Financieel anarchist

Ik heb pijn in mijn rug.

Afgelopen zaterdagmiddag lagen L. en ik in bed de kranten door te lezen toen mijn mobieltje ging. “Argggh”, zei ik automatisch. Daarna keek ik op de display.
“Wie is het?” vroeg L.
“Mijn nichtje”, zei ik.
“Ga je opnemen?”
“Ik weet niet.”
“Doe maar niet”, zei L.

Ik probeerde het. Ik probeerde om de telefoon gewoon te laten bliepen tot ie vanzelf zou overschakelen op de voicemail. Ik faalde.
“Sven, luister, je raadt nooit wie er weer eens in het land is!” kraaide mijn nichtje.
“Sinterklaas”, merkte ik op.
“Nee, maar je bent wel warm”, zei ze, “hij woont ook in Madrid.”
“Paul?” vroeg ik.
“PAUL!!!”
“Goh.”
“JA!!! Wat een toeval he? We hadden het er vorige week nog over, dat het je zo leuk leek om die weer eens te zien, weet je nog?”
“Euhmm, is dat zo?”
Ik was voorzichtig. Het gazon van mijn nichtje is doorgaans erg populair onder adders.
“JA!!! En hij zit nu hier!!! Bij mij en D. op de bank thee te drinken. Ongelooflijk nietwaar?”

Paul, overigens een ras-Amsterdammer, is de ex-vriend van mijn nichtje. Een ex-vriend van heel lang geleden, pakweg zo’n 18 jaar terug. Een legendarisch figuur. Hij is ooit eens op de TV geweest, in de VPRO-documentaire “Fietsen door de jaren 80”. Hij kwam aan bod in de rol van ‘financieel anarchist’. Met een donkere zonnebril voor zijn ogen nam hij de TV-makers mee naar zijn nieuwe boot. Had ie gekocht voor slechts “60 euro-cheques”. Min of meer gratis dus, vertelde ie.

Het was een van zijn trucs. Als enige de achterste eurocheque uit een mapje van 20 stuks cashen, het bijgevoegde bestelformulier voor 20 nieuwe posten en huppakee, binnen een week lag er weer een vers mapje in de bus. In minder dan een maand had ie er 100.
En dit soort bestellingen plaatste hij bij alle denkbare banken tegelijk. Vervolgens cashde hij van een specifieke bank in een keer het complete arsenaal aan opgespaarde cheques. Gevolg : dreigende deurwaarders, dringende uitnodigingen tot gesprekken, etc, enz.
En daar ging hij dan op in, op zo’n dringende uitnodiging tot een gesprek bij de bank waar ie voor tienduizenden guldens in het rood stond. En dan speelde ie de vermoorde onschuld; “Sorry, goh, ik dacht dat is handig, die eurocheques! Ik wist niet dat ik dat allemaal terug moest betalen! Wat stom van me! Maar misschien kunnen we een regeling treffen?”
En praktisch altijd gingen banken daarmee akkoord. Paul zat namelijk in een “uitzichteloze minumumsituatie”, leefde officieel van een uitkering, en de banken waren allang blij dat ze via zo’n regeling uberhaupt nog wat centjes terug konden krijgen.

Die regelingen finacierde Paul dan weer met het zojuist gecashde geld, of desnoods met de cheques van de andere banken. Al met al kon hij er erg goed van leven. Zo hadden hij en mijn nichtje een riant tweede huis in een mooi ontoeristisch gedeelte van Mallorca. Ze leefden er als goden. Mijn nichtje was met haar lange blonde haren de populairste vrouw in 30 kilometer omtrek en Paul was de man aan wie ze onvoorwaardelijke trouw had gezworen, dus hij was helemaal een held, zo oordeelde de autochtone bevolking.

Ik ben er eens geweest in een zomervakantie, met mijn toenmalige geliefde. Het was alle dagen feest. Althans, voor mij. Ik was de oudste ‘primo’ van mijn nichtje, dus automatisch ook een god. Voor mijn toenmalige geliefde echter, een brunette, was het sappelen. De traditie in het onderontwikkelde deel van Mallorca schreef voor dat de vrouwen in het weekend vroeg op moesten staan om de gemeenschappelijke dorpslunch te prepareren. Het enige wat de mannen hoefden te doen was uitslapen en om een uurtje of 11 met z’n allen in een pickup-truck naar de stad te rijden om aldaar eventueel wat laatste missende ingredienten in te slaan.
“Gaat het?” vroeg ik vlak voordat ik de truck insprong aan mijn toenmalige geliefde, die met een chagrijnige kop sla stond te wassen onder de dorpspomp.
“Wat denk je zelf?” vroeg ze.
“Sorry”, zei ik en reed met mijn broeders naar de stad, alwaar we het eerste de beste cafe indoken en brandy dronken.

Een paar uur later rolden we weer naar buiten. Luid zingend namen we plaats in de laadbak van de pickup-truck. “Zeg, moesten we eigenlijk geen boodschappen doen?” vroeg ik aan Paul.
“Ben je gek”, zei hij.
Ik keek ‘m vertwijfeld aan. “We moesten toch nog brood, en tomaat en salie, en…”, probeerde ik.
“Wacht!”, riep Paul en sprong uit de truck. Hij rende het cafe in. 30 seconden later kwam ie weer naar buiten en zwaaide met een fles Martini Bianco. “Voor je vriendin!” riep ie, “maak je geen zorgen.”
“Maar ze houdt niet zo van..”, mijn gepiep werd gesmoord door het geluid van een gierende moter en spinnend rubber op smeltend asfalt.

“Rot op met je Martini!” riep mijn toenmalige geliefde. Met haar inburgering qua Spaanse leven wilde nog niet zo vlotten. Of juist wel. Ze uitte zich in ieder geval verdomde temperamentvol.
“Waar houd je dan wel van” vroeg Paul met zijn charmante boevengrijns.
“Euh, van euhh…”
“Zeg het maar, ik haal alles voor je, wat je ook maar wil hebben”, zei ie.
“Euh..”
Als je wilt kan ik de beste fles champagne die hier op het eiland te krijgen is voor je gaan scoren. Serieus. Ga ik doen. You name it, I’ll get it.”
“Ach, Martini is eigenlijk ook wel okay.”

