Straatkrant

De journalist van de “Z” (de daklozenkrant) beroerde mijn deurbel, terwijl ik me nog aan het aankleden was.
“Fuck”, riep ik tegen L, “hij is te vroeg.”
Snel kloekte ik de laatste slokken van mijn eerste halve liter van de dag naarbinnen, terwijl ik in mijn joggingbroek schoot.
“Ik kom er zo aan”, zei ik door de intercom.
Ik stond voor de koelkast en propte twee pils in mijn zakken, met de achterliggende gedachte dat de (misschien dakloze) verslaggever er ook wel eentje zou lusten.

Beneden aangekomen staarde ik verbouwereerd in een al even zo verbaasd gezicht van een jong studentikoos meisje. Ze droeg een bril met verdacht hip montuur.
“Sorry”, zei ik, “ik dacht dat je van de daklozenkrant was.”
“Ben ik ook”, herstelde het meisje zich, “ik ben Jorie. Aangenaam.”

We hadden totdantoe alleen nog maar ge-emailed. De daklozenkrant wilde een interview met me doen, met als thema “poezie van de straat.”
“Da’s goed”, had ik teruggemaild, “maar hoe komen jullie aan mijn naam?”
“Van iemand die er verstand van zegt te hebben”, schreef ene Jorie, “maar wie precies, dat weet ik niet meer.”

En hier stonden we dan, in het hart van Oud-West, de dichtersbuurt.
“Ben je vrijwilliger?”, vroeg ik, “je lijkt me tenminste geen dakloze.”
Ik kende ruim tien jaar geleden een jongen die in de begintijd bij de “Z” had gezeten. Een grafitti-spuitende, lijmsnuivende scholier, maar een aardige scholier. Hij bestierde destijds de redactie van de daklozenkrant. Als vrijwilliger.
Hij woont nu in Zwitserland en zit net als ik in de ICT. Heel keurig allemaal. Maar een decennium geleden was zijn voornaamste hobby, naast zich iedere avond de tyfus zuipen in de Korsakoff : “cultuur in het algemeen en de schrijverij in het bijzonder.”
Hij was toen bezig met een roman, “de ontdekking van de hel”, om naar eigen zeggen “het algehele peil van de Nederlandse literatuur na het gedrocht van Mulisch weer enigszins in balans te brengen.” De ware literatuur kwam volgens hem van de straat. “Van de losers.”

“Vrijwilliger?” zei Jorie, “ben je gek, ik ben freelancer. Je dacht toch niet dat ik dit werk gratis ging doen?”
Nee, zo zie je er niet uit inderdaad, dacht ik, maar zei niets.

We liepen door de straten van Oud-West. Haar idee was om mij aan de hand van een wandeling door Amsterdam te laten vertellen over plekken die mij hadden geinspireerd tot het schrijven van poezie.
“Weet je iets van poezie?” vroeg ik.
“Weinig”, zei ze.
Fijn.

“Alle straten in deze buurt hebben de namen van dichters”, begon ik.
“Wilhelmina?”
“Okay, dat was een koningin”, moest ik toegeven, maar nadat we de hoek om waren gelopen kon ik zeggen : “kijk hier : Rhijnvis Feith..”
“Wie?”
“Een dichter. Zie je trouwens die mozaiektegeltjes in de stoep met die letters eronder?”
“Ja”, zei Jorie.
“Die vormen een regel van een gedicht.”
“Over die rijnvissen?”
“Nee, over de daverende zonne. Van Guido Gezelle.”
“Wie?”
“Een dichter.”

In het Vondelpark durfde ik niet te vragen of ze wist dat, nou ja. Ik gind verder met mijn verhaal over de opkomst en ondergang van poetryslam (qu’est-ce que c’est?). In mijn betoog legde ik dwarsverbanden aan met historie, maatschappelijke factoren, antropologische bevindingen (huh?) en wat die hadden betekend voor mij qua inspiratie. Dit alles aan de hand van zojuist gepasseerde locaties. Ik was kortom verdomde verantwoord bezig.

Het interview liep voor geen meter.

Ik keek in de vermoeide ogen achter hun kekke omlijsting en had met haar te doen. En ook met mezelf. Ik besloot een pils open te trekken.
Schot in de roos. Du moment dat ik het blik aan mijn lippen zetten daverden haar vingertjes plotseling over het kladblok.
Niet dat ik iets zei. Ik dronk.

Ergens had een alarmbelletje af moeten gaan. Dat ging ook wel, maar uit misplaatst mededogen vergat ik ernaar te luisteren.

