Uiterlijk

Als ik ‘s avonds om half 7 thuis kom van mijn werk begin ik normaal gesproken direct met koken.
Deze avond niet. Ik was ik totaal naar de vaantjes. Mijn werk is net zo monotoon, net zo voorspelbaar en net zo irritant als een wekkeralarm, ik begrijp eerlijk gezegd niet hoe ik het volhoud, 40 uur, elke week weer.
Dat zei ik vanavond tegen L. Ik zeg het zo vaak tegen L. dat zolangzamerhand mijn eigen persoontje net zo irritant moet beginnen te worden voor haar, als mijn werk voor mij.
Maar L. is een lief meisje. “Kom”, zei ze, “vergeet dat koken, laten we even naar de kleine katjes gaan kijken.”
“Daar heb ik geen tijd voor”, zei ik, en riep overspannen iets in de trant van “ik moet uiterlijk <dan> <dit en dat>, want anders <van allerlei rampen>.”
“Kom nou gewoon even”, probeerde L. me te kalmeren, “dan zal ik de asperges schillen”.

Daar zaten we dan, op de lievelingsplek van de twee jonge katjes, ze verkeren er praktisch dag en nacht : de twee tegenelkaar geschoven zwarte divannetjes. Over de divannetjes hebben we ooit een groot nepbonten berenvel van de Xenos gedrappeerd, want dat vonden we romantisch, zo vlak bij de open haard. Wij zijn heel gewone mensen.
Maar de jonge katjes vinden het vooral een geschikte plek om hun beginnende klauwtjes op uit te proberen. Wij nemen het ze niet kwalijk. Wij begrijpen dat. Stoffen divannetjes klimmen lekker weg, en het berenvel heeft dezelfde kleur en structuur als hun eigen vacht, het biedt beschutting en warmte, het is hun moeder, maar dan een van maar liefst vier vierkante meter.

Ze klauterden dat het een aard had. Soms buitelden ze van de divannetjes af en klapten op de planken vloer. Toenk! Maar dan grepen ze naar het berenvel en vochten zich weer een weg terug naar boven. Heel schattig allemaal. Ik vergat de tijd.

Natuurlijk mag het niet, maar vanaf het begin af aan hebben we de twee met elkaar vergeleken. Op uiterlijk. De pikzwarte met een lelijke ingedeukte bokserskop en de tijgergestreepte cyperse met hele grote ogen, een exemplaar dat rechtstreeks uit een poeziealbum leek te zijn weggelopen.
Zo keken we er totnutoe tegenaan. We meenden ook te kunnen opmaken dat de zwarte gemener was in zijn gedrag. Hij hapte in onze vingers, waar de cyperse ze zachtjes likte.

Vanavond zagen we hoe de cyperse de zwarte weghield bij de tepels van moeder Wilson. Met haar voltallige lichaampje blokkeerde de kleine troela de toegang. De zwarte keek ons wanhopig aan, met zijn blauwe onschuldige oogjes.
Pas nu zagen we dat hij geen ingedeukt bokserskopje meer had. Hij leek op een meisje.
“Misschien is hij wel een meisje”, zei ik.
“Ja”, zei L., “dat zou best eens kunnen.”
Ik keek nog eens goed. “Volgens mij gaat dit een heel mooi katje worden”, zei ik.
L. keek ook nog eens goed en concludeerde : “Ja, inderdaad. Lelijk in de luier, mooi in de sluier.”
Daarna likte de zwarte onze uitgestoken vingers.

En toen schilde L. de asperges en waren we nog ruim op tijd om o.a. de Straight Story te kijken. Over die oude man die op een grasmaaier ruim 500 kilometer aflegt tussen Iowa en Wisconsin om zijn door een beroerte getroffen broer, waar hij een gebrouilleerde relatie mee heeft, te bezoeken. Een waargebeurd Amerikaans verhaal. Normaal gesproken een garantie voor een voorspelbare, irritante film.
Maar deze film was geregisseerd door David Lynch. En verdomd, het is hem gelukt. Het is hem gelukt om bij mij het volgende cliche te laten beklijven :
De oude man zegt in de film : “Ik gaf mijn kleinkinderen ieder een tak en zei : probeer die te breken. Uiteraard lukte ze dat. Toen bond ik die takken samen en zei : probeer het nu opnieuw. Toen lukte het ze het niet. Ik zei : deze bundel takken is wat familie is.”

Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar L. Zo lang ik L. heb, hou ik het wel vol, dacht ik, dat kutwerk.

Behang

Vandaag moest ik toch echt eens op zoek naar een rol behang. Niet om de muren van mijn etage hopeloos te dateren, maar vanwege een project van de Haagse podiumdichteres/beeldend kunstenares Jet Crielaard.
“Een gedicht neerschrijven op een stuk behang van 100 x 150 cm”, zo luidde de opdracht, en dat stuk behang wordt dan deze zomer, vanaf 8 juli geexposeerd in een galerie, ergens in Amsterdam Nieuw West.
Er doen een stuk of 35 dichters mee aan het project, voornamelijk (oude) bekenden uit het slamcircuit, zoals bijvoorbeeld Peter M. v/d Linden, ACG Vianen, Maarten Das, Festina 2005-winnaar Pom Wolff en Nederlands kampioen Sander Koolwijk, maar ook het Vlaams/Nederlandse koppel Tine Moniek/Olaf Risee, de nieuwe Windroosredacteur Henk van Zuiden en dichters als Vrouwkje Tuinman, Frank Starik, Tsead Bruinja en Mustafa Stitou.

L. en ik werden ook gevraagd. Dat vonden wij best stoer.

De deadline voor het inleveren van dat stuk behang is over 2 dagen, zag ik vanmorgen in mijn agenda, dus vandaag leek me een goed moment om eens een rol behang te gaan scoren.
Maar waar koop je in godsnaam behang? dacht ik, bestaat er zoiets als een behangwinkel? Ik groef in mijn geheugen. Nee. Ik kon me niet herinneren in mijn 36-jarige leven ooit op een behangwinkel te zijn gestuit.
Ik besloot mijn collega’s van de ABNAMRO in te schakelen. Niemand wist het. Of niemand wilde het weten. Iedereen verzonk in een al dan niet gefaked gepeins.
“Misschien bij de Gamma”, piepte er eentje op een gegeven ogenblik. Maar daar had ik niets aan. Gamma’s liggen op industrieterreinen. En die zijn niet grappig om per fiets te moeten bereiken. Zeker niet voor een misschien. En daarbij, industrieterreinen zijn uberhaupt niet grappig.

In mijn lunchpauze liep ik naar de woonmall naast de ArenA. Woonmalls bleken ook niet grappig. En bovendien viel er geen centimeter behangrol te bekennen. Maar waar dan wel, godverdorie?

Na mijn lunchpauze werkte ik gestaag door aan een gebruikershandleiding van onze nieuwe screeningslijsten-applicatie, bedoeld voor de diverse accountmanagers in den lande. Je wilt niet weten hoe er gescreend wordt bij de bank. Mag ik niks over vertellen. Doe ik ook niet. Maar ik voel me er niet altijd even ethisch bij.
Om 17.00 uur vluchtte ik de ABNAMRO Zuid-Oost uit om per fiets nog voor eventuele behangwinkelsluitingstijd in de binnenstad te kunnen geraken.

Om kwart voor zes liep ik naar binnen bij mijn eigen ijzerboertje op de Overtoom. Hij herkende me niet, nu ik netjes gekleed ging. Normaal loop ik binnen met het kalk op mijn joggingbroek en dan is ie heel erg aardig.
“Hallo”, zei ik.
Hij negeerde me straal en startte een inventarisatie van het aantal schroeven in de lagere regionen van de schappen.
“Hallo”, zei ik nogmaals, “mag ik wat vragen?”
Zuchtend richtte hij zich op. “Ja?”, zei hij op enigszins dreigende wijze.
“Verkoopt u toevallig ook behang?”
Zijn antwoord was kort maar krachtig : “Nee.” Hij bukte weer naar zijn bakjes.
“Ahem,” kuchtte ik.
“….”
“AHEM!!!
Nog geirriteerde dan daarvoor richtte hij zich weer op : “Ja, wat wil je nou?”
“Weet u misschien een zaak hier in de buurt waar ze wel behang verkopen?”
Hij keek op zijn horloge en snauwde toen opnieuw : “Nee!”