Paul krijgt altijd alles voor elkaar. Pauls gegroefde grijnzende tronie zien is smelten. Als ZOAB voor de sol.

Anyway. Nu was ie blijkbaar weer eens in het land. En zat ie bij mijn nichtje op de bank in Amsterdam Oud-West.
“Ben je trouwens thuis?” vroeg mijn nichtje me.
“Euh ja, hoezo?”
“Nou, we zitten eigenlijk met een oude wasmachine die naar beneden moet worden getakeld en we missen nog net een mannetje om ‘m over de dakrand te kunnen tillen.”
Daar stak dan toch die slang z’n kop op.
“Ik weet niet”, zei ik, “ik..”
“Wacht”, zei mijn nichtje. “ik geef je Paul even.”

“SVEN!!! JONGEN!!! Lang niet gezien!!! Ik hoor net dat je ons uit de brand komt helpen!!! Fantastisch man! Tot zo he!”

Uiteindelijk leek het Paul te gevaarlijk om de wasmachine te takelen. Hij vertrouwde de knopen niet die D., de nieuwe vriend van mijn nichtje, had gelegd om de kubieke meter loodzwaar witgoed te borgen.
“Leg jij die knopen dan maar”, zei D.
“Nee”, zei Paul, “Het blijft levensgevaarlijk. Met dit soort dingen moet je geen risico nemen.”
Hij adviseerde D. en mij om ‘m toch maar vanaf 4-hoog door het trappenhuis af te voeren. “Gewoon ouderwets sjouwen.”
Zelf mocht Paul uiteraard geen kilo tillen, uit angst voor “vernacheling van zijn armen”, die nog “recent waren geopereerd” met het een of andere plasma-spul, waar ie de heel ingewikkelde formule van kende.

Nu is het maandag. Ik heb al dagen pijn in mijn rug. Maar het was goed om Paultje weer eens te zien.

Financieel anarchist. Sociaal illusionist. Held.

Out of my mind

Onze afdelingssecretaresse, S., was al een week ziek. Griepje. Kan gebeuren.
Gisterochtend liep de vervangende afdelingssecretaresse onze kantoortuin in. “Komen jullie allemaal even naar het Kraaiennest?” vroeg ze.
Het Kraaiennest is de plek waar onze koffie-automaat staat. Plus een fors aantal riante ligfauteuils, want wij zitten nou eenmaal op de marketingafdeling en briljante campagnestrategien kan je natuurlijk niet verzinnen op eenvoudige stoeltjes.

De vervangende afdelingssecretaresse keek ernstig. “J. moet jullie iets vertellen”, zei ze.
J. is ons afdelingshoofd.
Fuck, dacht ik. Het zal toch niet?

Een dag daarvoor was er een mailtje van J. rond gegaan. S. was na een weekje griep thuis plotseling niet goed geworden en was opgenomen in het ziekenhuis. Op de intensive care, schreef J., hij zou ons op de hoogte houden.
Niemand had zich er echt druk om gemaakt. S. was ca 35, energiek als de pokken. En even niet goed worden, dat hebben we allemaal wel eens, toch?

Daar stonden we. In het Kraaiennest.
J. schraapte zijn keel. Ik ga iets vertellen wat ik liever niet had hoeven zeggen”, begon hij.
Toen werden zijn ogen vochtig. En wist iedereen opeens hoe laat het was.

De afdeling stond er vooral beteuterd bij. Niet verslagen, maar beteuterd. Iedereen stond op het punt om iets zeggen, maar niemand zei iets. Het was heel onwerkelijk allemaal.
J. zei ook niets. Hij hief zijn handen ten hemel, zo van : ik kan er ook niks aan doen, en baande zich een weg door de massa om de ruimte te verlaten.

Iedereen volgde zijn voorbeeld. Iedereen liep terug naar zijn werkplek en nam plaats achter zijn PC. Niemand praatte met elkaar. Marketing is communicatie, maar nu even niet. Blijkbaar. Raarrrh.

Zelf liep ik naar het aquarium, onze rookruimte, en draaide met trillende vingers een shaggie. “Jezus S.”, riep ik tegen de ruit die uitzicht bood op de spoorlijn, “ik mis je nu al.”

Ik heb nooit veel over mijn werk geschreven. En terecht. Maar soms maakte ik een uitzondering. Zoals bijvoorbeeld op de afgelopen 21e mei. Een stukje over S. (zoek maar op in het archief, sorry ik doe niet aan links).

We werden er allebei tamelijk gek van, ons werk. Elke vrijdagmiddag kwam ik trouw mijn uurtjes bij haar inleveren die ik die week had gedraaid.
“Wist je dat je de enige bent die dat doet!”, riep ze dan dankbaar vanonder een berg archiefmappen.
“Is dat zo?” viste ik steevast naar de bekende weg.
“Ja, O, Sven, je moest eens weten! Mensen hebben gewoon niet in de gaten hoeveel werk dat is, zo’n administratie, en dan vooral om iedereen achter zijn vodden aan te zitten.”

Ze vluchtte in muziek. Er stond altijd wel de een of andere foute CD suiker te spinnen als ik in haar kantoortje kwam.
Op een dag was James Blunt aan de beurt.
“Wat vind je ervan?” vroeg ze, “goed he?”
“Ja”, zei ik met mijn goeie gedrag, “fantastisch.”
Voor ik het wist had ik de CD in mijn rugzak zitten “om ‘m voor mezelf te kopieren.”
“Ook de teksten zijn ontzettend goed!”, riep S. me na, “daar moet je maar eens op letten! Ik ben zooo benieuwd naar wat jij ervan vindt! Als muzikant! En als dichter!”

Daar was ik vies de lul, zoals Celine het zo mooi kan zeggen.