Iets later zaten we op een bankje op het Max Euwe plein. Ik vertelde een verhaal over mijn verleden als schaker. Ik dwaalde af. Daar was geen tijd meer voor, zei ze. We moesten naar Eijlders, alwaar ik zou optreden.
“Hoe is de sfeer daar?” vroeg Jorie twerijl het Leidsche Plein kruisten, “zijn het goeie dichters die daar komen?”
“De dichters daar”, zei ik, “zijn niet altijd even goed, maar de sfeer is prachtig.”

Ik trad weergaloos op.

En toegegeven, daar wordt ook melding van gemaakt in het uiteindelijke artikel, zij het enigszins ironisch. Voor de rest is het stuk sowieso kut.

Zo was.. Of nee, laat ook maar. Ik ga hier niet uiteen zetten waarom het artikel zo tendentieus is, en al helemaal ga ik er niet aan beginnen om een opsomming te geven van onjuist geciteerde uitspraken. Dan krijg je een verhaal dat nog langer is dan alles wat ik hierboven heb geschreven. Ik wil het hebben over iets anders.

Elke Jan Lul krijgt tegenwoordig mediatraining, en ook ikzelf ben niet onbekend met het verschijnsel. Ik kan het best, de gepantserde robot spelen. Toch zou ik liever de aandacht eindelijk weer eens willen verleggen naar de braakliggende mogelijkheid tot het opleiden van goeie journalisten.

Opdat ik ongeveinsd kan zijn.

Rookhok

Drie weken geleden ben ik op een nieuwe afdeling terecht gekomen, en een nieuwe afdeling betekent een nieuw rookhok. Een nieuw aquarium. Uiterlijk lijkt de rooktuimte precies op de vorige. Dezelfde glazen wanden, dezelfde automatische zonwering die bij het minste geringste daglicht default het uitzicht dicht. Niet dat daar veel aan verloren gaat, ik bedoel, je moet heel wat anders dan gewone sigaretten roken om de vierbaans spoorlijn die station Bijlmer in drieen snijdt, te verdenken van pitoresk potentieel, maar toch. Het heeft iets beklemmends, die voorgeprogrammeerde lamellen.

In de vorige rookruimte was me dat nooit zo opgevallen. Die zat altijd stampvol met dampende loonslaven a la moi, die niets anders deden dan depressief naar de vloerdelen staren. Dat schiep een band. Het was ergens wel gezellig.

De rookruimte van mijn nieuwe afdeling is bijna altijd leeg. Er zijn geen mensen. De enige dingen die er in staan, zijn naast de aan de muur vastgemetselde banken, een tafeltje van wit fineerhout en een grote cilindervormige prullenbak waarvan het deksel een asbak is.
Verder ligt er op het tafeltje steevast een recente Prive en speelt ergens onder de banken een sponzen voetbal voor vloerdeelnomade.

In de eerste week op mijn nieuwe afdeling las ik de Prive. Best zware kost voor iemand die het spoor van wie tegenwoordig voor Bekende Nederlander doorgaat, allang is bijster geraakt.
“Ze lijken ook allemaal zo op elkaar”, verontschuldigde ik me hardop tegen mezelf, “en ze hebben zo te lezen, alleen nog maar een voornaam.”
Tooske. Bij het horen van die naam denk ik bijvoorbeeld aan de moeder van de voormalige boezemvriend van mijn broer. Of aan een dikke geimmigreerde Vlaamse met een deegroller in haar poten. Of eigenlijk aan allebei, maar no chance dat er onder een dergelijke naam een BN-er op mijn netvlies zal verschijnen.

Een iemand herkende ik wel. ‘Monica’ uit Friends. Strikt genomen geen BN-er, maar ze stond er toch in. In het rijtje ‘de 10 meest genante foto’s’ van sterren.’ Ze stond op nr 9. Je zag een foto van een onopgemaakte Monica, die net de deur uit kwam om, weet ik veel, naar de Albert Heijn (Wallmart) te gaan of zoiets. De onopgemaakte Monica zag er goed uit, vond ik. Mooie ogen. Een prachtige naturelle blik. Onderschrift van de Prive bij die foto : “Who needs ‘friends’, als ze je niet eens vertellen dat je zo toch echt niet over straat kan.”
Ik keek nog eens goed. Naast de naturelle foto van Monica stond een plaatje van een perfect gecoiffeerde en gelipglossde dame. Monica tijdens een of ander gala. Of was het toch Birgit? Of Daphne? Of Tooske? Hard to tell. In ieder geval was de boodschap dat ze er ook zo zou kunnen uitzien, als ze tenminste haar best deed, die luie donder, die ontaarde feeks van een Monica.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik er niet aan wilde denken. Ik klapte de Prive dicht en dook onder de banken op zoek naar de sponzen voetbal.