Mijn ijzerboertje is een man met een gezonde hekel aan yuppen. Ik neem het hem niet kwalijk. Sterker nog, ik geef hem groot gelijk.
Als er in de toekomst nog meer mensen naar de Gamma gaan, en hij een krediet aanvraagt om te moderniseren teneinde de megaconcurrentie nog een beetje te kunnen bijbenen, dan zal het hem niet meevallen om groen licht te krijgen van de bank. Het grootkapitaal is medogenloos.

Ik sprong op mijn fiets en vervolgde mijn queeste.

Mijn plantenmannetje op de Jan Pieter Heije herkende me wel. En wist me feilloos te wijzen naar the place to be. Op de Bilderdijkstraat.
Die Bilderdijkstraat wordt hoe langer hoe meer mijn favoriete winkelbuurt voor onmogelijke dingen. Laatst scoorden L. en ik er al een airbrush in een modeltreinwinkeltje en textielviltstiften in een naaimachinespeciaalzaak. Om 2 voor zes liep ik de behangwinkel binnen.

Ze bestaan dus toch.
Nog.

Back to life

Back to reality. Vanmorgen ging de wekker weer ouderwets om 7 uur. En dit keer niks geen ontbijt op bed, maar vijf jengelende katten die zelf om eten smeekten.
Ik mepte op snooze-button en verschool me weer onder het dekbed. De dikste van de vijf kon dat niet zo waarderen en begon gezellig over me heen te kuieren.
“Geef jij ze even eten?” vroeg ik aan L.
“Wat, ik?” kreunde ze, “straks misschien”… Snurk.
In huize plukdenacht zijn we niet zo’n fan van de ochtend.

Ik stond op, voerde de katten en wilde mijn brood gaan klaar maken, maar zowel de kaas als de vleeswaren wemelden van de schimmelvlekken. Zuchtend schroefde ik een aantal uit het Atlanta-hotel meegejatte mini jampotjes open en schudde ze uit over de sneetjes biologische Allison.
Het was maandag, Den Haag-dag, vandaag moest ik dus ook nog eens twee keer in een overvolle trein gaan zitten. Waarom ben ik hier ooit in getrapt, dacht ik, waarom heb ik niet gewoon een uitkering, zoals verstandige mensen.

Vandaag, bij het ministerie van VWS ben ik de hele dag bezig geweest met het schrijven van documentatie ter verantwoording van het wijzigen van 1 verkeerd getypte letter in een computerprogramma. Dat is nu eenmaal het bureaucratische protocol dat daar wordt gehanteerd : voor elke wijziging moeten zo’n 20 stukken worden geschreven, ongeacht de aard van de wijziging. Ongeacht of je nu de grondwet verandert, of de koffiemachine anders instelt. Deze wijziging lag op het niveau van de koffiemachine. Moedeloos word je daarvan.

De dag begint voor mij pas als ik ‘s avonds thuis kom. Het eerste wat ik doe is me omkleden. De das, het overhemd, de brogues en de pantalon van mijn lijf stropen, een joggingbroek inschieten en een hemdje over mijn kop trekken. Op mijn blote poten loop ik naar de koelkast, trek een pils open en neem een flinke slok. “Even bijkomen”, zeg dan altijd tegen L., en vlucht naar het dakterras.
Daar draai ik een shaggie en kijk naar de stad.
Amsterdam is de mooiste wereldstad op aarde. De hoge kantoorgebouwen worden uit het centrum geweerd, staan op veilige afstand. Wat ik voor me zie is een groot sprookjesdorp. De grachten, de geveltjes, het Vondelpark, de Westertoren en voor de rest een heleboel Berlage. Ik aanschouw het vanaf mijn groene lagune op 4-hoog.

Vanaf daar kijk ik uit over al die andere platte daken van Amsterdam, ook allemaal 4 hoog. Alleen zijn die daken geen groene lagunes, ze worden bedekt met grint, teer of andere onromantische materialen.

