Politie

Zoals altijd als ik thuis kom van werk, las ik vanavond de column van Martin Bril in de Volkskrant. Vandaag ging het over zijn confrontatie met een agent. Meneer Bril was gesnapt tijdens het fietsen over een breed trottoir en werd onverbiddelijk op de bon geslingerd. Dat er in geen velden of wegen een voetganger te bekennen was geweest en Martin de manoeuvre had uitgevoerd teneinde een vrachtwagen te ontwijken die de doorgang op de openbare weg geheel en al versperde, deed niet ter zake. Zero tolerance is het credo van onze blauwe vrienden. Vooral als het om fietsers gaat.

Eerder die dag, op mijn werk, had ik de dagelijkse column gelezen van Max J Molovich op zijn weblog. Max berichtte over een soortgelijke situatie. In zijn geval ging het om een rood licht, bedoeld om overstekende voetgangers te beschermen, waar hij middenin de nacht doorheen was gepeddeld. Omdat er in 200 meter omtrek geen enkele voetganger aan het verkeer deelnam, meende hij zulks te kunnen flikken. Fout gemeend. De politie zette per direct de achtervolging in, om daarna volgens de overlevering de jongen met dienstpistolen het vuur aan de kuiten te leggen. En hoewel je de verhalen van Max zo ongeveer vanaf de eerste zin altijd met een containertje zout moet nemen, kan het geen kwaad te bedenken dat elk grappig bedoeld verzinsel wel degelijk een oorsprong kent.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben een lieve jongen, behoorlijk conservatief bovendien, maar sinds er meer blauw is op straat, voel ik me een stuk nerveuzer in onze hoofdstad. De politie is namelijk altijd op de verkeerde plekken. Op de veilige plekken. Op de grote doorgaande wegen staan ze fietsers te controleren op het voeren van voor- en achter-verlichting, bagage- en band-reflectoren, terwijl in de zijsteegjes bejaarden worden beroofd en in parken meisjes naar de bosjes worden gesleept.
Als ik in mijn lunchpauze langs de troosteloze flatcomplexen van de Bijlmer wandel, word ik om de haverklap door zwaar minderjarige meisjes en jongetjes gevraagd of ik gepijpt wil worden, terwijl de politie rond het immer drukke metrostation staat te controleren of fietsers wel afstappen op voetgangerspaden.

Een van mijn favoriete grappen komt uit de film “La Haine”. Een Franse documentaire-achtige film over het verval van de maatschappij. Hij gaat over drie vrienden van verschillende afkomst (twee allochtonen en een autochtoon) in een Parijse buitenwijk. Een van de drie vertelt een mop : Er springt een man van een wolkenkrabber. Tijdens zijn val roept ie richting de mensen in het gebouw : “Jusqua ici tout va bien!” (Tot nu toe gaat alles goed!).

Zoals ik al zei ben ik behoorlijk conservatief. Daarom stem ik al sinds ik daartoe gerechtigd ben Groen Links. Conserveren wat we hebben. Zoals de poolkap. Als we doorgaan op deze voet is ie in 2060 pleite, las ik vandaag in de krant. Net als de helft van Nederland dan waarschijnlijk, maar dat terzijde. De wereld zonder poolkap is als Calimero zonder eierschaal op z’n kop. Het verlies van de onschuld. Wat resteert is een harig zwart wezen. Is mijn mening.

En ook zou ik graag de politie terug hebben zoals ie was toen ik stemgerechtigd geraakte. Ik was 18, tussen Loekie de Leeuw door werd de agent gepromoot met de slogan “de politie is je beste vriend”.
Het was waar. Ik voelde me goed in de stad. En veilig.
Hedentendage heb ik dat minder. Ik ben het afgelopen jaar voor 6 ongelooflijk onschuldige vergrijpen (fietsen met een kapotte reflector, bankpasje ipv paspoort als getoond legitimatiebewijs, blikje bier in de hand tijdens een stadswandeling, etc) in de kraag gevat.

Het gaat allemaal zo geleidelijk en dat is tegelijkertijd verraderlijk.