“Ca va?” vroeg ik, toen ik ‘m had gevonden.
“Ca va bien”, zei de voetbal.
“Zullen we spelen?”
“Eindelijk eens iemand die dat vraagt.”

Ik verkaste het tafeltje naar het midden van de rookruimte. Ik stationeerde de cilinder voor de opening onder de kortste bank. Een muurtje, een keeper en een doel.

En zo sleep ik me sindsdien eens per uur de werkdagen door.
We hebben er lol in, de bal, de cilinder, het tafeltje, de bank en ik. Ons leven is, vergeleken met de rest, zo slecht nog niet.

Metafoor

Een nieuwe tegenslag in het reeds overspannen leven van jullie trouwe nachtschrijver :
De unitmanager van het detacheringsbedrijf waarvoor ik werk, vindt dat ik in mijn vrije avonduren en weekenden cursussen moet gaan doen, om me te “certificeren” voor de nieuwste technieken. Hij mompelde iets over India en China, over globalisering en mondiale concurrentie.

“Die nieuwste technieken kan ik prima zelf bekijken”, zei ik, “op internet. Daar heb ik geen inefficiente, tijdrovende cursussen voor nodig.”
“Je begrijpt het niet”, zei mijn manager, “het gaat om de certificering. Laat ik mezelf verduidelijken aan de hand van een metafoor. Weet je wat dat is, een metafoor? Dat is een voorbeeld waarbij..”
“Ik weet wat een metafoor is”, zei ik. Daar had ik overigens direct spijt van, want ik was erg benieuwd naar zijn definitie.

“Mooi”, zei mijn manager enigszins verbaasd. Toen begon ie met zijn metafoor.
“Stel”, zei hij, “je bent op vakantie in het buitenland. In een vreemd land. Zie je het voor je?”
“Ja!”, zei ik, misschien een beetje al te gretig.
“Goed”, zei mijn manager, “stel je nu voor dat je honger hebt. Heb je honger? Ha, dat hoef ik niet eens te vragen, wij ICT-ers hebben altijd honger, toch! Ha, ha.”
Hij knipoogde even.
Ik probeerde een grijns tevoorschijn te toveren.
“Dat dacht ik ook!”, lachte mijn manager, “maar goed, waar was ik? O ja. Je loopt dus door de straten van zo’n stad in Verweggistan en je ziet alleen maar van die vage locale eethuisjes, wat denk je dan?”
Romantisch, dacht ik, maar voordat ik dat kon mededelen, zei mijn manager : “Ja ik weet wat je wil zeggen! Kut, denk je dan, kut!”
“Eh..”, zei ik, maar mijn manager ratelde onverstoorbaar door : “Dan! Opeens! Zie je die grote gele M!”
“Eh..”, probeerde ik opnieuw.
“Precies!” juichte mijn manager, “dan zou je god toch op je blote knieen willen danken!”

Het was even stil.
“Snap je wat ik bedoel?” vroeg mijn manager, toen ik ‘m onbegrijpend bleef aanstaren, “of zal ik toch maar even uitleggen wat een metafoor is?”
“Laat me raden”, zei ik, “Mac Donalds TM staat in dit verhaal symbool voor certificering?”
“Ah, je snapt ‘m dus wel! Mooi. Dat is dan geregeld. Ik ben blij dat je nu zelf ook inziet dat het noodzakelijk is.”

Het is in de mode geloof ik. Poetische technieken gebruiken om voor het volk te verhullen dat we de wereld totaal naar de kloten helpen.
Maar laat ik niet meteen beginnen over de wereld. Laat ik starten bij ons eigen land. Of bij mezelf. Want de maatschappij, dat ben jij, nietwaar?
Recent draaide een CDA-er een beroemde regel van Lucebert 180 graden om. Een poetische techniek op zich, maar dat terzijde. “Alles van waarde is weerloos” werd “Alles van waarde is weerbaar.” Dit in een pleidooi waarin werd gegokt op zelfredzaamheid van onze samenleving.
Remco Campert maakte zich m.i. terecht kwaad over deze verbastering in zijn column in de Volkskrant, maar een andere dichter, Piet Gerbrandy, ook VK-medewerker, stond een paar dagen later met een ingezonden brief in dezelfde krant. Strekking : Remco moet niet zo zeiken. Sybren Polet (ook schrijver) had dezelfde omkering van die zin in 2001 ook al eens op papier gezet. Spelen met dichtregels, daar is niks mis mee, volgens Piet.

En daar heeft hij gelijk in. Maar fuck man, het gaat om de context waarin dat gebeurt!

