(almost) cut my hair

Als je me zou vragen : “wat is de gelukkigste periode in je leven geweest?” dan zou ik niet lang na hoeven denken. Ik zou direct op de proppen komen met het seizoen 1994/1995. “Omdat Ajax toen de Champions League won?” hoor ik je vragen, en dan zou ik zeggen : “verdomd, da’s waar ook, maar neen, dat is niet de reden. Raad verder.”
“Euh..”
“Je raadt het toch nooit.”
“Zeg het dan maar.”
“In het seizoen 1994/1995 was ik werkloos.”

En in het begin ook dakloos trouwens, nu ik erover nadenk. Waanzinnig mooie tijd. Ik had een hoop vrienden en ik hopte van het ene logeerbed naar de andere uitnodiging om te komen eten. Overdag zat ik bij goed weer in parken, bij regen in mensa’s of bibliotheken, alwaar ik in HEMA-schriftjes alinea’s schreef die de basis moesten gaan vormen voor mijn eerste roman. De rest van de tijd was ik te vinden in de gokhal. Na een paar maanden had ik iets minder vrienden.

Ik betrok een kamer op een etage van 2 dispuutgenoten van mijn toenmalige geliefde. Die kostte me maandelijks de helft van mijn uitkering (die kamer), maar daar stond tegenover dat er een Aldi om de hoek lag. Veel gaf ik niet uit in die dagen. Per dag een pakje Aldi-shag en 10 Aldi-pils. In het weekend kocht ik een diepvriespak Aldi-hamburgers en wat afbakbroodjes (39 cent voor 6 stuks) en daar kon ik de rest van de week mee voort. Ik hield flink wat geld over. Dat besteedde ik aan fruit(goedzo!)machines(O..)
Maar de rest van de tijd gingen mijn vingers aardig tekeer op het toetsenbord van een oude computer die ik van de moeder van mijn toenmalige geliefde had gekregen.

Ik schreef aan wat hoe langer hoe meer de proportie en kwaliteit van een meesterwerk begon aan te nemen. Vond ik. Ik was een gelukkig mens. Een heel jaar lang.

Op een zwarte dag lag er een brief op de mat. Van het arbeidsbureau. Ik moest een cursus doen om mijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Nu was ik afgestudeerd econometrist, zo’n beetje de kansrijkste opleiding die je had kunnen volgen, maar de arbeidsmarkt in 1994/1995 was dusdanig beroerd dat je het met een controversieel uiterlijk (lees : lang haar) nog altijd kon schudden, hoe hooggeschoold je ook was. Goddank, zou ik daaraan toe willen voegen.

Volgens de intelligentsia van het arbeidsbureau was een cursus “accountmanager” wel iets voor mij. “Commerciele functies zijn helemaal de bom nu, je weet toch!” zei mijn consulent. Of, nou ja, zo zei hij het niet, we hebben het hier immers over 1995, maar goed.
“Ik?” zei ik, “accountmanager? Ben je blind! Heb je gezien hoe ik eruit zie?”
“Nu je het zegt”, zei het licht, “dat haar kan je beter afknippen.”
“En als ik dat nu eens niet wil?”
“Dan ben je dom bezig.”
“Het is maar hoe je het bekijkt.”
“Hoezo? Wil je geen baan dan? Als je geen baan wil kan ik je korten op je uitkering. Wist je dat?”
“Ik heb recht op lang haar”, zei ik, “zelfs in het leger mocht ik lang haar.”
“Maakt me niet uit. Jij gaat die cursus doen, begrijp je wat ik zeg?”

Een half jaar lang zat ik 40 uur per week met 30 andere uitkeringsgerechtigden in een afgelegen zaaltje van de Meervaart in Amsterdam Osdorp gesjeesde nitwits uit het bedrijfsleven aan te horen. Die nitwits hielden er een stevige duit aan over. Wij niet. Wij moesten onze reiskosten betalen van onze uitkering, net als de talloze fotokopieen die we moesten maken, de eindeloze telefoontjes naar prospects die we moesten plegen. Met mijn roman wilde het niet meer zo vlotten. Met mijn gokverslaving wel.

Na een half jaar kregen we allemaal een diploma. Het arbeidsbureau was een half miljoen armer. Tijdens een reuni, drie maanden later, bleek dat nog steeds niemand een baan had.

Waarom vertel ik dit allemaal? Ik weet het niet. Misschien omdat ik vandaag het hele dagboek van Mevrouw J. Grosman heb gelezen. Het staat op werkenzonderwerk.nl, geloof ik. Het is een verslag van een vrouw die, vrij naar het Amerikaanse concept “Work First”, in de zogeheten “Werkfabriek” in Arnhem heeft moeten werken om haar uitkering te mogen behouden. De hele dag schroeven sorteren, Scoobiedoo-touwtjes in doosjes doen, dat soort dingen. Omdat dat volgens de gemeente haar arbeidsmarktwaarde zou verhogen. Mevrouw Grosman was geschoold op HBO-niveau.

Van haar verhaal word je niet vrolijk.

Het is dezelfde geldverspilling. Maar tegelijkertijd is het nog veel erger. Mevrouw Grosman (en veel van haar consorten) zou heel graag een vaste baan willen. Ze doet, in tegenstelling tot mijzelve destijds, erg haar best en zit te springen om vacatures waarop ze kan solliciteren. Ondertussen wordt ze door de mensen die voor die vacatures zouden moeten zorgen, de consulenten, aan de lopende band vervooroordeeld als zijnde werkschuw tuig.
En daar staat ze dan, ze moet wel wil ze niet gekort worden, in de Werkfabriek. Waar ze geestelijk dood wordt geslagen.

Ikzelf kon destijds de sociale druk niet meer aan. Van het geen baan hebben. Mijn eens zo gastvrije vrienden, mijn ouders, mijn toenmalige geliefde, etc, ze pushden me fijntjes richting kapper.
Voor ik het wist was ik aan het werk. En dat doe ik nu al 10 jaar lang. 40 uur per week, exclusief reistijd. Met die roman is het nooit meer wat geworden.

2 thoughts on “(almost) cut my hair

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s