Grote Stad

Soms zie je iemand, je herkent het gezicht, maar je weet bij god niet meer waar en in welke omstandigheden de desbetreffende persoon je levenspad eerder heeft gekruist. Vervolgens blijft het de rest van de dag door je kop heen spoken : “wie was dat ook alweer in godsnaam?”

Soms is het iemand van televisie, soms is het een dichter, maar meestal is het gewoon een vaste, maar anonieme medebezoeker van je Albert Heijntje, die je ziet in een andere setting. Bijvoorbeeld tegenover je in de trein. Dan zit je de hele reis te denken : Wie is dat ook alweer? en je ziet dat de ander hetzelfde zit te peinsen. Allebei vertik je uiteraard om het te vragen, omdat je bang bent een figuur te slaan. Bovendien zou het waarschijnlijk weinig opleveren.
“Wie bent u ook alweer, als ik vragen mag?”
“Dat wou ik net aan u vragen.”
Hoe groot is dan de kans dat je zegt : “Ik ben Sven, en ik doe dagelijks mijn boodschappen bij de Albert Heijn op de Overtoom.”
Ik bedoel maar.

Vandaag had ik een vrije dag. Eindelijk uitgebreid de ontloken krokussen geinspecteerd, dat spreekt voor zich, maar een mens moet niet de hele dag met zijn kop tussen de bloemen zitten, dus ‘s middags togen L. en ik naar het centrum om te genieten van de relatieve rust die daar heerst, zo middenin de week.
Het is voor mij een van de voornaamste redenen om op woensdag vrij te nemen : het ontbreken van menselijke import in de stad. Het zijn de dagen dat je niet hoeft te knokken voor een stoeltje op een terras. Het zijn de momenten waarop je de enige klant bent in de winkeltjes aan de grachten. Het is de zeldzame kans om de stad een klein beetje terug te stelen.

We liepen designwinkel “The Frozen Fountain” in, op de Prinsengracht. Duur als de pokken, al die stoeltjes daar, maar L. en ik kwamen er niet om te kopen. We kwamen er vooral om te kijken. Een gratis museum van moderne meubelkunst.
Het is een waanzinnig mooie zaak. Alles is art. Zelfs de stofzuiger van de werkster is uniek artistiekerig in zijn soort, net als de toetsenborden plus PC’s van het overige personeel, en de in een koelkast geintegreerde espresso-machine.

Deze keer exposeerde o.a. Piet-Hein Eek, de bekende stoelenbouwer die voornamelijk gebruik maakt van sloophout. Materiaal dat je ondermeer kan vinden bij het grof vuil. Hij gebruikt het echter niet om de verkoopprijs van zijn meubeltjes te drukken, integendeel.
(“Tafeltje kopen?”
“Kost me dat?”
“Slechts 6800 euro. Omdat jij het bent.”)
Piet-Hein Eek gebruikt sloophout omdat het mooi is.

En daarin gaven L. en ik ‘m groot gelijk. Zelfs zoveel gelijk, dat we op het punt stonden om een aantal krukjes te kopen. Volgens de prijskaartjs zouden ze 195 euro moeten kosten, maar wij hadden in de Viva gelezen dat ze deze week in de aanbieding waren. Dat ze vandaag voor 50 weg mochten.
We liepen een beetje te hannesen om de mooiste exemplaren uit de stapel te vissen.
“Kan ik u helpen?”, vroeg een verkoopster, terwijl ze haar ciabatta-broodje kaas-pesto-tomaat achter haar rug probeerde te verstoppen.

Ik keek op. Zag haar ogen. Jou ken ik ergens van, dacht ik, maar waarvan ook alweer in godsnaam?
“Klopt het”, vroeg ik, “dat deze krukjes in de aanbieding zijn?”
“Daar weet ik niets van”, zei de verkoopster.
Een extra verkoopster kwam aangesneld, zich half verslikkend in haar brochetta met mozarella-aubergine-puree, “wacht!”, riep ze tegen het meisje dat ik ergens van kende, “er heeft iets in een blad gestaan. Over een aanbieding van ons. Maar dat klopt niet! Ze hebben een fout gemaakt! Zeg tegen die mensen dat dat blad een fout heeft gemaakt!”

