Luchtdoos

Zo’n tien jaar geleden moest ik voor het eerst naar de Verenigde Staten. Mijn toenmalige vrouw had een zomercongres in Cincinatti waarop ze een belangrijke presentatie moest geven en het leek haar een leuk idee om dat te combineren met een echtelijke vakantie.
“Vergeet het maar”, zei ik, “Amerika is een kutland, je mag er nergens roken. Ga maar alleen.”
“Dat valt wel mee”, zei mijn ex-vrouw, “ik heb een hotel in een buitenwijk weten te reserveren waar we gewoon een sigaret mogen opsteken op onze kamer.”
Ze was me altijd een stapje voor, mijn ex-vrouw.

“Hmm”, zei ik, “maar wat dacht je van de vlucht? Ik ga dat niet trekken, 10 uur vliegen zonder nicotine.”
Ze wapperde triomfantelijk met een foldertje van Uzbekistan Airlines. “Kan ik regelen”, zei ze.
“Uzbekistan Airlines?” vroeg ik.
“Ja”, grijnsde mijn ex-vrouw, “de enige maatschappij die vliegt op de V.S. met een rokersgedeelte! Ik heb alvast twee plaatsen gereserveerd. Wat zeg je ervan, zal ik ze bevestigen?”

Ik moet haar nageven, het was een vrolijke bedoening in dat toestel van Uzbekistan Airlines. We stapten in op Schiphol, waar het vooroorlogse vliegtuig vanuit de voormalige Sovjet Unie een tussenlanding maakte, alvorens het door zou vliegen naar New York.
We waren de enigen. De enigen die instapten op Schiphol. De rest van de passagiers zat er al; een bonte verzameling lallende, stomdronken Uzbekeekse mannen en nog zattere vrouwen. Hun kinderen speelden architectje met de vliegtuiglunch.

Mijn ex-vrouw en ik probeerden ons een weg te banen richting het rokersgedeelte, waar zich als het goed was, nog twee onbezette stoelen moesten bevinden.
Die bevonden zich er dus niet. Op onze nummers lagen twee stewardessen in de touwen. Mijn ex-vrouw tapte er eentje op haar schouder : “ehrr..”
De stewardess in kwestie schrok op uit haar roes. Ze knipperde even met haar ogen. Toen herpakte ze zich en zei : “Ah! You must are the people from Amsterdam!”
Ze probeerde haar collega wakker te schudden. “I am sorry”, zei ze ondertussen tegen ons, “you want have drink maybe?”
Nog voordat we antwoord konden geven was ze al heen en weer gerend naar een gekanteld karretje versnaperingen, en drukte ons twee Uzbeekse pils in de poten. “Nastrovja”, glimlachte ze, weer helemaal hersteld in haar rol.

Het was de beste vliegtuigvlucht die ik ooit heb mogen beleven. Ik zat aan het raam, pils in mijn ene, shaggie in de andere hand en staarde naar de Atlantische Oceaan. En als ik dat uitzicht eventjes zat zou worden, kon ik nog altijd mijn hoofd een kwartslag draaien om ontaarde malloten viool te zien raggen ter opzweping van een Russsiche polonaise.

Het was niet nodig though. Voor mij was de Atlantische Oceaan voldoende. Zolang ik er gewoon een pils bij kon drinken, en vooral ook dat shaggie kon roken.
Mijn leven speelt zich grotendeels af in mijn hoofd. En mijn gedachten zien zich niet graag gestoord door oprispingen van een lichaam dat klaagt over gebrek aan stoffen waaraan het gewend is geraakt.

Voordat ik er erg in had werd ik opgeschrikt door een donderend applaus.
“Wat is er aan de hand?” vroeg ik aan mijn ex-vrouw, terwijl ik angstig keek naar de uitbundige Uzbeken.
“Niks bijzonders”, zei ze, “Ze klappen omdat het toestel veilig aan de grond is gezet. We zijn er.”

Amerika. De heenreis was prima, de terugweg was prachtig, maar het land zelf bleek wel degelijk klote. Een grote no-smoking-area. Ik heb amper een moment van de vakantie kunnen genieten, continu was ik bezig met het zoeken naar onvindbare pamperplekken voor mijn oprispende lichaam.