Ik heb het gedaan. Ik heb de CD destijds gekopieerd en heb ‘m dat weekend een paar keer beluisterd.
“Zo slecht is ie niet”, zei L.
“Nee”, zei ik, “hij valt best mee.”

Stiekem vond ik ‘m zelfs heel erg goed. Ik draaide ‘m grijs. Of in ieder geval dusdanig vaak dat L. argwaan begon te krijgen. “Zeg”, zei ze, “je bent toch niet verliefd op dat meisje, hoe heet ze?”
“S.”, zei ik, “nee, natuurlijk niet.”
L. keek me doordringend aan.
“Nee”, zei ik, “echt niet. Ik vind het serieus een goeie CD. Hij vertelt een verhaal, luister maar eens.”
Ik zette de CD nog een keer op.
“?”, zei L. drie kwartier verder.
“Hoor je het niet?” vroeg ik.
“Hij heeft een aardige stem”, zei L., “maar de teksten zijn een beetje.. euh..”
“Bombastisch!” riep ik, “ik weet ‘t, maar dat bedoel ik niet” en startte een incoherent verhaal over de prachtige opbouw van het geheel en staafde dat met adequate beweringen, zoals dat ik in mijn vorig leven ook een militair ben geweest, ook een onbegripvolle vader heb gehad, en meer van dat soort dingen waar je van overtuigd bent als je de nodige procenten achter de kiezen hebt en kampt met een chronisch slaaptekort.

Maar daar had ik het niet over. Ik had het over S.
Fuck man.

Enfin, als eerbetoon aan haar laat ik op deze site voorlopig mijn favoriete strofe van James Blunt als koptekst fungeren. Het is het openingscouplet uit “Out of my mind”. Het tweede en laatste couplet gaat overigens zo :

Judging by the look on the organ-grinder,
He’ll judge me by the fact that my face don’t fit.
It’s touching that the monkey sits on my shoulder.
He’s waiting for the day when he gets me,
But I won’t be your concubine – I’m a puppet not a whore.
I just need this stage to be seen.
Won’t you be a friend of mine to remind me what is real?
Hold my heart and see that it bleeds.

Lieve S., ik hoop dat you’re “running wild among all the stars above.”

x,
Pluk de Nacht.

