On a break

Het is zover. Morgenochtend vroeg ga ik op vakantie. Na 128 dagen praktisch elke 24 uur een stukje te hebben geschreven, zal ik nu een poosje verstek moeten laten gaan. Ik bedoel, ik ben niet zo’n freak die met zijn mobiele telefoon en laptop in de weer gaat om op Franse campings een internetverbinding tot stand te brengen teneinde een logje te plaatsen. Excuses daarvoor, mijn dierbare lezers.

Wel zal ik misschien, als het bloed kruipt waar het niet gaan kan, heel afentoe een internetcafe opsnorren. En verslag doen van.. Tsja van wat eigenlijk? Ik bedoel dat ik niet van zinnens ben om uitgebreid uiteen te gaan zetten welk een heerlijke streekgebonden gerechten ik allemaal heb gegeten, of op te gaan sommen welke boeken L. en ik de afgelopen dagen hebben gelezen. Wees gerust, als ik iets schrijf, dan zal het verteerbaar zijn. Anyway, houd het in de smiezen zou ik zo zeggen.

Maar als je zo iemand bent als ik, die sommige weblogs leest als dagelijks brood (MerelRoze.com, vandenB.com -hoewel die laatste (tijdelijk?) lijkt te zijn gestopt), dan is er altijd nog het archief. Grasduin er vrolijk doorheen, daar is het voor.

Het is al laat. Ik moet stoppen, want L. kan niet kiezen welke jurkjes ze mee zal nemen, ze klinkt gespeeld wanhopig.
En ik, ik vind het fijn dat ik haar nu mag helpen om mijn favoriete exemplaren te selecteren.
Het wordt een mooie vakantie.

Ook omdat er eerder deze dag door het huis een ongekende vreugdekreet schalde. L. heeft ‘t ‘m gelapt. Ze staat met haar bijdrage voor de sonnettine in het Parool. Niet als winnares, maar wel als eerstgenoemde runner-up, onder haar pseudoniem R.S. Ze is helemaal gelukkig. En niks beters dan een gelukkige vrouwe.

Tot later.
Liefs,
Sven.

Afscheid

Ik steven langzaam maar zeker op vakantie aan. Het is een periode van afscheid. Afscheid van Wilson en haar eerstgeborene, die de komende drie weken bij mijn ex-vrouw zullen logeren.
Afscheid van mijn gladiolen op het dakterras, die op springen staan, maar die de komende drie weken tijdens hun hoogtepunt mijn “Oh’s! en Ah’s!” zullen moeten missen.

Verwacht vandaag geen normaal stukje. Ik ben naar de vaantjes. Ik kom zojuist bij mijn ex-vrouw vandaan, en een avond met haar staat garant voor een dosis drank waar Hazes bleek van zou worden.

Ze kwam vers terug na een kwartaal in Cardiff te hebben verbleven. We hebben bijgepraat, terwijl we ieder een helft van de bestelde vegetarische pizza aten.

We hebben foto’s gekeken.
Shaffy geluisterd.
En Bowie natuurlijk.

We namen alles en iedereen door, trokken aan de lopende band Stella’s open en grinnikten afentoe om de eerstborene als ie weer eens z’n verzopen kop opstak, na in een verdwaalde gieter te zijn gedonderd.

Na een paar uur praten en drinken zei ze : “Je ziet er moe uit. Je moet gaan slapen.”
Ik zei : “Daar kon je wel eens gelijk in hebben.”

Slingerend met twee lege kattenmanden koerste ik richting Wilhelminastraat. En dacht : er is weinig mooier dan je ex-vrouw als beste vriend.