“Eigen schuld, moet je maar niet roken”, hoor ik sommigen van jullie nu zeggen.
“Sorry makkers”, zeg ik dan terug, “dat gaat niet meer.” Waarom precies, dat zal ik later vast nog wel eens uiteen zetten, maar neem van me aan dat ik de rest van mijn leven zal blijven roken, ook al zou de prijs van een pakje Marlboro worden verhoogd naar 1000 euro. Zelfs als er de doodstraf op zou staan, zal ik het risico nemen en in kelders van verlaten flatgebouwen schichtig shaggies blijven draaien.
Gun mij nou gewoon mijn plekkie, zolang ik er niemand kwaad mee doe behalve mezelf, denk ik steeds vaker, zout toch eens op met je zero tolerance.

Morgen ga ik naar “Poezie in Carre”. Een eenmalige reprise van de legendarische gebeurtenis uit 1966. En ik moet zeggen : ik heb er zin in, want er staan morgen een hoop goeie dichters op de planken.
Aan de andere kant zie ik er tegenop. Want heel Carre is een grote no-smoking-area. Ik vrees dat ik na reeds 30 minuten wippend op mijn stoel zal zitten, tot niks anders in staat dan verlangen naar de volgende pauze.

Ik verkeer morgen op de 2e rij, aan een tafeltje, heel mooi allemaal. Bevoorrecht bijna. Toch had ik liever ergens achterin in een glazen kooi met afzuigkap gezeten, waarin ik naar hartelust zou mogen roken en drinken, zodat ik er echt van kon genieten. Ze bestaan helaas nog niet, die glazen kooien in Carre, maar ik zou het een uitkomst vinden.
Loveseat erin, flesje champagne op tafel, asbak on the side, en kom maar door met die poezie.

Maar goed, in plaats van die toekomstmuziek, zou ik het nog mooier vinden als het gewoon weer zo zou zijn als vroeger. Als 40 jaar geleden, in 1966. Toen joints roken middenin Carre nog de normaalste zaak van de wereld was.

Advertisements

ADSL

Afgelopen donderdag logde ik tijdens mijn lunchpauze in op de order-volgsite van Dell en zag tot mijn genoegen dat mijn nieuwe computer zojuist was afgeleverd op mijn thuisadres.
L. had nog geen 10 minuten geleden getekend voor ontvangst, las ik.
Ik belde L.
“Mijn nieuwe computer is er!”, riep ik.
“Jeetje wat eng”, zei ze, “hoe weet je dat?”

De moderne techniek en ik. We zijn niet altijd de beste vriendjes, maar zo af en toe sluiten we elkaar als oude kameraden weer in de armen.

Even terugspoelen in de tijd. 1989 : ik maakte kennis met internet. Of nou ja, internet. Het kwam er op neer dat ik op de universiteit, tijdens een werkcollege van het vak Inleding Modulair Programmeren per toeval ontdekte dat de computers van de VU in verbinding stonden met een internationaal netwerk.
Dankzij een foutief ingetikte toetsencombinatie in de vi-editor, waarmee ik mijn volledige opdracht om zeep dacht te hebben geholpen, was ik volslagen in paniek geraakt en had achter de daarop verschenen shell-prompt (o.i.d.) de uiteenlopendste desparate commando’s ingetypt. Met als gevolg dat ik plotseling belandde in de een of andere eu-newsgroup. Het bleek een voorloper van de huidige chatboxes.
Ene Katharina Fletcher uit Ierland, ik herinner me die naam tot op de dag van vandaag, wierp een vraag op over een of ander nieuwsfeit.
Het was alsof ik water zag branden. Hoe kan dit? dacht ik, contact met andere mensen via een computer? Ik had de neiging om even achter mijn monitor te kijken, om te kijken waar ze zat, net zoals mensen dat met de eerste radio’s zullen hebben gehad : “waar zit dat mannetje?”

