No direction home

Op tweede Kerstdag was ik op weg naar mijn familie, die bijeen kwam in het tweede huis van mijn tante. Dat huis ligt op de Prinsengracht, pal tegenover de Westertoren. Mijn tante heeft haar zaakjes goed voor elkaar. Ik was al een kwartier te laat en zette er de sokken in. Het was een ijzig koude dag. Met opgezette kraag liep ik door de grachtengordel, terwijl ik met mijn hand de revers van de dure manteljas bijeen hield. De knopen van de jas durfde ik niet dicht te doen, uit angst dat ze er af zouden springen, met onterving tot gevolg. Mijn ouders hebben graag dat ik er netjes uitzie, vooral als het familie-aangelegenheden betreft. Ik liep langs cafe de Eland. In een opwelling dook ik naarbinnen en bestelde een Duvel. Eigenlijk heb ik L. beloofd om nooit meer Duvel te drinken ("altijd als jij Duvels drinkt ben je binnen notime naar de vaantjes"). Maar L. zat bij haar vrienden in de Watergraafsmeer en eerlijk gezegd had ik behoorlijk veel zin om mezelf efficient naar God te zuipen. "Koud, of van de plank?" vroeg de barman. "Wat denk je zelf?" vroeg ik. Hij pakte er een van de plank. Ik rekende af en liep met mijn Duvel naar de grote tafel. Alle andere tafeltjes werden bezet door stelletjes. Toeristen. Aan de grote tafel zat slechts een man. Hij zat de krant te lezen, kopje koffie aan zijn wijsvinger. Nette pullover, onopvallende snor en zijn fris gewassen haartjes vormden een coupe zoals die werd gedragen door de braveren op aarde, begin jaren 70. Ik kende de man. De man was Ron Hamming. Ik ben ooit begonnen met dichten, 8 jaar geleden, in buurthuis Chasse (Bos en Lommer). Tijdens de avond van mijn eerste optreden zat ik aan de bar met een andere debutant. Ron Hamming. Ik dronk Duvel, hij koffie, in diezelfde pullover. Hij was dierenopzichter in Artis. Daar gingen zijn gedichten ook over. Over dieren. Over de panter bijvoorbeeld. "De panter… Geen dier is charmanter… Hij is ook bijdehanter… Dan de leeuw of giraf… Ik sta altijd weer paf… Maar hij is ook gemeen… Want hij is altijd alleen…" Ron stotterde als hij praatte. Als hij zijn gedichten voordroeg stotterde hij niet. Wel liet ie na elke zin ongeveer 10 seconden stilte vallen. Tijd die hij nodig had om in zijn hoofd de volgende zin te oefenen. Om die er vervolgens binnen een nanoseconde uit te braken. Heel apart. "Mooie gedichten", zei ik toen ie na afloop van zijn voordracht terug kwam rennen naar de bar, "vooral die van die panter!" "D-dd-ddank je", zei Ron. Nu zat ie hier aan de grote tafel in de Eland, op tweede Kerstdag, en ik zat ernaast. Ron las de buitenland-pagina’s van de Volkskrant. Van poezie was geen sprake, en zijn blik richting mij ontbeerde herkenning, maar we dronken tenminste nog altijd hetzelfde als toen. Het was een veilig beeld en na het legen van mijn glas wist ik de tocht naar mijn familie te aanvaarden. Onderweg zong ik Eleanor Rigby. Ik schalde het uit en deed ook de violen na. Tegen mensen die op hun voorhoofd tikten, deed ik nog harder de violen na. De Duvel was er aardig ingeklapt. Even later, na wat borrels in het pand van mijn tante tegenover de Westertoren, dineerde ik me met mijn familie helemaal gek in een Tapasrestaurant aan de Rozengracht. Mijn tante wilde graag horen dat zij het beste toetje had uitgekozen van de hele tafel. We moesten allemaal een hapje proeven. En we hapten. Parallel hield mijn neefje, een leraar, een monoloog in mijn oor, over de wantoestanden in het Onderwijs. Ikzelf hing tegelijkertijd tegenover een jong nichtje dat graag een eigen cafe wilde beginnen, de adviseur uit inzake het horecawezen. Ze luisterde aandachtig en dat maakte me gelukkig. Totdat ik bedacht dat aan het luistergebeuren beleefdheid ten grondslag kon liggen. Ik voelde me een ouwe lul en liet nog een karaf wijn aanrukken. Veel meer kan ik me er niet van herinneren. Wat ik nog wel weet is dat ik na afloop van het diner naar buiten stapte en richting Centraal begon te wandelen met het plan L. te verlossen uit de Watergraafsmeer. Het was nog steeds ijzig koud. En het sneeuwde ondertussen. Op de brug tussen de Martelaarsgracht en Centraal zag ik een gatatoeerd gezicht in de hekken hangen. Het bijbehorende lichaam lag er apatisch bij. Ik schudde aan het lichaam. "Hey Jan", zei ik, "Jan-Dominique! Ca va?" Jan-Dominique, dakloos dichter uit het Oostblok. Treedt maandelijks op in Zaal 100. Jan werd wakker. "Hey Sven", zei ie, en wreef de slaap uit zijn ogen. Hij keek ie om zich heen en merkte op : "Hey man, het is tohk ien wiette kest gewodde! Koet man! Vin jij ook nie? Heb jij miskien sikaret voh mai?" Ik gaf hem mijn Marlboro voor noodgevallen. Hij accepteerde ‘m en brak traditiegetrouw het filter af. Ik gaf ‘m vuur. "Hoe gaat het?" vroeg ik, "ik dacht dat je tegenwoordig een huis had?" "Kwait. Maar gheef nie, weet je." "Leef je weer op straat?" "Ach ja", zei Jan. Hij zoog aan zijn sigaret. Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen. Dus ik zweeg. Toen zei ik : "ik ga de laatste metro pakken; L. ophalen." "Okay", zei Jan, "Weet ik togh! Koeie kest man!" Ik draaide me om en ging onderuit in de sneeuw. Klotebrogues met hun kutgladde zolen. "Kaik jij uit!" grinnikte Jan-Dominique. In de metro naar de Watergraafsmeer zong ik Like a Rolling Stone. Ik dronk er een pils bij. Ik stak er zelfs een shaggie bij op. Tskk, zeiden de mensen. And now for something completely different : Gisteren en eergisteren keek ik naar de Dylandocumentaire. Zeldzaam mooi. Inclusief de prachtige paradox : contact door autisme. (Of authenticiteit, of tijd, maar daar kan je beter niks over zeggen. Zou Dylan zeggen). Over hoe waanzinnig mooi het kan zijn om slissend, lispelend, dronken als een tor, stoned als een kanarie, donders goed te weten waar je mee bezig bent, terwijl je op de planken staat. Feel. Je hersens aan gort in een draaikolk, maar je zintuigen in topvorm. Zoiets. Zoiets mis ik. Zoiets zoek ik.