In de Volkskrant van ongeveer 18 jaar geleden stond in de rubriek “Dag in Dag uit” (ook al weg) een tegenwoordig helaas haast ondenkbare anekdote. Kort samengevat : Ik fietste ‘s nachts door Amsterdam, achter me reed een politiewagen. Ik kwam een rood stoplicht tegen. Er was behalve die politieauto verder geen hond in de buurt. Toch stopte ik. Opeens hoorde ik de megafoon op het dak van de Volkswagen Golf krakende geluiden maken. Nee he, dacht ik nog, die gekken zullen me toch niet gaan beboeten omdat ik geen licht heb? Toen klonk de stem van de politieagent : “He slijmbal! Doorrije!!!”

Heimwee.

Ajax

Eindelijk weer eens een stukje, maar verwacht er niet te veel van. Ik ben nog altijd een beetje van de zieke. Raar hoef ik daar overigens niet van op te kijken, daar ik mijn gestel, dat snakte naar rust, de afgelopen week heb gesleept naar het soort evenementen dat mij traditioneel aanzet tot het roken van onverantwoord veel sigaretten en het drinken van suicidale proporties bier.
Waarom doe ik dat toch? Op de een of andere manier weigert het besef dat ik geen twintig meer ben zich permanent te nestelen onder mijn schedeldak. Wie gaat er nou, met de koorts in zijn lijf, een nachtje pilsjes kantelen met zijn ex-vrouw, als ie de volgende dag moet werken op de koop toe? Wie gaat er met heiende hoofdpijn naar een bundelpresentatie in een sauna? Wie gaat er strippen aspirines verzwelgend met een bus vol provincialen naar de Wallen om zich in te zuipen voor de wedstrijd Ajax-Arsenal?

Moi dus. Oud zal ik niet worden, Hazes zei het al.

Ajax. Met mijn twee veschillende beste vrienden (I. en M.) heb ik afgesproken dat ik in dit Championsleague-seizoen de uitwedstrijden kijk met M. in cafe Jan Steen, en de thuiswedstrijden met I. in de ArenA zelve.

Gisteren was het weer zo ver. De ArenA. I. woont in Kerk-Avezaath (gehucht naast Tiel) en reist op Champions-league-dagen af naar Meteren (ook een gehucht in de buurt van Tiel), waar een groep uit de kluiten gewassen arbeiders zich verzamelt in jeugdhonk Medusa om, na wat gesubsidieerde kratten bier soldaat te hebben gemaakt, per touringcar af te reizen naar “d’ne grot’ne stadt”. Ze worden met toegangsbewijzen voor de ArenA in ZuidOost, vroeg in de middag afgeleverd in het centrum, en wel bij cafe de Stoof, op de hoek van een zijsteeg van de Oudezijds Voorburgwal. Aldaar lappen ze allemaal 100 euro en wordt er gevoeglijk nog maar eens een stevige pils gedronken.
Tegen de tijd dat ik er doorgaans zelf arriveer, zo rond 4 uur (per metro vanuit mijn werk), valt er geen normaal woord meer te wisselen met mijn Betuwse geboortegrondgenoten. Praten is verleerd, af en toe een half refrein meebrouwelen met een Hazeshit, daar blijft het bij. Hun ogen proberen me sporadisch aan te kijken, maar dwarrelen dan al snel weer glazig richting de etalages aan de overkant van de steeg, waar allochtone schones in string met suggestieve gebaren blijkbaar de wildste fantasieen van de in het normale leven toch zulke brave huisvaders weten te prikkelen.
Mij rest niets anders dan ook een bedrag in de pot te deponeren om zo snel mogelijk te kunnen assimileren. Want nuchter blijven onder dergelijke omstandigheden, dat zou je je ergste vijand nog niet toewensen. Een voor een zie ik de mannen achter dichtschuivende gordijntjes van de overkant verdwijnen.

“Meer dan 70% haalt doorgaans uiteindelijk het stadion niet”, lispelt vriend I. me toe, nadat we zo rond 8 uur als balletjes de kroeg uit zijn gerold en een poging wagen om een taxi aan te houden.
Ik knik.

Wij halen het wel. Op de tribune begroeten we het handjevol diehards uit onze regio dat het ook heeft gered.
Tijdens de wedstrijd valt vriend I. in slaap. Zelf ben ik tijdens het enige Ajax-doelpunt net even pissen. Als de scheidsrechter het eindsignaal uitblaast schrikt vriend I. wakker. “Wat is het geworden?” vraagt ie.
“Verloren”, zeg ik.
“Kut.. Met hoeveel?”
“2-1, geloof ik”
“O.. Dat valt wel mee.”
“Tsja.”
“Gewoon twee keer winnen van Thun”, zegt I., “dan gaan we door.”
“Appeltje, eitje”, beaam ik en slik nog maar eens een aspirine.