Uitgerangeerd

In mijn joggingbroek en fleece-trui daalde mijn trappenhuis af. In mijn linkerhand een halve liter Edah-pils, in mijn rechter een shagje. Terwijl ik naar beneden liep kwam ik het vriendje van mijn onderbuurvrouw tegen. Krijtstreepjespak en brogues. Soms ontmoet ik ‘m eerder op de dag. En dan zien we er min of meer hetzelfde uit. Nu niet. Hij keek naar mijn joggingbroek. "Ga je hollen?" vroeg ie. Hollen. Ik wist niet dat het woord nog in de running was. Ik nam een slok pils en zei : "Nee, ik ga naar een feest." Het was waar. Ik ging naar een feest. In Arnhem. Waar een uit Amsterdam geemigreerd stelletje dat al diverse dochters op de wereld heeft gezet, vorige week een uitnodiging de deur had doen uitgaan om oude sociale banden aan te knellen. Ik ben daar bevattelijk voor. Ik ben een nostalgisch type. Beneden stond mijn Volvo voor de deur, maar ik passeerde ‘m. Ik ontgrendelde mijn fiets en zette koers richting Centraal Station. Onderweg zag ik pelotons van correct verlichte fietsers voor rode stoplichten staan wachten terwijl taxichauffeurs er vol gas langs scheurden. Ik draaide met mijn fiets, Mademoiselle da fourth, de fietsenflat in. Ik moest afstappen, zei een man in uniform. "Sorry, haast!", riep ik en stoof ‘m voorbij. Hij kwam me achterna. Ik wist ‘m te ontwijken door in de hogere regionen van de fietsenflat Mademoiselle sneller in de vergrendeling te gooien dan Rambo zijn M16 kan doorladen, om vervolgens middels een afgelegen zwart trapgat definitief de pleiterik te maken. In de trein naar Arnhem zat ik tegenover een neger met een grote koptelefoon over zijn kroeshaar. Zijn tien vingers graaiden als bezetenen naar frieten uit een BurgerKing-zak. Handen als krioelende vogelspinnen, die patat stempelden in een bataljon van ketchupbakjes. Even later stonden we stil. "Seinstoring", werd er omgeroepen. Ik plukte mijn ouwe trouwe Sony walkman uit mijn rugzak, zocht naar een acceptabel cassettebandje en drukte op play. Vroeger, dacht ik, vroeger mocht je roken in de trein. En verder dacht ik iets over de draaglijkheid van het bestaan. Uiteindelijk kwam de trein aan in Arnhem. Het feest was niet best. Twee uur later zat ik weer in de trein terug. Aldaar viel ik te situeren naast een corpsstudent en tegenover twee van zijn ex-vriendinnetjes. Ze moesten erg hard lachen om mijn Sony walkman. Die vonden ze verdomde grappig. Een van de twee ex-vriendinnetjes claimde zelfs nog nooit een cassettebandje in het echt te hebben gezien. Ik staarde uit het raam en nam nog maar eens een slok uit een verse halve liter. Terwijl ik door de spiegelende beglazing koeiensilouetten probeerde te ontcijferen in de zwarte velden dacht aan afgelopen dinsdag, toen ik met mijn ex-vrouw was gaan eten in het een of andere fancy nieuwe restaurant in de een of andere nieuwe trendy buurt. We waren aan het staren in de hip vormgegeven menukaart toen ze zei : "Ik weet iets leuks, dat doe ik ook altijd met E. (een homovriendje-pdn), laten we van elkaar proberen te raden wat we gaan nemen." "Goed", zei ik, "appeltje, eitje. Jij neemt de slakken vooraf. Toch?" "Fout", zei ze. "O. Dus je neemt de huisgemaakte tonijnpate in een hemelbed van mango!?" "Fout!" kraaide ze opnieuw, verdomde enthousiast. "Zeg, je bent toch niet in een keer van de salades geworden he?" vroeg ik argwanend. "Nee, natuurlijk niet, rot op!" "De hertenham?", piepte ik, het was de laatste mogelijkheid op de kaart qua voorgerechten. "He, he", zei ze. "Maar… Maar.. vind je dat dan niet zielig? Vroeger vond je dat altijd zielig! Hertjes en dergelijke." "Hoezo? Nee hoor. Maar daar hadden we het niet over. Jij? Jij neemt zeker die tonijnpate?" Ik bekende. "1-0", zei ze. Uiteindelijk liep ze uit naar een 3-0 overwinning. En ik wist niet welke van de twee mogelijkheden erger was waar het mijn eigen psyche betrof : een gebrek aan mensenkennis of een volhardende ontkenning van een zich veranderende wereld. We stonden weer stil. "Stroomstoring", werd er omgeroepen. Het was bijna middenin de nacht. Ik had er een zware werkweek opzitten. Ik had erg veel zin om een uiltje te knappen. "Waar moeten jullie naartoe?" vroeg ik aan de corpsmensen in het algemeen en de jongen in het bijzonder. "Aemsterdam uiteraerdt", zei de jongen. "Da’s mooi", zei ik, "ik ook. Kunnen jullie me daar misschien wakker maken, mocht ik liggen te pitten?" "Natuurlijck." Het volgende wat ik me herinner is dat ik door een man in uniform wordt wakker geschud. Een herdershond snuffelt aan mijn ballen. "Meneer", zegt de man, "wilt u alstublieft de trein verlaten?" Ik wrijf de slaap uit mijn ogen, "waar zijn we?" vraag ik. "Dat gaat u niets aan. Wilt u alstublieft de trein verlaten!" De hond blaft. Ik word de trein uitgesleept. "Waar zijn we?" probeer ik opnieuw, "Den Helder? Zijn we in Den Helder?" Normaal gesproken het eindpunt van deze trein, het zou niet de eerste keer zijn dat ik daar strand. "Meneer, wilt u alstulieft een beetje meewerken! MEELOPEN!" Ik word begeleid naar een hek. De man drukt op een knopje en het hekt ratelt open. "Eruit!", zegt de man. De hond doet er een blafje achteraan. Ik loop eruit. "En nu?" vraag ik, "Waar ben ik? Gaat hier nog een trein? Een bus?" De man drukt weer op het knopje. Het hek ratelt dicht. Ik sta op een verlaten weg die in beide richtingen leidt naar een inktzwarte nacht. "Waar ben ik!?" roep ik nogmaals. De man geeft eindelijk wat informatie prijs. Het kost hem zichtbaat moeite, het komt uit de punten van zijn tenen : "Een rangeerterrein", zegt ie zuchtend. Dan loopt ie weg. De herder volgt kwispelend. Het is half 3. Ik zet een voettocht in waar ik een roman over kan schrijven. Via doodlopende fietspaden, onbestemde veengronden, desolate woonwagenkampen langs de A1, industrieterreinen in Diemen Noord, bereik ik Diemen Centrum. Aldaar bij het plaatselijke postkantoor ontmoet ik de eerste twee levende zielen. Blowende meisjes met piercings in NATO-slaapzakken. Ze liggen er om de volgende ochtend kaartjes te kunnen scoren voor Robbie Williams. Ik drink er een pils. Hoop dat er een taxi langskomt. Of een nachtbus. De meisjes zeggen dat ze sinds ze hier liggen nog geen voertuig hebben gezien. Het laatste was de auto van hun vader. Drie uur geleden. Ik loop door. Door de Bijlmer, waar ik overdag werk, en waar het tot mijn verbazing ‘s nachts stikt van de konijnen. Nog maar 15 kilometer tot huis, realiseer ik me. Ik voel me zowaar monter. Monter is het woord. Misschien komt het door de konijnen. Ik bereik Station Amstel. Daar weet ik een taxi te strikken. Om half 8 ‘s ochtends strompel ik door mijn trappenhuis omhoog, waarna ik mijn gestel naast mijn gade schuif. Even wordt ze wakker en kijkt op de klok. Verongelijkt. "Het was zeker een erg leuk feest", zegt ze."

Achterbak

Afgelopen donderdag ging mijn telefoon, het was mijn ex-vrouw zag ik op de display. Ik besloot op te nemen.
“Hoi”, zei ik, “what’s up?”
“Zin om aanstaande zondagmiddag een slaapbank in elkaar te zetten?” vroeg ze.
“Goed”, zei ik, “maar mag ik dan die ochtend jouw auto lenen?”
Het was even stil aan de andere kant van de lijn.
“Hoezo?” informeerde ze toen.
“Ik wil een secretaire ophalen bij L. En een roze stoel. En trouwens ook nog een slaapbank, nu je het zegt.”
“Tsk”, zei mijn ex-vrouw, “zijn jullie nog steeds niet klaar met het opruimen van die zolder van haar?”
“Nee”, zei ik.
“Nou, dat schiet dan niet erg op. Hoezo heb je eigenlijk mijn auto nodig? Wat is er mis met de jouwe?”
“Mijn achterbak kan niet open”, zei ik.
“Dat meen je niet! Bij deze ook al!? Waarom koop jij altijd auto’s waarvan de achterbakken niet open kunnen?”

Het was waar. Ook bij mijn vorige tweedehands auto’s, respectievelijk een witte en een blauwe BMW 316, had het kofferbakdeksel van beginafaan dienst geweigerd. Hetgeen me trouwens met de witte tot twee keer toe langdurig oponthoud heeft opgeleverd aan de Zwiterse grens.

