmige figuur likte aan de plakranden van zijn joint en keek omhoog. Onze blikken kruisten. “Hey!”, zei ie toen, “Rasdichter!”
Het is een van de mooiste complimenten die ik ooit heb gekregen.
Vooral omdat het afkomstig was van een voormalig vorst: Koning Leon de Eerste.

Ik stond daar maar, een beetje dom te grijnzen, met die Bangladesh-box in mijn poten.
“Kom je nog!” riepen I. en A.
“Hoi”, stamelde ik te gehaast
tegen de gevallen monarch, en liep door.

Ik dacht aan Leon Russel, de muzikant die op de Bangladesh-LP’s toetsen speelt, en ook tijdens een aantal nummers de zang voor zijn rekening had genomen. Leon Russel kon ontzettend goed Mick Jagger nadoen qua zang (beluister Jumping Jack Flash op Bangladesh), maar vooral was hij de ultieme belichaming van het oermens uit de begin jaren zeventig. Niemand met langere haren, niemand met wanstaltiger baard, en last but not least: niemand die stoneder uit zijn ogen kon loenzen dan Leon Russel. Ik dacht aan de link die I. me recent had opgestuurd, een Amerikaanse variant van Marktplaats.nl waarop good old Leon Russel zijn laatste bezit, een gammele Pickup-truck, in de aanbieding had gedaan.

Rock ‘n roll is keihard. Rock ‘n roll is medogenloos. Ooit uitgevonden om blues te overtreffen, want hey, een loser zijn kunnen we allemaal, net als daarover huilebalken. De truc van Rock ‘n roll is om boos te wezen in plaats van te janken. En verder te zorgen dat je zo snel mogelijk de pijp uit gaat.

Zoals ik het op dat moment bedacht vond ik het een akelige definitie.
Dikke lul, herstelde ik mezelf, rock ‘n roll is gewoon dom doen met het hart op de juiste plaats. Fuck wat andere mensen denken, ik ga eens gewoon een avondje lekker helemaal mezelf zijn.

I. haalde munten, we bestelden nog een aantal pils en liepen naar voren, naar het podium, waar D. zou optreden met zijn nieuwe band.
D. had op zijn 35e zowaar de Finale van de Parel van de Betuwe had gehaald. Echte kwaliteit verloochent zich niet.
D. zette het eerste nummer in en trok meteen flink van leer met zijn wahwah-pedaal. Tranen schoten in mijn ogen. Hemels. Nee, het was meer. Het was meer dan ongezien neuken met een zekere Maria, dit was een Schepping waarvan God zou wensen dat Hij er een punt aan mocht zuigen. Waarom deze jongen nog geen contract had bij de allergrootste platenmaatschappij was mij een onnoemlijk raadsel.

Enfin. Ik begroette mijn zusje, die een stukje moest schrijven over de avond in de Gelderlander, ik begroette P., de vriendin van D., die ik al jaren niet had gezien. Ik begroette honderden andere mensen die ik al jaren niet had gezien. Ik was in Tiel, en alarm, alarm, ik voelde me thuis.

“Waar is je LP?” vroeg I., na afloop van het optreden van D.
“Verrek”, zei ik, en snelde naar het besloten cafegedeelte van de Twentietoe waar de Appelpoporganisatie huisde, om te checken of mijn liefje nog in orde was. Want die status had ze inmiddels bereikt, die Bangladesh-box. Als je een dergelijke dag met mij al tot zover hebt weten te overleven, dan ben je iets waard.

“Je had ‘m voor de deur van het magazijngedeelte gezet, sukkel”, vertelde K.v.K., voorzitter van Appelpop, ter plekke.
“Kut”, zei ik, “is ie stuk?”
“Nee, dat niet. Ik heb ‘m zolang even op een veiligere plek verstoppeld.”

Van de rest van de avond weet ik weinig meer af. Flarden. Hoe I. en A. in slow motion in een taxi vertrokken. Hoe ik met mijn zusje zat na te pilsen aan de entree-tafel, en hoe we D. voorbij zagen lopen, druk in de weer met zijn versterkers en zijn gitaren. Hij was nog altijd zijn eigen roadie.
“D.!”, riep ik dramatisch, alsof ik iets heel belangrijks wilde zeggen.
“D. keek om.
“Wat is er?” vroeg ie.
“D!”, zei ik nogmaals, ik wist niks beters. Ik kon de juiste woorden niet vinden.
D. keek me nogmaals nuchter aan. Dat nuchtere maakte het niet makkelijker.
“…”, zei ik.
D. knipoogde. “Ik lees je!”, zei ie. Waarna ie definitief vertrok.