Cooling down

Het is nog een beetje onwerkelijk, maar vanaf vandaag ben ik 24 dagen vrij. VRIJ. Ik voel me een kanarie, in een kooi waarvan zojuist het deurtje is open gezet.
“Huh?” zegt zo’n kanarie, waarna hij zenuwachtig in zijn veren begint te pikken.
Een uur lang spiedt hij angstig om zich heen. Dan neemt ie een besluit. Hij drinkt nog wat water, snaait wat laatste zaadjes uit zijn voederbakje en hipt naar de poort.
“Fuck it”, zegt de kanarie, “waarom ook niet?” en vliegt uit.
Een uurtje later is hij dood. Het kan door een ventilor zijn, een aan het oog ontsnapte kat, maar meestal is het gewoon het overweldigende gevoel van vrijheid dat hem een fatale hartaanval bezorgt.

Ik zou niet de eerste overspannen arbeider zijn, die eenmaal op vakantie, direct de pijp uit gaat. Verse pensioengerechtigden kunnen er trouwens ook wat van. Of topsporters, die hun carierre abrupt beeindigen.

Aftrainen is het parool, cooling down. Ik heb gelukkig de komende dagen nog genoeg stress voor de boeg. Daar is over nagedacht, ik ben geen debiel. Mijn to-do-lijst voor de komende drie dagen beslaat 5 A4-tjes, meer dan 200 items. Natuurlijk staan daar makkelijke, zeg maar gerust lullige dingen op als “koffiefilters kopen”, maar ook zaken als “optreden in Oostende” en “L. begeleiden met inpakken”. Vooral dat laatste kan nog wel eens een hele toer worden.
Zelf ben ik een sober mens, als het om vakantie gaat. Een tandenborstel en een wielrenfiets, plus wat interessante romans, daarmee heb je mijn bagage al voor 90% geinventariseerd. L. heeft een ietwat andere inslag. Noem het vrouwelijk, noem het Marokkaans desnoods, maar altijd rijden we weg met een auto die nog net niet door zijn assen zakt.

“Drie weken is ook heel erg lang”, luidt steevast haar verdediging.
“Goed, maar waarom meer dan 100 boeken?” vraag ik dan.
“Er zitten veel dichtbundels tussen, die wegen toch niks.”
“Okay, maar die winterjas? Het is juli/augustus en we gaan naar Frankrijk!”
“Je weet maar nooit.”
Geen speld tussen te krijgen. Waarschijnlijk zal ik ook deze zondagochtendvroeg, het geheel weer zuchtend in onze Volvo stouwen. Ik maak me geen illusies. Ik ben veel te blij dat ze uberhaupt meegaat.
Dat ze erbij is als ik uitgestresst en al, sterf, dobberend op een luchtbed, in mijn favoriete rivier, de Roanne.
“Zie je wel!” zal ik dan vanuit het hiernamaals roepen, “zie je hoe zwaar ik het moet hebben gehad!”
Ze zal huilen. En ik zal ook huilen. En spijt hebben. Spijt van dat ongelooflijke kutwerk dat ik al tien jaar doe.

“Als je wilt dat L. verandert, dan moet je het eerst zelf”, zou de psychologe uit het EO-programma “in voor- en tegenspoed” zeggen (een aanrader! L. en ik slaan geen uitzending over).
Het beroerde is echter : ik wil niet dat L. verandert. Ik wil graag veranderen. Is er een psycholoog die me kan garanderen dat L. dan hetzelfde blijft?

Troost

Toen ik net naar boven liep, om plaats te gaan nemen in het glazen hok op mijn dakterras, ontwaarde ik een zwart paard op de trap. Daarna een witte. Toen een koning, een koningin en nog iets verderop een hele zwik pionnen. De jonge katjes hadden blijkbaar de spelletjesafdeling ontdekt in mijn stellingkasten.
Jeetje, dacht ik, dat is lang geleden : schaken.