Net als alle andere mannen zullen we op verjaardagsfeestjes blijven vertellen dat je, om voetbalwedstrijden op zijn mooist mee te maken, er live bij moet zijn geweest. Anders telt het niet.

Het is wel waar.

Communikapituleer

Ik ben nog steeds ziek, maar gisteren toch weer gewoon aan het werk gegaan. Dit uit sociale overwegingen, solidariteit met mijn collega’s. Ik had er vandaag alweer spijt van. Gutsend van het zweet en trillend van vermoeidheid nam ik vanmorgen plaats achter mijn bureau. Direct stonden er drie marketeers in mijn nek te hijgen met nijpende problemen die met bloedspoed dienden te worden opgelost. Kreunend noteerde ik hun klachten, startte mijn PC op en terwijl die zich ratelend prepareerde op de arbeidsdag, keek ik uit het raam : de zon.
Fuck, dacht ik, als ik thuis was gebleven had ik de balkondeuren open kunnen zetten, me door L. een vers kopje thee en een beschuit met aardbeien kunnen laten serveren om vervolgens samen in bed bijvoorbeeld uitgebreid de Volkskrant te lezen.

Later op de middag zouden we dan verkassen naar het dakterras met een stapel boeken en tijdschriften. Dan waren we erg gelukkig geweest. L. op de stretcher, ik in de hangmat en glaasjes aan ons beider zijde met parapluutjes erin.
Daarna was de bel gegaan, een controlerend arts van de ARBO-dienst. Ik had ‘m boven gelaten, op het dakterras, en gezegd : “Kom erbij, als u wilt mag u in de hangmat liggen. Blieft u misschien ook een Spa fruit zonder toegevoegde suikers?”
En dan had de ARBO-arts het tafareel aanschouwd en gezegd : “Wat zullen we nu beleven, ik dacht dat u ziek was!” En dan had ik gezegd : “Dat ben ik ook. Ik heb nog steeds koorts, voel maar..”
En dan had hij gevoeld en gezegd : “Verrek, u heeft gelijk. Weet u wat? Doet u mij inderdaad maar zo’n Spa fruit, zonder toegevoegde suikers. Hebben jullie toevallig ook de oranje variant?”
“Jazekers!”, zouden L. en ik grijnzen.
“En mag ik echt in de hangmat?”
“Natuurlijk.”
“Jottem!”

Dat zat ik allemaal te fantaseren terwijl ik vanuit de burelen van de ABNAMRO naar de daverende zonne staarde. Na 2 minuten was mijn PC uitgerateld. “Nu is het jouw beurt”, wilde hij daarmee zeggen : “aan de arbeid!”

Ik arbeidde, arbeidde en arbeidde. Uitgeblust strompelde ik om 12.00 het kantoor uit, in een poging het begrip lunchpauze luister bij te zetten. Een onderneming die rond dat tijdstip gedoemd is te mislukken. Er stonden zoals gewoonlijk Oostblokrijen voor alle broodjeszaken die winkelcentrum de Amsterdamse Poort rijk is. Dus opteerde ik maar weer voor de MacDonalds, waar ik zakelijke kennis heb aan een kassameisje. Een Surinaamse Big Mama met koperrood suikerspinkapsel die, zodra ze me de schuifdeuren binnen ziet lopen, dwars door de rijendikke mensenmassa komt aanwaggelen met een simpele hamburger, waarvoor ik het verschuldigde geld dan gepast in haar beglitterde klauw deponneer. Aangezien de hamburger nu al wekenlang Euroknaller is, vergt dat niet al te inspannende chartale voorbereidingen mijnerzijds.
Na de transactie glimlachen we even lief naar elkaar, dan draaien ons om en gaan ieder ons weegs. Het is het onbetwiste hoogtepunt van mijn werkdag.

Ziek

Lekkere jongen ben ik. Beloof ik anderhalve week geleden dat ik weer volop logjes ga schrijven, volgt er prompt een megalange radiostilte.
Maar ja. Ik ben ziek. En goed ook. Niet ongeneeslijk ofzo, althans niet voor zover ik weet, maar er zijn gemene bacterien die me stevig bij de kladden hebben. Ik en ongedierte, het is bepaald geen pais en vree tussen ons, de laatste tijd. Met knotsende koppijn en gierende koorts heb ik Appelpop gedraaid (80.000 bezoekers volgens de Gelderlander, een nieuw record!) en daarna ben ik totaal ingestort.

