Taak

Ik weet niet wat is met mijn leven tegenwoordig, maar telkens als ik denk het er even van te kunnen nemen, even rust te hebben, wordt er van hogerhand een taak voor me geregeld waaraan met goed fatsoen niet onderuit te komen valt.
Zo was ik vorige week woensdag op driekwart van de beklimming van de Sparhorn, een volwassen 3000 meter-plus rotswand waarvan de top me een weergaloos uitzicht zou verschaffen op de Monch, de Eiger, de Jungfrau en, met een beetje mazzel, de Mont Blanc, toen mijn mobieltje ging.
Ik nam op, zo ben ik, “met Sven?”
“Hoi liefje”, klonk het aan de andere kant van de draadloze lijn, “stoor ik?”
Terwijl mijn linkerbeen in het luchtledige zwaaide wist ik mijn rechtervoet nog altijd verzekerd van een stevige plaats op een 5 centimeter brede richel en repliceerde : “Eh, nee, ik geloof van niet, hoezo?”
“Ja, normaal zou ik je niet storen liefje, maar ik zit met een probleem.”
Met mijn linkerhand wist ik een uitstulping van het gesteente te omvatten, voorlopig stond ik wel snor. “Probleem?” vroeg ik.
“Ja.”
“Wat voor probleem?”
“Ik moet van de huurbaas mijn spullen van de zolder afhalen. Want daar heb ik geen recht op. Zegt ie.”
“…”
“Hij wil ‘m gaan verhuren aan een violist!”
“…”
“Dat is toch vreselijk! Snap je niet dat het een ramp is! Een violist!”

Ik keek voor de grap eens naar beneden, naar het honderdenmetersdiepe ravijn. Ik kon me ergere dingen voorstellen dan een violist.
“Heb je een kopie van je huurcontract bij de hand?” vroeg ik.
“Huurcontract?”

“Gaat het?” vroeg m’n broertje, die een paar meter boven mij hing en me verdacht paniekerig gadesloeg.
Ik keek nog eens naar het ravijn. “Sorry”, zei ik tegen L., “vind je het goed als ik je wat later terugbel?”

Enfin, om een lang verhaal kort te maken : sinds de terugkomst van mijn toch al niet zo stressvrije vakantie (zie vorige log) ben ik na werktijd druk doende de zolder van mijn allerliefste te ontruimen.
T.i. (that is) dezelfde zolder die ik gedurende de afgelopen 5 jaar heb volgeplant met ca 30 kubieke meters aan L’s oude kranten, L’s oude kleding, oude meubels, etc, enzovoort, teneinde haar etage aan de(het) Singel op ‘t oog voor de bezoeker door een ringetje te kunnen halen.

Er is een hoop tijd in gaan zitten. Om het mooi te krijgen.
Maar nu, om het weer terug te krijgen zoals het was, nog meer.

Er zijn veel dingen die geen zin hebben. Zoals bijvoorbeeld bergbeklimmen (ik quote nu in het Tiels het beroemde citaat ; “He, eh, waarom hedde nou die, eh, berg beklomme!?” – “Ja, eh, nou gewoon, omdat ie er, eh, was.. Dus…”)

Het is aan de andere kant wel fascinerend om mee te maken. Mijn kat, die hier noodgedwongen ook logeert, geeft L.’s oude stijl helemaal gelijk. Hier glanst haar vacht, krullen haar snorharen en vertikt ze het om in haar reismand, het enkeltje richting orde (mijn/haar huis) te gaan zitten, daar waar ze doorgaans zo verplaatsingsgezind is.
En dan L. zelve. Ik ben zo’n type dat al zijn boeken, bundels, bandjes, LP’s, CD’s en DVD’s op alfabetische volgorde gesorteerd in kasten heeft staan. L. is het type dat uit een berg ondefinieerbare vuilnis binnen notime de gezochte roman van Kafka weet op te duikelen.

Daar moet je niets meer aan doen, daar moet je van denken : talent. En ook als je dat niet denkt, toch heel veel van houden.

Zwitserland (1)

Well, I’m back. Weliswaar niet in mijn eigen huisje, maar bij L. in haar pand aan de Singel. Dit zijn in potentie zo’n beetje de duurste vierkante meters van het land, bedenk ik net. En eigenlijk is het een groot voorrecht om hier een stukje te mogen tikken, zo zittend aan het raam met uitzicht op de gracht, waarin de regen zich enthousiast te pletter stort en waar de lokale yuppen tandenknarsend rondjes rijden in hun terreinwagens, op zoek naar die ene allerlaatste parkeerplaats.