Ooit was ik een van ‘s Neerlands grootste beloften. Toen ik 11 was vierde ik grootse triomfen, ik veegde iedereen die op mijn pad kwam van het bord. Mijn opmars begon tijdens het schoolschaakkampioenschap van de Betuwe. Ik was aanvoerder van het 4-mans-team van de Prinses Irene-school uit de ‘hoofdstad’ Tiel en won tijdens dat toernooi alle prijzen die er te winnen waren.
Het leukste vond ik dat je voor iedere prijs een cadeau van de cadeautafel mocht kiezen. Bij de bekendmaking van mijn eerste titel, die van “beste speler”, koos ik uiteraard voor de elektrisch bestuurbare race-auto. De overige 200 deelnemers konden me vanaf dat moment meteen al niet meer uitstaan. Toen ik er middels titels voor “de winnaar van de mooiste partij” en “de eerstebord-speler van het winnende team” ook nog eens met de coole sporttas en het intrigerende bordspel Agvato vandoor ging, verwerd ik tot paria.
Het kon me geen fuck schelen. Ik had gewonnen! Grijnzend nam ik de wisselbeker in ontvangst uit de handen van de wethouder. “Klik”, zei het toestel van de fotograaf van de Gelderlander, waarin mijn smoelwerk de volgende dag prijkte op de voorpagina van het 2e katern. Mijn naam stond er in vette letters boven gedrukt, achtervolgd door nog vettere uitroeptekens.

In de maanden daarna speelde ik partijen in landelijke jeugdcompetities en won alles. Schaken was mijn lust en mijn leven, ik kon me niet voorstellen dat ik, later als ik groot was, ooit nog iets anders zou doen dan met stukken schuiven. Ik voelde me de nieuwe Fischer en kon niet wachten om regerend wereldkampioen Karpov van het bord te tikken.

Maar eerst het jeugd-NK. In Arnhem. Een week lang moest ik op een slaapzaal bivakkeren, tussen jongens die vele jaren ouder waren dan ik. Het werd een drama. Al op de aankomstdag ging het mis. Er was nog geen partij gespeeld, maar ik lag al huilend onder de dekens, troost te zoeken door zachtjes te lurken aan het kromme rietje dat uit mijn geplette kartonnetje Chocomel stak.

Ik was 11, ik begreep nog niets van psychologische oorlogsvoering. Ik was vooraf getipt als een van de favorieten, stond als 4e ‘geplaatst’, maar werd door iedereen genegeerd, ook door de jongens die ik persoonlijk kende. Toen ik in de gaarkeuken eindelijk een bordje vieze bloemkool en verrotte aardappels had bemachtigd, was er aan geen enkele kantinetafel plaats voor mij. Elke lege stoel was al ‘bezet’.
Na het eten werd ik in de enorme rij naar de enige aanwezige telefoon, continu weggedrukt door bredere schouders, zodat ik niet, zoals beloofd, naar mijn vader kon bellen om “te vertellen hoe goed het gaat.”

Op de eerste speeldag verloor ik allebei mijn partijen. De eersten sinds tijden. Daardoor kwam ik weer enigszins in de gratie. ‘s Avonds op de slaapzaal, zei O. de V., 5 jaar ouder dan ik, en na mij het grootste talent uit Tiel, dat ik me niet zo veel moest aantrekken van de pesterijen van de andere jongens. Hij hielp me met het verwisselen van mijn ondergepiste lakens.
Dat was lief.
De dag daarop won ik mijn beide partijen. En begon het gezeik weer van voren af aan.