Piet voert in zijn brief ook aan dat de oorspronkelijke regel haar eigen ongelijk bewijst, omdat ze op de gevel staat van een Rotterdams gebouw. Ik zou willen beweren dat ze haar eigen gelijk bewijst doordat ze nu misbruikt wordt door een politicus, die een beleid steunt waarin topmanagers en toppolitici er in inkomen 30% (en hier zou ik dan een hyperlink naar het plan van minister Zalm moeten zetten) op vooruit gaan, terwijl het volk te schaften heeft met een veranderend zorgstelsel (duizend hyperlinks), waar niemand de ballen van snapt, maar dat als gevolg heeft dat mijn beste vriend, die zich helemaal gek werkt in de sanitaire branche, zich genoodzaakt ziet zijn geliefde gitaarversterker op Marktplaats.nl te dumpen, omdat ie anders de rekeningen niet meer kan betalen.

Maar goed. Over die certificering. De inspanningen daarvoor mogen uiteraard niet worden verricht tijdens werktijd. Dat heeft te maken met China.
Ik zal, nadat ik me van half 9 tot half 6 de tyfus heb gewerkt, in de studieboeken moeten duiken. Ook zal ik twee keer per week ‘s avonds naar Den Bosch moeten afreizen om door het bedrijf georganiseerde colleges te volgen. En in de weekenden, ten slotte, zal ik moeten blokken voor tentamens. Ik zal godverdomme een robot moeten worden, opdat ik me certificeer voor de nieuwste technieken.

Zodat mijn manager mij “beter in de markt kan zetten.”
Zodat het bedrijf een hoger uurtarief voor mij kan vangen, bedoelt ie daarmee. En hij een vette bonus in zijn zak kan steken.
Van dat hogere uurtarief zal ik zelf de ballen terug zien, is mijn ervaring. Ons bedrijf wint al jarenlang prijzen voor het “gezondste” financiele beleid. Lees loonmatiging voor de arbeiders, maar wel extra bedrijfsopties voor de gniffelende managers, die de koers van ons aandeel explosief zien stijgen, tot grote tevredenheid van het toezicht op hun beleid, de aandeelhouders.

Het is eveneens in de mode om niet te klagen.

Fuck you. Ik doe het wel.

De Maan

Het was een pittig weekend, met een hoop optredens en ander gedoe. Ik kan stellen dat ik nog steeds moe ben, maar toch ook een beetje voldaan. Terwijl mijn lichaam zachtjes weent, zie ik terug op een weekend waarin ik in vorm was op de planken.

Die eeuwige planken. Ooit zullen ze me kisten, maar nu nog niet. Nu is het zondagnacht, eigenlijk al maandag, maar ik drink en ben morgen vergeten.

De zondagnacht is mijn moment van rust. Ik zit in mijn glazen capsule op mijn dakterras en kijk uit over Amsterdam. Aan de oostkant flonkert de oude gouden Wester, aan de westkant bestralen de rode lantaarns van Schiphol mijn stad.
Ik zie uit de borders op mijn flonders legioenen sneeuwklokjes verrijzen en ook de eerste verkennende krokussen proppen hun koppen al uit de grond.
“Proost”, zeg ik.
Er is zelfs een overenthousiaste tulp die niet in de smiezen heeft dat het nog lang geen lente is.
Ik proost ook naar haar.

Toch, het is bewolkt, wat maakt dat er vannacht een grote afwezige is.

Vanmiddag kreeg ik van Sander Brouwer, stamdichter te Eijlders, het onderstaande oude Chinese gedicht in mijn knuisten gedrukt. Het mag er wezen wat mij betreft.

EENZAAM DRINKEND ONDER DE MAAN

Dood alleen nipte ik aan een kruik wijn
midden tussen de bloemen

Ik had niemand om mee te klinken,
tot ik mijn wijnkom hief
en de heldere maan vroeg mijn schaduw te halen,
zodat we met z’n drieen zouden zijn.
En hoewel de maan niet vermocht te drinken
en de schaduw slechts mij onverschillig op de hielen zat,
genoot ik toch een poos
van het gezelschap van deze stalbroeders
terwijl de lente, de vluchtige, ten einde liep….

Ik zong. En de maan schonk mij zijn bijval.
Ik danste. Mijn schaduw stommelde achter mij aan.
Zolang ik mij kan herinneren
waren wij de allerbeste vrienden,
maar daarna werd ik dronken
en raakten we elkaar kwijt.
Mogen wij lang doorgaan met ons
belachelijk en wonderlijk samenzijn
in de hoop elkaar eens te ontmoeten
op de wazige rivier van de melkweg.

Li Po
China 701-762

Uit het Chinees in het Zweeds vertaald door Tien Lung en Per Wahlunf
Uit het Zweeds vertaald door Sander Brouwer.