Advertisements

Pleaser

“Ga je nog een stukje schrijven?” vroeg mijn zusje vanavond over de telefoon.
“Ik denk het niet”, zei ik.
“Hoezo niet? Je hebt al een paar dagen niks geschreven.”
“Ik ben moe”, zei ik, “tegen het zieke aan. En bovendien komt zodadelijk het tweede deel van de Dylandocumentaire.”

Daarna keken L. en ik het tweede deel van de Dylandocumentaire.

“Wow”, zei ik na afloop tegen L.
“Bepaald geen pleaser”, zei L., “cool!”

Ik zette de wekker op 7.00. (Welke lul heeft ooit beweerd dat arbeit frei macht?)
Ik woelde een half uur onder het dekbed.

Toen stond ik op. “Ik ga toch een stukje schrijven”, zei ik.
“Zou je dat wel doen”, zei L., “Het is 1 uur ‘s nachts, je zit tegen het zieke aan en je moet morgen werken.”
“Dylan schreef ook anytime, anywhere, anyhow.”
“Dylan hoefde niet te werken.”
“… Ja, maar…”
“Liefje… Wees nou eens verstandig!”

Morgen, lieve lezers, morgen schrijf ik een stukje.

Kerstboom

“Ik heb kransjes gekocht!” riep ik juichend naar L., toen ik thuiskwam van mijn werk, “voor in de boom!”
“Cool”, zei L. die op de bank voor de open haard zat, “ik heb ook het een en ander aangeschaft.”
Voor haar stonden twee grote kartonnen tassen.

Vorig jaar viel Kerst op zijn beroerdst, op louter weekenddagen. Ik kwam vrijdag uit mijn werk, at twee keer eend en zat maandag weer aan de arbeid. “Hoe was je Kerst?” vroeg een collega.
“Kerst?”

Dit jaar hebben we daarom een boom genomen. En niet alleen een boom. Enthousiast toverde L. een bos groen met snottebellen uit de kartonnen tassen tevoorschijn.
“Qu’est-ce que c’est?” vroeg ik.
“Zie je dat dan niet!?” riep L., “een Mistletoe!”
“Wow!”, zei ik.
“Goed he!”, zei L., “waar zullen we ‘m hangen?”
Ik tuurde het plafond af en constateerde hardop : “Dat wordt een spijkertje tikken”.
“Nee, zonde”, zei L., “waarom hang je ‘m niet aan de rookmelder?”
“Verrek! Goed plan!”

We hadden de kerstgedachte stevig bij de lurven en gaven elkaar een kus onder de Mistletoe, terwijl Wilson, mijn kat, een kerstkrans uit de boom snaaide.
Wilson wordt altijd een beetje jaloers als L. en ik aan het zoenen zijn. Verbeten knaagde ze het chocoladeschuim tot aan de laatste kruimel naarbinnen.
“Ze wordt dik”, zei L.
“Grr”, zei Wilson.

Afgelopen zondag, toen mijn zusje en ik in het verzorgingstehuis bij mijn Oma waren, belde ik mijn moeder. “Moesten we nog iets met die 6 gloeilampen?” vroeg ik, n.a.v. het absurde verlanglijstje dat mijn Oma aan mijn moeder had doorgegeven.
“Euhh.., je belt niet zo gelegen”, zei mijn moeder.
“O?”
“Papa en ik zijn net de kerstboom aan het optuigen…”
“Ah..”

