Liverpool (2)

A., I. en ik zijn een lang weekend naar Liverpool geweest. Hoe daarover te schrijven? zit ik te peinzen. Hoe dusdanig te schrijven over echte vrienden, dat het voor buitenstaanders nog enigszins te pruimen valt? Het is onmogelijk.
“Maar jij gaat dat ‘maken’!”, zou I. grijnzen. I. is gek op het uitdelen van onmogelijke opdrachten. Trouwens ook op het volbrengen daarvan. “Uitdaging” is I’s middlename.
Let op : I. is geen yup. Integendeel. I. is een rechtgeaarde communist. Een waarachtige arbeider. Hoewel hij sinds kort zijn produktiewerk in een kleifabriek heeft weten te verruilen voor een baan als vertegenwoordiger in douchegootjes. Over uitdagingen gesproken. Maar goed. In zijn schaarse vrije tijd is hij bandjesprogrammeur van het charmantste popfestival van Nederland, Appelpop. Met ongeveer 5% van het budget van Pinkpop wist hij het afgelopen jaar een weekendlang 60.000 bezoekers te trekken. In Tiel. Dan doe je iets heel erg goed.
Zelf doe ik de financien tijdens Appelpop en verzin ik o.a. strategien om de muntverkoop op te krikken. Jaarlijks verdubbelt de omzet. Waardoor voor het volgende jaar I’s bandbudget stijgt en mede daardoor weer de omzet. Exponentiele recursie. Binnen 14 jaar zijn we weten te groeien van een vrachtwagentrailertje als podium (waarop ons eigen bandje onder 3 verschillende namen speelde om het programma te vullen), naar een mega-festival in tenten zo groot als voetbalvelden, met drie podia en namen als Within Temptation, Direct en Anouk.
Dat is overigens niet direct onze eigen favoriete smaak. Dat is meer de smaak van het grote publiek. Voor onszelf programmeert I. talentvolle, maar commercieel minder interessante bandjes op het kleinste podium, tijdens de middag.
Maar daar wilde ik het allemaal niet over hebben. Ik wilde het hebben over Liverpool.

Ik ken I. en A. al vanaf de kleuterschool. We zeiden weinig tegen elkaar. Alles wat we deden was voetballen op het pleintje voor onze deur. Dag in dag uit, elke minuut die onze moeders ons toestonden.
Daarna ging A. naar de LTS, I. naar de MAVO en ik naar het Atheneum. We bleven voetballen op ons pleintje. En bleven zwijgen. We waren hard op weg om echte mannen te worden.

Toen ontdekten we per ongeluk de Beatles. Naief gelijk de Beatles zelve, werden we fan. Dat was niet meteen cool in die tijd. Ik spreek over de 80-er jaren.
Het kon ons niks verrotten, want eindelijk konden we praten.
We liepen ons ‘t schompes aan krantenwijken en plukten aardbeien tot we bijkans dood waren, om alle LP’s te kunnen verzamelen. Frequenteerden Beatlesfanclubdagen en dat soort dingen. Stalen alle biografien die er te lezen waren.

Niet lang daarna begonnen we een band; “The West-side Beatles”. Wij woonden in Tiel-West en vonden het een geschikte naam.

Op gitaren met snaren van touw gaven we ons eerste concert vanaf het dak van ons schurencomplex, in een poging het roofconcert van de Beatles op het Apple-kantoor te imiteren.
En het moet gezegd : naieviteit kan lonen. Argeloos passerende buurtbewoners bleven staan luisteren, mijn vader schoot eindeloos foto’s.

“The rest is history”, zou ik nu graag willen schrijven.

Helaas.

Maar fuck, dit was een verdomd goed weekend om naar Liverpool te gaan.

Liverpool

Lang leve Easyjet vanwege hun goedkope vluchten. Iets minder lang leve Easyjet vanwege hun enorme vertragingen.
I. en A., mijn Tielse vrienden, maakte het op zich niet zo veel uit, onze “uncertain delay”. We hebben er een flinke pils op gedronken. Dusdanig veel flinke pilsen dat we uiteindelijk door een coordinatie-stewardess (of hoe noem je dat soort meisjes) uit de “Wetherspoon” (bar op John Lennon-airport) moesten worden geplukt, omdat ons vliegtuig eindelijk dreigde met opstijgen.

Het meske suggested to run. Otherwise zou ze ons onverbiddelijk overboeken naar de volgende, nog zwaarder vertraagde vlucht naar Amsterdam.
Daar konden wij wel om lachen. “We waited for you, now you wait for us”, riep I. Waarop A. nog “efkes een beer op de plamuur ging leggen” en I. en ik rustig onze pints leegdronken.