Met hart en ziel

Het was vrijdagavond, ik kwam thuis van werk en liet me languit op de bank vallen : “ik kan niet meer”, riep ik tegen L., “ik ben dood.”
“Dus je gaat niet optreden?” vroeg L.
“Optreden?”
“Ja, bij dat gebeuren van Sieger?”
“Argh”, zei ik, “Damoclash, is dat vanavond?”
L. knikte.
“Fuck.”

Ik stond op om een pils uit de koelkast te plukken.
“Hoe laat moet je er eigenlijk zijn?” vroeg L.
“8 uur. Tenminste, dan begint het festival.”
“Dan missen we het radioprogramma van Erik-Jan”, zei ze.
“En Starik op TV”, zei ik, “Starik komt vanavond bij Netwerk met die uitvaartgedichten voor eenzame dooien.”
“Kunnen we niet wat later gaan? Hoe laat moet jij eigenlijk?”
“Ik heb geen flauw idee.”

Om 20.10 tunede ik onze wekkerradio naar 747 am. We luisterden naar Erik-Jan Harmens in gesprek met Els Moors.
De witte fuckende konijnen kwamen voorbij, uiteraard, een gedichtencyclus die we een jaar eerder bij Festina Lente hadden gehoord en die is opgenomen in haar zojuist verschenen debuutbundel. Destijds had het iets magisch. En nog steeds, nu ze de cylcus voorlas op de radio.
“Maar ze moet er verder vooral niet te veel over zeggen”, concludeerde ik na afloop van het interview.
L. knikte.
Toch blijft het een fantastisch radioprogramma. Het leukste onderdeel van de interviews van Erik-Jan Harmens vind ik, na twee (proef?)uitzendingen, het volgen van de verschillende versies in de ontwikkelingsgeschiedenis van een gedicht. Dus niet “waarom heb je dit gedicht geschreven?”, maar “waarom is dit woord/deze zin/strofe beter dan de andere?” Het geeft een prachtig kijkje in het creatieve proces, en parallel in de schepper. Het maken van keuzes, maar vooral het verklaren daarvan, verschaft meer inzicht dan het C.V.
Het is de bekende truc van Human Resource-managers; je kan vragen “Waarom ben je Germaanse talen gaan studeren?” (leek me wel geinig), maar pas op de vraag “Waarom geen Slavische talen?” (waarom zijn die minder geinig?) krijg je in de smiezen wat voor vlees je in de kuip hebt.
Vorige week zette Annemieke Gerrist in drie versies van een gedicht over een vrouw langs de snelweg, een serieuze visie over het schrijven van poezie uiteen. Gisteren kwam Els Moors niet veel verder dan het om zeep helpen van een prachtige eerste strofe over een reiger die met een schuine hals naast een lege vijver vol rode kiezelsteentjes stond. Die strofe zou ten koste zou gaan van “zoals het in het werkelijkheid gebeurd was”, en een “reiger met een schuine hals” was sowieso teveel “meisjespoezie”. Dus had ze er maar gewoon een reiger van gemaakt, naast een vijver vol water.
Tsja.
Het voordeel van dit interview, zou ik willen aantekenen, is dat ik met die gedachte in het achterhoofd, een flink aantal mindere gedichten uit haar debuutbundel, in retrospect wel kon verteren.

Maar daar wilde ik het helemaal niet over hebben. Ik wilde het hebben over hoe zielig ik was. Dat ik, arme, hardwerkende oudere jongere, nog helemaal moest aftaaien naar de voormalige Filmacademie op de Overtoom om daar voor ongeinteresseerde alternatieve twintigers voor de zoveelste keer wat evergreentjes uit mijn versleten mouw te slammen.

Nou ja, zo arm ben ik nu ook weer niet, daarvoor werk ik te hard, maar ik had wel honger. En was te moe om te koken.
“Laten we uit eten gaan”, zei ik tegen L., “bij die goeie Italiaan op de Jan Pieter Heije.”
“Komen we dan niet veel te laat?”
“Jawel”, zei ik, “maar misschien kunnen we gewoon alleen een vissoep nemen, of zo.”
“Dat durf jij nooit”, zei L., “alleen een vissoep nemen.”
“Misschien vanavond wel.”

Ik durfde het niet.
Wel durfde ik naast en na het hoofdgerecht enorm veel wijn te drinken.

Om half 11 wankelde ik het restaurant uit en plukte mijn eerder geparkeerde, aangebroken halve liter Edahpils tussen de terracotta plantenbakken op de stoep vandaan.
“Stond ie er nog?” vroeg L.
“Altijd”, zei ik.