Soms heb ik een droom. Dan droom ik dat ik van die 1000 euro’s die ik het Ministerie van VWS vandaag weer heb gekost, maar die nu voor 90% naar de aandeelhouders van Cap Gemini gaan, potgrond en tuinaarde zou mogen kopen en jonge fruitboompjes en bloemzaadjes. Ik zou een kwart van de bedaking van mijn huizenblok om hebben kunnen toveren in een paradijselijke boomgaard.

Morgen moet ik weer naar mijn vrienden van de ABNAMRO. Geloof me, daar gaat het er een stuk efficienter aan toe dan bij VWS. Maar ook in hun geval worden daar maar heel weinig mensen gelukkiger van.

Wow, ik klink als de naieve idealist die ik vroeger was.
En ja, verdomd, ik geloof dat ik die ook waarempel weer wil worden.

Recupereren

Ik werd wakker en zag hoe L. naast me in bed een boek zat te lezen. De zon scheen priemend in mijn gezicht. “Hoe laat is het?” geeuwde ik.
“Half 3”, zei L.
“Meen je dat nou?”
“Jazeker. Zal ik koffie zetten?”
“Lekker”, zei ik en draaide me nog eens om.

Met de koffie in onze handen staarden we door de schuifdeuren naar het slagveld in de woonkamer. Overal kranten, kleren en kattenkots. Opengeslagen boeken, ongure post, schriften, half opgedronken blikken Holland-pils, hoogzwangere asbakken, “we moeten weer eens opruimen”, zei ik.
“Ja”, zei L., “eigenlijk wel. Maar misschien moeten we eerst een beetje uitrusten van afgelopen week.”
Daar zat wat in.

Een half uurtje later zat ik op het dakterras aan de teakhouten tafel, met voor mijn neus de stapels aan tijdens Poetry verkregen boekjes, bladen en festivalbundels.

Ik las de teksten van mijn slamcollega’s. Die vielen eerlijk gezegd een beetje tegen. Dat had ik niet verwacht. Ik ben een getrainde slampoezie-luisteraar, en als Festina jurylid weet ik het kaf doorgaans aardig van het koren te scheiden. Mij bedonder je niet. Maar Festina is Nederlandstalig en de slammers van afgelopen week ratelden als mitrailleurs in het Engels. Het klonk allemaal heel impressive. Op papier is het dat helaas niet. De enige die ik echt talent voor schrijven vind hebben is de Canadees, Brendan McLeod. In de teksten van de anderen zit nauwelijks tot geen relief.
Maar met die geniale voordrachten hebben ze het toch maar mooi voor elkaar gekregen om het publiek, inclusief mijzelve, uitzinnig te maken. En dat is knap. En dat is misschien wel de essentie van poetryslam : het gaat om het resultaat, het eindeffect. Zo wordt er tenminste internationaal gedacht : bij poetryslam moet je na afloop niet te veel gaan zeiken over de inhoud, opbouw of techniek.
In Nederland hebben we daar een beetje moeite mee, geloof ik. En los van de vraag of dat terecht is, vond ik het verfrissend om vanmiddag het boek van Jeroen Naaktgeboren te lezen. Jeroen is in Nederland een van de weinigen, (naast o.a. Bart FM Droog en Frank Tazelaar), die het internationale perspectief van poetryslam een beetje in de smiezen heeft.
Het boek van Jeroen vind ik een charmant boek. En zeker een aanrader voor iedereen die geinteresseerd is in poetryslam.

De avond viel, ik verliet het dakterras en ging koken. L. en ik keken met het bord op onze schoot “The good girl”, op Yorin. Een film met Rachel uit Friends en de jongen van Donny Darko, die in deze film Tom heette. Maar eigenlijk wilde Tom dat hij Holden heette, naar de hoofdpersoon uit The Catcher in de Rye.
The Catcher, dacht ik, zoiets zal er niet snel komen in de poetryslam. Zo’n boek, of in het geval van poetryslam zo’n gedicht, waar generaties lang mensen hun complete identiteit in herkennen. Daarvoor is slam nog te vluchtig.