De rest van de week liet ik de kantine voor wat ie was, en liep elke avond naar de kruidenier om van mijn telefoongeld nieuwe pakjes Chocomel in te slaan. Daarmee nestelde ik me in het gras op een verlaten heuvel en keek uit over Arnhem.
Ik dacht aan het moment waarop ik schaken had geleerd. Ik was 6 jaar oud. Mijn vader zat elke dag van die zomer met een van zijn beste vrienden, G., in onze achtertuin aan een tafeltje. Op dat tafeltje lag een houten bord met 64 vlakken. Er stonden poppetjes op. Ik keek naar de poppetjes. Ik volgde wat ze deden. Ik ontdekte dat ze aan bepaalde beweegregels gebonden moesten zijn. Het is een spel! besefte ik. Ik was gek op spelletjes!
Op een dag aan het eind van die zomer vroeg ik out of the blue aan mijn vader en G. of ik ook eens mocht spelen. Daar moest G. erg hard om lachen. “Ga zitten, jongen!”zei hij, “kan je vader tenminste ook eens een keer winnen!”
Mijn vader moest ook lachen. In het kielzog van zijn stoel stond een flinke rij lege Brouwersbierflesjes. “Wat wil je?” gierde hij, terwijl hij zich op zijn dijen sloeg : “Wit of zwart?”
“Zwart natuurlijk”, zei ik. Toen moesten ze nog harder lachen.
Maar we speelden. Ik imiteerde elke zet die mijn vader deed. En wist er een remise uit te slepen.
“Godverdomme”, zei mijn vader.
Ik glom van trots.
“Nog een keer!”, zei ik.

Een zomer later liet ik mijn vader en ook G., toch een van de beste clubspelers uit Tiel, kansloos achter.
“Jezus R.”, zei G., “die jongen moet bij de club komen! Dit is een natuurtalent!”

Op die heuvel in Arnhem dacht ik : Ja, dat was mooi. Maar besloot toch dat schaken het moest afleggen tegen Chocomel.

Routine

De eerste uren van een werkdag overleef ik op routine. Om 7 uur gaat de wekker, een half uur later krijg ik dat door, waarna ik op snooze druk en me nog eens omdraai. Om kwart voor 8 is L. dusdanig gek geworden van het ge-ieee-ieee-ieee, dat ze me uit bed schopt en ik de gang naar de badkamer aanvaard, terwijl L. zich terugtrekt onder het dekbed : snurk.
L. heeft mijn droomleven.

Ik niet. Ik werk. Nadat het mij gelukt is om binnen drie minuten zowel mijn tanden te poetsen, de rest van mijn toilet te maken, mij aan te kleden en de katten eten te geven, vlieg ik als een gek de vier trappen af, ontgrendel mijn fiets en zet koers richting mijn gijzelnemer.

Als ik daar 15 kilometer later aankom, check ik de klok in de hal van de ABNAMRO Zuid-Oost : 2 voor half negen. Stipt. Altijd. Precies om half negen zit ik achter mijn bureau op de derde verdieping en log in op mijn werkstation.
Terwijl de computer opstart lees ik de geeltjes die al eerder deze ochtend op mijn beeldscherm zijn geplakt : “Henk bellen, urgent!”, “Ellen heeft gebeld om 7.32, problemen!”, “Jan bellen!!! bloedspoed!!!”, enzovoort. Ondertussen rinkelen mijn telefoons in een tempo, waarbij mijn wekker zich een mietje zou voelen.

Het geeft niet. Ik merk er niks van. Mijn handen en hoofd doen automatisch wat ze moeten doen. Ze nemen telefoons op, noteren problemen, analyseren, lossen op, en weetikveel wat ze allemaal nog niet meer doen. Ondertussen slaapt mijn ziel zijn gebruikelijke gat in de dag. Geen probleem.

De problemen beginnen pas als mijn ziel zich om een uurtje of 13.00 gapend uitrekt, om daarna direct met zijn grote bek te vragen “waar ik nou helemaal mee bezig ben.”
“Met werken”, zeg ik dan, “geld verdienen, brood op de plank, dat soort dingen, weet je wel, of heb je daar nooit van gehoord?”
“En? voel je je daar prettig bij?”
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Dat vroeg ik niet. Ik vroeg of je je prettig voelt.”
“Dat weet niet.”
“Denk je er wel eens over na?”
“Liever niet.”
“Misschien moet je dat dan toch maar eens gaan doen.”

De tweede helft van mijn werkdag is een hel.