We staken de Overtoom over en liepen door de poort van nr 301, de voormalige Filmacademie. Een zwarte klerenkast liet mij zonder blikken of blozen met het blik pils in mijn poten naar binnenstrompelen. Zulks zie je nog maar weinig in Amsterdam. Het was ergens een goed teken.

Binnen was het bomvol. We worstelden ons door een kluwen krakers heen in de hoop om Sieger of op z’n minst Mara, Siegers vriendin en mede-organisatrice, te ontwaren. In ons kielzog worstelden festivalvrijwillige hanenkammen zich met kratjes Grolsch richting barunits. Overal was muziek. Overal waren bandjes. In het gedrang werd mijn gezicht geplet tegen een muur. Nadat ik in de gelegenheid was gekomen om afstand te nemen van de muur, ontwaarden mijn dansende ogen op diezelfde muur een timetable. Het programma. En dat leerde mij dat ik helaas nog niet was geweest.

We manoevreerden naar de ruimte met het dichterspodium. Het podium was er slecht aan toe, zag ik. In het midden van de ruimte bevond zich een barunit, en mensen die het bandjesgeweld waren ontvlucht vonden hier hun vrijplaats om het op een luidruchtig ouwehoeren te zetten. Op een achtegrond van verzamelde sinasappelkistjes stamelde een aantal schichtige types onverstaanbare zinnen door een microfoon. Dichters. Ze hadden het zwaar.

Ik begroette Karlijn Groet, Mohs Volke, die overigens niet optraden, en belandde bij de bar waar ik werd aangesproken door een jongen in spencer. Hij viel enigszins uit de toon. Of laat dat enigszins maar weg.
“Hey Sven!” zei de jongen.
“Hoi”, zei ik, en probeerde de jongen te herkennen. Weinig geluk. Dat heb ik vaker. Dat ligt aan mij, ik ben erg slecht in gezichten, en nog slechter in spencers.
Het bleek een jongen uit Amersfoort, waarmee ik ooit eens in de plaatselijk poetryslamfinale heb gestaan.
Hij won destijds de juryprijs. Ik de publieks. Hij doet cabaret. Ik vroeg me destijds af wat ik dan wel niet moest hebben gedaan.
“Hoe ging je optreden?” vroeg ik.
“Kut”, zei ie, “geen doen hier. Maar dat zie je zelf natuurlijk ook wel.”

Ik begroette Robin Block. “Ben je al geweest?”, vroeg ik.
“Nee”, zei ie, “en ik weet eerlijk gezegd ook niet of ik uberhaupt wel wil gaan.”

Moeilijke omstandheden. Ik ken ze in al hun kieren en voegen, ik ben een ouwe vos. Er is maar 1 remedie.

10 jaar geleden waren we met Appelpop nog een onoverdekt festival. Het regende al de hele dag pijpestelen, maar tegen de avond brak het noodweer pas echt los.
Net toen de Trockener Kecks het podium op moesten.
Al het publiek vluchtte naar de tenten van de aanpuilende kermis; botsauto’s geraakten in files, mensen kwamen vast te zitten in het spookhuis.

De Trockener Kecks.
Voor het eerst in Tiel.
Ze deden of er niets aan de hand was. Ze speelden met hart en ziel.

Het was nog altijd noodweer, maar binnen een paar nummers van de Kecks onderging het verkeersinfarct op de botsbaan een dotteroperatie en werden verderop kinderen verlost van angst voor eeuwig uitzicht op flonkerende skeletten en vlottende vogelspinnen.
Terwijl de donderslagen het om de oren vloog, stroomde het publiek massaal richting het hoofdpodium.

Rick de Leeuw stond na afloop met mijn zusje in de backstagetent. Mijn zusje is journalist. Ze verslaat het gebeuren traditioneel voor de Gelderlander en deed een interview. Ik stond stiekem mee te kijken.
Ze hadden het over een hoop dingen.
“Maar los daarvan, wat was ik goed, zeg”, zei Rick tegen mijn zusje.

Normaal zeg je dat niet van jezelf. Maar het paste. Het was waar.

Gisteren was ik Rick de Leeuw. Ik besteeg de sinasappelkistjes met hart en ziel. Ik paste wat trucs toe om de aandacht van het publiek te krijgen (ik liet ze onderwerpen noemen, waarover ze wilden dat ik een gedicht zou voordragen). Vervolgens gaf ik me volledig op het podium.
Ik trad, sorry dat ik het zeg, weergaloos op. Het publiek was laaiend enthousiast.
Na afloop van mijn optreden had ik binnen notime 100.000 vrienden. Blondines, brunettes en roodharige jonge meisjes dartelden om me heen, terwijl een ander 26-jar
ig kuiken er op stond mijn impressario te worden.