Nog later keken we naar een documentaire over de dichter Joseph Brodsky. Nobelprijswinnaar. Het was niet zo’n heel erg goeie documentaire, vond ik. Zijn (poezie-)vrienden kwamen niet verder dan nietszeggende anekdotes, waarin ze zelf toevallig een rolletje hadden vervuld. De gedichten die werden gereciteerd, door een overigens schattig Russisch meisje, waren niet zijn beste. En uit de beelden waar Brodsky zelf achter het katheder stond, kreeg je de indruk dat je te schaften had met een verwaande dichter.
Maar toegegeven, zijn voordracht was niet slecht. Integendeel. Denk aan de paus tijdens het paasgebed, maar dan energieker, vitaler. Een monotoon gezang, maar op de belangrijke momenten een verlaging van de stem, om het gezegde kracht bij te zetten.
En zo klonk het best goed.

Ik weet niet wat ik nou allemaal wil zeggen met het bovenstaande.

Ik ben moe en ga enorm slapen, want morgen weer werken. Ik vlieg het normale leven tegemoet. Waarvan akte.

Poetry International (slot)

Vanmorgen werden we voor de laatste keer wakker in het NH Atlanta hotel aan de Coolsingel. Het ontbijt op bed werd gebracht door een onbekend gezicht, een uit de kluiten gewassen jongen, en niet door het lieve meisje dat ons naarmate de week vorderde, een steeds groter plateau met voedsel serveerde. Op het laatst kwamen we om in de aardbeien, kiwi’s, kannen verse jus d’orange, gekookte eitjes, extra jammetjes, vijftien soorten broodjes en noem alles maar op. Niet dat we daar direct om zaten te springen, want L. en ik zijn kleine eters. Maar het was wel een schattig gezicht.
Vanmorgen was het dan ook een beetje een teleurstelling toen de jongen, een weekendhulp waarschijnlijk, met enkel de standaardzaken kwam aandraven. Ik gaf hem desalniettemin een fooitje.
“Helaas, het zit er op”, zei ik tegen L., “we moeten er zo uit.”

Een uurtje later sleepten we onze 12 Edah-plastictassen de lift in. Bij de balie vroegen we of onze bagage tijdelijk ergens mochten stallen, omdat we nog even naar de Kunsthal wilden voor de expositie van het werk van Willem de Kooning.
De receptioniste zei “uiteraard, geen probleem”. Pas daarna aanschouwde ze onze plastic zakken. Paniek in haar ogen. Maar ze herpakte haar adem, greep een sleutel uit een la en liep kordaat naar een bezemhok. Al onze tassen werden netjes gelabeld. 12 bewijsstrookjes rijker verlieten we het hotel.

Onderweg, op het terras van Bazar, in de Witte de With-straat, dronken we een koffie verkeerd. Vier jaar geleden, aan het begin van onze romance en ons eerste gezamelijke bezoek aan Poetry, hadden we er ook gezeten. Alleen heette het toen nog geen Bazar, maar “In alles is een oogopslag”.
“Leopold!” hadden we geroepen. Het was vanzelfsprekend direct ons favoriete terras van Rotterdam.
Nu was de oogopslag verdwenen. “In alles is een” viel er nog half te ontcijferen op de gevel. We keken naar de mensen die in plaats van de vroegere panini’s, onder plastic palmbomen de op Amerikaans formaat geschaalde lunchgerechten naar binnen propten.
Vaandrager zou er misschien blij mee zijn geweest, maar L. werd er niet echt vrolijk van. “Moet je alleen die soep al zien!”, zei ze, en wees naar een kom zo groot als een emmer, waarachter een forse scholiere hompen van het bijgeleverde Turkse brood zat te soppen. Een brood zo groot als een Lovink-putdeksel.
“Het is niet direct ‘van wijn een druppel’ “, beaamde ik.

We rekenden af en liepen door naar het museum.
De tentoonstelling viel een beetje tegen. Er hing niet veel. Wel mooi om die verftechniek nu eens echt van heel dichtbij te kunnen bekijken, en ook leuk om dat live te kunnen vergelijken met een aantal epigonen die in de uithoeken waren opgehangen, maar de pretentie van overzicht van het werk van de Kooning kon de expositie wat mij betreft niet waarmaken.