Het meisje dat ik ergens van kende gebaarde naar haar collega dat het goed zou komen. “Sorry”, zei ze tegen ons, “de Libelle heeft een fout gemaakt.”
“De Viva”, zei ik.
Het meisje dat ik ergens van kende fronstte haar wenkbrauwen.
“Het stond in de Viva”, zei ik, “niet in de Libelle.” Ik had mijn waardigheid natuurlijk allang verloren, maar dacht de schade hier tenminste enigszins mee te beperken.
“Whatever”, zei het meisje.

L. en ik dropen af naar buiten. We liepen naar een terras en bestelden een koffie verkeerd. De zon scheen op onze koppetjes.
Het was lente. Het was wel goed.

Toch bleef het maar door mijn hoofd heen spoken. “Wie was dat nou ook alweer, die verkoopster?”
En opeens wist ik het. Opeens zag ik weer voor me hoe ze sliep. Samen met mijn zusje op mijn kamer op het Roelof Hartplein. Eva von S. Destijds een van mijn zusjes beste vriendinnen. Turn Left-fan van het eerste uur (de band waarin ik toen speelde), en tegelijk met mij geemigreerd van Tiel naar Amsterdam.

Vanaf toen haar eigen weg gegaan.
En vandaag hadden we dus tegenover elkaar gestaan. Ik op mijn vrije dag in mijn versleten joggingbroek en ongewassen fleecetrui, zij als onberispelijke verkoopster van ‘stads hipste designzaak.

Ik herkende haar, in retrospect. Zij mij misschien ook, ik weet het niet.
Amsterdam is klein. Amsterdam is groot.

Big Sur Sunset

De temperaturen zijn danig gestegen, de zon heeft geschenen, mijn krokussen zijn uit. Het eerste wat ik doe als ik ‘s ochtends wakker word, is uit bed springen en rennen naar het dakterras.
Het is al licht, de Oostelijke ochtendzonne brandt recht op hun kopjes, maar de deernes houden op dit vroege tijdstip hun bloemblaadjes nog kuis gesloten.

Tergend.

Ik wacht een paar minuten, maar er lijkt vooralsnog geen schot in de zaak te zitten, en ik moet naar mijn werk.
Ik poets mijn tanden, smeer mijn brood, kleed me aan en kijk nog eens. Niks.
Ik wacht starend door het raam nog een paar minuten, tot er weinig anders op zit om op mijn fiets te springen en me in de tegenwind de blubber te rijden om nog enigszins op tijd bij de ABNAMRO te arriveren.

Aan het eind van de middag sneak ik zo vroeg mogelijk weg. Ik fiets me nogmaals de blubber, waarbij de weerlogica me parten speelt, want opnieuw heb ik te schaften met een straffe tegenwind.
Totaal doorweekt van het zweet ren ik de trappen op en sprint naar het dakterras. Al wat ik aantref is een gelijk beeld aan dat van vanochtend. Met dit verschil dat de zonne westelijk staat en dalende is.
Ik zucht.

“Wat zucht je?” vraagt L.
“De krokussen zijn alweer dicht” zeg ik.
“O”, zegt L., “dan heb je wat gemist. Ze lieten zich behoorlijk gaan vandaag. Ik heb net nog gekeken. Het was een oranje zee van bloemen.”
Ik zucht nog dieper.
Het beroerde van krokussen is dat ze het slechts enkele dagen doen : bloeien. Je zou het bijna eenmalig kunnen noemen. En nu had ik het dus opnieuw gemist.