Ik glimlachte schaapachtig en liep door naar L. “We gaan naar huis”, zei ik.
En daar viel ik eindelijk in mijn welverdiende slaap.

Tandarts

“Ik moet vanmiddag wat eerder weg”, zei ik tegen mijn nieuwe manager.
Hij fronste zijn wenkbrauwen. Daarna kneep hij zijn ogen tot gemene spleetjes en vroeg : “Hoe vroeg?”
“Ehrr”, zei ik, “eigenlijk nu.”
“Dus je neemt een vrije middag?” zei mijn manager. Het was 16.00, op zich wat vroeg om zijn favoriete grap te debiteren. Hij maakt ‘m normaal pas aan het einde van de werkdag, zo rond 17.30, als de eerste mensen onze kantoortuin uitlopen om naar huis gaan. “He, neem je een vrije middag!” roept ie ze dan na. Hij kan er elke keer weer erg hard om lachen.
Dit keer lachte hij niet. Dat was wel eng.
“Ik moet naar de tandarts”, verklaarde ik.
“Ah, de smoelensmid”, knikte mijn manager, “Goed. moet ook gebeuren. Ik zie je morgenvroeg.”

Ik zit bij een hippe Tandartspraktijk. De hipste van het land, geloof ik; Tendens tandartsen, genesteld tussen het Vondelpark en het Leidsche Plein. Het wemelt er van de trendy mondhygeinistes in hoge laarzen en kekke kieschirurgen op gifgroene Adidassneakers.
Niets voor mij, zou je zeggen. Dat klopt. Ik heb er dan ook niet zelf voor gekozen. Ik ben er destijds door een noodgeval terecht gekomen, dankzij mijn toenmalige geliefde.

Het was zo’n 17 jaar geleden. Ik woonde net een jaartje in Amsterdam en op een ochtend werd ik wakker geschud door mijn vriendin, waarmee ik samenwoonde op het Roelof Hartplein. Ze staarde me angstig aan.
“Wat is er?” vroeg ik, met een knallende koppijn, die overigens in het niet viel bij de pijn in mijn bek.
“Dat kan ik beter aan jou vragen”, zei mijn vriendin, “wat is er gebeurd?”
Toen keek ik om me heen. Ik lag op een kussen vol bloed, en de rest van ons bed zag er ook niet al te fris uit.
“Ehrr..”
“Heb je gevochten vannacht?” vroeg ze.
“Laat me denken”, zei ik, terwijl ik mijn gezicht betastte. Het zat vol korsten, voelde ik.
“Jezus, Sven, er stroomt nog steeds bloed uit je mond!” riep mijn vriendin, “blijf zitten, ik pak even een keukenrol.”

Terwijl ze het bed uitstoof, probeerde ik de gebeurtenissen van de afgelopen nacht uit mijn geheugen op te dissen.
“Je bent naar de kroeg geweest”, zei mijn geheugen, “met J., je beste studievriend.”
“Ja, allicht”, zei ik tegen mijn geheugen, “zo kan ik het ook helderziende! Ik zit elke avond met J. in de kroeg. Maar wat is er daarna gebeurd?”
“Ehrr..”, zei mijn geheugen, “laat me even rustig denken. Heb je trouwens geen aspirientje? Er is een mortieraanval gaande in je hersenpan en ik lig in het zwaarst belaagde gebied, als je begrijpt wat ik bedoel.”
“Vertel mij wat”, zei ik, “in mijn mond wordt er ook niet direct respect getoond voor de conventie van Geneve.”
Er werd stevig gemarteld, ik ging bijna dood van pijn. Op alle fronten in mijn lichaam, maar vooral in de orale zone.

Mijn vriendin depte mijn kin, mijn lippen. “Doe ‘s open”, zei ze, “je mond.”
Ik opende.
“Jezus”, zei ze, “we moeten meteen naar de tandarts. Ik bel een taxi.”
Ik kon alleen maar knikken.

Nadat ze de taxi had gebeld vroeg ze : “Wat is het nummer van je tandarts? Dan bel ik even dat we eraan komen voor een noodgeval.”
Ik pakte mijn agenda en begon te dicteren : “03440-..”
“Wacht”, zei mijn vriendin, “zit je tandarts niet in Amsterdam?”
“Nee, die zit nog in Tiel.”

En zo ben ik dus bij die hippe tandartsenpraktijk in Amsterdam terecht gekomen, de tandartsen van mijn toenmalige geliefde.
Nadeel van al die hipheid was dat de wachtkamer bomvol zat. De enige manier om snel geholpen te worden was bereidheid tot het accepteren van een stagiair als dienstdoend arts. Ik accepteerde. Ik had geen keus.