Uit arremoede deden we ook de andere exposities in de Kunsthal aan. En stuitten op de foto’s van Enrique Metinides. Een Mexicaanse ongelukkenfreak. “Een schitterend ongeluk”, luidde de titel van de collectie. Foto’s van neergestorte vlieftuigjes, rechtopstaand, met de neus in de grond geboord en beelden van geelektrokudeerde mensen die illegaal stroom probeerden af te tappen in hoogspanningsmasten.
De heftigste foto was van een mondaine vrouw, die door een auto-ongeluk om een lantaarnpaal is gedrappeerd. Een hand met gelakte nagels en een gelippenstift gezicht. Ze kijkt recht in de camera, recht in je smoel. Alsof ze springlevend is, maar ze was hartstikke dood. Op de foto zie je een hulpverlener toesnellen om een jasje over haar zielloze hoofd heen te leggen. Op dat moment heeft Enrique afgedrukt.
Ik wist niet zo goed wat ik er van moest denken. Ik wist niet of ik het nou echt de goede kant op vond gaan met de wereld. Maar heftig was het wel.

We liepen terug naar het hotel om onze plastic zakken op te halen.
We zagen er guitig uit, om met Sylvia Hubers (terug naar de apotheker) te spreken, in onze bijna identieke Poetry International-festivalshirts. We hadden allebei gekozen voor de legergroene variant, alleen droeg L. er een met de rugtekst “Most artists are visitors”, en ik een met “Most visitors are collegues”.
Achter de balie stond een onbekende jongen. Hij keek ons argwanend aan. Ik overlegde mijn twaalf bewijsstrookjes : “wij komen onze spullen ophalen”, zei ik.
“Goed”, zei de jongen en liep naar de plek waar normaal de bagage van gasten wordt bewaard, in de hoek rechtsachter hem. Hij begon de nummers van mijn bewijsstrookjes te vergelijken met de labels van de diverse Samsonites met uitklapbare wieltjes en zelfs met die van de kalfslederen koffers.
“Nee”, zei ik, “daar staan ze niet tussen, het meisje van vanmorgen heeft onze tassen in het bezemhok gezet”.
“Wat? In het bezemhok? Hebben wij een bezemhok? Ik vind het een raar verhaal. Hoezo zou ze uw bagage in een bezemhok zetten?”
“Ik weet niet”, zei ik, “misschien omdat ie er niet representatief genoeg uitziet om in het zicht te staan?”
Ah, nu kregen we contact.

Ik wees hem het bezemhok en we kregen onze 12 zakken. Plus de megaposter. De levensgrote foto die Poetry-fotografe Tineke van mij had gemaakt tijdens een van mijn optredens, en die sinds eergisteren twee dagen op de festivalmuur naast de bar heeft mogen prijken.
“Wow man, mooie foto!” had Arie Hordijk van de Woorddansers gezegd, “doorleefde kop! Die moet je mee naar huis nemen, man!”
Op de slotavond heb ik ‘m samen met behulp van Arie en de grootste ladder die in de stadsschouwburg aanwezig was, van de muur geplukt.
“Mag ik ‘m hebben?” vroeg Gerrit Komrij, “dan hang ik ‘m boven mijn bed.”

“Het is een goeie foto”, zei ik tegen Tineke.
“Dank je”, zei ze terug, “Ja, het is raar. Ik zag die foto van je in het festivalkrantje. Ik dacht : dat is een 19-jarig studentje, daar kan ik niks mee. Glad. Maar dat was zeker een oude foto, die in dat boekje?”
“Nee”, zei ik, “die is recent.”
“O”, zei Tineke, “dan moet het wel heel zwaar zijn, zo’n festivalweek.”
“Breek me de bek niet open.”

Het was schitterend, het is mooi geweest.