Oefenen

Aanstaande zondag vindt in Oostende de premiere plaats van het Fleris-gedicht. Zo zeg ik dat graag tegen mezelf : premiere. Dat klinkt lekker gewichtig. En het zorgt er in ieder geval voor dat ik me, in de week voorafgaand aan de doop, helemaal gek oefen.

Ik ben een podiumdichter. Voordracht is belangrijk voor mij. Niet dat mijn poezie op papier waardeloos mag zijn, begrijp me niet verkeerd. Maar een goedgeschreven podiumgedicht is voor mij een tekst waarmee je, eenmaal op de planken, op extra veel manieren uit de voeten kunt. Bijvoorbeeld een tekst waarvan je alle strofes als overdonderende mitrailleurs kunt afratelen, maar die evengoed overeind blijven als je ze voorleest in het gewichtige trage tempo van Mustafa Stitou. De toegevoegde waarde daarvan is dat je tijdens de voordracht, oog in oog met het publiek, kunt beslissen, welke dynamiek het optimaalst zal werken om de woorden aan te laten spoelen.
Als podiumdichter ben je als de zee tegenover de mensen op het strand. Maar in tegenstelling tot de zee ben je niet afhankelijk van de maan. Je hebt het verhaal van eb en vloed zelf in de hand. En dat is mooi.
Of leuk. Maar zelf ik ben geen dichter van de grap. Mij zul je niet snel met een plotselinge golf naar veilig gewaande handdoekjes, koelboxen of gettoblasters zien grijpen. Want dan gaat het niet meer om de zee. Dan gaat het om de gettoblaster.

Sorry, ik dwaal af. Ik had het over oefenen. Want dat moet dus, wil je het verhaal van eb en vloed zelf in de hand hebben. Als podiumdichter moet je in je gedichten kunnen ‘wonen’, om een dichtende zeeman van stal te halen. Je moet ze uit je kop kennen, van links naar rechts, van achter naar voren, van beneden tot boven. Maar dat is uiteraard niet waar hij op doelde. En hij doelde waarschijnlijk ook niet op de stelling dat de woorden iets bij je teweeg moeten brengen. Het verhaal van : ‘of het nou steunen of martelen is, ze moeten je in ieder geval helpen om anders tegen de dingen aan te kijken, dan je vanuit de dagelijkse werkelijkheid zou doen.’
Volgens mij ging het hem gewoon om begrip. Contact. Al dan niet autistisch. Precies wat ik zelf zoek. Maar laat ik ook daar verder niet op in gaan, want ik ben geloof ik nog steeds af aan het dwalen.
Toch nog een ding. Podiumdichten is geen kunstje. Je kan een renpaard strikjes in zijn staart knopen, Annie van Grunsven erop planten en het geheel laten huppelen op Strauss, maar dat wordt niks. Een renpaard moet rennen.
Een podiumdichter is een jockey, een PJ, die zijn volbloedpodiumgedicht vrij laat galopperen. And God knows that takes training.

Dus daar stond ik, terwijl ik de witlof kookte, de vegetarische hamburgers omspatelde, en de eitjes in het water liet glijden, een half uur lang Fleris te repeteren.
Hakkeldehakkeldehakkel.
“Het klinkt wel aardig”, probeerde L. lief te zijn.
“Ik ben aan het oefenen!” riep ik geagiteerd terug.

Ik voelde me een mislukte kraker. Van wonen was nog geen sprake.

Claus

Voor het eerst sinds twee jaar heb ik weer eens een weekend fulltime aan een gedicht geschreven. De schade is niet te overzien.
De timing was sowieso al onhandig, over een week ga ik op vakantie en ik had dit weekend eigenlijk 3e herinneringen moeten betalen, een verzorger voor mijn daktuin moeten scoren en de jonge katjes moeten slijten (iemand interesse?)

Maar hier zit ik met mijn baard. Morgen begint de werkweek weer. I’m getting strangled by the speed of life zong Richard Jansen, de helft van mijn leven geleden, op de laatste LP van de Fatal Flowers.
Dat zal mij niet gebeuren, makker, dacht ik toen.

