Zomergasten

Mijn vorige logje was getiteld : “Nog even geduld aub”. Krek zo eindigde de laatste aflevering van zomergasten, gisteravond.

Helaas hebben mijn eigen zomergasten zich nog altijd niet laten verjagen. De invasie van vlooien is overdonderend, ze blijven maar komen, als ware mijn woning het strand van Normandie tijdens de langste dag van de vorige eeuw.
Ik heb het nieuwste model stofzuiger ter beschikking en tevens spray ik nog altijd dagelijks een steeds grotere dosis gifgas over de enclaves van eitjes en larven uit, er is zolangzamerhand een maandsalaris in gaan zitten, maar het resultaat is ontmoedigend. Daar waar ik er niet gek van zou opkijken als er zolangzamerhand diverse buren zijn, die met onbestemde aandoeningen aan vitale organen het bed moeten houden, dansen mijn vriendjes vlo ondertussen de horlepiep. Ze lachen zich tranen om mijn spuitbussen. Het is een hoog ontwikkelde diersoort, zoveel is me inmiddels wel duidelijk. Ze evolueren en muteren in dusdanige minieme fracties van tijd, dat de mens op termijn niets anders zal resten dan een degradatie tot het fossiele bestaan.
Het kan zijn dat ik gek aan het worden ben, maar ik meende dat ik vandaag voor het eerst een doorzichtige vlo ontwaardde. Vorige week was het leeuwendeel nog pikzwart, halverwege deze week doken de eerste bruine, zeg maar colakleurige exemplaren op. Vanavond stelde ik vast dat ik in mijn kuiten werd gebeten door een springende splinter plexiglas.
Fascinerend, dat wel. De kopjes van al mijn planten hangen op half zeven, de vlinders die er in juli nog zo vrolijk op los dartelden zijn ver te zoeken, bijen en wespen zoeken verward hun heil in de nepbloemen van de buurvrouw, twee dakterrassen verderop. De bruine duiven cirkelen geen rondjes meer, maar zitten wankelend in de dakgoten aan de overkant en staren wazig voor zich uit.
Dat wat eens een hooggelegen groene oase, de lagune van Oud-West was, is verworden tot ground zero, een massagraf dat vecht voor een zo spoedig mogelijke steriliteit.

Iets anders. Er heeft veel tegen gezeten de laatste weken. Dingen die erger zijn dan een vlooienplaag. Ook dingen die minder erg zijn dan een vlooienplaag, maar die me toch meer deden. Misschien dat ik daar nog over schrijf als ik weer normaal thuis kan zitten.

Nog iets anders. Ik wou dat vlooien konden spinnen. Dat je ze over hun kop kon krabbelen en dat ze dan “prrrr” zouden repliceren. Dan hadden ze wat mij betreft mogen blijven. Met z’n miljoenen. Miljarden.
Nu vind ik ze intelligent en gemeen. Een vervelende combinatie van eigenschappen, die al sinds jaar en dag voorkomt bij mensen. Vooral bij de succesvolle soort.

Morgen koop ik een nieuwe lading spuitbussen. Ook ik, Brutus, ook ik.

Nog even geduld aub

Afgelopen dinsdag hoorde ik om 8 uur ‘s ochtends op Amsterdam CS de wind mijn naam roepen. Daarna klonk er een stem die zei : “je bent weer terug!”
Ik draaide me om en keek in de ogen van Bas Belleman.
“Hoi”, zei ik, nadat ik wat restjes slaap uit mijn gezicht had gewreven.
Bas daalde met me mee de roltrap af richting metro. “Ga je binnenkort weer verder met je weblog?”, vroeg ie.
Ik mompelde : “euh…ja…Tuurlijk!”

Lieve lezers, ik ben alweer een paar dagen in het land en sinds maandag zelfs weder aan de arbeid, maar heb nog altijd geen vers logje geschreven.
“Schande!” hoor ik jullie nu massaal uitroepen vanachter jullie PC’s in jullie knusse huisjes.
Ik moet bekennen dat ik me die reactie wel kan voorstellen. Toch wil ik graag iets ter verdediging aanwenden : ik kan vooralsnog mijn woning niet in. Dat wil zeggen : niet zonder dat ik ritueel word geslacht door een bataljon van 250.000 vlooien. Want zoveel zijn het er, leerde ik vandaag op internet. Tien lousy insectjes kunnen zich in 3 weken tijd tot een dergelijk duizelingwekkend aantal multipliceren. En morgen zijn het er dus nog eens een paar miljoen meer. Het zijn verraderlijke wiskundige wetten die moeder natuur er op na houdt.

Begrijp me niet verkeerd, ik doe er alles aan om de krakers te ontruimen. Of liever gezegd : te killen. Sinds zondag heb ik dagelijks een steeds onverantwoordelijkere dosis bestrijdingsmiddel van het Kruidvat over mijn schattige interieur uitgespoten, om daarna zelf met braakneigingen dizzy het pand te verlaten. Maar vooralsnog wil het niet baten. De ploerten zijn waarschijnlijk resistent, immuun voor het Kruidvatspul, las ik vandaag, tevens op internet.
Op naar de specialistische dierenwinkel dus maar, wat nog een hele tour is, als je geacht wordt van 8.30 tot 17.00 nonstop in een afgelegen kantoorpand te bivakkeren. Dat wordt dus van het weekend.

Ondertussen is mij dankzij de speurtocht op internet wel een ouderwetse truc onder ogen gekomen. Eentje waarvan ik hoop dat de vlerken er massaal inmarcheren : zet in de nacht in elke ruimte een teiltje water neer, leng het water aan met afwasmiddel en slaolie en plaats vervolgens een kaars/lichtje in het midden van dat teiltje.
Op een omgekeerde beker ofzo, vermoed ik, dat staat er verder niet bij, zulks wordt overgelaten aan het improvisatievermogen van de snode massamoordenaar in spe. Anyway, de vlooien komen af op dat licht, springen in het teiltje en verzuipen. Vergeet vooral het afwasmiddel en de slaolie niet, want in gewoon water blijven ze drijven, zwemmen ze naar de teiltjeswand, klauteren naar boven en leggen weer zo’n 50 eitjes per dag op de parketvloer. Eitjes die na 36 uur larven worden, die kruipen naar moeilijk bereikbare spleten en kieren waar ze zelfs met de sterkste stofzuiger niet uit te zuigen zijn.

Maar goed, we logeren dus vooralsnog op ons uitvalsadres, L.’s etage in de grachtengordel. Dat klinkt misschien luxe, maar dat is het niet. Zo ontberen wij een werkende douche, een fatsoenlijke computer en een functionerende internetverbinding.
Eigenlijk is het gewoon nog steeds een beetje vakantie.