Drie uur lang werd er in mijn mond gewrikt, geboord en geklauwhamerd, terwijl de stagair continu : “kut”, mompelde. Dat werkt op zo’n moment niet echt bemoedigend, kan ik je vertellen. Het lullige is dat je, eenmaal in behandeling, niet in de gelegenheid bent om zulks mondeling mede te delen. Net zomin als ik in staat was om, nadat er een voorbereidende spalkconstructie in mijn mond was gebouwd, te vragen of er misschien, voordat er daadwerkelijk geboord en getimmerd zou worden, niet eerst het een en ander verdoofd moest worden.
De stagiair vatte mijn gespartel en gesmoorde geschreeuw op als aanstellerij.

Tegen de tijd dat mijn gebit provisorisch was hersteld en de stagiair opgelucht de spalkconstructie verwijderde, had mijn lichaam een dusdanige hoeveelheid natuurlijke morfine aangemaakt, dat ik helemaal in hogere sferen verkeerde. Ik voelde me keigoed. En dat zei ik dan ook.
“Dank je”, zei de stagiair, “maar als de verdoving is uitgewerkt, dan kan het misschien wel nog een tijdje pijn doen.”
“Ik heb geen verdoving gehad”, zei ik.
Zelden heb ik een witter gezicht gezien.

Spelletjes

Vanavond hadden we een vergadering van de Vereniging van Eigenaren. Ik moet toegeven dat ik er enigszins tegenop zag. Ik onderhoud namelijk een niet al te beste relatie met de overige eigenaren. Lees : bewoners. Spel : yuppenmeisjes.

Niet dat we niet met elkaar door een deur kunnen, ik bedoel, dat lukt fysiek gezien prima, maar we vinden elkaar ondertussen wel raarrh. Zij mij met name. Ik met mijn aftandse vrijetijdskleding. Met mijn ongewassen Volvo, met mijn treetjes Edahpils achterop Mad da 4th, mijn fiets.
Met alles eigenlijk. Op elke vorige vergadering van de VVE was ik vies de lul, het zwarte schaap, ik kon niks goed doen. Alle problemen die er niet waren, waren desondanks mijn schuld.

Ik en de yuppenmeisjes. We begrepen elkaar ongeveer net zo goed als de beide sexen zo halverwege de basisschool. De tijd waarin jongens geconcentreerd knikkers in een stoeptegelputje proberen te vingeren, maar de meisjes al een stuk verder zijn. Lees de onderbewuste symboliek allang zijn ontstegen.

De eerste sex valt meestal tegen. Voor een meisje dan.

Maar daar had ik het niet over. Ik had het over vanavond. En vanavond zaten we niet meer op de basisschool. De medebewoonsters van mijn pand dachten inmiddels verdomd goed te weten waar het om draait in het leven. Pingels, pegels, Pietermannen. Keiharde euro’s. Knikkers.

Ik, ik hou nog steeds van spelletjes. Waar ik normaal vanuit mijn werk direct in een joggingbroek schiet, hield ik dit keer mijn nette kleren aan.
Aangekomen op de vergadering gedroeg ik me als een yup. Ik schiep eindeloos op over mijn baan. Ik reciteerde uit mijn hoofd de spraakmakendste capaciteiten van de paradepaardjes uit ons leasewagenpark en had het over het buitenland.
“Wow”, zeiden de yuppenmeisjes.

Als icing on the cake simuleerde ik smetvrees.
“Right!”, zeiden de uitverkorenen der Wester Aarde, “you’re soooo right!!!”

“And safety?” vroeg Angela, de Engelse bewoonster van de begane grond, senior accountmanagester bij Nike, en de enige die nog argwanend was; “what’s your opinion ’bout that kinda topics?”
“We all should have a smoke-detector, I insist”, zei ik, “really. And a Fire-distinguisher of course, but I’m sure you all already took care of that.”

Het was even stil.

De yuppenmeisjes keken elkaar vertwijfeld aan.
“Sure!” zei Angela toen, “Sven’s right. I have a smoke-detector, but where’s yours Iris!!?”
Gastvrouw Iris zweette inmiddels peentjes, “Ehhr.. in the bedroom..”, zei ze toen.
“Let’s take a look!” zei Angela, en kordaat stond ze op, om naar de andere helft van het appartement te benen.
“But you may not come there!” riep Iris in paniek, “It’s my bedroom, it’s private!”

Angela liet zich daar niet door weerhouden.

Hoera. Ik ben niet langer het zwarte schaap. Ik heb blijkbaar iets geleerd. En dat kan je best een soort van volwassen worden noemen.

Het blijft kut, though.