Anyway. Sindsdien was ik verslaafd. Vooral aan de eu-jokes-newsgroup, maar dat terzijde. Ik zat hele dagen en halve nachten op de universiteit.
Een noviteit.
“Ik weet dat ik heb gezegd dat je misschien eens iets meer aan je studie moest doen, maar werk je nu niet te hard?” vroeg mijn toenmalige vriendin nadat ik voor de zoveelste keer laat in de avond met holle ogen thuiskwam van de VU en linea recta doorliep naar ons bed.
“Ik heb eindelijk het licht gezien”, zei ik.

Een paar jaar later was ik een van de eerste Nederlanders die thuis beschikte over een 56K-modem om zijn nachten door te brengen op de diverse pleinen van DDS, de digitale stad. De internetpioneers onder jullie zullen ‘m nog wel kennen. De digitale stad met zijn flappentapplein voor yuppen, roze plein voor homo’s, boekenplein voor literatuurfreaks, etc, enzovoort. Het was gezellig. Iedereen kende iedereen, zij het anoniem natuurlijk. Het was een prachtige vlucht de ruimte in.
Want vluchters waren we. We kampten met onbegrepenheid in het algemeen en haperende intermenselijke relaties in het bijzonder. De werkelijke wereld was een wrede wereld, maar hier lag een paradijs. Een plek waar aanziens des persoons geen rol speelde en uiterlijke kenmerken evenmin. Het was een semi-publieke wereld waarin we uitgebreid ons leed en onze vreugde mochten verkondigen, zonder te schaften te hebben met vooroordelen of maatschappelijke conventies.
En belangrijker nog : er werd geluisterd, gelezen. En als het dreigde te intiem of pathetisch te worden, schakelden we volgens een ongeschreven code moeiteloos over op emailcontact, om onze overige paradijsgenoten niet in verlegenheid te brengen.

Aan dat emailcontact heb ik twee goeie vrienden overgehouden. Vrouwen, dat wel, maar toch gewoon vrienden. Dat was het mooie van die begintijd, het was allemaal tamelijk geslachtsloos. Sexe speelde geen rol, geestelijk contact des te meer.

Weer even vooruitspoelen in de tijd. 2006. Ik internette tot op de dag van vandaag thuis nog altijd met zo’n 56K-modem. Dat kwam voornamelijk omdat ik internet, nadat het grote publiek er weet van had gekregen en de digitale stad transformeerde tot een grote datingmarkt, eigenlijk geen zak meer aan vond.
Okay, email dat wel, dat vond ik nog altijd een werelduitvinding, maar zelfs elektronisch posten lukte, dankzij de gegroeide populariteit van internet en de daarop inspelende popup-commercie, niet meer met mijn ouwe trouwe modem. Laat staan dat ik mijn eigen weblog nog kon lezen, nadat ik die banner voor Helmers had geplaatst.

ADSL dus maar. Ik heb het vandaag geinstalleerd op mijn kersverse computer. En ik moet toegeven : er ging een nieuwe wereld voor me open. Mijn PC is verdikkie verworden tot een interactieve TV. Ik keek nog maar eens naar het fantastische doelpunt van Huntelaar tegen Inter, en liet het volgen door de schitterende laatste meters van Bob de Jong.

Ik dacht : dit is niet goed. Of op z’n minst gevaarlijk.

Nr

Ik stond voor de tourniquettes van mijn werk bij de ABNAMRO en graaide in mijn broekzak naar mijn toegangspasje. Tevergeefs. Ik viste het ene na het andere pasje op, maar het goeie wilde maar niet tevoorschijn komen.
Toen de rij achter me diep begon te zuchten, besloot ik opzij te stappen en de inhoud van mijn broekzak aan een nader onderzoek te onderwerpen op de leestafel naast de receptie.

Antrapologisch kan het op zich best interessant zijn om te zien wat de gejaagde mensch zo allemaal met zich mee moet sjouwen om zich te kunnen handhaven in de moderne maatschappij.