De kerstboom optuigen is een serieuze aangelegenheid, herinnerde ik me plotseling. Toen mijn zusje en ik jong waren was het ergens nog wel leuk geweest. Om de beurt mochten we een glimmend bekunstsneeuwd kerstobject uit de doos kiezen, en dan hing mijn vader die in de boom. Over de definitieve plek van de objecten hadden we weinig te zeggen, dat was het terrein van mijn vader, maar de volgorde van ophanging werd ons, op 1 object na (de piek, die moest volgens mijn vader per se als laatste), volledig toevertrouwd.
Mijn favorieten waren de lange Zeppelinachtige sigaar, de gitaar en de trompet, mijn zusje opteerde steevast voor de kerstballen met inkepingen, waar zich mozaieken van glittersteentjes in hadden genesteld. De engeltjes van brooddeeg die mijn moeder ooit vlijtig had gebakken, bleven altijd als laatsten over.
Dat vond ze niet erg, zei ze dan tegen mijn vader, “zo zijn kinderen”.

Nadat alle objecten, op de piek na, eindelijk in de boom hingen, ging mijn vader aan de gang met de verlichting. En met de slingers. Alles moest precies symmetrisch zijn, vanuit alle hoeken van de kamer. Als een Picasso liep hij om de haverklap van de boom weg, om met zijn schildersoog van een afstandje te constateren : “er klopt nog geen zak van, GODVERDOMME!”

Mijn moeder, mijn zusje en ik, we zaten erbij met rinkelende lepeltjes in trillende kopjes thee. We mochten niks doen. Niet helpen en niet weggaan. Zien moesten we, zien hoe hij leed, om voor ons de mooist opgetuigde kerstboom ter wereld te scheppen.

L. en ik hebben niet de mooist opgetuigde boom ter wereld. Maar wel de coolste! Van voren is ie helemaal bling bling, maar aan de achterkant hangen schaalmodel skeletjes aan levensechte stropjes. Als piek hebben wij de prachtigste kitsch-engel van het Westelijk halfrond en aan de voet van de boom verschuilt zich een opwindpoppetje dat verdacht veel gelijkenis vertoont met die ouwe trouwe Hein.
Vinden wij leuk. Kunnen wij om grinniken. Als we elkaar een kusje geven onder de Mistletoe.
Maar daar had ik het niet over.

De piek moest als laatste, vond mijn vader. De kroon op het werk of iets dergelijks.
Die grote boom. Het keukentrapje. En die ene keer dat ie viel.

(almost) cut my hair

Als je me zou vragen : “wat is de gelukkigste periode in je leven geweest?” dan zou ik niet lang na hoeven denken. Ik zou direct op de proppen komen met het seizoen 1994/1995. “Omdat Ajax toen de Champions League won?” hoor ik je vragen, en dan zou ik zeggen : “verdomd, da’s waar ook, maar neen, dat is niet de reden. Raad verder.”
“Euh..”
“Je raadt het toch nooit.”
“Zeg het dan maar.”
“In het seizoen 1994/1995 was ik werkloos.”

En in het begin ook dakloos trouwens, nu ik erover nadenk. Waanzinnig mooie tijd. Ik had een hoop vrienden en ik hopte van het ene logeerbed naar de andere uitnodiging om te komen eten. Overdag zat ik bij goed weer in parken, bij regen in mensa’s of bibliotheken, alwaar ik in HEMA-schriftjes alinea’s schreef die de basis moesten gaan vormen voor mijn eerste roman. De rest van de tijd was ik te vinden in de gokhal. Na een paar maanden had ik iets minder vrienden.

Ik betrok een kamer op een etage van 2 dispuutgenoten van mijn toenmalige geliefde. Die kostte me maandelijks de helft van mijn uitkering (die kamer), maar daar stond tegenover dat er een Aldi om de hoek lag. Veel gaf ik niet uit in die dagen. Per dag een pakje Aldi-shag en 10 Aldi-pils. In het weekend kocht ik een diepvriespak Aldi-hamburgers en wat afbakbroodjes (39 cent voor 6 stuks) en daar kon ik de rest van de week mee voort. Ik hield flink wat geld over. Dat besteedde ik aan fruit(goedzo!)machines(O..)
Maar de rest van de tijd gingen mijn vingers aardig tekeer op het toetsenbord van een oude computer die ik van de moeder van mijn toenmalige geliefde had gekregen.

Ik schreef aan wat hoe langer hoe meer de proportie en kwaliteit van een meesterwerk begon aan te nemen. Vond ik. Ik was een gelukkig mens. Een heel jaar lang.

Op een zwarte dag lag er een brief op de mat. Van het arbeidsbureau. Ik moest een cursus doen om mijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Nu was ik afgestudeerd econometrist, zo’n beetje de kansrijkste opleiding die je had kunnen volgen, maar de arbeidsmarkt in 1994/1995 was dusdanig beroerd dat je het met een controversieel uiterlijk (lees : lang haar) nog altijd kon schudden, hoe hooggeschoold je ook was. Goddank, zou ik daaraan toe willen voegen.