Ik moest denken aan 10 jaar geleden, toen ik met mijn ex-vrouw op vakantie was in California, en we reden over de beroemde Highway One, richting het nog beroemdere Big Sur, waar de mooisten aller zonsondergangen op aarde schenen plaats te vinden.
Alle hotels waren vol, op de hele dure na. Voor een paar honderd dollar betrokken we voor een nacht een cabin in een huisjespark met uitzicht op de Pacific.
Achter ons de befaamde hoge bergwand. “Wist je”, zei ik tegen C., “dat die bergwand achter ons ieder moment kan scheuren? Om over de grond onder ons nog maar te zwijgen. We zitten middenop een breukvlak van aardschijven.”
“Stel je niet aan”, zei C., “doe nou eens relaí. We zijn op vakantie.”
“Daar zit wat in”, zei ik.
We gingen zitten op onze veranda en tuurden naar de dalende zonne. We dronken er een paar flesjes champagne uit de mini-bar bij.
Dat hielp.
En de zonsondergang was fenomenaal. De spiegeling van de snevende stralen in de Stille Oceaan : een oranje zee van bloemen.

Terwijl we nog even zaten na te genieten kwam onze Amerikaanse buurman zijn cabin uitgerend. Hij had tegelijk met ons ingecheckt, maar was het niet eens geweest met de prijs. Hij had de manager ontboden en die gevoeglijk deelgenoot gemaakt van een duchtig onderhandelingsproces, dat waarschijnlijk uren moet hebben geduurd.

Onze buurman. Hij was zo dik als een olievat en rende nu richting de afgrond. Met een hand probeerde hij het schudden van zijn pens te onderdrukken, de andere hield hij als een zonneklep boven zijn wimpers. Hij wierp een blik op de einder.
“Oh no!” gilde ie, “Oh no!”

C. en ik gniffelden.
Maar het mooiste moest toen nog komen. Het olievat maakte pas op de plaats en begon te springen. Zo hoog mogelijk. Alsof ie oprecht het idee had dat zulks zou helpen om alsnog een blik te vangen.
“Oh no!” bleef ie roepen, “Oh no! Don’t tell me I missed the sunset!”

Enfin. Morgen neem ik, de pegels ten spijt, een dag vrij.

Dag boek

Ik had zoeven een stukje geschreven over mijn werkdag van vandaag, maar ik heb het gewist. Of om eerlijk te zijn : niet gewist, maar besloten om het niet te plaatsen. Het was me namelijk net iets te tricky.
Je moet uitkijken tegenwoordig, met je vrije mening.

Iets heel anders. Vanavond las ik mijn dagboek van precies 6 jaar geleden. 27 maart 2000, de periode waarin ik werkte bij de toenmalige AEX.
Ik citeer (Drosteblik-alert) : “Het is nu 9.56. Ik ben een klein half uurtje op m’n werk en het wordt hoog tijd om een sigaret te gaan roken. Zodadelijk update.
Nu dus. Bien. Vannacht oude dagboeken doorgelezen. Een klein schriftje uit begin ’95, een groot schrift uit de periode maart-mei ’95 en de helft van een groot schrift uit het najaar van ’95. Het was de tijd waarin ik werkloos was. Vreemd. In m’n geheugen had ik het idee dat ik in die periode behoorlijk gelukkig was, maar in de dagboeken lees ik daar weinig van terug. Ik kampte met een enorme gokverslaving en mede daardoor met een chronisch geldtekort. Dat had op zich nog wel iets romantisch. Maar vooral voelde ik me eindeloos nutteloos, geloof ik.