Eergisteren zat ik nog met een halve liter Feldslossenpils op het tuinterras van een chalet in Zwitserland. Uitzicht op besneeuwde bergtoppen, groene Alpenweiden en goudgkleurende dennenbomen, terwijl ik werd gadegeslagen door een stralende zonne. Binnen was mijn vader vrolijk vuurtje aan het stoken in de open haard en legde mijn moeder in de keuken de laatste hand aan een verse lasagna.
Ik bekeek mijn broertje en zijn vriendin, die zojuist waren teruggekomen van een wandeling en die nu in hun vogelzakboek uitgebreid aan het turven waren hoeveel Alpenkauwen, Rotskruipertjes en Arenden ze hadden gezien. Mijn zusje kreeg als bewijs van hun bevindingen een digitale camera in haar handen gedrukt. Oh’s en Ah’s.

Het was een vredig tafareeltje.

Toch ben ik blij dat ik weer terug ben. Ik weet niet zo goed hoe ik het moet uitleggen, maar vredige tafereeltjes hebben zo hun prijs.
Het begon allemaal al tijdens de heenreis. Met mijn stomme kop had ik de aanwijzingen van mijn moeder genegeerd en gewoon de route gevolgd die drie diverse reisplanners me hadden geadviseerd. Consequentie : 5 uur file op 900 kilometer.
“Ben je er al bijna?” had mijn vader ge-smst terwijl ik voor een grensovergang stond.
“Ik ben bij Basel” sms-te ik terug.
Vlak daarna ging mijn telefoon. Mijn moeder.
“Je bent toch niet over Keulen gereden, he?” vroeg ze.
“Ja sorry, toch wel.”
“Wat stom! Ik had je toch gezegd dat…”
“Ja, vette file, excuses, ik…”
“Nou ja, geeft niet. Maar de rest is er allemaal al. Hoe laat ben je eigenlijk vertrokken?”
“Half 8”, loog ik, “echt, niet normaal die file. Maar begin maar vast met eten, ik…”
“Ja”, zei mijn moeder, “ik warm wel wat voor je op, als je er eindelijk bent.”

Om 20.00 bereikte ik en mijn ouwe trouwe verrotte Volvo dan toch het gehucht waar ons chalet was gesitueerd. Het was donker, ijskoud en een zware dag geweest; ik snakte naar een verlossende pils, en mijn Volvo, The Red Horse, naar een stal en een bakje hooi, kon ik me zo voorstellen.
Mijn broertje stond me bij de opijlaan op te wachten. In zijn Zuidwester zwaaide hij in enthousiaste gebarentaal : “Hier! Hier moet je zijn!”
Uitgeput draaide ik The Red Horse naar de bestemming.
Mijn broertje bood aan om me te helpen met mijn bagage. Zo is mijn broertje. Hij zit bij de vrijwillige brandweer van Oegstgeest. Zo’n type waar je op kan bouwen. Ik ben niet zo’n type, ik ben meer zo’n type dat belachelijk veel bagage meeneemt.
“Jeetje”, zei mijn broertje.

In het kielzog van mijn zwaarbepakte broertje enterde ik het Chalet. Mijn familie zat aan tafel, vorken en messen gereed voor de aanval op een vegetarische rijstschotel die mijn zusje had geprepareed.
“Ga zitten”, zei mijn vader.
“Net op tijd”, zei mijn moeder.
“Ik weet het niet”, zei ik, “het was een vermoeiende reis, ik zou eigenlijk eerst wel even een pils willen drinken”, en voegde de daad bij het woord.
Ik liep naar de koelkast, trok een blik bier uit de schappen, rukte ‘m open en stak een Marlboro op.
De gezichten aan de tafel werden wit.
“Wat?” vroeg ik, “wat is er?”
“We mogen hier niet roken”, verklaarde mijn zusje.
“Jezus”, zei ik, “dat meen je niet!”
“Toch wel”, zei mijn moeder, “er hangen hier briefjes, heb je die niet gezien?”

Ik las een van de briefjes.

“Maar…”, stamelde ik, “maar dat kan niet! Ik moet.. ik moet een column schrijven voor een tijdschrift… en ik moet.. ik had gedacht.. Sorry, maar ik moet kunnen roken, anders…”
“Buiten mogen we wel roken”, bemiddelde mijn zusje.
“In de frisse lucht”, probeerde mijn broertje.
“Ik wist niet dat je zo verslaafd was”, zei mijn moeder.
“Het eten wordt koud”, zei mijn vader.

Kwaad beende ik naar buiten. Damp uitwalmend voelde ik mezelf geconfronteerd met mijn afhankelijkheid van de middelen.
Ik trapte mijn peuk uit en liep naar The Red Horse.
“Ca va?”, vroeg ik.
“Ik heb het koud”, antwoordde ie, “no way dat ik nog ga starten.”
Ik klapte de achterbank voorover en plukte de zwaarste tas uit de kofferbak. De tas waarvan zelfs mijn broertje het niet had aangedurfd om ‘m op zijn schouders te hijsen : de tas met de drank voor noodgevallen. Terwijl de familie de zilvervliescourgettes naar binnen lepelde, sleepte ik mijn verzekering naarboven, richting mijn toebedeelde slaapkamer.