Op RTL 4 bestaat zo’n programma over te dikke mensen, waarbij een dietiste ze op een tafel voorschotelt wat ze allemaal wegkanen in een week tijd.
Dankzij het zicht op een buffet dat naast gezinsverpakkingen hamburgers, weeshuisvoorraden kipkluiven en Makro-dozen Cheese-union-chips, bestaat uit tafelkrakende kratten cola en soepkommen suikerklonten, omgeven door batterijen eieren, gallons spuitslagroom en een alles behalve pittoreske boterHimalaya, opteert het dikkertje in kwestie steevast voor het door de dietiste voorgestelde rantsoen op linzensoep en zeewiersalades.

Toch ga ik hier een opsomming van mijn pasjes achterwege laten. Ik bedoel, ik had haast, ik moest een belangrijke vergadering halen.
Om een lang verhaal kort te maken : ik kon, zelfs nadat ik woest enkele Financiele Dagbladen terzijde had geschoven om extra ruimte te maken voor mijn inventaris, het bewuste pasje niet vinden en liep naar de receptie.
“Ik ben mijn pasje kwijt”, zei ik.
De receptioniste staarde me wezenloos aan. “U werkt hier?” vroeg ze.
“Al twee jaar”, zei ik.
“Kunt u zich legitimeren?”
Ik overlegde mijn rijbewijs.
“Heeft u geen paspoort?”
Ik grabbelde in mijn tas en overlegde mijn paspoort.
“Hmm”, zei ze, zonder erin te kijken, “wilt u even dit briefje invullen?”
Ze schoof een formulier naar me toe.

Ik liep weer naar de leestafel en vulde als een speer de 30 vragen in.

“U bent de medewerker die wij ter verifiering kunnen contacten, vergeten te documenteren”, zei de receptioniste, nadat ik het formulier had ingeleverd.
“Sorry”, zei ik en vulde de naam in van RvB, terwijl de receptioniste ongeduldig op de balie tapte.
“Weet u ook zijn telefoonnummer?”
Ik spelde het nummer van RvB. De receptioniste sloeg aan het bellen.
Ze kreeg ‘m aan de lijn, die RvB.

RvB is een ouwe knakker. Prachtige man. Werkt al van kindsafaan bij de ABN. Weggeparkeerd op onze stafafdeling ziet ie allerlei jonge ambitieuze eikeltjes links en rechts inhalend het bedrijf om zeep helpen, maar hij houdt de moed erin middels grapjes. Grapjes is precies het goeie woord. Grapjes is zijn middlename.

De receptioniste was een tijdje in gesprek met RvB. Ze bleef er erg zuinig bij kijken. Ze was duidelijk niet zo’n grapjestype.
“Snor?” vroeg ze aan RvB, terwijl ze mij nogmaals monsterde, “nee, hij heeft geen snor. Weet u het echt zeker dat hij een snor heeft?”

Ik voelde de bui al hangen. De vergadering was inmiddels een kwartier geleden begonnen, nu was het mijn beurt om op de balie te tappen.
“Hij maakt een grapje”, probeerde ik uit te leggen aan de receptioniste.

Ze wimpelde me af en bleef stoicijns naar RvB luisteren. Van verre hoorde ik door de hoorn een schaterlach schallen.
“Wat zegt u?”, vroeg de receptioniste aan RvB, “O, u maakt een grapje?”
….
“Wat zegt u?”
….
“O, u heeft wel een snor. Nou, dat is dan mooi. Maar ik snap het even niet. Kan ik meneer S.A. nou naar boven laten of niet?”

“Mogge snorremans”, zei ik toen ik eindelijk aankwam op onze afdeling.
RvB grijnsde.

Daarna ging het leven weer genadeloos voort.

Huishoudelijke mededeling

Toen ik vorig jaar een web-log begon heb ik bewust gekozen voor een zo eenvoudig moglijke lay-out. Geen kleuren, geen kopteksten in koeienletters, geen plaatjes die solliciteren naar een 18+ status en al helemaal geen reclame-banners (paradoxaal woord trouwens : banner).

Enfin.

Jullie zien het.
Gisteren kreeg ik een mailtje van Suster Bertken, mede-organisatrice van het dichterspodium in Helmers.
“Hoi Sven”, schreef ze, “je hebt nog niet gereageerd op mijn vraag over de banner, maar ik hoop toch van harte dat je hem op je weblog wil plaatsen.
Je krijgt enorm veel bezoekers, dus ‘t is een voor de hand liggende manier om Helmers te promoten.
Een niet te missen kans, zou ik zo zeggen.”