Volgens de intelligentsia van het arbeidsbureau was een cursus “accountmanager” wel iets voor mij. “Commerciele functies zijn helemaal de bom nu, je weet toch!” zei mijn consulent. Of, nou ja, zo zei hij het niet, we hebben het hier immers over 1995, maar goed.
“Ik?” zei ik, “accountmanager? Ben je blind! Heb je gezien hoe ik eruit zie?”
“Nu je het zegt”, zei het licht, “dat haar kan je beter afknippen.”
“En als ik dat nu eens niet wil?”
“Dan ben je dom bezig.”
“Het is maar hoe je het bekijkt.”
“Hoezo? Wil je geen baan dan? Als je geen baan wil kan ik je korten op je uitkering. Wist je dat?”
“Ik heb recht op lang haar”, zei ik, “zelfs in het leger mocht ik lang haar.”
“Maakt me niet uit. Jij gaat die cursus doen, begrijp je wat ik zeg?”

Een half jaar lang zat ik 40 uur per week met 30 andere uitkeringsgerechtigden in een afgelegen zaaltje van de Meervaart in Amsterdam Osdorp gesjeesde nitwits uit het bedrijfsleven aan te horen. Die nitwits hielden er een stevige duit aan over. Wij niet. Wij moesten onze reiskosten betalen van onze uitkering, net als de talloze fotokopieen die we moesten maken, de eindeloze telefoontjes naar prospects die we moesten plegen. Met mijn roman wilde het niet meer zo vlotten. Met mijn gokverslaving wel.

Na een half jaar kregen we allemaal een diploma. Het arbeidsbureau was een half miljoen armer. Tijdens een reuni, drie maanden later, bleek dat nog steeds niemand een baan had.

Waarom vertel ik dit allemaal? Ik weet het niet. Misschien omdat ik vandaag het hele dagboek van Mevrouw J. Grosman heb gelezen. Het staat op werkenzonderwerk.nl, geloof ik. Het is een verslag van een vrouw die, vrij naar het Amerikaanse concept “Work First”, in de zogeheten “Werkfabriek” in Arnhem heeft moeten werken om haar uitkering te mogen behouden. De hele dag schroeven sorteren, Scoobiedoo-touwtjes in doosjes doen, dat soort dingen. Omdat dat volgens de gemeente haar arbeidsmarktwaarde zou verhogen. Mevrouw Grosman was geschoold op HBO-niveau.

Van haar verhaal word je niet vrolijk.

Het is dezelfde geldverspilling. Maar tegelijkertijd is het nog veel erger. Mevrouw Grosman (en veel van haar consorten) zou heel graag een vaste baan willen. Ze doet, in tegenstelling tot mijzelve destijds, erg haar best en zit te springen om vacatures waarop ze kan solliciteren. Ondertussen wordt ze door de mensen die voor die vacatures zouden moeten zorgen, de consulenten, aan de lopende band vervooroordeeld als zijnde werkschuw tuig.
En daar staat ze dan, ze moet wel wil ze niet gekort worden, in de Werkfabriek. Waar ze geestelijk dood wordt geslagen.

Ikzelf kon destijds de sociale druk niet meer aan. Van het geen baan hebben. Mijn eens zo gastvrije vrienden, mijn ouders, mijn toenmalige geliefde, etc, ze pushden me fijntjes richting kapper.
Voor ik het wist was ik aan het werk. En dat doe ik nu al 10 jaar lang. 40 uur per week, exclusief reistijd. Met die roman is het nooit meer wat geworden.

Poe

“Hoe reden papa en mama gewoonlijk ook alweer?” vroeg ik mijn zusje terwijl we met 130 over de linkerbaan raasden.
“Via Oosterbeek”, zei ze, “maar dan moest je er hier af,”
“Doen we”, zei ik en scheurde schuin tussen twee twintigtonners door, nog net op tijd de afslag op.
“geloof ik”, vervolgde mijn zusje.

Het bleek te kloppen. Even later reden we over de lange laan die station Oosterbeek verbindt met de snelweg richting Arnhem Noord.
“Had je dat al gezien?” vroeg mijn zusje, “dat ze alle bomen hier hebben gekapt?”
Het was waar. Hier stonden vroeger trotse woudreuzen langs de kant van de weg. Hoge, dikke bomen met witte zwembandjes, aangebracht door Rijkswaterstaat. Hier was het vroeger altijd nacht, zelfs overdag diende je groot licht te voeren.
Nu reden we door een spooklandschap van kale stronken. “Jeetje”, zei ik.
“Tsja”, zei mijn zusje, en blies een lange wolk rook uit.

Om 17.00 kwamen we aan op de Mozartstraat 44 in Arnhem Noord. Het oude huis van mijn Oma dat half januari zal worden overgedragen aan de nieuwe bewoners. Mijn zusje, ik en mijn nicht wilden er graag nog een laatste keer slapen. Een slumberparty, een trip through memoryland, was het idee. Herinneringen ophalen aan het huis. Wij drieen hadden hier immers alle herfstvakanties uit onze jeugd doorgebracht. In het paradijs om de hoek van Burgers Zoo en het openluchtmuseum, aan de voet van de Hoge Veluwe.