Vrolijk was ik met The White Horse, zoals mijn witte BMW heette, op weg naar ons jaarlijkse familieweekje in de Alpen, rugzak op de achterbank, treetje bier on the side, The Doors op de autocassetterecorder en een Marlboro in mijn smoel, toen ik de grensovergang bij Basel naderde. Ik sloot aan in de rij “Ohne Vignet” (voor Zwitserland heb je een vignet nodig bij wijze van wegenbelasting, dat je aan de grens kan kopen). Ik was de enige uit de file die werd aangehouden.

“Papieren bitte.”
Ik overhandigde mijn paspoort.
“Autopapieren bitte.”
Ik overlegde mijn kentekenbewijzen en groene kaart.
De twee dienstdoende douaniers smoesden even. Gniffelden toen. Ze vroegen of ik uit wilde stappen.
“Herr, diese Papieren sagen das ihren Wagen weiss ist.”
Ik keek naar The White Horse. “Ja?” zei ik, “und?”
“Nah?” zeiden de mannen in koor, “Guck mal! Er ist Schwarz!” Ze sloegen zich hinnikend op hun dijen. “Schwarz!” gierden ze andermaal uit.
Ik keek nog eens. Tsja, dacht ik, The White Horse zou best een bad kunnen gebruiken. En zei dat dan ook : “Ein bischen waschen wird intertat kein Kwad koennen.”
Nieuw lachsalvo. “Mein Herr”, hikten ze toen, “wollen Sie bitte ihren [Duitse woord voor kofferbaksel] aufmachen?”

Ai.

“Es tut mir leid, Herren von der Douane, aber das geht nicht.”
De douaniers veegden de tranen uit hun ogen en zetten hun serieuze kop weer op : “Wie meinen Sie, das geht nicht?”
“Wie Ich es sage : Er geht nicht aufen.”

Vijf uur later en een algehele strip van zowel mijzelve als The White Horse verder, mocht ik mijn weg vervolgen. Enige pluspuntje : de douaniers hadden na enig wrikken mijn kofferbak open gekregen.
De auto had altijd al een beetje raar geroken, maar tot mijn opluchting lag er geen lijk in. Het bleek te gaan om een vuilniszak met halfaangeknaagde broodjes van de Shell en andere zich ontbindende zaken.

Maar daar had ik het niet over. Ik had het over mijn ex-vrouw die ik aan de telefoon had en die nog altijd op een antwoord zat te wachten : “waarom koop jij altijd auto’s waarvan de achterbakken niet open kunnen?”
Ik had geen flauw idee. Ik bedoel, ik deed het niet express. “Ach”, probeerde ik, “je weet hoe dat gaat.”
“Nou?”
“Je koopt twee keer een auto en twee keer blijkt de achterbak niet open gaat. Als je dan op het punt staat een derde te kopen, dan denk je : “What are the odds. Toch?”
“…”, zei mijn ex-vrouw.
“Ik vind het gewoon nogal stupide overkomen om aan zo’n man te vragen : “Functioneert de kofferbak een beetje naar behoren?”
“Absoluut,” zei mijn ex-vrouw, “maar je had het toch gewoon zelf even kunnen proberen? Toen je in de garage was?”
“Ja”, gaf ik toe, “maar je weet hoe ik ben met sleutels.”
“Ja”, zei ze, “dat is waar, jij en sloten is een waardeloze combinatie. “
“Dus?” vroeg ik, “hebben we een deal?”

Mijn ex-vrouw twijfelde even. “Zeg, kan jij eigenlijk wel een slaapbank in elkaar zetten?”
“Is ie van IKEA?”
“Hij is van IKEA”
“Piece of cake.”

Roem

Wat krijgen we nou? dacht ik toen ik gisterochtend mijn website checkte. Er waren 5 bezoekers tegelijk. Normaal gesproken ben ik de enige.
Ik moet zijn gelinkt, besefte ik, en surfde naar de menu-optie “Hoe” van mijn Nedstatteller. Daar werd ik niet veel wijzer van. Er waren wat mensen geweest die dankzij de Ilse-zoekmachine en het intikken van woorden als “kruiskopschroevendraaier”, “sperciebonen” of “Sinterklaas” op plukdenacht waren beland, maar verder was er weinig verdachts aan de hand.

Het bleef echter de hele dag stormlopen op mijn site. Onverklaarbaar. Tot ik een mailtje kreeg van de regerend Nederlands slamkampioen Sander Koolwijk. “Plukdenacht en eten koken”, luidde het onderwerp. Nieuwsgierig klikte ik naar de inhoud. “He! tof stuk in Volkskrant”, las ik, “: koken wordt poezie! Anne ontdekte het vanmorgen in de krant. Leuk stukje en terecht!”
Comment? dacht ik (als ik zenuwachtig ben heb ik de neiging om Frans te praten, geen idee waar dat vandaan komt).

Terwijl ik de trappen van de ABNAMRO af rende richting portiersloge waar het complete arsenaal aan Nederlandse dagbladen ter inzage ligt, kreeg ik een SMS-je van een Appelpoporganisatrice : “Hee Sven, je hebt de krant gehaald, volkskeuken in de Volkskrant. Groet, Teddy.”
Hoe weten ze in godsnaam.. stamelde ik in mezelf, ik bedoel, ik heb plukdenacht tot nu toe altijd anoniem proberen te houden.

Tussen de verkreukelde Telegraafs en stukgelezen FD’s ontwaarde ik een maagdelijk tweede katern van de Volkskrant. Ik sloeg het open op de enerlaatste pagina. Inderdaad. Daar stond het in vette letters : Plukdenacht. Vervolgens enkele citaten uit mijn weblog.

Ik kreeg een flashback. Mijn ouders hebben ooit het begin van mijn relatie met L. mogen ontdekken in Dagblad Rivierenland.
Van mijn weblog weten ze nog niets. Wel lezen ze elke dag de Volkskrant.

Ik hapte naar adem. Vluchtte naar buiten, griste de Marlboro voor noodgevallen uit mijn zak, stak ‘m op en belde mijn lieve vriendinnetje.
“Fuck!” gilde ik in de hoorn, “Ik sta in de Volkskrant! Met plukdenacht!”
“Ik weet het”, zei L., “ik las het net. Gefeliciteerd.”
“Huh!? Gefeliciteerd?”
“Ja, het is een mooi stuk.”
“Is dat zo?” vroeg ik.
“Ja liefje. Maak je geen zorgen.”