Poetry International (5)

Ik ga zodadelijk snel weer terug naar Rotterdam om de slotdag van Poetry mee te maken, maar omdat ik heel even thuis ben voor de katten en planten, toch even een iglootje :

Gisteren was de dag der dagen voor ons WK-poetryslamkandidaten : het finale optreden tijdens het festival zelve.
Wow, wat is het lekker om op de planken van de Rotterdamse stadsschouwburg te staan. Een werkelijk perfect geluid en vanaf het podium gezien relatief weinig tegenlicht, waardoor het mogelijk was het publiek, dat ondanks de hittegolf in grote getale was komen opdagen, recht in de ogen te kijken.
Ik voelde me als een vis in het water, als een kat in de zon. En zette dan ook, voor mijn doen, een erg goed optreden neer. Na afloop viel me een daverend applaus ten deel.
De jury, bestaande uit Frank Tazelaar, Jules Deelder, Ryal Patzak en twee meisje uit het publiek, was echter iets minder overtuigd van mijn voordracht en gaf me lage cijfers. Het publiek morde, sommige mensen riepen : boe! naar de jury.

Dat was prettig.

Na mijn eigen optreden brak het echte podiumgeweld los. Je mag denken van poetryslam wat je wilt, je kan het effectbejagend noemen, eendimensionaal cabaret, waarbij gefakede emoties je door de strot worden gevrot, maar potverdikkie, dan toch wel heel erg goed uitgevoerd. Hier stond een serie professionals die geniaal was op het vakgebied.
Zoals L. en ik al hadden gehoopt werd de Engelse Kat Francois de terechte winnares van de avond. Het meisje schrijft dag en nacht. Observeert als een arend, declameert als een tijgerin. Tijdens haar optreden had ik bijna continu kippenvel.

Maar het bleek nog mooier te kunnen. Later die nacht zaten we met een aantal slammers plus aanhang, op de hotelkamer bij de Amerikaanse Sonya Renee. Om half vijf stonden we nog steeds gedichten te reciteren, dit maal louter en alleen voor elkaar. Om de overige hotelgasten niet wakker te maken, gaven we elkaar geen applaus, maar knipten we ritmisch met onze vingers als blijk van waardering. En in zo’n intieme setting komt de poezie toch het best tot zijn recht. Dit keer niks geen valse sentimenten, geen podiumtrucs. Sonya liet op die hotelkamer het mooiste gedicht van de week weerklinken : dead flowers. Het ging door merg en been.
Na haar laatste zin ging er een duizendklapper af; we knipten ons de blaren op de duimen.
“Thanks”, fluisterde Sonya met gebroken stem.

Ik omhelsde haar gestalte, waar ik overigens zo’n 3 keer in zou kunnen passen. “No”, fluisterde ik in haar oor, “thank you“.

Poetry International (4)

Het klinkt niet cool, maar het voelt echt fantastisch om weer een avondje thuis te zijn. Tijdens het eten de kleine katjes voor het eerst op het dakterras laten rondklauteren. We lieten ze wankelen en struikelen tot de zonsondergang.
“O, kijk nou toch, hoe lief!” riep L om de haverklap.
En telkens kon ik niet anders dan haar stelling beamen.
We were a happy family.
Toen ik om 23 uur de bloeiende planten besproeide, en snoof hoe blij ze daar van werden, dacht ik : dit is het ware leven.
Aan het eind van de middag, toen ik net thuis was, had ik nog heel even getwijfeld : zal ik vanavond toch weer naar Rotterdam gaan om daar de uitreiking van de Buddinghprijs bij te wonen?
“Nee”, riepen mijn gladiolen, “vandaag blijf je bij ons.” Ook de rest van mijn flora keek me dreigend aan, om over mijn fauna nog maar te zwijgen.
“Okay”, zei ik, “okay.”

Ik had een paar heftige dagen achter de rug. Na diverse optredens op zaterdag en zondag ging het op maandag voor het eerst om de knikkers. In de Rotown werd een kwalificatieronde gehouden, die bepalend zou zijn voor de volgorde van optreden tijdens de finale van het WK-Poetryslam op donderdag.
De volgorde van optreden is belangrijk in een slam. De vuistregel is : hoe later je optreedt, hoe meer kans je maakt om te winnen, aangezien de jury (en/of het publiek) van nature neigt naar een stijgende lijn qua waardering in punten (en/of applaus).