Op mijn werk konden ze daar niet zo mee lachen. Het is gigadruk en logischerwijs werd ik verdacht van schoolziekte, of hoe noem je dat als je een baan hebt. Elke dag werd ik gebeld. Met de vraag of ik dacht dat ik de volgende dag misschien weer aan de arbeid zou kunnen gaan. Rillend onder drie dekbedden, badend in een meer van ijskoud zweet stamelde ik dan tegen beter weten in een “misschien” door de hoorn. Bang als ik ben voor gezag. Toch heb ik met die “misschiens” geen vrienden gemaakt. Integendeel.
“Is het nog steeds heel druk?” vroeg ik op een dag met mijn ijlende kop.
“Ontzettend.”
“O..”
“Wat denk je? Ben je er morgen weer gewoon?”
“Misschien..”
Het heeft mijn zaak vermoedelijk geen goed gedaan.

Ook in mijn prive-leven is waarschijnlijk alles in de soep gelopen. Emails heb ik grotendeels onbeantwoord, rekeningen onbetaald en voicemails onbeluisterd gelaten. Op donderdag heb ik even mijn moeder gebeld.
“Is er nog iets bijzonders gebeurd?” vroeg ik.

“Neuh”, zei mijn moeder.
“Ook niet in de wereld?” vroeg ik.
“Hoezo?”
“Ik heb al dagen geen krant meer gelezen of journaal gezien. Is het nog geen oorlog intussen?”
“Hier niet”, zei mijn moeder, “wel ik Afrika geloof ik.”
“O..”, zei ik.

Niet veel later legden we neer. L. schonk een kopje thee voor ons in (L. is overigens ook ziek). Hoestend en niezend namen we er een Madeleine bij. En nog een Madeleine. Proustje spelen. Je moet iets als je ziek bent.
“We hebben het zwaar”, zei ik.
“Wat je zegt”, zei L.
Bij het volgende kopje thee namen we een stukje gevuld speculaas.
“Belachelijk”, zei L., “dat ze dat nu alweer verkopen, het is godbetert pas september. We hebben nog niet eens alle paaseitjes op.”
“Ik vind het niet erg”, zei ik, “wat denk je, zullen we bij het volgende kopje een stukje banketstaaf nemen? Of is dat zielig?”
“Hoezo?” vroeg L.
“Nou ja”, zei ik, “in verband met Afrika en dergelijke.”
“Ach”, zei L. , “in Afrika lopen ze in de bosjes allemaal met banketstaven te…”
Ze kreeg niet de gelegenheid om de zin af te maken, want ik proestte mijn halve kop thee over haar heen.

Ziek zijn is best grappig. En gezond, voor iemand zoals ik. Een weekje wat minder drank en sigaretten kan natuurlijk geen kwaad. Soms denk ik : als ik niet afentoe ziek zou zijn, dan was ik allang dood.

Maar om een lang verhaal kort te maken : nog even geen dagelijkse stukjes. Als ik weer helemaal gezond ben zal ik mijn leven beteren.

Appelpop

Lieve lezers, er valt goed nieuws te melden : de vlooien lijken op zoek te zijn naar de witte vlag. Ik verwacht rond begin volgende week weer normaal mijn dagelijkse logjes te kunnen schrijven vanuit mijn paradijselijke eigen woning.
Dit weekend is het echter nog even sappelen geblazen : ik bivakkeer thans op het terrein van een popfestival.
In Tiel…