Anyway. Het werd dus erg laat.

Ik had beloofd het een en ander te schrijven vanavond, maar zulks gaat niet meer lukken, waarvoor mijn excuses. Ik ben spreekwoordelijk naar de vaantjes. Daar komt bij : er liggen versgeboren katjes onder mijn bed. Die wil ik nog even zien. En L., die wil ik ook nog even zien en spreken en zo.
Sorry lads. But I’ll be back tomorrow, remember : you never walk alone.

Huishoudelijke mededeling (2)

Ik ben, lieve lezers, voor een lang weekend naar Liverpool. Daar kan ik niet schrijven. Daar ben ik met vrienden uit Tiel.

Denkend aan Tiel zie ik bierrivieren
gestaag door grage kelen gaan

Dit weekend wordt platter dan plat, vlakker dan vlak.

Zie ik je denken.

Dat klopt. Maar ik hou van mijn vrienden. Ergo : de komende twee dagen geen stukjes. Zondagavond weer akte.

Ik ben zoooo moe

Ik ben nu al vier keer overnieuw begonnen met het schrijven van een stukje. Maar het gaat niet. De woorden willen niet pakken.
Het is al een paar dagen zo. Ik ben te moe. Te blij met elke punt. Omdat ie anderzijds maar niet wil komen.
Mijn leven is te hectisch. Uit zelfbehoud ben ik mezelf gaan voorwenden dat ik het me, vanwege tijdgebrek, niet meer kan veroorloven om na te denken.
Als ik ‘s nachts eindelijk in bed lig, voel ik me soms te moe om te slapen. Dan voel ik oprecht dat het me te veel energie zou kosten : slapen. Met dat onbewuste verwerken en alles.

Op dat soort momenten denk ik te weten hoe het voelt om te sterven.

Voorlopig zit er geen schot in de zaak. Vanavond is mijn ex-vrouw langsgeweest om haar katten te droppen (ze gaat weer 2 maanden naar Engeland).
Wilson was compleet in paniek. Een staart als een ragebol. Angstig gemiauw richting mij. Ik verontschuldigde me : “ik kan er ook niks aan doen, het is niet anders.”
Daar had ze terecht geen boodschap aan. Hysterisch sleepte ze haar babies naar de kattenbak, in de hoop dat ze daar veilig waren voor de plots opgedoemde monsters.
Daardoor was L. in paniek.
Van het gezellige afscheidsetentje voor C, mijn ex-vrouw, dat ik zou koken, kwam niet veel terecht. Pizza’s per telefoon.

Boze katten, boze vrouwen. Ik weet niet wat erger is. Waarschijnlijk zijn ze allebei erger.

Morgen extra vroeg op om extra vroeg te werken, opdat ik een ietsie pietsie eerder weg kan om het NK poetryslam in Nijmegen mee te pikken. Ter plekke zal ik aan het einde van de avond mijn wisseltroffee, bestaande uit een grote vogelkooi met daarin een goudgeschilderde Albatros, moeten overhandigen aan mijn opvolg(st)er om daarna te rennen voor de laatste trein terug richting Amsterdam. De volgende ochtend mega-vroeg naar Schiphol. Bestemming : Liverpool. Lamg weekend met mijn twee beste vrienden uit Tiel.

Heel leuk allemaal. Het houdt niet op.

Kittens!

Om 16.50 ging mijn telefoon. Het was L., lichtelijk in paniek. Wilson deed raar.
“Say no more”, zei ik en hing op, drukte zonder ook maar iets te saven bruut op de uitknop van mijn PC, vloog in mijn fleestrui en schoot als een vuurpijl door de gangen van de ABNAMRO richting uitgang.
Eenmaal buiten vergat ik mijn gebruikelijke einde-werkdag sigaret op te steken. Ik besprong direct mijn fiets en speerde in recordtijd van Zuid-Oost naar Oud-West.
In het Vondelpark sneed ik een jogger, die daardoor moest uitwijken richting een eik. Ondertussen ging mijn mobiel. L. “Waar blijf je nou?”
Terwijl ik blind door een kudde honden stoof, hijgde ik : “nog 1 minuut”.

In die ene minuut bleek bij thuiskomst een katje geboren.