[…]
In mijn dagboek schreef ik diverse malen : ‘weten wat je moet doen (stap 1) en het daadwerkelijk doen (stap 2) zijn 2 heel verschillende dingen’. Ik was in die tijd pas bij stap 1, of misschien zelfs bij stap 0, schrijf ik ergens. Cool. Wat een zelfkennis. Maar veel ben ik in die 5 jaar nog niet opgeschoten. Hoewel? In die tijd begon ik dus echt serieus te spelen met het idee om schrijver te worden, al wilde ik het toen nog niet zo graag als nu. Toen wilde ik voornamelijk een goeie baan. God wat was ik op zoek naar een goeie baan. Met name om mijn gokverslaving te kunnen financieren vrees ik, en ‘om H38 tevreden te houden’ (lees: mijn ouders – pdn). Grappig. In die tijd kreeg ik op een gegeven ogenblik ook een vaste baan (bij het detacheringsbureau waar ik nog steeds voor werk – pdn) , en na die 2 weken Soest vond ik er dus al geen zak meer aan. Toen wilde ik pas echt gaan schrijven.
[…]
Goed. Voor als ik dit dus lees in pakweg 2006 : Hoe leef ik nu? En wat waren mijn gedachten/overpeinzingen anno maart 2000? Nou. Ik zit dus middenin die alcohol- en nicotine-minderfase. Die me zwaar valt. En ik ben weer aan het afglijden naar m’n oorspronkelijke niveau wat alcohol betreft. En zo met de lente en zomer voor de boeg zal het niet meevallen om dat tegen te houden. Ook gok ik weer tamelijk veel. Afgelopen vrijdag in Arnhem op weg naar B. voor het eerst weer eens stevig verloren. Zo’n 100 gulden. Na in de dagen daarvoor voornamelijk gewonnen te hebben. Maar goed. B. dus. Wezen Risken met MC en MvdE. Toen ik aankwam waren zij er al. Ze zaten aan tafel en bij iedere stoel lag een foto. Een foto van 3 januari 1996 van de desbetreffende persoon. 4 jaar terug. Ik ben niet heel veel veranderd. Hooguit wat kaler. En ook heb ik wel een wat bollere kop, denk ik. Maar op zich niet al te gek veel veranderd dus.
[…]

En nog steeds, vrees ik. Nog steeds is de situatie niet al te gek veel gewijzigd. Ik ben hooguit wat kaler. En ook heb ik wel een wat bollere kop denk ik. Maar op zich niet al te gek veel veranderd dus.
Ik citeer nog steeds uit mijn dagboek van 27 maart 2000 : Vandaag ga ik wat AEX-dingen doen, denk ik. Plus Hedy een mailtje terugsturen (dat eerst zodadelijk). En misschien een boekje kopen (langs Scheltema bijvoorbeeld; kijken of de nieuwe Grunberg al uit is). En vanavond iets drinken met C. Ze heeft om 1/2 10 een afspraak bij de poppen (onze relatiepsychologen destijds, die hun analyses pleegden te verduidelijken met behulp van playmobielpoppetjes-pdn) om vanaf dan te stoppen met roken. Ben benieuwd of het gaat lukken. Ikzelf ga er nu (11.14) nog maar eens eentje opsteken.

Okay. Misschien is er toch iets veranderd. Hedy is dood. En van C. ben ik gescheiden. Ondertussen doe ik nog altijd hetzelfde kutwerk en voel me nuttelozer dan ooit. Plus vermoeider vooral, niet te vergeten.
Duistere ontwikkelingen kortom.

Maar genoeg geklaagd. Nu ga ik me, met jullie welnemen, bij L. voegen. Eindig ik toch nog positief.

Den Briel

Het is zondag, maar toch ging vanmorgen de wekker. Reden : een optreden in Den Briel.
Ik snoozde.
“Moeten we niet opstaan?” vroeg L.
Het was een zware nacht geweest. Ik kreunde. “We doen wel net alsof we niet wisten dat vannacht de zomertijd is ingegaan”, zei ik, “en bovendien : ik sta toch pas achterin het programma. There’s no rush.”

Ik wentelde me weer op een oor, L. in verbijstering achterlatend.
Zulk gedrag is namelijk niets voor mij, moet je weten. Normaal gesproken wil ik een poeziemiddag waarop ik mag voordragen, van kop tot staart meemaken. Het liefst ben ik er zelfs twee uur van tevoren, zodat ik alvast contact kan maken met de sfeer van het gebouw. Weinig is mooier dan rondstruinen over het podium van een nog lege zaal. “Hey”, vraag ik dan altijd aan het gebouw, “wat denk jij? Wat moet ik doen om het vanmiddag bij de lurven te grijpen, dat publiek?”
“Euh”, stottert het gebouw dan meestal, “dat weet ik niet precies. Maar als ik jou was, zou ik het aan de planken vragen. Die hebben daar verstand van.”
“Thanks!”, zeg ik dan, en richt me vervolgens tot de planken, die steevast luidkeels met adviezen beginnen te strooien.
Geloof me, dat is belangrijk. Het is belangrijk om ze erin te betrekken. Om, voordat je straks daadwerkelijk op moet, alvast vrienden met de planken te zijn.
Het is zoals bij bergbeklimmen. Gedegen klimmerscapaciteiten zijn een noodzakelijke voorwaarde, maar als puntje bij paaltje komt is het de berg die oordeelt of je de top mag halen.