Mijn nicht zou zorgen voor het eten (pannenkoeken bakken!), ik voor de drank. Met een treetje Hollandiapils van de Edah, drie flessen wijn en een laf litertje jus d’orange sjouwde ik door de versgevallen sneeuw achter mijn zusje aan, die de sleutel van onze moeder ter beschikking had gekregen.
Ze opende de deur en liep naarbinnen. “Het is koud”, zei ze.
“Hoe hoog staat de thermostaat?” vroeg ik.
We zochten een uurtje naar de thermostaat.
“Op 20 graden”, zei mijn zusje.
“Fuck”, zei ik, “dan is de CV weer naar de kloten.”

We waren er al voor gewaarschuwd door onze moeder : “de verwarming heeft kuren.”
Mijn zusje en ik trokken onze kragen op. Het was binnen zowat nog kouder dan buiten. “Zal ik het bier in de koelkast zetten?” vroeg mijn zusje, “voordat het bevriest?”

Ik probeerde de waakvlam voor de zoveelste keer tot leven te wekken. Nadat ik zijn lont zo’n 1000 tellen had gefried in een indrukwekkende straalstroom van blauw gasbrandgeweld, lieten mijn verkrampte vingers de ontstekingsknop los.
“En?” vroeg mijn zusje.
Voor mijn ogen zag ik de waakvlam andermaal sneven. “Weer niet”, zei ik.
“Kom, we gaan een pils drinken”, zei mijn zusje.

We hadden er zolangzamerhand een verdomd diepgaand gesprek op zitten toen we om half 8 iemand aan de deur hoorden morrelen.
“Ah”, zei mijn zusje, “dat zal E. zijn.”
Het was E. Onze nicht.
“Jezus”, riep E., “wat is het hier koud!”
“We krijgen de verwarming niet aan de praat.”
“Dat meen je niet!”
“Toch wel.”
“Waardeloos”, zuchtte mijn nichtje terwijl ze haar pannenkoekbakspullen uitstalde op het aanrecht. Toen zei ze : “Goed. Dit is wat we gaan doen.” Ze draaide alle knoppen van het elektrische fornuis op hun maximum. “Dat scheelt alvast”, zei ze. Daarna pakte ze haar mobiele telefoon uit haar tas en drukte op de snelkiestoets naar haar moeder. Met haar mobiel tussen hoofd en schouder klopte ze eieren, goot melk in een bak en wachtte af. Haar moeder nam op.
“Luister”, zei E, “de verwarming doet het niet. Wat gaan we daar aan doen! … O…. Geef me het nummer van die monteur dan maar…. Heb je ook een mobiel nummer?… Jammer… Nee, geeft niet…. Ik ga dat regelen. Geef me trouwens voor de zekerheid ook maar het nummer van W.”
Mijn zusje en ik stonden er een beetje plompverloren bij. Lurkten aan onze pilsen. Draaiden nog maar eens een shaggie.
Mijn zusje keek naar de ingredienten die E. van plan was te gebruiken voor de pannenkoeken. Alfalfa, volkorenmeel, biologische appelsap, allemaal uit de natuurwinkel. “Je bent wel van de gezonde tegenwoordig”, zei mijn zusje.
“Ik ben al een hele tijd van de gezonde”, zei E. tussen twee wisselgesprekken door.

Het moet gezegd, het werd intussen wel een stuk warmer in de kamer dankzij het hyperactieve elektrische fornuis. “Het is al 11 graden in de huiskamer!” kwam ik enthousiast melden in de keuken.
“Mooi”, zei E. die de eerste pannenkoeken al aan het bakken was, “kan je trouwens even langs W. gaan. Ik moet goeie pannen hebben. En dit is een kutpan. W. heeft wel goeie bakpannen, vertelt ie net.”
W. is onze oom. Hij woont verderop in de Mozartstraat.

Ik haalde honderd meter verderop twee pannen.
“Hebben jullie het niet te koud?” vroeg W.
“Het gaat wel”, zei ik.
“Jullie mogen ook hier slapen.”, zei W., “als het nodig is.”
“Maak je geen zorgen”, zei ik, “E. heeft alles onder controle.”

We aten voortreffelijke pannenkoeken met appels, rozijnen, spek, stroop, de hele mikmak. Daarna dronken we een kopje thee. Nog altijd in drie lagen dikke truien, maar het was goed vol te houden.
“Goed idee”, zei ik tegen E., “dat van dat elektrisch fornuis.”
“Tsja”, zei E., “maar dat met die monteur is niet gelukt. En het blijft toch een beetje aan de koude kant. Ik heb eigenlijk zin in een lekker warm bad. Vinden jullie het erg als..”
E. verliet de tafel.