Ik liep weer naar binnen en las het artikel eens rustig door. Verdomd, ze heeft gelijk dacht ik, het is inderdaad een mooi stuk.

Toeval of niet, maar op hetzelfde moment verscheen mijn column “roem” in literair tijdschrift Komkommer en kwel.

PS Adriaan : ik ben niet zo gek op pinda’s. Maar dat kon zelfs jij niet weten, aangezien ik daar nog nooit over heb geschreven. Kokos en tomaat daarentegen, was erg knap geraden. Thanx.

Roem

Wat krijgen we nou? dacht ik toen ik gisterochtend mijn website checkte. Er waren 5 bezoekers tegelijk. Normaal gesproken ben ik de enige.
Ik moet zijn gelinkt, besefte ik, en surfde naar de menu-optie “Hoe” van mijn Nedstatteller. Daar werd ik niet veel wijzer van. Er waren wat mensen geweest die dankzij de Ilse-zoekmachine en het intikken van woorden als “kruiskopschroevendraaier”, “sperciebonen” of “Sinterklaas” op plukdenacht waren beland, maar verder was er weinig verdachts aan de hand.

Het bleef echter de hele dag stormlopen op mijn site. Onverklaarbaar. Tot ik een mailtje kreeg van de regerend Nederlands slamkampioen Sander Koolwijk. “Plukdenacht en eten koken”, luidde het onderwerp. Nieuwsgierig klikte ik naar de inhoud. “He! tof stuk in Volkskrant”, las ik, “: koken wordt poezie! Anne ontdekte het vanmorgen in de krant. Leuk stukje en terecht!”
Comment? dacht ik (als ik zenuwachtig ben heb ik de neiging om Frans te praten, geen idee waar dat vandaan komt).
Terwijl ik de trappen van de ABNAMRO afrende richting portiersloge waar het complete arsenaal aan Nederlandse dagbladen ter inzage ligt, kreeg een SMS-je van een Appelpoporganisatrice : “Hee Sven, je hebt de krant gehaald, volkskeuken in de Volkskrant. Groet, Teddy.”
Hoe weten ze in godsnaam.. stamelde ik in mezelf, ik bedoel, ik heb plukdenacht tot nu toe altijd anoniem proberen te houden.
Tussen de verkreukelde Telegraafs en stukgelezen FD’s ontwaarde ik een maagdelijk tweede katern van de Volkskrant. Ik sloeg het open op de enerlaatst pagina. Inderdaad. Daar stond het in vette letters : Plukdenacht. Daarna enkele citaten uit mijn weblog.

Ik kreeg een flashback. Mijn ouders hebben ooit mijn relatie met L. mogen ontdekken in Dagblad Rivierenland.

Ik hapte naar adem. Vluchtte naar buiten, griste de Marlboro voor noodgevallen uit mijn zak, stak ‘m op en belde mijn lieve vriendinnetje.
“Fuck!” gilde ik in de hoorn, “Ik sta in de Volkskrant! Met plukdenacht!”
“Ik weet het”, zei L., “ik las het net. Gefeliciteerd.”
“Huh!? Gefeliciteerd?”
“Ja, het is een mooi stuk.”
“Is dat zo?” vroeg ik.
“Ja liefje. Maak je geen zorgen.”

Ik liep weer naar binnen en las het artikel eens rustig door. Verdomd, ze heeft gelijk dacht ik, het is inderdaad een mooi stuk.

Toeval of niet, maar op hetzelfde moment verscheen de volgende column in literair tijdschrift Komkommer en kwel :

Roem

Toen ik jong was had ik maar een wens: ooit te gast zijn in het programma van Sonja Barend. Live geïnterviewd worden op TV leek mij het hoogste wat een mens kon bereiken. ‘Oma,’ zou ik dan kunnen zeggen, ‘Oma, heeft u me nog gezien, van de week? Bij Sonja?’
‘Nee, sorry jongen,’ zou ze dan repliceren, ‘Sonja, daar mag ik van je Opa niet naar kijken, want dat is een programma voor rooie rakkers, nietwaar paps?’
‘Zo is het maar net,’ zou mijn Opa brommen, ‘waar blijft trouwens de
koffie?’
En dan later in de keuken zou zich de volgende conversatie ontspinnen:
‘Maar stiekem heeft u toch wel gekeken, hè Oma?’
‘Inderdaad jongen.’
‘En?’
‘Fantastisch. Je Oma was vanmorgen helemaal het vrouwtje bij de bakker, werkelijk iedereen had het erover.’
‘Ja? En wat zeiden ze?’
‘Dat ik zo’n lieve kleinzoon had. En dat hij zulke mooie boeken schrijft en dat hij er ook nog eens zo prachtig over kan vertellen.’
‘Zeiden ze dat echt?’
‘Jazekers’
‘Wow.’
‘Ja jongen, dus ik vind dat jij deze keer wel als eerste een gebakje mag
kiezen uit de doos. Welke wil je?’
‘Die grote roze.’
‘Die was eigenlijk voor Opa bedoeld, maar vooruit, neem ‘m maar.’
Roem. Roem opent alle deuren. Reeds als klein kind voel je dat op je klompen aan.

Later toen ik groter werd, kwam ik erachter dat een boek schrijven nog best een ingewikkelde kwestie is. En er beroemd mee worden al helemaal. Ik bedoel, nadat je eindelijk 250 acceptabele pagina’s op papier had gezet, moest je bovendien een uitgever zien te vinden die gek genoeg was om ze te publiceren en daar kwam bij dat schrijvers allang niet meer geïnterviewd werden op de TV vanwege hun boek, maar om hun persoonlijkheid. Je moest dus ook nog eens een interessante verschijning vormen. Alleszins interessanter dan je naaste concurrenten. En dat viel niet mee temidden van al die film- en popsterren die tussen de bedrijven door ook nog wel eens een boekje pleegden te laten ghostwriten en die mediagenieke vakbroeders die bereid waren hun tics (Boudewijn Buch met zijn Jagger-fetisj, Goethe-fascinatie en verzamelverslaving, Bart Chabot met zijn ADHD-dweperij, etc.) ongegeneerd te laten uitvergroten op de koningin der massacom-municatiemiddelen.