Shock.
“Nou ja!”, zei ik tegen mijn zusje, “het lijkt wel alsof iedereen hier mij leest!”
Mijn zusje nam nog een slok van haar pils. “Ach ja”, zei ze.
Ze was het gewend.

Even later verlieten mijn zusje en ik het jeugdcentrum en trotseerden we de lege wegen huiswaarts. Op het kruispunt bij het ziekenhuis, waar onze bestemmingsrichtingen scheidden, zeiden we gedag.
Ik zette koers richting het huis van mijn ouders. Het regende. Het regende hard. Ik liep in een T-shirt en hield in een reflex de Bangladesh-box, die K.v.K. in mijn handen had gedrukt toen ik daadwerkelijk de pleiterik maakte, boven mijn hoofd.

“Niet doen!” zei een innerlijke stem, “man, dat oranje karton is al zo verweerd, deze regen zou de nekslag betekenen.”
Ik nam de stem ter harte, propte de box onder mijn shirt en ploeterde voort.

Ik liep en ik liep, de weg was eindeloos. Vlakbij huis aangekomen, struikelde ik over een stoeprand die het donkere plein van een kleuterschool rondde.
Dizzy inventariseerde ik mijn knokkels. Bloed.
Maar bezorgder was ik om de LP’s.
Het zal toch niet, dacht ik, niet nu! Niet na alles wat we hebben meegemaakt!

Ik stak mijn Marlboro voor noodgevalen op en inspecteerde de box.
Het was nog allemaal daar. Legio eerder opgelopen krassen, maar godzijdank niks gebroken.

We konden weer voort.

Bangladesh (bijna bijna slot)

Dit is het vervolg van het verhaal van gisteren.

Met mijn verse buit, de Bangladeshbox, liepen I. en ik naar het rookhok voor een laatste pils en shaggie.
“Hoe is het eigenlijk met dichten?” vroeg I.
“Goed”, zei ik, “maar ik doe het de laatste tijd niet meer zoveel. Ik ben eigenlijk meer aan het organiseren en presenteren.”
“Presenteren?”, vroeg I., “jij?”
“Ja”, zei ik, “ik.”
“Hoe kom je daar nou weer in verzeild gerold?”
“Via Diana Ozon”, zei ik, “maar ik denk niet dat je die kent.”
“Natuurlijk ken ik Diana Ozon!” riep I., “die komt uit Tiel!!!”
“?”
“Ja man!” zei I., “weet je nog, die aller eerste keer dat we uitgingen?”
“Nee. Hoezo?”
“Dat Amnesty International-benefiet-concert! Kom op man, dat weet je toch nog wel!? In de Agnietenhof!”

[rewind in ‘het leven van Sven’]

Ik begreep waar hij op doelde. Het was inderdaad een van de eerste keren dat I. en ik samen het Tielse uitgaansleven in waren gedoken. Het Tielse uitgaansleven werd in die periode geregeerd door Koning Leon de Eerste.
Koning Leon was een lange jongen, een jaartje jonger dan ik, maar minstens een decennium levenswijzer. King of the alto’s en charismatischer dan Elvis. Hij heerste.
Ik herinnerde hoe alles wat de naam “jeugd” mocht dragen de vloer voor het podium van de Agnietenhof bevolkte, in afwachting van het concert. We misten echter nog een bezoeker. We misten de Koning.
Vlak voor aanvang kwam hij binnen. Ik weet het nog precies. Zwarte broek, zwart colbert, een kapsel dat van nature neigde naar een hanenkam en een uit de kluiten gewassen gouden ketting waaraan een kruis bungelde, ter grootte van een pakje Marlboro.
Alles en iedereen vloog op ‘m af. Alto-meisjes overlaadden hem met kussen, alto-jongens knikten hem verlegen toe.
Ik had ook geknikt.
En Koning Leon de Eerste had teruggeknikt, ten teken dat ook ik me vanaf toen onderdaan mochten wanen van Zijn Rijk.
Mijn avond kon niet meer stuk.