Daarna nam ik plaats aan tafel. Ik schepte wat groenten op mijn bord.
“Dat is al koud”, zei mijn vader.
“Ik kan het wel voor je opwarmen”, zei mijn moeder.
Ik negeerde ze en zei : “Het is lekker”, tegen mijn zusje.

Ik had het me, zoals elk jaar weer, allemaal anders voorgesteld. Zo had ik voor dit jaar bijvoorbeeld een entree-grap in petto. Ik had ‘m thuis al honderd keer uitgeprobeerd op L. Honderd keer hadden we gelachen. Op elk onverwacht moment was ik de kamer binnengestormd en had mijn mobiele telefoon bij wijze van snor boven mijn lippen laten zweven. En dan had ik a la Rudi uit de Heinekenreclame na het ferme openzwaaien van de deur geroepen : “Hey! Biertje!?”
“Dat is een goeie”, had L. telkens gezegd, “die moet je in Zwitserland doen, bij je familie.”

Het was niet de plaats. Niet de tijd.

Later, toen we buiten stonden te roken, zei mijn zusje : “Kut, he?”
“Ja”, zei ik, “kut.”

Paranoide

Vanmorgen zat ik, zoals elke maandagochtend, te wachten op station Lelylaan tot de sneltrein richting Den Haag binnen zou rollen. Normaal is dat een tamelijk ontspannen gebeurtenis. Bekertje cappuchino in de ene, shaggie in de andere hand en de krant voor me uitgespreid op de westelijkste tegels van het langgerekte perron. Ochtendzonnetje op mijn bol, pom-tie-dom-tie-dom.

Vanmorgen was het andere koek. Het was vandaag namelijk de 10e van de 10e (van het jaar 2005; 2×5 is ook 10) en sinds de aanslagen in Londen op de 7e van de 7e (van het jaar 2005 en 2+5 is ook 7), vind ik het forenzen per trein door de Schipholtunnel (algemeen erkend als ‘s lands waarschijnlijkste doelwit van een terroristische aanslag) op allitererende data een doodenge aangelegenheid.
Normaal gesproken reken ik de Security van station Lelylaan niet tot mijn directe vriendenkring, maar vanmorgen kon ik het niet nalaten om ze even te wijzen op de risicovolle datum en ze toe te voegen toch vooral extra te letten op zenuwachtige passagiers met grote koffers. Uiteraard lachten ze me uit : “Meneer, van elke trein die hier komt is de volgende halte Schiphol dus praktisch alle passagiers die hier staan hebben grote koffers. En zenuwachtig zijn ze ook allemaal, met die treinvertragingen van tegenwoordig.”
“Ja maar je hebt verschillende soorten nervositeit”, probeerde ik, “met een beetje kijk op de zaak kan je…”
“Meneer, als u denkt dat we de tijd hebben om daar ook nog eens op te gaan letten, dan heeft u blijkbaar niet in de gaten hoe druk wij het hebben.”
“Nou, in ieder geval niet druk genoeg om zo nu en dan een halve kilometer naar de westkant van het perron te sjokken, om mij te wijzen op het feit dat er zelfs in de open lucht zonder stervende ziel in de buurt, onder geen beding gerookt mag worden op dit station. Zowel met uw ogen als met uw tijd is niets mis, dunkt mij.”
“Wij doen gewoon ons werk meneer en regels zijn regels.”

Ik aanvaardde de tocht naar de westelijke tegels en dacht aan mijn Opa zaliger. Mijn Opa was vroeger douanier. Zijn mooiste verhaal was dat van de nonnen. Het waren de jaren van de botersmokkel en mijn Opa had de tijd van zijn leven; hij fouilleerde dat het een aard had. Echter, bij nonnen was een dergelijke handeling in die tijd not done. Dus wat deed de snodaard? Hij plantte ze een paar minuten op de verwarming. Waarna in legio gevallen vanonder het zwarte gewaad een witgele substantie op de grond begon te druppelen. En dan zei mijn Opa tegen de non in kwestie : “Beste mevrouw : of u probeert boter te smokkelen, of u heeft anderszins gezondigd. Wat gaat het wezen?”
Ik glimlachte, maar werd direct naarna opgeschrikt door het zicht op een Burka waaronder zich ofwel een voloptueuze moslima schuilhield, danwel een anorexia-exemplaar met drie jaarringen aan handgranaten. Ik besloot nog verder door te lopen dan ik normaal al deed.