Aan de andere kant : het gaat hier om de heilige grond van het meest onderschatte popfestival van Nederland : Appelpop. Het festival dat ik (mede-) organiseer.
14 jaar geleden zijn we er mee begonnen.Vanuit onze stamkroeg, de Stoof. Vrachtwagentrailertje laten aanrukken en zelf onder 3 verschillende namen met ons eigen bandje praktisch het volledige programma gevuld. We trokken zo’n 50 bezoekers, voornamelijk familie en vrienden. Van de winst op de 500 drankjes die ze dronken hebben we het jaar daarop een “echt” bandje gecontracteerd, plus Curtis Night, een knakker die ooit eens samen met Hendrix heeft gespeeld. Met name dat laatste vonden wij wel cool en dat hebben we publicitair dan ook niet bepaald onder stoelen of banken gestoken. Gevolg : 500 bezoekers. De drankomzet werd navenant vertienvoudigd.
Het jaar daarop van die omzet een “grote” Nederlandse act (de Gigantjes) weten te strikken en tsja. Toen begon het dus echt te lopen : 3000 bezoekers.
Enfin, op het gevaar af dat dit verhaal gaat klinken als een succesverhalend spammailtje dat jullie ergens in moet laten trappen, wil ik toch niet onvermeld laten dat we tijdens de laatste editie van Appelpop 60.000 bezoekers hebben getrokken. Dat zijn meer mensen dan Pinkpop over de vloer weet te krijgen. En dat vinden ze hier in de Betuwe ontzettend stoer.

En ik ook.

Vanavond ben ik gearriveerd op het festivalterrein, waar een ploeg van zo’n 300 vrijwilligers al een week lang bezig is geweest om diverse tenten van het formaat stadion op de klei te planten. Waanzinnig om het resultaat te zien.
Met mijn oude verrotte rode Volvo 440 reed ik vanavond om half 10 de artiesteningang binnen. Ik begroette Remco, de voormalige beroepsmilitair die fier de wacht hield. Remco heeft zich al sinds jaar 1 opgeworpen als hoeder van de veiligheid. Wij van de organisatie kunnen er altijd wel om lachen, die absurde militaire protocollen die hij er op na houdt, bij de securityploeg, waar hij de leiding over heeft. Onze argeloze vrijwilligers worden onderworpen aan trainingen waar de personages uit Full Metal Jacket nog een puntje aan kunnen zuigen. Maar het werkt wel. Appelpop is al 14 jaar het veiligste grootschalige popfestival van Nederland.

En nu zit ik dus in de Media-unit. Een prefabkantoor dat gesitueerd is op het backstagegedeelte van het festivalterrein. De allermodernste techniek gecombineerd met groot comfort. Deze media-unit heeft een veranda en een dakterras die beiden uitzicht bieden op de meanderende Waal. Flatscreens, wireless internet en uiteraard is de biertap binnen handbereik en liggen de gerookte zalmen en palingen eetgereed in de koelkast.

Morgen gaat het festival daadwerkelijk van start. Dan komen de bandjes. Helaas krijg ik daar de laatste jaren niet zo veel van mee. Ik ben eindverantwoordelijk voor het belangrijkste : de cashflow. Voor de geldstromen. Morgen gaan er vele eurotonnen door mijn vingers, die ik moet controleren, accorderen en uiteindelijk onder begeleiding van 3 politie-wagens en 10 door Remco meegestuurde auto’s met zwaarbewapende ex-militairen moet afstorten bij het plaatselijke filiaal van de Rabobank.

Het is weer eens iets anders dan een poeziemiddag organiseren, zal ik maar zeggen.

Ik heb er zin in. Tot snel.

Groot denken

Ik bivakkeer nog altijd in de grachtengordel, bij L, alwaar ik bescheiden kwartier heb gemaakt. Of hoe zeg je dat fraai? Ik bedoel als je op andermans wastafel permanent een halve vierkante decimeter in beslag neemt met je eigen tandenborstel en favoriete merk tandpasta (McCleans) en daarnaast een stoel hebt geconfisqeerd om een aantal overhemden en pantalons over te drapperen.

Klinkt best onschuldig, nietwaar? Een soort van pril romantisch samenwonen. Natuurlijk zijn er voor L. ook schaduwkanten aan mijn verblijf; de koelkast is volgestouwd met halve liters Albert Heijn-pils en alle asbakken op haar etage zien er inmiddels uit als royaal bedeelde porties grauwe friet. Maar daar staat tegenover dat ik ondanks haar vooroorlogse tweepitsgasstel, ons dagelijks een ultra-gezonde maaltijd weet voor te schotelen, waarbij exotische groenten, verse visjes en exquise wijn een grote rol spelen. Waarna we erg veel zin krijgen om “iets aan de liefde te gaan doen”, om met Hemingway te spreken.