Hoewel het met “dat enorm veel bezoekers” helaas nogal meevalt, heeft ze natuurlijk wel een punt.
Bovendien heeft ze uitgezocht hoe de bewuste banner op een web-“streepje”-log-site te plaatsen en speciaal voor mij een handleiding in elkaar geknutseld.
Suster Bertken, dank daarvoor. Lieve lezers : klik.

Kinderprostitutie

Ik schijn als kind verschrikkelijk materialistisch te zijn geweest. In onze familie wordt nog regelmatig de anekdote aangehaald waarin ik als kleuter kennis maakte met de broer van mijn Oma.
Oom Jan heette de man. Oom Jan vond me een schattig kindje, zo met die weelderige blonde haardos, die peilloze reebruine kijkertjes eronder en die immer blozende wangetjes. Ik was “net een engeltje”, schijnt hij te hebben gezegd, “daar moet ik een foto van maken”, waarna hij aanstalten maakte om de daad bij het woord te voegen en zijn camera uit zijn tas pakte.
Volgens de overlevering was mijn reactie als volgt : “Goh meneer, wat een mooi fototoestel!”
“Ja he?”, zei Oom Jan, terwijl hij afdrukte.
Ik knikte naar de camera en zei : ” Ik wil ‘m wel hebben. Wanneer gaat u dood?”

De familie proestte de koffie over de tafel van het lachen, zo schattig vonden ze het.

Een paar jaar later, toen ik me inmiddels had ontpopt tot een lagere scholier die alleen maar was geinteresseerd in het oppotten van zoveel mogelijk geld, begonnen ze een iets argwanendere houding aan te nemen. Vooral mijn communistische tante vond me ergens een eng kapitalistisch wolvenjong.
En daar had ze gelijk in. Ik was een jongen die als hobby geldkistjes voor zichzelf in elkaar knutselde, met aparte vakjes voor alle munt- en biljeteenheden uit het monetaire circuit. En dan heb ik het niet alleen over courante valuta, laat staan dat ik me beperkte tot de nationale munteenheid. Ik verzamelde pingels, pegels en Pietermannen uit alle tijden, from all over the world.
Ik was verslingerd aan het complete chartale gebeuren, en inventariseerde dagelijks middels een internationale catalogus zowel de intrinsieke als marktwaarde van mijn vermogen, dat ik middels slinks handelen op de ruilbeurs in de Tielse Agnietenhof, wekelijks exponentieel zag expanderen. Mijn return on investment sloeg alle records, niet in de laatste plaats door de beschikking over dat engelengezichtje, een goldmine in trading.

De familie dacht er het zijne van, maar was ondertussen snugger genoeg om alvast emotioneel long te gaan, door een optie te claimen op een vakantieverblijf in een van mijn vele droompaleizen in het buitenland, die ik in de toekomst ongetwijfeld zou gaan bezitten.
“Sven, als jij later rijk bent, en een derde huis met zwembad hebt in Zuid-Frankrijk, mag ik daar dan af en toe logeren?” vroeg de communistische tante tijdens de kerst van 1978.
“Uiteraerdt”, zei ik met mijn 9 jaar.

Via het natuurlijke proces, waarbij een kind plotseling gevoel in zijn donder krijgt, metamorfoosde ik in mijn pubertijd tot linksradicaal en voerden “propriete c’est le vol” en “proletariers allerlande verenigt u!” mijn lange lijst van versverworven levensmotto’s aan. Van die droompaleizen in het buitenland is het dus nooit gekomen.
Mijn communistische tante was evengoed verschrikkelijk blij met die CPN-posters voor mijn slaapkamerraam, en doneerde mij spontaan haar halve Lennon-collectie, maar daar wilde ik het niet over hebben.