[forwind in ‘het leven van Sven’]

“Ah!”, zei ik, “dat concert waarop Harry Sacksioni een hond nadeed op zijn gitaar!”
“Juistem! En die knakker van Doe Maar was er ook, hoe heet ie ook alweer…”
“Ernst Jansz”, zei ik, “en die zong toen ‘many rivers to cross’. Maar wat heeft dat met Diana Ozon te maken?”
“Die presenteerde die hele avond man!” gilde I., “weet je dat echt niet meer? Ik dacht dat jij zo’n goed geheugen had!”
“Dat lijkt me sterk”, zei ik, “volgens mij zat Diana toen in de krakersscene. In Amsterdam.”
“Ja, de krakersscene inderdaad!”, riep I., “maar niet in Amsterdam! Ze zat bij ons! In Tiel! Ik zweer het je man, Diana Ozon komt uit Tiel!”
“Het lijkt met sterk”, zei ik nogmaals, “maar ik zal het eens navragen.”
“Moet je doen. Zeg, drink eens door. We moeten zo de trein halen.”
Ik kloekte mijn pils achterover en maakte aanstalten om het rookhok te verlaten.
“Je vergeet je LP”, zei I.

“Dat is het beroerde als ik drink”, zei ik, we zaten inmiddels in de trein naar Tiel, “als ik heb gedronken vergeet ik dingen mee te nemen.”
“Wie niet”, zei I.
“Ja, maar ik heb het heel erg”, zei ik, “met drank in mijn giechel verlies ik geloof ik spontaan alle behoefte aan bezit.”
“Maakt niet uit”, zei I., “bezit is sowieso diefstal. Toch?”
“Ja, maar soms komt het best wel lullig over. Dingen vergeten mee te nemen.”
“Wanneer dan?”
“Nou ja, als je bijvoorbeeld een poetryslam hebt gewonnen in het een of andere gehucht en je vergeet je trofee. Of je gewonnen boekenbonnen. Of de gebrande CD die door de organisatrice zorgvuldig is samengesteld. Vinden ze doorgaans niet zo grappig.”
“Gebeurt je dat vaak dan?”
“Vaak is niet het woord. ‘Altijd’ is meer op zijn plaats. Komen ze me achterna rennen terwijl ik naar het plaatselijke station probeer te wankelen om de laatste trein te halen. ‘Je vergeet je CD!’ roepen ze dan, met een boos gezicht.”
“Is natuurlijk ook wel een beetje arrogant van je”, zei I., “om je prijs te vergeten.”
“Arrogant is niet het woord”, zei ik, “het is puur uit dronkenschap.”
“Vermoeidheid”, corrigeerde I. me (in Tiel ben je als man nooit dronken, je bent gewoon vermoeid. Je hebt te hard moeten werken).

We kapten nog een aantal halve liters weg in die trein naar Tiel. We kwamen aan en stonden op het punt om de strompeltocht in te zetten naar een restaurant vlak naast Tiel C.S., een Griek.
“Je vergeet je LP”, zei I.
“Zie je wel” zei ik, en viste de Bangladeshbox uit het bagagerek.

Bij de Griek sloot ons beider andere beste vriend zich bij ons aan: A. Die voormalige buurjongen met die grote neus, met wiens wielercarierre het overigens nooit iets is geworden. Met zijn maatschappelijke des te meer. Ik VWO destijds, I. Mavo en A. LTS, maar A. verdient tegenwoordig het meeste van ons alledrie. Hij had zojuist een vrijstaande villa gekocht in de Passewaaij (Tielse nieuwbouwwijk), deelde hij mede, voor bijna het dubbele bedrag dat mijn eigen etage kost, en waarvan ik de hypotheek met moeite rond had kunnen krijgen.
Niet slecht voor een metaalbewerker.
We hadden het over politiek. A. vond Verdonk een topwijf. Ik vertelde een mop om het ijs te breken. Ik vertelde over een Turk die naast hem zou komen wonen, en dat die dan kon zeggen: “mijn woning is meer waard dan de jouwe. En hoe A. dan zou vragen: “hoezo? Het is toch een vergelijkbare woning?”
“Ja”, zou die Turk dan zeggen, “maar ik woon naast een Nederlander en jij woont naast een Turk!”
Geen bevrijdende lach. Integendeel. “Onzinnig voorbeeld”, mopperde A., “een Turk kan zo’n villa nooit betalen.”
Alsnog een bevrijdende lach.

Nieuwe maatschappij, nieuwe punchlines, ik wist het niet. Ik vond het wel best. Ik bestelde nog wat drank en we lieten onnoemlijk veel vlees aanrukken. Politiek is een dom onderwerp om over te praten als je onder oude vrienden bent, besloot ik, en zette mijn tanden in de Souvlaki.
“We moeten weer eens iets leuks gaan doen met zijn drieen”, zei A., waarna we plannen smeedden om een thuiswedstrijd van FC Barcelona te bezoeken.
En dat voelde prettig, moet ik toegeven. Het leven is al moeilijk genoeg ten slotte.