Wat zal ik zeggen? De grote rooie kater heeft al mijn poezie uit de boekenkast gerukt en de kleintjes pisten er vrolijk overeen. Ik kan het ze moeilijk kwalijk nemen, want ik heb al een week geen tijd gehad om de kattenbakken te verschonen.

Terwijl ik nu eigenlijk in bad zou moeten duiken, mijn tanden zou moeten witten en me, zoals ze het op Telsell zeggen, “van die vervelende overtollige haargroei” zou moeten ontdoen, zit ik achter mijn laptop een stukje te tikken.
Waarom doe ik dat? Waarom schrijft een mens? En wie kan zich dat uberhaupt nog permitteren? Qua tijd dan?

Bon. Tot zover de aanstellerij. Want ik heb natuurlijk vanavond wel degelijk TV gekeken. De Tour heb ik voor mijn gedicht laten schieten, maar Zomergasten wilde ik me niet door de letteren laten ontfutselen.
Achteraf had ik het misschien beter andersom gedaan.

Daar zaten ze dan, Conny en Cees. Voor Cees bleek elke ontmoeting “een feest”, elke opgediste kennismaking met de zoveelste erudiete grootheid, “een geschenk”, elk gesprek met een vooraanstaande filosoof “een privilege”. Conny vond dat Cees prachtige boeken had geschreven, het lezen daarvan was ook “een feest”, zijn aanwezigheid ook “een geschenk”. En ze lag bijna dubbel om zijn in het verleden gemaakte woordspeling op kruisraketten : “thuiskroketten.”
“Wat denk je?” vroeg ik aan L.
“De filmfragmenten zijn te kort.”
Dat was waar. Francis Bacon, W.H. Auden, allebei lievelingetjes van ons, kwamen er bekaaid vanaf.
“Ik vind er geloof ik niet zo veel meer aan”, probeerde ik.
“Ik ook niet”, zei L.
We keken stug door.

Op het laatst, toen Conny ‘m inmiddels een beetje had durven te raken, dreigde het gesprek een interessante wending te nemen. Naar aanleiding van zijn filmkeuze, Casanova van Fellini, viste Conny op z’n Limburgs naar Cees zijn gevoels-(lees liefdes-)leven. De hele avond de geborgenheid zelve, een veilige mama, maar dan plots de byte.
Cees voelde zich op slag ongemakkelijk. Hij kwam niet verder dan een schaapachtige blik en zocht even in zijn hoofd naar uitwijkmogelijkheden voor het gesprek. Dat zag je. Toen berustte hij en dacht : laat maar gaan, het is toch zo afgelopen, ik zwijg.
“Een kouwe kikker”, zei ik.
“Een bevroren kikker” corrigeerde L.
“Zielloos.”
“Een patriarch. Maar hij schrijft mooie boeken.”
“Dat is waar.”

En gelukkig had de redactie het voor elkaar gekregen om uit “Reve d’un Marco Polo” van Vivier (Ja, sorry hoor, dat krijg je na zo’n avondje namedropping) wel een stevige scene tevoorschijn te toveren. En dan ook nog precies de goeie, die met de gewikkelde bruidsjurk en alles. Ik heb daar iets mee : bruidsjurken.
En de fado van eerder die uitzending mocht er ook wezen.

Toch is er vanavond maar een moment geweest dat ik echt op het puntje van mijn stoel zat. Dat was tijdens het getoonde fragment van een interview met Prins Claus, zo’n 30 jaar geleden.
“Jezus”, zei ik tegen L., “zie je op wie Claus lijkt?”
“Wacht!”, zei L. , “niks zeggen! Ik zie het, ik kan er alleen even niet opkomen.”
“Kijk dan!”, riep ik.
L. zat nog altijd te peinzen.
Ik kon me niet meer beheersen : “David Bowie!” schreeuwde ik uit.
L. sprong op : “Verdomd! Het is ‘m!”