Weer te laat. Ik ben altijd te laat, als het om kattengeboortes gaat. Jimi, mijn eerste eigen kat, beviel van haar enige nest tijdens een bezoek van zeven van mijn Tielse vrienden aan mijn eerste Amsterdamse kamertje, 4-hoog op het Roelof Hart-plein. 15 vierkante meter. Ze zouden allemaal blijven pitten.
Jimi gaf al direct bij hun aankomst te kennen dat ze zulks een verschrikkelijk slecht idee vond. Terwijl de invasiemacht slaapzakken uitrolde, keek ze me verwijtend aan : “hoe kan je dat nou doen, lul, je vrienden uitnodigen als ik op het punt van bevallen sta.”
“Sorry Jim”, zei ik, “niet aan gedacht.”
In die tijd dacht ik eigenlijk nooit ergens aan.
Jimi rolde met haar ogen en tapte ongeduldig met haar poot op het schimmelende tapijt : “En? Wat ga je er aan doen?”
“We gaan op kroegentocht!” zei ik tegen mijn vrienden en gaf een knipoog naar Jimi. Ze gromde.
Bij terugkomst bleek ze te zijn bevallen van een vierling. Een van mijn Tielse vrienden was zo ontroerd dat hij haar de helft van zijn frikandel speciaal offreerde. Toevallig een van haar lievelingsgerechten. Ze liet het zich goed smaken. Maar ondertussen had ik dus wel de geboortes gemist.

Een paar jaar later beviel Jack. Ik had er geen erg in. Werd wakker en zag de vloer vol liggen met kattenlijkjes. Jack lag er verdwaasd tussenin. De helft van wat op een zwarte rat leek, hing uit haar kut.
Ik schudde mijn ex-vrouw wakker en zei : “Volgens mij is Jack aan het bevallen”.
Mijn ex-vrouw is, zoals jullie misschien wel weten, iets kordater dan ik. Ze aanschouwde het slagveld, aarzelde geen seconde, belde een taxi en zocht met haar andere hand in het telefoonboek het nummer op van de dichtstgelegen dierenarts.
Ik keek toe, lag er net zo verdwaasd bij als Jack zelf.

De zwarte heeft de dierenarts helaas niet meer kunnen redden, maar twee van die lijkjes wonderbaarlijk genoeg nog wel. Pebbles en Zorro maken het nog altijd goed bij respectievelijk mijn zusje en mijn ex-schoonouders. Jack, nu bijna 20, resideert nog altijd bij mijn ex-vrouw.

Vanmiddag was ik dus weer te laat. Met Wilson. Maar ik was wel trots. Wilson is zo ongeveer de kleinste kat ter wereld. 3 jaar oud, maar ze wordt door buitenstaanders nog altijd op 3 maanden geschat. Ik vond het ongelooflijk dat ze uberhaupt een baby kon baren.

Het was een sterk type, die baby, dat zag ik meteen. Een straatvechter. Hij (het is een mannetje volgens mij) voerde meteen het hoogste woord. Piepen, maar dan wel op arrogante toon en onderwijl proberen om de kleine, maar nog altijd 30 keer grotere Wilson in de juiste houding te rollen om aan haar tepels te kunnen zuigen.

Een uur lang keken L. en ik geboeid naar de zich repeterende vorige alinea. Daarna besloot
ik dat het tijd was om nog snel even booschappen te doen.

De werkelijkheid verzin je niet, dit is echt gebeurd : toen ik de voordeur uitliep om naar de Albert Heijn te gaan, zat er een kater op de stoep. Een kat die ik 9 weken geleden voor het laatst had gezien, toen ik ‘m op heterdaad had betrapt op sex met mijn dierendochter (zie log(s) uit die tijd). Een grote kopie van het straatvechtertje waarnaar ik zojuist een uur had gekeken.
“Nou ja!” riep ik.
“Miauw?”, vroeg hij nieuwsgierig.
“We kunnen een sigaar roken, vriend.”

In de Albert Heijn kocht ik beschuit, boter en muisjes.

Toen ik weer thuiskwam plukte ik het Parool van de trap. Op de voorpagina stond een foto van een trotse zwanenmoeder met in haar kielzog vele jonge zwaantjes. “Vers uit het ei”, kopte de krant.
Ik liep de 4 trappen op en bedacht onderweg “toch jammer dat het er maar eentje is geworden. Nou heeft ie niemand om mee te spelen.”

Ik opende mijn etagedeur. “Snel”, riep L. vanuit de slaapkamer, “kom kijken. Zojuist is er nog een geboren.”

En inderdaad, daar lag ze. Een minikopie van mijn eigen Wilson. Teer, klein, kwetsbaar, pikzwart.
“Leeft ze?” vroeg ik.
L. knikte met tranen in haar ogen.
Het schepseltje zelf riep “piep”.