Het is best vol te houden zo en vandaag op mijn werk vroeg ik me af : waarom werk ik me eigenlijk dagelijks de spreekwoordelijke tyfustering voor die klotenhypotheek van mijn eigen etage, als ik ook gewoon kan verkassen naar de woning van mijn vriendin?

Het zal de paniek zijn allicht, kortzichtig vluchtgedrag, geinitieerd door de vlooienplaag die mijn eigen huishouden bestiert, maar het zorgde er wel voor dat ik vanmiddag op google eens ging zoeken naar mogelijkheden om te stoppen met werken. Want, mijn lieve lezers, voor zover jullie het nog niet in de smiezen hadden : ik haat mijn werk. Of niet eens zozeer mijn werk zelf, maar meer het soort mens dat van 9 tot 6 in kantoren pleegt rond te hangen. Mijn werkomgeving dus eigenlijk, en dan vooral in de sociale zin van het woord.

“Thuiswerken”, type ik in. “+ Oracle”, want dat is nou eenmaal het vakgebied waarin ik gespecialiseerd ben.
Welgeteld nul bruikbare hits vielen mij ten deel. Tot mijn verbazing haalde ik opgelucht adem.
Ik liep naar het aqarium, de rookruimte van de ABNAMRO. Aldaar lazen collega’s de nieuwste editie van de Computable en praatten ze over software-upgrades en conversietrajecten, in hun bruine pantolons, lichtpaarse overhemden en guitige stropdassen. Want zo worden ze gekleed door hun eega’s. Vinden de eega’s “fris”, “vrolijk”, “weer eens heel iets anders dan dat saaie antraciet waar je baas in rondloopt”.
Niet-leidinggevende ICT-ers zijn de slechts geklede mensen op aarde. Onbewust voelen ze dat aan, en om hun ellende te verzachten vreten ze vijfgangenlunches weg. Soep, Shoarmaschotel, gezonde Bavarois als toetje, toch nog maar een shoarmaschotel en, vooruit, een ijsco. Elk half jaar moeten hun eega’s grotere bruine pantalons kopen en een geupdate boordmaat in hun geheugen prenten. Het is een trieste wereld.
Zuigend aan een Marlboro bedacht ik : Weg! Ik moet weg hier! Weg uit de ICT. Ik ben gvd dichter! Ik kan ook andere dingen! Daar moet toch op de een of andere manier geld mee te verdienen zijn? Desnoods ga ik workshops geven.
“Dichten + workshop”, typte ik in op google. Ik leerde dat ik eventueel 10 euro per deelnemer per workshop zou kunnen vragen. Zwaar te weinig om zelfs maar de helft van mijn huidige salaris van 150 euro netto per werkdag te benaderen.
Ook met tekstschrijven en vertalen zou ik niet ver komen. Ik werd moedeloos. Zelfs na een acquisitieronde met 100% aan succesvolle respons zou ik met 40 uur arbeid per week mijn huidige vaste lasten niet kunnen financieren.
Het was ondoenlijk : mijn queeste naar een baan met de helft aan materiele beloning, maar het dubbele aan spirituele, was mislukt. Ik voelde me verslagen. Ik zou mijn leven lang gedoemd zijn om tussen 9 en 6 mijn, ahem, talent te verspillen aan het robotistisch intikken van computercodetaal.
Uitgeput typten mijn vingers een laatste wanhopige zoekvraag in op google : “veel geld verdienen”. De achterliggende gedachte kwam voort uit die reclame waarin de een of andere mislukte dronken yup zegt : “je moet groot denken”, waarna zijn nuchtere, meer snuggere businesspartner op het lumineuze idee komt om uitzendbureau Randstad in te schakelen. In deze setting was ik dus die eerste figuur en kon google wellicht die tweede persoon representeren.

Het werkte. Om kort te gaan : ik heb een idee aangereikt gekregen dat me hoop geeft. Een idee waarmee ik aan de slag kan, en bovenal een idee waarmee ik voorlopig mijn onrust kan sussen. Gevoelsmatig kan ik het me veroorloven om eenieder die op toekomstige partijtjes mijnersijds komt aanzetten met een guitige stropdas, te trakteren op een linkse hoek, op de voet gevolgd door mijn rechtse directe.

Wat niet wegneemt dat ik me morgenochtendvroeg weer tussen de schare zal voegen.
Maar ondertussen broeit het. Ik heb me vastgebeten in een idee. Ik denk. En ik denk groot.