Los daarvan had Sonja er het bijltje er al lang en breed bij neergelegd, was haar opvolgster Hanneke Groenteman wegbezuinigd, kijkcijferparodie Zeeman naar Rome gejaagd en was het concept literatuur op de TV gesaneerd tot louter een guitige uitzending rond de Landelijke Gedichtendag en de jaarlijkse verkiezing voor de AKO-literatuurprijs. Met name in het laatste geval zaten de dienstdoende literatoren er over het algemeen nogal lullig bij. Ze kwamen nou niet direct over als de Nieuwe Helden, bedoel ik te zeggen.

Maar het concept werkte wel: het publiek keek in groten getale en de genomineerde boeken, vooral dat en die van de winnaar, werden in de dagen daarna en masse verkocht.

Daar waar een kind al in de gaten heeft dat roem belangrijk is, zo hadden de Romeinen al in de smiezen hoe die roem te bereiken: de wedstrijd. Brood en Spelen. Leg de focus van het volk op de triomf. Vergeet de verloren veldslagen, negeer de deplorabele toestand van het gebied waarover u heerst, de abominabele omstandigheden waaronder de mensen lijden en laat ondertussen uitgebreid kond doen van uw overwinningen aan het front van uw almaar uitdijende Rijk. Uw naam zal niet meer uit de analen van de geschiedenis weg te poetsen zijn.

Nu iets over poetryslam. Ik ben van mening met de vorige alinea’s het succes van dit verschijnsel afdoende verklaard te hebben, maar voor zover u het daar niet mee eens bent, verwijs ik u naar mijn persoonlijke literaire carrière. In een notendop: in de negentiger jaren van de vorige eeuw viel het totale speelveld van creatieve ambities, van rockzanger tot en met abstract beeldend kunstenaar, als volgt te inventariseren: middelmatige bandjes als Van Dik Hout voerden de hitlijsten aan en artistiek ogende nuttelozen van de nacht ontfutselden met strepen duivenstront tonnen aan de Nouveau Riche op de KunstRai. Ondertussen leken jonge talentvolle dichters te zijn veroordeeld tot een armlastig inteeltpubliek. Het was niet eerlijk. Er moest iets gebeuren. En natuurlijk gebeurde dat dan ook, want zo werkt het met geschiedenis. Er stond een nieuwe lichting dichters op. Jonge dichters die warempel de drempel naar een vers publiek konden overbruggen. Toegankelijkheid bleek de sleutel te zijn voor de hermetisch op slot zittende poëziewereld. De namen zijn bekend: Ingmar Heytze, Ruben van Gogh, Hagar Peeters en ook Lernert Engelberts zou ik hier niet onvermeld willen laten (jongste dichter ooit op de Nacht van de Poëzie). Plus Serge van Duijnhoven uiteraard, die samen met rapper Def P. (frontman van de Nederhopformatie Osdorp Posse) en dichter Olaf Zwetsloot, middels de CD “Sprooksprekers” stevig inbeukte op de poort van het op instorten staande poëtische establishment. Tenminste, zo heb ik het beleefd. Er was wat gaande. Maar het was nog niet genoeg. Poëzie werd in Nederland pas echt hip/een hype na de integratie van het uit de Verenigde Staten geïmporteerde wedstrijdelement.

De geboorte van de Nederlandstalige Poetryslam. Ik was er bij. Sterker nog, ik won de allereerste editie die werd georganiseerd, op de heilige grond van Festina Lente in 1998. Het café waar ooit Allen Ginsberg bevlogen gesprekken had gevoerd met Simon Vinkenoog (organisator van het legendarische Poëzie in Carré (1966) en vanaf het begin vast jurylid van Festina’s poëzieslag), was en is de voorna
amste kweekvijver van Nederlands slamtalent. Het ging hard in de begintijd. Binnen notime stond het café maandelijks stampvol met een trendy publiek van twintigers dat de opkomst aanschouwde van eersteuurs slamfenomenen als Erik-Jan Harmens en Tjitske Jansen. Het niveau was hoog, het aanbod breed. Filosofische dichteressen als Jannah Loontjens stonden tegenover absurdistische cabarettalenten als Bernard Christiansen, getatoeëerde sonnettenschrijvers als Gijs ter Haar tegenover in driedelig pak gestoken avant-gardisten als ACG Vianen, positief ingestelde duoflowende Rotterdammers als de Woorddansers tegenover gevoelscynische ras-Amsterdammers als Eus.

Dit moest je zien, hier moest je wezen. Begrepen ook de media. In de zeven jaren dat ik heb geslamd ben ik te beluisteren geweest op zo’n beetje alle nationale radiozenders, was mijn smoeltje uitgebreid te zien op zowel de nationale TV als in twee bioscoopdocumentaires, werd ik als dichter gecontracteerd voor het popfestival Lowlands en heeft mijn foto gestaan op de voorpagina van de boekenbijlagen van zowel de Volkskrant als het NRC Handelsblad. Dit alles zonder ook maar ooit een letter te hebben uitgegeven op papier. Cool nietwaar?

Ik was beroemd. Na optredens dronk ik gretig uit de gratis aangeboden glazen en nam dankbaar de complimenten in ontvangst van meisjes die me normaal gesproken straal zouden negeren. “Ich war ein star baby”, om met Peter M. van der Linden te spreken. Als ik door Hoog Catharijne liep om over te stappen op een trein naar het zoveelste gehucht waar ik mocht optreden, hoorde ik soms de wind mijn naam fluisteren: “He, dat is Sven, die dichter die we pas hebben zien optreden, weet je nog?” En dan keek ik om.