Ik was weer te laat. Maar zielsgelukkig

Naci en alamo

Geboren in een boom. Dat nummer hebben L. en ik gedraaid tijdens de eenzame uitvaart van Mevrouw Duif.
Mevrouw Duif is een week geleden te grazen genomen door mijn hoogzwangere poes Wilson.
L. heeft Mevrouw Duif destijds proberen te redden. Ze heeft Wilson, die haar stuiptrekkende prooi trots voor L’s voeten had gedeponeerd, de slaapkamer uitgesmeten, de schuifdeuren dichtgekloekt en uren op mevrouw Duif ingepraat : “Overleef, alsjeblieft overleef.”
L. liet mij met schoteljes water aanrukken, en transformeerde de doos met mijn favoriete handdoek (het voor Wilson bestemde kraambed) tot vogelhospitaal.

Het was ongeveer de dertigste duif dit jaar, die door Wilson werd gegrepen. 27 zijn er gestorven. Twee hebben we weten te redden. Het waren geen opwekkende statistieken voor Mevrouw Duif.

“Het is de natuur”, zei mijn Oma de Vos altijd, waarna ze met een hamer de kop insloeg van de zoveelste merel die haar eigen Kareltje had gevangen. Om hem/haar “uit zijn lijden verlossen. Dat is het beste.” Mijn Oma de Vos was tijdens de oorlog verpleegster geweest. Zij kon het weten, vond ze.
Ik heb meerdere malen aangeraden om een halsband met belletje voor Kareltje te kopen, maar die suggestie wuifde mijn Oma steevast weg. “Dat belletje houden ze gewoon met een poot gedempt en met de overige drie slaan ze toe”, wist mijn Oma, “katten zijn net zo slim als Vossen.” Knipoog, knipoog.

Misschien had ik beter naar mijn Oma moeten luisteren.

Maar ik ben een dromer en liever bezag ik L. Mijn meisje met een missie : het redden van Mevrouw Duif. En toen ze zich realiseerde, na uren verzorging en uitgebreide pogingen tot telepatisch contact met een in coma verkerend schepsel, dat zulks niet meer ging lukken : het gunnen van een prachtige dood.

Sieger Baljon, de dichter die recent een Amsterdamse boerderij heeft gekraakt, vertelde op 13 mei tijdens het feestje van de dichteres Karlijn Groet, over een mede-kraker die zijn jonge plantjes ochtendgymnastiekles gaf. Dat ontroerde me. Vooral omdat Sieger en zijn medekrakers in het besef verkeerden dat ze hoogstwaarschijnlijk al de volgende maand uit diezelfde boerderij zouden worden geknikkerd.
Dag plantjes.

“Ik geloof in de bloem op de ruine”, zei Sieger, “de natuur is sterk, ze overleven het wel.”

Vanavond, vlak voor de uitvaart van Mevrouw Duif, keek ik naar mijn eigen plantjes. Ik en mijn plantjes hebben al weken een complexe relatie.
Terwijl ik de stoelen klaarzette, alvast een graf groef voor mevrouw Duif, de infrastructuur voor de muziek installeerde en de stand van de zon in de peiling hield, verontschuldigde ik me tegenover mijn groen. Daarna vertelde ik : “Er komen mooie, maar zware dagen aan. 30 graden. Ik zal jullie er doorheen slepen. Dat beloof ik.”
Voor de zekerheid sloeg ik een kruis op mijn borst, terwijl ik een soortgelijk kruis in elkaar spijkerde.

Ik haalde de open kist met Mevrouw Duif, begeleidde L. naar haar stoel op het dakterras. Precies tijdens zonsondergang. Dat is traditie.

We draaiden Naci en alamo. L. moest zachtjes huilen. We namen een laatste foto van Mevrouw Duif.
Wilson kwam vanuit de verte aangerend en schoof aan. De moordenares.
Ook was ik blij, met die twee duiven uit de bruine kolonie van de overkant. De bruine duiven vliegen normaal hun rondjes omstreeks de klok van 19 uur. Het is een verwaande kliek, die geen grijze exemplaren in hun midden duldt.
Soms probeert een grijze variant, op de rand van het dak aan de overkant, een positie in te nemen tussen de bruinen. Waarop de kliek zicht direct herschikt om hem/haar te isoleren.

Mevrouw Duif was zo’n grijze duif.

Vanavond waren er twee bruine exemplaren, die buiten hun dagelijkse rondes om, een saluut leken te willen brengen. Ze scheerden sierlijk over de open kist.

Ik heb het geinterpreteerd als fideel. Zo ben ik.