Ik stapte de trein in. Met trillende vingers dronk ik mijn cappuchino. De krant bleef dichtgevouwen in mijn (ongecontroleerde) rugzak zitten. In de Schipholtunnel had ik even de neiging om mijn ogen en oren dicht te houden, als op een feest met ballonnen waarbij je boven het hoofd van een miskende persoon met een peuk in zijn porem, een lampje ziet verschijnen. Maar ik deed het niet. Dit was geen feest. Dit was de maatschappij.
Beter hield ik mijn ogen open. Stond er een verlaten koffer in mijn coupe? Greep er iemand die zojuist was uitgestapt naar zijn mobieltje om de bom tot ontploffing te brengen? Ik checkte de bagageruimtes tussen de rugleuningen van de vierzitters. 3 ervan bevatten koffers. Ik spotte het perron. Een dozijn mensen had een mobiel in zijn poten.
Ik sloeg een kruis en dacht opnieuw aan mijn Opa. Ergens verheugde ik me wel op ons weerzien.

5 minuten later reden we de Schipholtunnel uit. Ik had al die tijd in bevroren houding op mijn stoel gezeten, overtuigd als ik was van mijn voortijdig sneven. Pas in Leiden durfde ik de krant open te slaan. En toen ik eenmaal aankwam in Den Haag hadden mijn hersens weer lang en breed toegang gekregen tot de rede : Van der Vaart, dacht ik, is toch wel een heel goeie voetballer.

Normale mensen moeten nu ophouden met lezen. De voorgaande alinea was een mooie afsluiting van dit stukje. Ik meen het. Serieus : Stop. De rest is alleen voor cijferfanaten, complottheoriefreaks en overige paranoide lotgenoten.

Toch verder lezen? Okay dan, maar verwacht er niet te veel van. Ik zet enkel wat overbekende feiten op een rijtje. Dit rijtje dient ter verklaring waarom ik vandaag op 10-10-2005, maar ook afgelopen vrijdag 7 oktober en aanstaande 3 november bang ben (geweest) voor een aanslag, al dan niet in Amsterdam.

Op 9-11 (2001) (Amerikaanse datumweergave) werden er aanslagen gepleegd in New York. (Op de symbolen van het kapitalisme en het militarisme; het WTC en het Pentagon.)
911 is het alarmnummer van de V.S. (initiator van de oorlog tegen Irak en voornaamste tegenstander van de Moslimwereld)

Op 3-11 (2004) (Amerikaanse datumweergave) werden er aanslagen rond Madrid (hoofdstad van Spanje, bondgenoot van de V.S. in o.a. de oorlog tegen Irak).
11-3-2004 (Europese datumweergave) is 910 dagen na 11-9-2001 (Europese datumweergave), maar met een beetje goeie wil (tijdsverschil tussen V.S. en Europa meerekenen) valt er 911 dagen van te maken.

Op 07-07-2005 werden er aanslagen gepleegd in Londen (hoofdstad van Groot-Britannie, voornaamste bondgenoot van de V.S. in de oorlog tegen Irak).
(Vergezocht : 483 (69×7) dagen, dus 69 weken na de aanslagen rond Madrid. 6 en 9 zouden een omkering kunnen symboliseren, alsmede een verwijzing naar (verwerpelijke) sex(uele moraal). De 7 komt in de datum tot uiting : 7-7 (2005; 2+5 is ook 7)).

Nu Nederland. Ook een bondgenoot van de V.S. in de oorlog tegen Irak. Hoofdstad is Amsterdam. Amsterdam wordt tevens beschouwd als een Jodenstad, de homohoofdstad van de wereld, een hoerenparadijs en een drugsoase. Ergo : staat voor alles waar fundamentele Moslims van gruwelen.

Op 06-05 (2002) (Europese datumweergave) wordt Pim Fortuyn (homo, eerste charismatische waarschuwer voor moslimfundamentalisme, maar zelf ook een eng demagogisch type) vermoord(door Volkert vd Graaf, een dierenactivist, niet zo voor de hand liggend, maar mag wat mij betreft best nader onderzocht worden, want toeval of niet gebeurt precies 911 dagen later het volgende (dat laatste is niet bedoeld als smiley-teken, maar wordt helaas waarschijnlijk wel zo weergegeven; je kan tegenwoordig niet eens meer normaal een dubbele punt door een haakje laten volgen)

Op 11-2 (2005) (Amerikaanse datumweergave) wordt Theo van Gogh vermoord (‘s lands beruchtste strijder tegen Moslimfundamentalisme).
112 is het alarmnummer van Nederland.

Nu mijn angst.

Mijn angst voor vandaag was de directheid van de connectie met Londen : 10-10-10 na 7-7-7.