En dan zag ik niemand. Althans, niemand die ik herkende.

Ik vond dat niet erg. Sterker nog, ik zei: ‘Misschien is dat wel precies de
definitie van roem, Oma.’
‘Denk je, jongen?’
‘Ja, dat denk ik.’

De generatie poetryslammers waarmee ik ben opgegroeid wist beter: slam was een hype. Het publiek was groot, maar op enkele uitzonderingen na, niet erg trouw. Als een bandje nationaal doorbreekt, dan volgen de fans de formatie naar alle steden van het land. Als een cabaretier aanslaat, dan vinden ook het jaar daarop alle abonnementshouders weer de weg naar zijn/haar nieuwe voorstelling. Bij Poetryslam was dat anders. Na een keertje hadden de meeste argeloze toeschouwers het wel weer gezien: geinig, dat poëzie nu eens wordt gebracht door energieke malloten, maar het blijft poëzie; voor een groot gedeelte volslagen onbegrijpelijke wartaal.

Ik had dat niet in de gaten (waarschijnlijk door dat nuttigen van die gratis drankjes), maar mijn collega’s kregen de vluchtigheid van het verschijnsel al snel in de smiezen. Ze besloten zich dan ook na verloop van tijd te bekeren tot precies datgene waar poetryslam zich pretendeerde tegen af te zetten: het geloof in publicatie van poëzie op papier.

Of misschien was er helemaal geen sprake van bekering. Althans niet van bekering door voortschrijdend inzicht. Eerder van bekering met voorbedachten rade. De Nederlandse poetryslammers van het eerste uur waren namelijk helemaal geen slammers. Het waren geen strijders. We waren vrienden, of op z’n minst kennissen, maar vooral geen concurrenten. We gaven elkaar tips, poëtische adviezen, gingen met elkaar uit eten, haalden nachten door na gezamenlijke optredens, zopen ons lam op elkaars feestjes, eigenlijk waren we gewoon dichters. De eerste generatie slammers bestond uit ongehoord poëtisch talent, dat tot dan toe domweg geen poot aan de grond had gekregen. Een vergeten oogst van briljante maïskorrels die zich met graagte in de eerste de beste voorbijkomende snelkookpan van de cultuurzappende gemeenschap liet werpen, om zich te ontpoppen tot een succesvolle snack waar de commercieel noodlijdende uitgeverijbranche niet meer omheen zou kunnen.

Ik mag, met vreugde, constateren dat die opzet is geslaagd. Mijn drie directe opvolgers als jaarwinnaar van Festina Lente staan inmiddels allemaal onder contract bij gerespecteerde uitgeverijen: Eus (winnaar in 2000) bij De Bezige Bij, Erik-Jan (2001) bij Nijgh & Van Ditmar, Tjitske (2002) bij Podium. Ook hun drie opvolgers, Maarten Das (2003), Robin Block (2004) en Pom Wolff (2005) wisten als slammer voet aan de grond te krijgen in de publicerende wereld (allen bij de Windroos).

‘En jij, jongen? Wanneer komt er nou eens een bundel van jou?’
‘Ik niet Oma, ik ga niet publiceren. Althans niet mijn gedichten.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik van mening ben dat mijn poëzie beter tot zijn recht komt op het podium.’
‘Maar die anderen hebben het toch ook gedaan?’
‘Dat klopt. Maar voor die anderen is het papier in sommige gevallen een verrijking.’
‘Bij jou niet?’
‘Niet in die mate.’

We lopen langs de bakker en kijken door de etalageruit, naar de grote roze gebakjes.
‘Die vond je toen zo lekker,’ zegt ze, ‘weet je nog?’
‘Ja,’ zeg ik, ‘dat weet ik. Opa trouwens ook.’

We zwijgen even. Terwijl ik een shaggie draai vraagt ze: ‘Nu niet meer?’ Ik staar naar de gedeeltelijk afgescheurde rand van mijn pakje vloei.
‘Soms’, zeg ik, ‘bij gelegenheid.’

We lopen door naar de bloemenwinkel op Plein 44. We kopen rozen. En na een pittige wandeling heuvelopwaarts leggen we die bij zijn graf.

Werkdag

Sorry lieve mensen, ik weet dat er een hoop valt te zeggen. Maar het is laat. Ik kan niet meer. Ik had een mooi verhaal in gedachten. Het onderstaande was de aanzet. Verder ben ik vannacht helaas niet gekomen.
(“Je bent dronken!”, zegt L.
“Nee, het is de vermoeidheid”, zeggen ze dan, mannen in Tiel.)

Vanmiddag startte ik op mijn werk een module op teneinde een langdurig conversie-script te testen. Terwijl de computer ratelde en ratelde, keek ik uit het raam. Staarde naar de voorbijglijdende trein- en metro-wagons in het algemeen en station Bijlmer in het bijzonder. Station Bijlmer wordt grondig gerenoveerd en een tijdje terug is er een 30 meter hoge hijskraan omgeflikkerd. Een paar weken later nog een.

De computer ratelde, de regen viel en de wijzers draaiden hun rondjes.
Tiktak, tiktak.

Urenlang reden kiepwagens af en aan, braakten zand over hectares waar ooit de viersporendroom tussen Utrecht en Amsterdam moet worden verwezenlijkt. Bulldozers waren druk doende de gestortte materie te pletten door eindeloos achteruit te rijden, met de rand van hun schepbak als kwast.
Ik keek naar de hijskranen. Ze waren niet bepaald bezig vervaarlijk over te hellen, helaas. Fier verplaatsten ze de balken die fundament zullen bieden aan de stationswinkeltjes waar ik in de toekomst mijn cappucino’s zal kopen, mijn bagels zal halen, mijn pantalons zal laten stomen en mijn stropdassen zal betrekken.

Ratel-de-ratel deed mijn computer nog steeds. “Bezig met converteren project 3582 van 8911 meldde ie. Het zag er niet best uit.