Maar dit keer besloot ik dus een dergelijk kennismakingsgesprek achterwege te laten.
Als ik de voorzet voor de drogreden die ik in de voorgaande alinea’s breed heb uitgemeten, netjes in wil koppen, dan moet ik nu schrijven : ‘en zulks kon ik me permitteren omdat ik de planken van Den Briel al heel erg goed kende, we zijn reeds sedert het begin mijner dichterscarriere de beste vrienden.’
En dan zou ik niet liegen. Wel zou ik verdonkeremanen wat de daadwerkelijk reden was voor mijn verlate vertrek : de drank.

Of beter gezegd : het onvermijdelijke gemis daaraan. Ik had, omdat het zo’n teringeind weg is met het OV, aan L. beloofd dat we met de auto zouden gaan. Ergo dat ik niet zou drinken. En een weerzien met mijn vriendjes plank uit Den Briel zonder een batterij Duvels binnen handbereik, had me lichtelijk nerveus gemaakt.
Zolang mogelijk uitstellen luidt in voorkomende gevallen mijn autodidactische advies.

Anyway. Daar reden we dus over de troosteloze A4. Aan de overzijde stond 20 kilometer file richting de Huishoudbeurs in de Rai. Dat maakte ons eigen autorijden op de een of andere manier iets draaglijker.

We kwamen aan in Den Briel. Ik parkeerde aan de rand van de stad, verkerend in het vermoeden dat de oude vestingstad binnensmuurs geen parkeerplaatsen zou herbergen. We liepen naar het eerste de beste cafe en bestelden een broodje kaas en twee koffies verkeerd.
L. vindt dat gezellig.
Ik moet dat nog leren.
Bij het afrekenen vroeg ik aan de serveerster of ze wist waar vanaf hier de Kaatsbaan was, het adres waar ik waarschijnlijk binnen nu en elk moment op zou moeten treden.
“Geen flauw idee”, zei de serveerster.
Niet gespeend van enige schaamte noemde ik dan toch maar de naam van het pand waar we moesten zijn. “De kont van het paard?” vroeg ik.
“Ah!”, riep de serveerster, “De kont van het paard!” Goh, had dat meteen gezegd! Het is heel makkelijk! Je gaat vanaf hier..”, etc, enz.

Ik kwam net op tijd binnen om het afsluitende optreden van de poeziemiddag te verzorgen.
De organisatrice had peentjes gezweet : “maar goddank”, zei ze, “je bent er!”
Ik stapte de planken op.
“Eikel!”, zeiden de planken.
“Ja sorry”, fluisterde ik, “wintertijd/zomertijd, even vergeten.”
“Lul niet”, zeiden de planken.
“Ja”, zei het gebouw : “lul niet!”
Ik glimlachte even naar het publiek terwijl ik mijn gitaar uit de koffer viste. Ondertussen discussieerde ik sissend verder met mijn vrienden.
“Fuck man!”, fluisterde ik tegen ze, “ik ben met de auto, ik heb niks kunnen drinken. Ik ben zo nuchter als de pokken. Ik schijt zeven kleuren stront.”
“Zeg dat dan meteen!”, zeiden de planken, “Geen probleem man! We slepen je er wel doorheen!”
“Menen jullie dat?”
“Sure! That’s what friends are for!”

“Thanks”, zei ik en zette het eerste nummer van “Onder de Brug” in, een kleine *ahem* poezie-opera. Mijn vingers wisten de snaren te vinden en mijn stem bereikte de gewenste regionen.
Ik gaf een knipoog aan de planken. Ze knipoogden terug.

Halverwege “Onder de Brug” zou L. een gastgedicht voordragen, dat mijns inziens perfect zou passen in het verhaal. Tot aan de seconde voordat we het podium opstapten had ze geaarzeld.
“Gewoon doen”, had ik gezegd.
“Weet je het zeker?”
“Ja”, zei ik. Ik wist het niet.
Ze deed het.
“Wow”, zeiden de planken, “is dat je vriendin?”
“Ja”, zei ik, “goed he?”
“Zekers te weten!” riepen de planken.
L. kreeg een daverend applaus.