Mijn angst voor 07-10 (Europese datumweergave) / 10-07 (Amerikaanse datumweergave) zat ‘m in het feit dat het dan precies 1007 dagen later 10-07 (Amerikaanse datumweergave) / 07-10 (Europese datumweergave) zou zijn in 2008. Omkering alom en ergo een schitterende datum voor een vervolgaanslag. Reken daarbij mee dat 07-10 / 10-07 precies 311 (datum aanslagen Madrid) viel na 3-11 (Amerikaanse datumweergave) / 11-3 (Europese datumweergave), de datum van de aanslagen rond Madrid. Het verbaasde me dan ook niets dat de NYPD de hoogste alarmcode hanteerde, die dag, en PennStation in de ochtendspits werd ontruimd. De Amerikanen zijn wat dat betreft niet gek.

Maar mijn werkelijke angst geldt 3 november. De datum is briljant. 3-11 is een omkering van 11-3 (Madrid). Daarnaast is het precies 119 dagen na Londen. Keer 119 voor de grap eens om.

Zeg niet dat ik het niet gezegd heb.

Waslijst

Pas had ik mijn nichtje aan de telefoon. Of nicht moet ik eigenlijk zeggen, ze is 13 maanden ouder dan ik. Bovendien is ze erg beroemd. In Bolivia, dat moet ik erbij zeggen, maar daar is ze dan ook wel weer zo beroemd dat ze een keer voor de President heeft mogen zingen, als ware ze Marilyn zelve.
In Nederland hebben zij en haar (Boliviaanse) band nooit echt potten kunnen breken; een artikeltje in Vrij Nederland, geschreven door een bevriende journalist en de verkoop van wat CD’s aan familie en vrienden plus de Amsterdamse Spaanse gemeenschap en dan heb je het gehad. Maar Bolivia, ah, Bolivia, daar hangt ze op heel wat puberkamers aan de wand, vermoed ik, de blonde godin uit Holland.

Ik heb mijn hele leven tegen mijn nicht opgekeken. Wij hebben een zeer hechte familie moet je weten, althans aan mijn moederskant, en we vierden tijdens mijn jeugd alle vakanties (herfst-, kerst en zomer-) samen met een bataljon aan bloedverwanten. Daarbij was mijn nicht wat je zou kunnen noemen de troonopvolger van de heersende Godfather, mijn Oma.
Mijn nicht beschikte over alle noodzakelijke capaciteiten om die rol over te nemen : een onweerstaanbaar charisma, een obsessieve neiging om de boel bij elkaar te houden en bovenal het gevoel voor diplomatie met een dwingend karakter. Van kindsafaan wist mijn nicht een sociale geslepenheid aan de dag te leggen waar Don Corleone nog een puntje aan zou kunnen zuigen. Als 8-jarige kwamen tijdens de 5 gangen van het kerstdiner al haar favoriete gerechten voorbij, omdat ze in de weken daarvoor de diverse tantes maar eens een belletje had gegeven met de strekking : “Goh tante [x], ik vind dat jij zo ontzettend goed bent in het klaarmaken van het gerecht [y], misschien is het een idee om tijdens het kerstdiner ook de rest van de familie daar op te trakteren?”

“Wat? Nee hoor, ik weet zeker dat iedereen dat lekker vindt, echt waar. Mama zegt ook altijd dat ze het lekker vindt. Dus het is geregeld?”

“Mooi.”

En daar zat ik dan als 7-jarige aan die grote tafel tijdens het kerstdiner. Met een bord voor mijn neus, waarop dingen lagen die ik allemaal even smerig vond.
“Sven is niet zo’n makkelijke eter” verontschuldigde mijn moeder zich tegenover de rest van de familie, toen ik weigerde om ook maar ergens mijn vork in te prikken.
“Nietes!” riep ik dan, “ik lust heel veel!” Ik somde een waslijst op.
“Die jongen moet gewoon vreten wat de pot schaft verdomme”, vloekte mijn vader, waarna hij mijn moeder toebeet : “jij verwent ‘m gewoon te veel.”
Dan greep mijn nicht in en zei meewarig glimlachend tegen mijn ouders : “ach, het geeft toch niet? Het gaat er om dat we samen zijn. Daar gaat het om met kerst, niet om het eten.”
En dan riep mijn Oma : “Dat is nog eens mooi gezegd! Ik zag het al toen ze net geboren was, ze is zo wijs!”
“Ja, het is ongelooflijk hoe wijs ze nu al is”, riep de hele familie dan.