Goed. Even tussendoor. Het alweer laat. En ik ben vanmiddag enorm op mijn bek geknald tijdens het hardlopen in het Vondelpark (gestruikeld over een uitstekende putdeksel), en ik verrek van de pijn in mijn knie. Serieus, ik kan niet meer nadenken. Het is alsof er continu met een moker op mijn knieschijf wordt getimmerd, terwijl er tegelijkertijd van binnenuit op de zenuwen wordt ingeboord. Kiespijn is er een mietje bij.
Laat dat gezegd zijn, en laat me daarna in sneltreinvaart verslag doen van het slot van de dag op stap met mijn beste vriend I.

We stonden nog even te pissen in de Griek.
“Ik kan niet pissen”, zei ik tegen I., “als jij kijkt.”
“Is dat zo?”
“Ja, dat is zo. Bovendien”, zei ik, “lijken die pisbakken hier net op vrouwenhalzen. Ze hebben borsten onderin. Heb je dat gezien?”
“Verrek”, zei I., “Nu je het zegt! Het is net alsof je bij je vriendin tussen de tieten loopt te zeiken.”
“Dat bedoel ik.”
Ik liep de plee uit en maakte aanstalten om de zaak te verlaten.
“Je vergeet je LP”, zei I.

Ja sorry. Nogmaals exsuses. Ik merk dat deze cyclus me diverse lezers kost, ik bedoel, de bezoekersaantallen zijn de laatste dagen danig aan het dalen, en ik zou de cyclus wat dat betreft zelf ook erg graag afronden, maar het lukt me niet vanavond. Echt niet.

Ik ben maar een mens, snap je. Met pijn in zijn knie. Godverdomme, wat heb ik een pijn in mijn knie. Het is al een wonder dat ik mijn schrijfhokje, hierboven, op de 5e verdieping heb weten te halen.
Weet dat ik mijn best doe.
En weet nog steeds dat het mooiste nog komt. Een Grande Finale. Maar ik ben er vanavond niet toe in staat.

Geduld. En een enorm Please mijnerzijds.

Bangladesh (bijna slot)

Dit is het vervolg van het verhaal van gisteren.

Het is nu inmiddels een week geleden, die dag op stap met mijn beste vriend I.
In mijn hectische leven stapelen de recente gebeurtenissen zich als bakstenen over mijn herinneringen heen, dus ik moet voortmaken met mijn notities.
“Voor ik vergeet”, zoals Spinvis zong op zijn debuut-CD.
Je weet wel, dat nummer waarin een Frans-klinkend zangeresje met hese stem zorgdraagt voor de grondtonen van een vrolijk voortkabbelend melodietje (pa-papa), terwijl Spinvis er, al even hees, doorheen mijmert.
Zoooo jaren zeventig. Zoooo magisch. Prachtig.

Kon het leven maar altijd zo langzaam gaan. Ik verlang oprecht naar iets meer tijd om te reflecteren. Maar dat mag niet. “Belachelijk dat Henk van Dorp er mee op wil houden”, zei minister Brinkhorst vanavond tijdens de allerlaatste uitzending van BvD, “hij is pas 66. We leven te veel in een comfortmaatschappij.”
Hij zei het enigszins schertsend, de minister, maar ook achter humor schemert toch altijd een bedoeling. En de bedoeling van Brinkhorst is bekend: “Werken jullie! Tot je dood! Voor weinig geld! Want anders nemen de Chinezen het over en zijn we de pisang!”

De sukkel heeft waarschijnlijk zelf nooit de tijd gehad om eens goed na te denken. Als het om hard werken gaat winnen Aziaten het toch wel (in Japan sterven dagelijks bosjes zakenmensen van oververmoeidheid op een roltrap – iets waar ze zich in Japan overigens tegen kunnen verzekeren, maar om de gewonnen somma daadwerkelijk uitgekeerd te krijgen moet je bewijzen dat je meer dan 72 uur aan 1 stuk door hebt gewerkt. En dat lijkt me bepaald geen sinecure, het aanvoeren van dat bewijsmateriaal, als je zelf inmiddels tussen zes plankjes ligt.)
Je zou het hele arbeidsproces ook wat intelligenter kunnen aanpakken. Ik zal er niet te diep op in gaan, want daar heb ik nu geen tijd voor, maar als eye-opener wil ik meegeven: focus niet op hard werkenden. Kijk naar de luie mensen. Hoe krijgen zij de dingen voor elkaar? Ik zeg: efficient, creatief, innovatief. Ik zeg: daar ligt uw gouden sleutel naar een welvarende kenniseconomie. Naar een heerlijke en zwoele comfortmaatschappij.