Na afloop namen we plaats aan de toog. Van de barman kreeg ik een gratis Hoegaarden voor mijn neus gezet, waarmee ik nog een tijdje in de weer ben geweest. Om ‘m onopgedronken te laten zonder ‘m te beledigen, bedoel ik. Uiteindelijk heeft een cactus er een leuke laatste middag aan mogen beleven.

L. en ik werden parallel in onze nekken geknepen door een prachtige ouwe Zeeuwse Vrouwe. “Ik was ontroerd”, vertelde ze.
“Da’s mooi” zei ik, “excuseer.”
Ik liep naar de planken. En bedankte ze nog maar eens.
“Geen dank” zeiden ze, “maar drink je de volgende keer weer een pilsje?”

L. en ik liepen terug naar de auto. We reden opnieuw over de A4. Aan de overzijde stond 20 kilometer file aan wederkerend Huishoudbeursverkeer. Dat maakte ons eigen autorijden op de een of andere manier iets draaglijker.

Onverwacht

Ik loop nu al drie dagen rond met verschrikkelijke spierpijn in mijn buik.
Welk een vreemde plek om spierpijn te krijgen hoor ik je denken, hoe heb je dat nou weer bewerkstelligd?
Dat zal ik je vertellen.

Twee maanden vierde mijn broertje zijn verjaardag. Geen fancy toestanden, gewoon een ouderwets trosje familie in een kringetje rond de taart op een normale zondagochtend.
Het aparte aan bijeenkomsten in het huis van mijn broertje echter, is dat hij en zijn vriendin, zodra iedereen op zijn plek zit, steevast een soort van veiling openen. Een sale van spullen die ze niet meer nodig hebben. Wij Amsterdammers sparen die spullen op voor Koninginnedag, maar mijn broertje woont in Oegstgeest en grijpt zijn kansen wat eerder in het seizoen.

Nou moet je weten dat mijn broertje en zijn vriendin uberhaupt niet zoveel op hebben met “spullen”. Een bed heb je nodig, goed. En een tafel, okay. Paar stoeltjes eromheen a la, maar veel gekker moet het niet worden in hun woning, anders worden ze nerveus. Wat ik wil zeggen : als je mijn broertje een boek voor zijn verjaardag geeft, dan heb je een goeie kans dat het vlak daarna ter familieveiling wordt aangeboden voor 0 euro.
Affreus? Geenszins. Althans niet in de filosofie van mijn broertje. Hij was er blij mee en heeft het heus wel gelezen en zo, maar juist daarom : waarom zou je een boek bewaren dat je al gelezen hebt?
Geen speld tussen te krijgen, vindt hij zelf.

Emotionele waarde hechten aan spullen is voor mietjes, daar is mijn broertje werkelijk hard in. Waarschijnlijk vindt ie zelfs Zen een homo.

Maar daar had ik het niet over. Ik had het over de veiling. Er kwam een roei-machine voorbij, die mijn broertje ooit in een opwelling had gekocht voor 600 euro. Hij mocht nu de deur uit voor 50.
“Wow”, zei L., “is dat niks voor ons?”
“Zekers te weten”, zei ik, en stak mijn vinger op.
“Sold”, zei mijn broertje.

Ik liep met mijn broertje naar de kelder van het flatgebouw.
“Dit is ‘m”, zei ie.
“Ziet er goed uit”, zei ik.
“Zal ik ‘m demonstreren? Hoe je de verschillende standen in kan schakelen?”
“Doe maar.”
Mijn broertje nam plaats in het apparaat, wikkelde het klitteband om zijn zondagsschoenen en begon aan de handvatten te rukken. Hij maakte een paar ferme slagen.
“Kijk”, zei ie wijzend op een digitale computertje tussen zijn voeten, “nu heb ik 50 meter geroeid.”
“Cool”, zei ik.
“Met dit schakelaartje kan je ‘m zwaarder zetten. Of lichter. En dat wordt vanaf dan per slag verdisconteerd in de afgelegde afstand.”
“Wow”, zei ik.
“Dus je neemt ‘m?”
“Ik neem ‘m.”