Toeval of niet, maar in het drie jaar daarna was ik tijdens kerst altijd ziek. Lag ik tijdens het traditionele diner met hoge koorts in het kleinste slaapkamertje dat in mijn Oma’s huis te vinden was. Het enige wat ik kon was boeken lezen. En elk jaar weer strompelde ik terwijl ik beneden de glazen hoorde klinken, naar de boekenkast op de overloop. En daar trok ik dan steevast “Voetstapjes in de sneeuw” uit de schappen. Een enorm zielig verhaal over een verdwaald kind, met een happy end.
Beneden werd er gelachen, boven door mij stilletjes gehuild. Eerst van verdriet, daarna van geluk. Het waren de beste kerstavonden die ik ooit heb meegemaakt. Dat had mijn nichtje toch maar weer mooi voor elkaar gekregen.

Maar goed, daar had ik het allemaal niet over, ik had haar aan de telefoon.

“Ik maak me zorgen over Oma”, zei ze.
“Wie niet.”
“Ja natuurlijk, maar ik vind dat ze te weinig wordt bezocht, sinds ze in dat verpleegtehuis zit. Ze verpietert daar.”

“Ik weet dat we het allemaal druk hebben en dat het een kuteind is naar Arnhem”, vervolgde mijn nichtje, “maar er moet toch echt iets gebeuren.”

Ik wist nog altijd weinig te zeggen. Ze had gelijk. Uiteraard. En ik wist precies waar ze op aan ging sturen. Maar ik had er eerlijk gezegd niet zo heel veel trek in. Mijn Oma is ontzettend dement. Op 28 augustus, tijdens de verjaardagsbijeenkomst voor mijn moeder, voerde ik met mijn Oma het volgende gesprek :
“Hoe is het jongen, nog altijd aan het wandelen in de vakanties?” – mijn Oma.
“Nee Oma, ik fiets. Ik heb weer lekker cols beklommen deze vakantie. Echt een paar hele mooie gedaan, namelijk..”
“Ja, waren het mooie wandelingen? Hoe is het jongen, nog altijd aan het wandelen in de vakanties?”
“Ja, ook wel een beetje gewandeld de afgelopen weken, samen met L. vanuit Die naar Croix de Justin gelopen, u weet wel, die mooie..”
“Hoe is het jongen, nog altijd aan het wandelen in de vakanties?”
“Ja, inderdaad.”
“Dat is mooi. En hoe is het verder jongen, nog altijd aan het wandelen in de vakanties?”

En zo ging dat een uurtje door.

“Ik snap wat je bedoelt”, zei ik tegen mijn nichtje
“Mooi. Dat is dan geregeld. Welke data kan je allemaal?”
Voor ik het wist somde ik een waslijst op.

Parels voor de zwijnen

Afgelopen zondag stonden L. en ik met gemengde gevoelens op. Die middag stond ons een begrafenis te wachten. Een mooie begrafenis waarschijnlijk, dat wel, maar toch. Het prachtige poeziepodium in cafe Helmers, waarvan we de organisatie een paar jaar geleden hadden overgenomen van Lisan Lauvenberg, zou die middag zijn laatste editie beleven.
De eigenaars hadden er geen zin meer an. In hun argumentatie speelde het woord “kostenplaatje” een belangrijke rol.

Droevig zetten L. en ik om 2 uur vanuit onze woning de voettocht in richting het cafe. Een route die ons voerde dwars door de dichtersbuurt van het Amsterdamse Oud-West. Onder onze schoenzolen de geglazuurde tegeltjes met letters die zinsneden uit gedichten vormden, op de hoekhuizen de straatnaamborjes die oude poeten spelden. Ik droeg een versleten joggingbroek, een vale fleecetrui vol vlekken van fietskettingsmeer en dronk er een halve liter Albert Heijnpils bij. Shaggie tussen mijn vergeelde vingers met lange bruine nagels, waarvan de afgebrokkelde randen beschutting boden aan een zwarte onbenoembare substantie.
We liepen langs een benedenetage in onze eigen straat die al maandenlang te koop staat. Een meisje in mantelpakje met een hockeystaartje was net bezig het telefoonnummer van de verkopende makelaar in haar mobieltje te programmeren toen ze ons zag. Ze keek naar mijn handen, onderbrak resoluut haar werkzaamheden, stapte in haar cabriolet en vertrok met de Noorderzon.
L. en ik haalden onze schouders op en concentreerden ons weer op de wandeling in het algemeen en het kijken naar de geveltuintjes in het bijzonder, want als ze ergens mooie geveltuintjes hebben, dan is het wel in de dichtersbuurt van Oud-West. In de Bredero-straat spannen ze de kroon, daar zijn bijvoorbeeld nog altijd metershoge bloeiende zonnebloemen te ontwaren, maar ook in de Eerste Helmersstraat weelden de witpaarse sterren van de Passieflora tierig en hadden de Oleanders nog zwangere knoppen in petto. We leefden op.