Houden we een heleboel geld over voor het milieu. En armoedebestrijding natuurlijk, all-over the world. Je moest eens zien hoe goed dat voor de economie zou zijn. Samenwerken. Het is er bij Sesamstraat al met de paplepel ingegoten, maar op de een of andere manier wordt die jeugdvoeding er door praktisch iedereen die wat stapjes zet in het huidige zielloze arbeidersklimaat, direct weer uitgekotst. Ieder voor zich en God voor ons allen, waarbij het brekende nieuws dat het best eens zou kunnen dat God niet bestaat, of in ieder geval heel iets anders is dan dat we er ons traditioneel bij voorstelden, volslagen wordt genegeerd.

Misschien dat ik het daarom zo mooi vond, die dag vorige week, met mijn beste vriend I.
Ik werd naarmate de dag vorderde steeds meer geconfronteerd met idealen. Al dan niet gesneuveld, maar meer daarover in het slotstuk, nu eerst het volgende.

In een van de kraampjes op Beatlesdag stuitte ik bij het scheiden van de markt op die ouwe trouwe Bangladesh-box. Het benefietconcert dat George Harrison spontaan had georganiseerd n.a.v. de noodtoestand in het land van een vriend.
Het werd een soort Live Aid, loin avant la lettre, met medewerking van zijn andere goede vrienden, zoals oa Bob Dylan en the Band, Eric Clapton en de onvergetelijke Leon Russel (over die laatste later meer). Grote verschil met Live Aid: Het Bangladeshconcert was geen programma waarop de diverse artiesten stuk voor stuk optraden, nee, ze stonden continu samen op het podium. Speelden met elkaar i.p.v. na elkaar.
Those were the days.

My friend came to me
sadness in his eyes
told me that he needed help
before his country dies
And though I couldn’t feel the pain
I know I had to try
Now I’m asking all of you
to help us save some lifes

[dramatische pianoklanken, overgang naar uptempo]

Bangladesh, Bangladesh
Where so many people are dying fast
etc

Ik weet het. Je zal er de Nobelprijs voor de literatuur niet mee winnen. Maar als je de muziek, en dan vooral die oprechtheid in die zangstem hoort, dan ga je geheid overstag. Reken maar dat je grif zou storten. Als je geld had gehad. En als er destijds gironummers op TV waren geweest. Maar die waren er toen nog niet. Er was alleen die box. Die moest, naast de kaartjes, zorgen voor de opbrengst.

Mijn gedachten gingen terug naar die Beatlesdag van 20 jaar geleden, toen de box op de veiling aan mijn kinderneus voorbij was gegaan. Die beroerde dag waarop 5 gulden, bijna mijn halve jaarinkomen, niet voldoende was geweest.
En nu zag ik ‘m dus plotseling weer terug.

“Hey”, riep ik tegen I., “de Bangladesh-box!”
“Heb ik al”, zei I.
Dat wist ik, I. had Bangladesh op een heruitgave. Op CD.
“Niet op LP”, zei ik.
“Nee”, zei I., “dat is waar. Maar ik heb tegenwoordig ook geen pickup meer.”
“Ik wel”, zei ik, “en ik ga ‘m kopen.”
“Wat kost ie?” vroeg I.
“3 euro.”
“Misschien kan je er nog wat afpingelen”, zei I. “De box hangt van losse draadjes aan elkaar. Zit het boekje er wel bij?”
Ik opende de box. Het zat erbij. “Check”, zei ik, “het enige wat ontbreekt is de beschermhoes van de derde LP.”
Nu was het tijd voor de handelaar om zich erin te mengen; “je mag ‘m hebben voor 2 euro”, zei ie.

Even duur als een pils.

“Inflatie”, prevelde ik, “inflatie van kunst, inflatie van maatschappij.”
Ik klapte de box weer dicht. Streelde het verweerde oranje karton.
En kocht ‘m.

(slot binnenkort)

Bangladesh (interlude)

Dit is het vervolg van het verhaal van gisteren.

Of eigenlijk is het niet zozeer een vervolg, maar meer een intermezzo. Een interlude. In de Beatlesfilm Help zag ik het voor het eerst. Een absurdistisch tussenstukje dat verder totaal niks met het verhaal te maken heeft.
En volgens mij kunnen jullie dat nu wel gebruiken, zo’n 7th inning stretch.