We liepen weer naar boven. “Waarom doe je ‘m eigenlijk weg?” vroeg ik.
“Ik heb ‘m twee keer gebruikt. Ik vond er geen zak aan.”
“Hoezo niet?”
“Nou ja, zo’n ding. Het is een beetje saai.”
“Je moet er ook bij fantaseren!”, riep ik, “je moet je erbij voorstellen dat je over de Mississippi vaart. Ogen dicht en in gedachten oude witte waterradschepen voorbij roeien, op de vlucht voor happende krokedillenbekken! Of over de Nijl! Je een situatie inbeelden waarbij je als slaaf werd geacht driftig voort te bouwen aan de een of andere piramide, maar dat je gevlucht bent in het kader van een heilige opdracht om 50 mijlen verderop het mandje met Mozes uit het water te redden!”
Mijn broertje haalde zijn schouders op. “Whatever”, zei ie.

We aten onze taart en aan het eind van de middag hielp ie me om het roei-apparaat in mijn Volvo 440 te stouwen. Ik lapte de afgesproken 5 tientjes.

Een week geleden kwam ik mijn broertje weer tegen op mijn vaders verjaardag.
“En”, vroeg ie, “Mozes al gered?”
“Hoe bedoel je?” vroeg ik.
Hij haalde bovenstaande anekdote aan.
Tot mijn schaamte moest ik bekennen dat met mij nooit wat zou zijn geworden met die stenen tafelen. Het roei-apparaat had tot nu toe tot weinig anders gediend dan decoratie van een goed voornemen, ergens in een afgelegen hoekje van mijn etage.

Het is nooit leuk wanneer kleine broertjes snuggerder blijken te zijn dan jijzelf. Dus afgelopen woensdag, tijdens mijn eerste partime-verlof, heb ik mezelf helemaal de tering geroeid. Reken maar dat ik Mozes heb gered. En meer dan dat. Ik was erbij op D-Day, de verovering van de Zilvervloot en last but not least, de beslissende factor in alledrie de Punische oorlogen.

Ik heb geroeid mensen. In een galjoen met duizelingwekkende trom. Mijn armen gloeien nog steeds en zijn vermoeid doch voldaan. Mijn armen zijn iets gewend. Maar mijn buik, arrgh mijn buik. Wist ik veel dat je die bij roeien gebruikt.

Enfin. Onderschat nooit het onverwachte. Het is altijd het onverwachte dat ons nekt.

Lente

Ik fietste terug van mijn werk. Langs de grachten waren de terrassen overbevolkt met mensen in dikke wintermantels, die dapper nipten van hun eerste glaasje rose van het seizoen. Eindelijk schijnt de zon onder een strakblauwe hemel, zag je ze denken, en het is 23 maart, lente godverdomme, wat kan ons het schelen dat het vriest.

“Man bijt hond” had een item over de opening van de Keukenhof. Er was ter plekke nog geen krokus die in bloei stond, laat staan dat een tulp z’n kop boven de grond had gestoken, maar toch had de opening doorgang gevonden. We volgden een fervente bezoeker, een oude man die de moed erin hield en ons wees op knoppen die “op springen” stonden in hoge bomen. “Daar kan de zon het beste bij.”
In de Keukenhof gaat het echter niet om de bomen, maar om de bollen. Dus nam de oude man liggend op zijn buik close-up-foto’s van de eerste witte stompjes die zich boven de aarde hadden durven wagen.
“Ik krijg er tranen van in mijn ogen”, zei de man, “zo mooi vind ik het.”
Op de achtergrond zag je Amerikanen hun schouders ophalen bij het tafareel en koers zetten richting de binnenverblijven waar kunstmatig gekweekte soortgenoten van de buitenbollen de belofte van bloemenpracht en praal waarschijnlijk alsnog zouden inlossen.