Om half 3 liepen we cafe Helmers binnen. Zoals gewoonlijk was het nog altijd vreselijk rustig in het cafe. Acht gepubliceerde dichters op de affiche, gratis toegang, maar nog nul publiek. Of nou ja, eentje dan toch. Een vrouw van middelbare leeftijd met een groot kladblok in haar handen. Oranje trui, en ogen die als twee druppels water leken op die van wijlen Theo van Gogh. Met die ogen keek ze me doordringend aan en vroeg : “Weet jij wie dit gebeuren hier organiseert?”
“Ja”, zei ik, “dat weet ik wel.”
“Nou?” vroeg ze, terwijl ze de dop van haar Bic trok, “wie dan?”
“Ik onder anderen.” Een antwoord naar eer en geweten.
“Mooi”, zei ze, “Mijn naam is Jantien. Hoe heet jij?”

Jantien. In mijn brein sloeg een kerkklok op hol. Ik had die week het een en ander over haar gelezen op het weblog van de Contrabas en dientengevolge op de site Dichttalent haar eigen schrijfsels onder ogen gekregen. Tijdens dat lezen evolueerde verbazing langzaam tot een lichte fascinatie. Een manische mens, zoveel werd me wel duidelijk, maar ik raakte steeds nieuwsgieriger naar het antwoord op de vraag waardoor dat was gekomen.

En hier zat ze dan. Onze vooralsnog enige bezoekster. Ik stamelde wat. “Sven”, zei ik, “ik heet Sven.”
Precies vanaf dat moment stroomden de dichters binnen. En de bezoekers. En de presentatrice en de mede-organisatrice en websitebeheerster, en ex-organisatoren en redacteuren en barpersoneel en, en, en. En moest ik consumptiebonnen uitdelen. En ik moest instromende lastminute informatie inschatten en ik moest daardoor de volgorde van optreden omgooien, en ik moest en ik moest en ik moest. Zo gaan die dingen. De tijd vlak voor aanvang van het evenement is het spitskwartier in het leven van een organisator.
Maar daar had Jantien natuurlijk niks mee te schaften.
Blind voor de hectiek die mijn onmiddellijke aandacht vergde, bleef ze me als een pitbull vragen stellen.
Op zich niks mis mee, assertieve journalisten. En een goeie journalist zou uit het van dichtbij meemaken van de gebeurtenissen, gekoppeld aan mijn steno antwoorden, een mooi sfeerverhaal kunnen destilleren.
Maar Jantien is niet zo’n goeie journalist. Terwijl ik tussen het briefen van Erik Menkveld en Erik Lindner door, de presentatrice toefluisterde dat we misschien iets later zouden beginnen, brak Jantien in door te roepen : “ja, maar niet te laat, want ik wil wel op tijd terug naar Groningen.”
Zeldzaam.

Anyway. Het werd een prachtige middag. Met name Thomas Mohlmann ontroerde me, met zijn laatste twee gedichten over afscheid.
Robin Block sloot de middag, en daarmee “Dichters in Helmers”, gedenkwaardig af met een enorm spectaculair optreden. Met twee goede vrienden bracht hij meerstemmig verbaal vuurwerk dat het inmiddels bomvolle cafe totaal op zijn kop zette. Zelfs de reguliere gasten van het cafe, die altijd pas tegen het einde van het dichtersprogramma binnen komen lopen (met een doorgaans slecht humeur omdat ze die middag ergens anders voetbal hebben moeten kijken dan in hun stamcafe), waren danig onder de indruk. Met een donderend applaus werd een einde gemaakt aan een tijdperk.

Ik keek naar de eigenares. Ze keek terug. Toen liep ze naar me toe en zei : “misschien moeten we binnenkort toch nog eens om de tafel gaan zitten.”

Dus wie weet is het nog niet gedaan. En hoewel we waarschijnlijk nooit a la Robbie Williams vanavond, voor woekerprijzen toegangspolsbandjes zullen kunnen verkopen op de zwarte markt, hoop ik toch met heel mijn hart : wordt vervolgd.

Natuur

Het was zaterdag en i.t.t. wat Erwin Krol ons had beloofd regende het geen pijpestelen, maar staarden L. en ik vanuit ons bed verbaasd naar een zonovergoten balkon.
“Kut”, zei L.
“Tsja”, beaamde ik, “nu moeten we eruit. Anders is het zonde.”
We zwegen even.
“Als we vandaag niet gaan wandelen op de Veluwe, dan krijgen we later spijt”, peinsde ik hardop.
“Denk je?” piepte L. terwijl ze het dekbed wat strakker over zich heen trok.
“Zeker weten.”
Om het goede voorbeeld te geven, stapte ik kordaat uit bed en zette de balkondeuren open.
“Komt er in de verte niet een donkere lucht aan?” probeerde L. in een laatste poging haar dagenlang gekoesterde visioen (een stapel zaterdagkranten, een grote pot versgezette koffie en croissants uit de oven, te consumeren in de sponde met haar doorgaans zo drukbezette vriendje) te behoeden voor het opgaan in rook.
“Nee”, zei ik onverbiddelijk, “geen wolkje aan de hemel.”