Vandaag stonden de media bol van een quick scan die was gedaan door de GGD inzake het verschijnsel kinderprostitutie in Amsterdam. Een soortgelijke quick scan heb ik jullie, lieve plukdenacht-lezers, een half jaar geleden al gegeven in een stukje over de Oostindische blindheid van de politie in Amsterdam Zuid-Oost, maar dat even terzijde.
Meisjes (en jongens kan ik vertellen) van 12 tot 17 jaar (en veel jonger kan ik vertellen), bieden hun lichaam aan voor onveilige sex, in ruil voor een pakje sigaretten, een Breezer, of een maaltijd bij de Mac Donalds, en vinden dat de normaalste zaak van de wereld.

Misschien vind je dat ik de toch al beperkte quick scan van de GGD, nu iets te tendentieus samenvat. “Er zijn namelijk ook streetwise-re meisjes uit het onderzoek, die er een dure spijkerbroek voor vragen”, zou je kunnen zeggen, “of een Prada-tasje.”

Dat klopt, maar het maakt het wat mij betreft niet minder schrijnend.

Een onderzoeker van de UVA zegt in het Parool : “De vraag is of je moet toelaten dat zulke jonge kinderen op deze manier op zoek gaan naar hun seksualiteit. Het heeft ook te maken met onze consumptiemaatschappij: dat ze kunnen rondlopen in de laatste mode.”

Ja, duh! Voor dat laatste hoef je niet voor gestudeerd te hebben. En voor de vraag die hij opwerpt bestaat al een antwoord in de huidige wetgeving : “nee, pedofilie wordt niet toegelaten.”

Goh, wat zou het prettig zijn als de politie zich ‘s wat minder op het speerpunt kapotte fietslampjes zou concentreren. Goh, wat zou het prettig zijn als kinderen beschermd zouden worden. Want kinderen zijn het.

Iedereen verdient een eerlijk proces, zeggen ze.
Wat mij betreft verdient iedereen tevens de kans op een natuurlijk proces.

Werkdag

Er valt weinig te schrijven voor mij, want er is niets dat me bewogen heeft vandaag.
Of het moet de trein zijn. De trein die, krokusvakantie, 50 meter korter was dan normaal.
Daar stonden wij randstedelingen, ons van geen carnaval bewust, blauwgebekt op Lelylaan, te dringen voor de deuren.
Wizzl-cappucino’s hoog in de lucht, als fakkels. Geplette exemplaren spatten uiteen op het perron of vonden kieren in hemden.
Een man van stand met de Volkskrant in zijn hand zag zijn route versperd en verzuimde eerste klasse.
Daar stonden wij dus, in het handvatvrije gangpad, graaiend naar steun bij de eerste de beste bocht.
We bleven overeind en koekeloerden naar de file. De A4 scheen een parkeerterrein, de trein een aangeleerd domein voor bloedeloze zielen.
Zijn krant zat er niet in vandaag, in plaats daarvan de gouden vraag : “Zeg, mag ik straks een shagje van je pielen?”

Moment

“Ben je niet te ziek om auto te rijden?” vroeg L.
“Ben je gek”, zei ik, “het gaat prima.”
“Laat eens voelen.”
Ze legde haar hand op mijn voorhoofd.
“Hmm”, zei ze, “zeker weten?”
“Maak je geen zorgen”, zei ik.
“Belgie is heel eind, en ik heb geen zin in een ongeluk”, zei L., “volgens mij heb je nog koorts.”
Ik tapte op mijn pols, op een denkbeeldig horloge : “Het is al laat, we moeten gaan.”

We reden de stad uit.
“Heb je het koffiezet-apparaat wel uitgezet?” vroeg L.
“Uiteraard.”
“Volgens mij ben ik vergeten de deur op slot te doen”, zei L.
“Dat denk je altijd.”
“Maar nu denk ik het echt!”
“Dat denk je ook altijd, maar nooit is het zo.”
“Een keertje wel!”
“Sorry, geen tijd”, zei ik en trapte The Red Horse flink op z’n staart, zuidwaarts, richting de A2.
“Is dat optreden nou echt zo belangrijk?” vroeg L.
“Dat niet. Maar ik heb het die jongen die het organiseert nou eenmaal beloofd.”