Tijdens die kwalificatie-avond moesten we allemaal twee keer drie minuten optreden. Er was een klein probleem : voor deze kwalificatieronde zelve moest ook een volgorde worden bepaald.
“Loting”, luidde het besluit van de organisatie.

Ik lootte gunstig. Ik mocht als zevende van de 8, direct na de ontzettend aardige, maar naar mijn mening iets minder sterke Tobias Borke (D) en vlak voor mijn eigen favoriet Kat Francois (UK). Ik zag het wel zitten.
Sonya Renee, de Amerikaanse lootte minder gunstig. Ze moest als eerste. Dat vond ze niet zo grappig. Tijdens het gezamelijke eten, vlak voordat we zouden beginnen kwam ze met een voorstel : “laten we bij ons tweede optreden van vanavond de volgorde omkeren. Dat is wel zo eerlijk.”
Ze had een point.
“Kan iedereen daar mee leven?” vroeg Jeroen, de host van de avond.
Iedereen zei ja. Behalve Kat Francois, die kon niks zeggen, want die zat op dat moment even op het toilet.
“Ik vind het best”, zei ik, “maar is dat niet lullig voor Kat? Die moet in de eerste ronde eindigen en dan in de tweede ronde direct weer beginnen.”
“Kat vind het geen probleem”, zei Sonya, “ik heb het er al met haar over gehad.”
“Mooi”, zei Jeroen, die vervolgens de jury op de hoogte stelde van deze wijziging in de procedure.

Na het eten, echt vlak voordat we de planken op moesten, zat ik met Kat in de kleedkamer. Daar zitten wij vaker, Kat en ik. Wij zijn twee van die mensen die graag nog even vlak van tevoren oefenen.
“Sportief van je”, zei ik nadat we waren uitgeoefend, “dat je hebt ingestemd met die omgekeerde volgorde in de tweede ronde.”
“WHAT!?” riep Kat.
“Didn’t Jeroen tell you?”
“WHAT!?” riep ze again.
“Sonya made this proposal”, I said, “she told us she had discussed it with you and that you were fine with it.”
“WHAT!? NO FUCKING WAY!”

Op dat moment besefte ik pas echt dat Poetryslam, en vooral het winnen daarvan, internationaal blijkbaar toch wel iets heel erg belangrijks moest zijn.

Ik ben dat in Nederland niet zo gewend, die competativiteit. Maar misschien ben ik naief. Ook internationaal merk je er aan de oppervlakte weinig van.

Gisteren hadden we een prachtige presentatie van het boek “Poetryslam – het festival” van Jeroen Naaktgeboren op de 3e verdieping van Locus 010, naar het schijnt de hipste tent van het moment in Rotterdam.
Tijdens de afterparty op de 4e, en nog hippere verdieping, waren de “sisters” Kat en Sonya, net als in het begin van deze week, weer de dikste vriendinnen.

Beiden traden ze gisteren overigens ook weergaloos op tijdens de ter plekke georganiseerde open-mike-sessie. Maar de man van de avond was Ewok, de Zuid-Afrikaanse deelnemer, rapper in hart en nieren. Op beats van DJ Naem tilde hij de 4e verdieping van Locus 010 op, tot boven de hoogste wolkenkrabber van Manhattan aan de Maas.
I was impressed.
Eenmaal terug, in de lift van het hotel, omheldse ik hem. “Man, you were really, really great!!!”
“Thanks man!”, grijnsde Ewok, en stapte uit op de tweede verdieping.
L. en ik stegen door naar de 3e.

Op kamer 322 trok ik een pils open en schonk L. zichzelve nog een (nep)champagne in. Het gebruikelijke ritueel. Vitrages aan de kant, de ramen uitklappen, shaggie draaien.
“Wat denk je?” vroeg L.
“Een mooie week”, zei ik.
“Echt?”
“Ja, echt. Maar ik heb er niks op tegen om morgen weer even een avondje in Amsterdam te gaan zitten.”
“Meen je dat?”
“Ja.”
“Je vindt het hier te hip?”

L. en ik, wij begrijpen elkaar.