Ik liep haar achterna om nog een pils uit de koelkast te plukken. “Volgens mij gaat het niet helemaal goed met het fornuis”, zei E. toen we de keuken binnen kwamen.
“Het is tamelijk zwart aan het worden”, beaamde ik.
We draaiden de knoppen naar 0.
E. keek me vragend aan.
“Ga lekker in bad”, zei ik, “ik maak het wel schoon.”

Ik boende. Schuursponsjes, schuurmiddel, het hele rataplan. Het had geen zin. Dit was zwart geworden en zou zwart blijven. Niks mis mee. Zwart is net zo mooi als wit. Ik plukte alsnog een pils uit de koelkast en voegde me weer bij mijn zusje om ons diepgaande gesprek van de middag voort te zetten.

E. zou niet meer wederkeren. Ze rilde vanuit bad haar bed in.

Ik kreeg een SMS. Hij was van I.
“BBC 2”, meldde hij, wat normaliter een gebod is om standte pede in te schakelen omdat er Beatlesmateriaal te zien is.
“Geen TV hier. Ook geen verwarming. KOUD!!!”, sms-te ik terug.
“Waar zit je dan in Kerstnaam?”
“Huis van mijn Oma. Wordt binnenkort verkocht. Trip door Memoryland.”
“‘In my life?'”
“Was de bedoeling.”

De volgende dag werd ik wakker met een kater.
Er werd een boswandeling voorgesteld.
“Ik weet niet”, zei ik, “ik moet nog optreden vanmiddag.”
“Kom op”, zei mijn nichtje, “ik ook. Ik moet ook vanavond nog optreden. Maar het is prachtig weer. Dus we gaan lekker naar het bos toch! Ja of ja?”

We reden naar het bos. Het oude vertrouwde. Het bos waar we ook altijd met mijn Oma waren geweest.
“Hoe zullen we lopen?” vroeg E.
Mijn zusje en ik keken verlegen naar de blaadjes op de grond, “nou, gewoon”, mompelden we.
“We moeten in ieder geval langs de klimboom, vinden jullie niet!?”, zei E.
“Euh, ja.”

De klimboom. Ik heb er persoonlijk nooit zoveel mee gehad. Ik durfde er nooit in. En mijn zusje was ook niet echt een naturel klauterfreak. Mijn nicht daarentegen, hing vroeger binnen notime vrolijk aan de hoogste takken te bungelen : “Komen jullie ook? Het is echt zalig hier!”
“E.! Doe niet zo gevaarlijk!” riep mijn Oma vroeger.
“Ja, E!” echoode ik dan, “doe niet zo gevaarlijk!”

We liepen een uurtje. De klimboom was weg.
“Wat vreemd”, zei E., “hij was op deze plek, volgens mij, toch?”
“Ja.”
E. keek paniekerig om zich heen.
“Misschien is ie gekapt”, zei mijn zusje.
“Het lijkt er op”, zei ik.

Twee uur later zat ik met mijn zusje in de Volvo, terug naar Tiel. We reden weer over de lange laan richting Oosterbeek.
“Leuk dat W. nog even langs kwam vannacht”, zei mijn zusje.
“Even?” grijnsde ik, “hij is tot half 4 gebleven!”
“Mooie verhalen had ie.”
“Zekers”, zei ik.
“Hoe gingen ze ook alweer?”
vroeg mijn zusje.
“Geen flauw idee.”
“Jij had toch zo’n goed geheugen?”
“Dat was vroeger.”

We keken naar de kale stronken. Ik dacht aan een interview met Ramses Shaffy dat ik decennia terug gelezen had. Hij was toen even van de drank af, omdat ie net een foto van zijn hersenen gezien, of iets dergelijks. Hij beschreef zijn hersens als een afgestorven landschap.

Ik dacht aan mijn demente Oma in het verzorgingstehuis, waar mijn zusje en ik op de valreep nog even langs waren gegaan. Om boodschappen te brengen. 6 gloeilampen en een doos cornetto’s. Een bizar verlanglijstje.
Blij als een kind had ze de eerste cornetto aan haar lippen gezet. De TV stond aan op vol volume. Zondagmiddagtelevisie. Friese en allochtone omroepen vulden het beeld.
“Heb jij een mannetje?” vroeg ze aan mijn zusje.
“Ja”, zei mijn zusje.
“O, da’s mooi. Hoe is het met de meisjes?” vroeg ze aan mij.
“Goed”, zei ik.
“O, da’s mooi.” Ze wendde zich weer naar mijn zusje : “Vertel eens, heb jij een mannetje?”
Mijn Oma verloor haar eigen man zo’n 50 jaar geleden.
Ze liet zich de cornetto goed smaken.

We reden langs Oosterbeek. Poe, dacht ik.

Hart

“Gaat het wel een beetje goed met je?”, vroeg Chris in een reactie op mijn vorige log. Het was een retorische vraag; het antwoord lag al besloten in het stukje zelf en vooral in het logje dat er aan vooraf ging.
Vanavond belde ik, zoals elke donderdagavond, mijn moeder. “Hoe gaat het?” vroeg ze.
“Goed”, zei ik, “met jou?”
“Ook goed.”