Het leven van de vrouw van een fulltime ICT-er gaat al niet over rozen. Maar als die goser
er bovendien tijdrovende hobbies op na houdt als dichten, dan moet je over een verdomd sterk emotioneel gestel beschikken, wil je het met ‘m volhouden.
Doordeweek is manlief bij thuiskomst afgepeigerd. Na zijn prakkie te hebben gegeten zinkt ie weg in een uren durende afterdinner dip. Vervolgens verdwijnt die klootviool naar boven om tot diep in de nacht te gaan zitten schrijven. Als ie eindelijk weer beneden komt blijkt ie dronken en ligt ie binnen een minuut te snurken.
Dan moet je het hebben van de weekends, zou je denken. Gezellig uitslapen, ontbijtje op bed, krantje erbij. Beetje praten met elkaar misschien zelfs.
Maar niks hoor. Want in het weekend moet die lul optreden. In Belgie, dan ook nog eens.

Mijn vriendin/mijn lief/mijn allermooiste.

Om 4 uur reden we de binnenring van Hasselt op. Ergens aan deze binnenring moest ons hotel liggen. En al na vijf rondjes ring hadden we het gevonden, met dank aan een ontbrekende gevelreclame.
Maar vanaf toen ging alles goed. We vonden de laatste parkeerplaats in de regio, die pal voor de deur bleek te liggen.
We checkten in. We stalden onze bagage op de niet al te lelijke kamer. L. zette een kopje thee m.b.v. de aanwezige waterkoker, ik trok een van mijn meegetorste blikken pils open en oefende een aantal gedichten uit mijn repertoire. Ze zaten nog goed in mijn kop. Ik hoefde me geen zorgen te maken.
“We gaan de stad in”, zei ik.

We liepen de hoek om. “Konijn met pruimen” las ik in de etalage van het eerste de beste restaurant. Het was een lief restaurantje. Eentje met houten tafeltjes en niet te veel volk. Ik maakte me nog minder zorgen dan ik al deed.

We liepen door, het was nog vroeg. “Ah!” riep L., “een tijdschriftenwinkel!”
Ze scoorde een aantal wereldtijdschriften waarvan, als ik vrouwen mag geloven, de Vlaamse editie altijd een stuk interessanter is dan de Nederlandse. Waarom dat zo is moet ik nog eens uitvogelen, maar mijn ex-vrouw liep ook altijd met tijdschriftjutters-ogen rond, als we in Belgie waren.

We liepen over kinderkopjes naar Hasselt-centrum, naar de Grote Markt, waar volgens de jongen van het hotel veel restaurantjes zaten.
“Mooie kerk”, zei L.
“Dat wel”, zei ik.
De restaurantjes waren niet veel soeps. Een aaneenschakeling van prefab-serres die werden gekroond door neonletters. Overal zat het stampvol. Vrachtladingen glazige gezinnen zaten vanboven hun steak met frites te staren naar de trots van de stad.
Het motregende. We keken naar de menu-kaarten op de standaards voor de serres. Het was niet opwekkend.
“Zullen we teruggaan?” vroeg ik, “naar dat restaurentje van de konijn met pruimen?

We liepen terug over de kinderkopjes. We aten konijn met pruimen. En dronken er een fles rode huiswijn bij, die waanzinnig goed bleek te zijn.
“Wow”, zei L., “dat moet je die Belgen wel nageven, ze weten hoe ze om moeten gaan met een wijntje en een konijntje.”
“Wat je zegt”, zei ik.
Af en toe keken we uit het raam. We hadden uitzicht op een ander, kleiner kerkje. Op de muur naast de ingang was een portret van een monnik getekend. Daaronder stond een tekstje : “Een gesloten hart is erger dan een gesloten deur.”

Ik weet niet wat ik hier nou allemaal mee wil zeggen. Het is inmiddels alweer zondagnacht en ik ben opnieuw zo’n klootviool die hierboven zit te schrijven.

Gisteravond opgetreden dus. Poetryslam in Hasselt. Ik moest openen, zoals gewoonlijk. Organisatoren weten me dat de laatste jaren steeds weer te flikken. Geen flauw idee wat de achterliggende oorzaak is. “Openen is klote, laat Sven dat maar doen”, denken ze misschien, “die kan dat wel.”
Omdat ik het in de loop der jaren zo vaak heb moeten doen, kan ik het inderdaad wel, helaas.
Kutzooi.