Een uur later reden met onze ouwe trouwe Volvo 440 (The Red Horse) over de A2 en de A12 richting Arnhem.
“Waarom zijn we niet gewoon naar het Amsterdamse Bos gegaan?”, vroeg L., “dan hadden we nog een uurtje in bed kunnen blijven liggen.”
“Het Amsterdamse Bos is niet gezellig”, zei ik, “met die vliegtuigen en zo. Bovendien is het veel te klein, niet de echte natuur.”
L. schamperlachte en citeerde een strofe van Bloem over wat natuur nog was in dit land.
“Wacht maar”, zei ik, “de Veluwe is cool, zeker in de herfst.”

Aangekomen bij ons Nationale Park stalde ik The Red Horse en sleurde L. een aangelegen restaurant in. Als er een manier is om L. te lijmen dan is het haar te pas en te onpas trakteren op een koffie verkeerd, zoveel heb ik in de afgelopen jaren wel geleerd.
Na het begeleidende speculaasje te hebben opgesmikkeld hervatte ze met hernieuwde moed de tocht richting groen.
We liepen door een woud van Hollandse en Amerikaanse eiken.
“Wow”, zei L. en wees naar de eikels die her en der op de grond verspreid lagen, “hazelnoten!”
“Ja”, zei ik, “cool nietwaar?”
Iets verderop plukten we de laatste bramen van het jaar.
“Smaken ze?”, vroeg ik, maar dat hoefde ik niet te vragen. Synthetische lippenstift was overgeschilderd met natuurlijke.

We sloegen een paadje in waarvoor een piepklein verkeersbordje stond. Een wit schoteltje met een rood randje, gedragen door een stokje dat nog het meeste weg had van een sateprikker.
“Mogen we hier wel in?” vroeg L., “of geldt dat bordje alleen voor de kabouters?”
Zonder een antwoord af te wachten liep ze grinnikend verder. Ze had er inmiddels wel lol in, dat wandelen en zo.
Verderop werd de begroeing dichter en dichter, het paadje was al lang geen paadje meer en een doorsnee junglebewoner zou inmiddels een pauze hebben overwogen om zijn kapmes te slijpen.
Wij liepen door. Het werd donkerder en donkerder, ondanks dat de zon nog altijd volop scheen, zoals we blikkend door de schaarse open vierkante centimeters boven ons konden constateren.
“Misschien kunnen we toch maar beter teruglopen”, opperde ik.
“Ja”, zei L, “maar waar is terug?”
Dat was nog eens een goeie vraag.

Een grote zwarte bostor kroop over een van L.’s rode Tommy Hilfiger sneakers heen. Dat was misschien gezellig bedoeld, maar zo kwam het niet over op L. In een potentieel prijswinnende vrije kuur van troika-dansen en molenwieken trok ze een baanbrekend spoor door innig verstrengelde monstergewassen, sloeg ze een hectometers lang gat in decennia vrij spel van moeder natuur. Ik probeerde zo goed en zo kwaad als het ging te volgen. Zulks wordt nou eenmaal van je verwacht als man in voorkomende gevallen, daar moet je niet moeilijk over doen. Terugverende takken klapten striemen in mijn gezicht, brandnetels verlustigden zich aan mijn enkels en spinnen spartelden zich een weg door mijn slokdarm tot ik uiteindelijk tegen een metalen paal aan rende. Kloenk!
Duizelig keek ik om me heen. We waren weer in het open veld mocht ik constateren. Hoera! L. zat verderop op een steen haar sneakers te inspecteren.

“Gaat het?” riep ik.
“Jawel”, riep ze terug, “en met jou? Wat staat er eigenlijk op dat bord?”
Bord? Ik keek naar de paal waar ik zojuist tegenaan was gesprint. Inderdaad, er zat een bord op de paal. ‘Rustplaats voor grof wild. Streng verboden toegang’ werd mij gemeld. Reflexmatig spotte ik mijn directe omgeving op bronstige everzwijnen en losliggende poema’s.
“Nou?” vroeg L. oprecht nieuwsgierig.
“Niks!”, riep ik terug, “iets over dat we hier geen afval moeten laten rondslingeren.”

Na een uurtje bereikten we de begaanbare paden. We aanvaardden de terugtocht. Met de dalende zonne op de achtergrond vergaapten we ons aan een eeuwenoude metersdikke eik. Een romantisch boerderijtje lag in zijn kielzog.
“Hier zou ik best kunnen wonen”, zei L.
Op dat soort momenten hou ik nog meer van haar dan ik normaal al doe.