Mijn moeder en ik. Misschien zullen we elkaar nooit echt leren kennen. Over anderen echter, leren we tijdens onze gesprekken des te meer.
“Heb je I. recent nog gesproken?” vroeg mijn moeder.
I. is mijn beste vriend. Hij woont in Kerk-Avezaath, een gehucht dat grenst aan Tiel. Ik zie hem te weinig.
“Nee”, bekende ik.
“O.”, zei mijn moeder.
“Ik heb wel met ‘m ge-smst”, verontschuldigde ik me.
“Dus je weet dat z’n dochtertje inderdaad suikerziekte blijkt te hebben?”
“Ja”, zei ik.
“De rest van haar leven vier keer per dag injecties spuiten!” riep mijn moeder, “en ze is pas 10! Het arme kind!”
“Ja”, zei ik, “injecties. En daar komt bij : ze zal voor altijd een regelmatig leven moeten leiden.”
Dat laatste leek me peroonlijk nog het ergste. Maar het kwam me niet verstandig voor om mijn moeder deelgenoot te maken van die gedachte, om nog maar te zwijgen over de afwegingen die er aan ten grondslag lagen.

“I. is er helemaal overstuur van”, zei mijn moeder.
“Is dat zo?” vroeg ik.
“Ja. Dat vertelde R. me gisteren : I. is afgelopen zaterdag op eigen verzoek opgenomen in het ziekenhuis, hij was er van overtuigd dat ie op korte termijn een hartaanval zou krijgen.”
“Hartaanval?”
“Was ie bang voor”, zei mijn moeder, “hij had pijn in z’n borst, linkerarm, etc.”

Ik stond perplex

Ze zeggen wel eens dat mannen met hun pik denken en vrouwen met hun hart.
Ook wordt er wel gezegd dat vriendinnen die erg close zijn, na verloop van tijd synchroon gaan menstrueren.
Mannen, zo dacht ik na het gesprek met mijn moeder, synchroniseren hun hartaanval. Als het echte vrienden zijn.

De Kring

Afgelopen zondag in de Sugarfactory waar de nieuwe bundel van Tsead Bruinja werd gepresenteerd, aansluitend een editie van “Wordscape” plaatsvond en daarna de DJ vrij spel kreeg, struikelde ik met mijn zatte kop half over de poot van een barkruk. Vervolgens moet ik in een poging mijn evenwicht te bewaren een korte, maar choreograsich gezien verdomd interessante vrije kuur richting dansvloer ten beste hebben gegeven.
“Wow”, zei Anne van Amstel, die zich daar heupwiegend bevond : “jij kan het goed!” Enthousiast verwilderde ze haar bewegingen. Het zag er niet slecht uit. Haar lange blonde haren breakdance-den in het stroboscopische licht, maar mijn eigen voeten hadden inmiddels het oude vertrouwde contact met Moeder Aarde hervonden en waren opgelucht tot stilstand gekomen.
“Sorry”, mompelde ik en strompelde terug naar de bar. Aldaar kwam ik Diana Ozon tegen. “Kom je dinsdag kijken bij poezie in de Kring?” vroeg ze.
“Dat is toch alleen voor leden?” vroeg ik.
“Maak je geen zorgen”, zei Diana, die de poezieavonden aldaar presenteert, “dat komt wel goed. Tom Zinger komt trouwens optreden. Vind je toch leuk?”
“Ja”, zei, “vind ik wel leuk.”

Met diezelfde Tom stonden L. en ik na afloop van het Sugarfactorygebeuren buiten nog even te praten. Tom had zijn flikkerende fietslampjes aan het kruis van zijn spijkerbroek gehangen, als waren het twee uit de kluiten gewassen kloten. Kerstballen. “Komen jullie nog, dinsdag?” vroeg ie.

Ik plukte mijn eigen fietslampjes uit mijn jaszak. Waarom weet ik niet, maar enfin. Als je dronken bent vind je veel dingen een briljant idee.

Zoals bijvoorbeeld op dinsdagavond daadwerkelijk naar de Kring gaan. Ik was laat uit mijn werk. Als troost had ik in de trein terug een stevige serie Bavaria’s naar binnen gegoten. Ik belde L. “Zullen we toch gaan?”, vroeg ik.
“Waar naartoe?” vroeg L.
“Naar de Kring”, zei ik.
“Lieverdje, is dat wel verstandig?”
“Nee. Maar zullen we toch gaan?”
In de Balie, tegenover de Kring, schoven L. en ik snel wat vegetarische loempiaatjes naar binnen bij wijze van diner. Beneden op de WC keek ik in de spiegel. Jezus, dacht ik, morgen niet vergeten te noteren in mijn agenda : uitvaartverzekering afsluiten.

Om half 10 klauterden we trap op naar de Kring. “Goedenavond”, zei de portier.
“Gnavend”, lispelde ik, “we zdaan op de gazdenlijzd.”
“Wat is uw naam?”
“Zwem”, zei ik.
“Staat er niet op.”
“We komen via Diana”, verduidelijkte L.
“En wie mag u dan wezen?”
“L.”, zei L.
“Staat er ook niet op.”
“O.”
Toen keken we heel zielig. En mochten we toch naarbinnen.