Gisteravond was mijn opening er eentje “met het handje aan het ijs”. Of nee, een handje aan het ijs klinkt te charmant, ik kan beter refereren aan de ‘mispeer’.
‘Vol er in knallen’, dacht ik a la Ireen Wust, en opende met een mitrailleurversie van “de Waterval”, een gedicht over geboren worden in 90 regels en even zo weinig seconden. Het handelt voornamelijk over de conceptie, maar daar gaat het even niet om. Onderweg in mijn poging om het snelheidsrecord voordragen te verbeteren, verloor ik hier en daar een zinnetje.
En als je in een flow zit is het kut om zinnetjes te verliezen.

Niemand heeft het gemerkt, though, en dat is eigenlijk nog veel erger. Routinematig wist ik de gaten die mijn parate geheugen liet liggen, ter plekke op te vullen met geimproviseerde inferieure versies van die zinnetjes. En zo kwam ik er mee weg.
Bij een schaatser is het zichtbaar. Bij Marianne Timmer zag je vanmiddag hoe tijdens haar gouden 1000 meter-race in de laatste ronde haar linkerarm krampachtig naar een plek op haar rug zocht, maar die niet meer wist te bereiken. Als een golem schaatste ze het rechte stuk voor de laatste bocht. Ze won en het zij haar allemaal vergeven, maar ik vermoed dat ze haar toekomstige kleinkinderen liever haar gouden race van 8 jaar geleden uit Nagano zal voorschotelen.
Ik wou dat ze het gezien hadden. Dat het publiek, waaruit de jury bestond, had gezien dat ik stuntelend bezig was geweest.

Winnen is leuk, maar het gaat om de schoonheid. Als ik het voor het zeggen zou heben tenminste. Van mij mag Ajax degraderen, zolang ze maar wel het mooiste voetbal van het land zouden spelen.

Ik won gisteren in Hasselt. Ik bleef op de been in de eerste ronde, gooide er een aardige tweede overheen, en was weergaloos in de finale. Ik piekte dat het een aard had.
Hoera, een volle zaal vol groene bordjes ten teken dat ze massaal op mij stemden, en mooie prijzen in de vorm van een Moleskine notitieboekje, het merk dat Hemingway en Picasso ook pleegden te gebruiken, en een CD van Gerard Reve.
Stompzinnig grijnzend nam ik de cadeautjes in ontvangst.

Na de poetryslam trad de organiserende jongen op. Hij presenteerde zijn debuut-CD.
L. en ik zaten aan een tafeltje met Simon Vinkenoog en zijn geliefde, Edith.
Simon was gevraagd om op te treden tijdens die presentatie.
“Ze zijn me geloof ik vergeten”, zei Simon, nadat de jongen om 1 uur ‘s nachts zijn laatste toegift had gespeeld en het schelle zaallicht was ingeschakeld.
“Dat zal toch niet?”, zei Edith.

En ze kreeg gelijk. Terwijl de zaal half leegliep, werd Simon het podium op geroepen.
‘Eindigen’, dacht ik, ‘is nog lulliger dan openen.’

Maar hij deed het. 78 jaar. Vlammend. Hij deed een gedicht over de billen van zijn geliefde. De band van de jongen haakte in en Simon deed een gedicht over kunst. Hij zweette zich te pletter. Gaf alles wat ie kon geven. Hij deed een dansje op een gitaarintermezzo.

Wow, dacht ik. Ik moet niet zo zeiken, met mijn gepeins in de marge.

Afgepeigerd kwam Simon het podium af. Hij straalde.
Ik keek naar Edith. Ik keek naar L.
Ze genoten vrolijk van het dienblad vol pils dat Edith had besteld van de laatste consumpti
ebonnen.
Van ons vier, dacht ik, heb ik duidelijk de minste aanleg. Ik ontbeer het talent om te genieten van het moment.

Het moet anders, dacht ik : de deur moet open. En dan vooral de deur van mijn hart.