Te veel

“Ga je nog iets schrijven over vanmiddag?” vroeg Xavier Roelens me, terwijl hij op het punt stond om middels een lift van Olaf Risee en Tine Moniek, de terugtocht naar Belgie te aanvaarden.
“Ik weet het niet”, zei ik, “ik heb gisteren een rol als getuige vervuld tijdens een bruiloft, ben na afloop met mijn beste vriend tot 5 uur ‘s nachts doorgezakt, heb vanmorgen om 9 uur de strandwandeling van mijn jaarlijkse familiedag meegepikt en ben daarna als de brandweer richting Utrecht gespoord, om het papieren debuut van Maarten Das bij te wonen.”
Ik goot een verse halve liter Albert Heijn pils over in een leegstaand vaasje en zette dat aan mijn lippen. Vervolgde : “Tegen de tijd dat ik vannacht eventueel iets ga zeggen over vanmiddag ben ik compleet naar de vaantjes, kan ik je verzekeren. “Wat denk je? Zal ik er desalniettemin een stukje over schrijven?”
“Neen, dan schrijft ge er beter geen”, zei Xavier.

Wijze woorden.

Maar mooi was het zeker vanmiddag. Er heerste een welwillende sfeer. Ik kwam binnen tijdens Han v/d Vegt. Constateerde dat, in ieder geval wat mij betreft, “Exorbitans”, een stuk interessanter overkwam vanachter de microfoon, dan vanaf papier. Weergaloos voorgedragen. Ik signaleerde lijnen. Zag in dat ik ‘m al die tijd had onderschat. Er valt nog steeds een hoop aan te schaven, maar om met Walter van den B. te spreken : “potverdikkie”. In de positieve zin van het woord.

Toen was het pauze.

Na Ingmar Heytze, die bekwaam, zonder zijn vingers te branden, een smakelijke inleiding ten beste gaf, en de te voorspellen laaiend enthousiaste woorden van redacteur Chretien Breukers, betraden de vier verse Windroosdichters de planken.

En daar ging het om.

Lang leve Maarten Das. Maarten, ik ben vooral erg gecharmeerd van je vroegere, vooralsnog ongepubliceerde werk, maar dit mocht er ook wezen. Ik geloof dat het vanmiddag het derde gedicht was dat je voordroeg, waarin je bezweerde (bezwoer) als vanouds.
De mensen, ze hingen aan je lippen. Ik zag kippenvel op diverse armen, waaronder de mijne. Zing Maarten, zing.

Fred Papenhove vond ik knudde.

Richard Steegmans, ja! Jouw hoofd op mijn schouders en vice versa. Ik wou dat ik jouw taal had, jij mijn voordracht. Je had het moeilijk, vanmiddag, in een sfeer die was veranderd van welwillend in onrustig. Onterecht.

Guido. Guido…. Risico nemend. Over het randje rennend met rijm, experimenterend met vorm. Ik vond het spannend. Ik wilde meer van je horen. En los van dat, vond ik dat je fantastisch voordroeg. Ik besloot je bundel intensief te gaan lezen.

Ik kan het niet op dit moment, sorry, dieper ingaan op de dingen. Ik ben naar de kloten. Maar dank dichters, voor de mooie middag.

Xavier had gelijk. Ik heb inmiddels dubbele witregels nodig om mijn gedachten weer te geven.

Ik denk aan Ingmar, en vooral aan Lernert Engelberts, die door Ingmar werd citeerd middels een statement, waarvan de strekking reeds honderden generaties lang wordt gedebiteerd : “Niks is saaier dan schrijvers die schrijven over schrijven”.
Engelberts citeert overigens op zijn beurt kernachtiger : “alle geschrijf is gezeik” (Navel der onderwereld – Antonin Artaud).
Lernert Engelberts. Hij is (even) van het literaire toneel verdwenen.
Hij zat bij mijn zusje in de klas. Ze is verliefd op hem geweest.

Ik vond vanmiddag hoopgevend, begrijp me niet verkeerd. Maar vanuit een Varikiaanse kop op mijn schouders wil ik jullie de laatste regels op de achterflap van de debuutbundel van Lernert Engelberts niet onthouden :
“Mijn vrienden lezen trots hun gevoelslava voor en vragen mijn opinie, waarna ik lieg dat ik het prachtig vind. De wereld lijkt door enkel poeten bewoond. Is ook mijn ambitie groter dan mijn talent?”
(Oedipus werpt jongen (1996) – Lernert Engelberts (1977) – De Harmonie).

Puberaal, helemaal mee eens. Maar ik ga me bij mijn meisje scharen. Het is genoeg geweest, ik heb gezegd, te veel geschreven.
Ik ben een stier en heb volgens L. een grote behoefte aan me veilig voelen.