De lente. Ze is er nog niet en wat mij betreft valt ze ook niet te faken. Met data heeft het allemaal niets te maken, de charme van de lente is voor mij de overval. Die eerste dag van het jaar waarop je alle winterellende in een klap vergeet, de dag waarop je niet kan geloven dat er ooit nog zoiets als kou zal bestaan. De dag waarop je in je lunchpauze overmoedig naar de drogist rent voor een flesje factor 20, nog even tegen je collega’s roept : “De ballen! Ik weet niet wat jullie doen, maar ik neem een vrije middag!”, om vervolgens in je blote bast in de zon te gaan liggen.

Daarna word je ziek, of op z’n minst goed verkouden. Maar weet je in ieder geval dat de lente daadwerkelijk begonnen is.

Qua aanstellen

We zaten een vorkje te prikken in Schiller, mijn ex-vrouw en ik.
Schiller, recent heropend en sowieso “het enige leuke cafe op het Rembrandtsplein”, had een 9+ gekregen van Johannes van Dam, dus het was voor mijn ex-vrouw duidelijk geweest waar we zouden gaan eten ter gelegenheid van onze wekelijkse reuni.
Je bent hip of je bent het niet, en zij gelooft graag in het eerste.

“Het is er niet bepaald goedkoper op geworden”, mompelde ik, terwijl ik staarde naar de menukaart waarop gebraden duif met couscous 20 euro deed.
“Stel je niet aan”, zei mijn ex-vrouw en liet voor een kleine oude meier een fles Chardonnay aanrukken.

We proostten.
“Ben je nu eindelijk al eens begonnen met parttime werken?” vroeg mijn ex-vrouw, “dat zou je goed doen. Je bent zo a-relaí de laatste tijd.”
“Morgen”, zei ik, “morgen ga ik beginnen.”

Het was waar. Vandaag heb ik voor het eerst in mijn tienjarig arbeidersbestaan een nutteloze dag vrij genomen. En ik heb bij mijn werkgever vastgelegd zulks wekelijks vol te houden.
Het is even wennen kan ik je vertellen. Ik kan het niet nalaten om de hele dag te blijven rekenen.
Reeds als kind was ik een geldwolf, moet je weten. “Hoeveel verdien jij eigenlijk?” was steevast de eerste vraag die ik stelde op verjaardagen, aan kennissen van mijn ouders.
Het beste antwoord kwam van Sjouke, volbloed VVD-er, de enige man uit het bedrijfsleven en vooral lachende luis in de pels van de verder grotendeels linkse onderwijzerskring.
“Sven”, zei Sjouke, “dat mag je in Nederland niet vragen. Laten we het liever over iets anders hebben. Hoe gaat het op school? Heb je leuke vrindjes?”
Ik zette mijn liefste smoeltje op. Keek ‘m aan met engelenogen. “Zonder dollen”, fluisterde ik in zijn oor, “voor de draad ermee. Harde cijfers wil ik horen.”
Sjouke dacht even na. Toen zei ie : “Sven, ik verdien elke minuut een dubbeltje.”
Jeetje, dacht ik, die man kan elke minuut een zwartwitlolly kopen. Of twee kauwgomballen. Er moet een addertje onder het gras zitten.
“Elke minuut?” vroeg ik.
“Elke minuut.”
“Maar toch niet de hele dag?”
“De hele dag door. Zelfs als ik slaap.”
“Wow”, zei ik, “dat is 144 gulden! Bijna twee keer zoveel als mijn vader!”
“Precies”, zei Sjouke, “ik word zwaar onderbetaald.”

Het is natuurlijk de inflatie, maar ik verdien dus tegenwoordig 10 keer zoveel als Sjouke destijds. Per minuut een hele gulden. Maar helaas niet de hele dag door. Ik verdien het alleen als ik werkelijk werk. Dus vandaag liep ik, op mijn eerste vrijwillige vrije dag, de hele tijd uit te rekenen wat ik misliep. Uitslapen tot half 11 : 90 euro. Ikea-kast inelkaar zetten bij L. : 120 gulden. Brainstormen over een roman : onbetaalbaar.

Ik werd er behoorlijk a-relaí van. Ik vrees dat het een kwestie van doorbijten zal worden.