Een man komt thuis van zijn werk. “Schat”, roept zijn vrouw vanuit de keuken, “zou jij even langs de delicatessenzaak kunnen gaan? Ik heb van alles in huis gehaald, en ben al druk aan het koken, maar ben de escargots vergeten.”
“Komt voor de bakker”, roept de man en loopt de deur uit. Bij de delicatessenzaak bestelt hij 12 escargots, rekent af en propt het zakje slakken in zijn binnenzak.
Op de weg terug naar huis komt ie een vriend tegen.
“He, kameraad!”, roept die vriend, “zin om efkes een pils te pakken?”
“Nou”, zegt de man, “Elize staat al te koken en ik moet dus eigenlijk…”
“Lul niet pik!”, zegt die vriend, “je zit toch niet onder de plak of wel soms? Kom op man, gewoon efkes een snelle pils wegkappen met je beste vriend. Dat is toch niet te veel gevraagd?”
“Vooruit, eentje dan”, zegt de man, “een kleintje.”

Maar ja. Je weet hoe dat gaat. Op een been kun je niet staan en al helemaal niet op een kleintje.
Om 2 uur ‘s nachts, sluitingstijd, rollen de twee vrienden lallend de kroeg uit en nemen ze emotioneel afscheid.
Om kwart over 2 staat de man voor zijn voordeur. Hij probeert de sleutel in het slot te krijgen maar no way dat het lukt. Hij laat de sleutel per ongeluk uit zijn vingers glippen en terwijl hij bukt om ‘m weer op te rapen, flikkeren alle escargots uit zijn binnenzak.
Dan gaat plotseling de deur open. Het is zijn vrouw, die hem aan het slot had horen morrelen. “Godverdomme!” schreeuwt ze, “waar bleef je nou!”
Dan bukt de man zich opnieuw en zegt tegen de escargots: “Kom op jongens, nog een klein stukkie.”

En zo is het vrienden. Nog een klein stukkie. Bis morgen!

Bangladesh (interlude)

Dit is het vervolg van het verhaal van gisteren.

Of eigenlijk is het niet zozeer een vervolg, maar meer een intermezzo. Een interlude. In de Beatlesfilm Help zag ik het voor het eerst. Een absurdistische tussenstukje dat verder niks met het verhaal te maken heeft.
En volgens mij kunnen jullie dat nu wel gebruiken, zo’n 7th inning stretch.

Een man komt thuis van zijn werk. “Schat”, roept zijn vrouw vanuit de keuken, “zou jij even langs de delicatessenzaak kunnen gaan? Ik heb van alles in huis gehaald, en ben al druk aan het koken, maar ben de escargots vergeten.”
“Komt voor de bakker”, roep te man en loopt de deur uit. Bij de delicatessenzaak bestelt hij 12 escargots, rekent af en propt het zakje slakken in zijn binnenzak.
Op de weg terug naar huis komt ie een vriend tegen.
“He, kameraad!”, roep die vriend, “zin om efkes een pils te pakken?”
“Nou”, zegt de man, “Elize staat al te koken en ik moet dus eigenlijk…”
“Lul niet pik!”, zegt die vriend, “je zit toch niet onder de plak of wel soms? Kom op man, gewoon efkes een snelle pils wegkappen met je beste vriend. Dat is toch niet te veel gevraagd?”
“Vooruit, eentje dan”, zegt de man, “een kleintje.”

Maar ja. Je weet hoe dat gaat. Op een been kun je niet staan en al helemaal niet op een kleintje.
Om 2 uur ‘s nachts, sluitingstijd, rollen de twee vrienden lallend de kroeg uit en nemen ze emotioneel afscheid.
Om kwart over 2 staat de man voor zijn voordeur. Hij probeert de sleutel in het slot te krijgen maar no way dat het lukt. Hij laat de sleutel per ongeluk uit zijn vingers glippen en terwijl hij bukt om ‘m weer op te rapen, flikkeren alle escargots uit zijn binnenzak.
Dan gaat plotseling de deur open. Het is zijn vrouw, die hem aan het slot had horen morrelen. “Godverdomme!” schreeuwt ze, “waar bleef je nou!”
Dan bukt de man zich opnieuw en zegt tegen de escargots: “Kom op jongens, nog een klein stukkie.”

En zo is het vrienden. Nog een klein stukkie. Bis morgen!