En daar was ie dan. De Kring. De aristocratische societeit met artistieke allure, de plek waar Harry Mulisch menig pijpje heeft uitgeklopt en waar je pakweg 600 euro per jaar moet neertellen om daar ten alle tijden bij te mogen zijn.

Gisteravond liet Harry zich niet zien. En daar kon ik me wel iets bij voorstellen. Op de grote lederen fauteuils en banken had zich weliswaar een aantal gedistingeerde oude heren met sigaar en goed glas wijn genesteld en aan de tafeltjes zaten wat duurgeklede dames die je met enige fantasie voor freule kon laten doorgaan, maar ze werden nummeriek overtroffen door de optredende artiesten, die voor het grootste gedeelte afkomstig waren uit de, hoe zal ik het zeggen, alternatievere regionen van het literaire milieu. Er werden een (ex-)kraker, een Ruigoordbewoner en twee lokale punklegenden aangekondigd door Diana en co-presentator Paul Schaaps. Niet dat daar iets mis mee is, integendeel. Het was voorwaar een spannende combinatie van optredenden en publiek. Aan het niet op elkaar afstemmen daarvan kan een interessante anarchistische gedachte ten grondslag liggen. En ik was best benieuwd naar een nadere uiteenzetting van die gedachte.

“Het is niet zo druk”, zei ik in de pauze tegen Paul.
“Ach ja”, mompelde Paul.
We dronken een pils.
“Mag ik een tipje van je pakje vloei afscheuren?” vroeg ie, “of moet je morgen werken?”
“Ik moet morgen werken”, zei ik, “maar ga je gang.”
“Ik wil niet op mijn geweten hebben dat ze je daar bij die bank gaan ontslaan omdat er een tipje van je vloei af is”, zei Paul, “daarom vraag ik het.”
“Dat begrijp ik”, zei ik, “maar maak je geen zorgen.”
Paul draaide een joint.
“Ook een trekje?”
“Eigenlijk is het beter van niet.”
“O.”
Ik nam een slok en zei : “Maar doe toch maar wel.”

Terwijl het grootste gedeelte van de Kringleden het pand inmiddels had verlaten hing ik uitgeteld aan de bar. L. was aan het praten met Tom en Tsead, vlak daarnaast waren Bart FM Droog en Hans Plomp in gesprek, Tjitse Hofman draaide nog maar eens een joint, Diana gaf de Poolse vriendin van Hans nog wat consumptiebonnen, de punklegenden stopten hun instrumenten in hoesjes.
Ik werd op mijn schouder getikt. Ik schrok me de tyfus. Maar het was gewoon een DJ. DJ Josito, de jongen die vroeger, in mijn hoogtijdagen, tunetjes zette onder mijn gedichten tijdens poetryslams van de Wintertuin. “Jezus”, zei ik, “wat doe jij hier!”
Hij haalde zijn schouders op, “weetikveel.”
Hij vertelde dat ie tegenwoordig voor de IDFA werkte. En dat ie volgende week voor zijn werk naar Australie ging. Maar dat ie eerst nog een paspoort moest regelen. En dat zulks nog een hele klus ging worden omdat ie illegaal vertoefde op een zolderkamertje, waarvoor ie belachelijk veel geld betaalde, maar waar ie zich van de onderverhuurder niet officieel mocht inschrijven bij de Burgerlijke stand, omdat, vanwege, etc, enzovoort.
Aardige jongen. Maar ik raakte nog uitgetelder dan ik al was.

Met mijn laatste krachten viste ik 1,95 uit mijn broekzak en bestelde een vaasje. Met de bemachtigde buit nam ik plaats op de rand van het biljart. Net toen het groene laken me dermate aanlokkelijk voorkwam, dat ik gestrekt wilde gaan, zei de barman : “Meneer, het is hier verboden om op de biljarttafel zitten.”
“Sorry”, zei ik, en viel op de grond.

Isn’t it good, Norwegian wood.

Ik kroop naar de tafel waaraan de dichters zich inmiddels hadden verzameld en mijn liefje geannimeerd in gesprek was met de Poolse. Diana babbelde met Tjitse. Bart FM en Hans Plomp waren aan het vuistworstelen. Bart won. Hans vond het “mooi om te verliezen.” Altijd van de positieve, Hans.

Pas moi. Ik zat naast een Kringlid, dat zich geraffineerd tussen de dichters had gewurmd. “Ik schrijf ook!”, zei het Kringlid.
Niemand hoorde ‘m.
“IK SCHRIJF OOK!”, riep ie nogmaals.
Bart en Hans vuistworstelden vrolijk verder.
“IK SCHRIJF OOHOOOK!!!”
Ik tikte het Kringlid op z’n schouder. “Ben je eenzaam?” vroeg ik.
“WAT!!??? NATUURLIJK NIET!”
“Nooit?”, vroeg ik.
“NOOIT!!!”
“Ik wel”, zei ik.
“NEE, ALLICHT, JIJ BENT GEEN DICHTER!!”
Ik was even stil.
“LOSER!”, zei de man.