Queensnight

Vannacht geen stukje. Reden : koninginnenacht. Ik verkeerde in de veronderstelling dat er dit jaar eindelijk vanaf 12 uur weer spullen op straat mochten worden verkocht. Lang leve Cohen juichte ik inwendig.
L. en ik besloten er een goeie avond van te gaan maken. Eerst maar eens uit eten bij “Anders”, dat al jaren “de Blauwe kade” heette, maar dat wij nog altijd “Anders” noemde. Het restaurant om de hoek van mijn oude vervallen huurwoning op de Lootsstraat.
In de Lootsstraat bleek een compleet huizenblok tegen de vlakte te zijn gegooid. Platgestampt. En “Anders” heette weer anders : “Le Kade”. Een pretentieuze naam. De bediening was ook prententieus. Niet echt gezellig. Op het terras zagen we de dichter Krijn Peter Hesseling samen met een ons onbekende jongen aan een tafeltje zitten. “Hey Krijn Peter!” riep ik. Hij keerde zich verbaasd om. Stotterde ook een begroeting. Daarna zei hij dat hij zojuist een gedicht met Wilko had opgenomen voor “Slamsphere”, het internet-project van de beroemde documentaire maker. “Ik heb een reactie gemaakt op jouw gedicht”, zei hij met zijn ogen naar de grond gericht. “O!” riep de ons onbekende jongen, “Ben jij Sven!”
Ik knikte.
“Nou”, zei de ons onbekende jongen : “Maak je borst van maar nat! Of liever gezegd : 2 borsten!”
Bon.

Ook de tekst op de kaart van het restaurant was prententieus. Maar toegegeven, het eten was briljant en de huiswijn nog genialer. Een absolute aanrader.
Om kwart over twaalf slenterden L. en ik richting Jordaan. Onderweg op de Kinkerstraat niks geen verkopers. Zelfs geen mensen die plaatsjes voor de volgende dag bezet hielden.
“Misschien is het alleen in de stad”, zei L.
“Hmm”, zei ik op slag chagerijnig. We liepen door.
Ook in de stad geen verkopers. In de Jordaan lagen uitgestorven straten. Quelle tegenvaller. Teleurgesteld wilden we de terugtocht alweder aanvaarden. Tot we plotseling een lichtpuntje zagen, een plekje aan de Looiersgracht, waar zich een ongelooflijke kluwen mensen had verzameld : Festina Lente.
Bij Festina kregen we gratis champagne van eigenaar Felix. Voor de deur van het cafe begroetten we half schrijvend Amsterdam.
We was happy.

Utopia

Weet je, ik ben zo moe. Chronisch.
Allicht, zul je denken, dat komt doordat je zo weinig slaapt.
Je hebt gelijk.
En erachteraan zul je denken : Nu we het er toch over hebben : waarom slaap je dan niet wat meer?
Omdat ik er nou eenmaal vroeg uit moet voor mijn werk.
Maar dan ga je toch gewoon wat eerder naar bed?

Tsja.

“Weet je wat het is?” zou ik dan zeggen.
“Nou?” zeg jij verwachtingsvol.
Ik weet het niet.

Ik weet niet waarom ik, tenzij ik me in hoog tempo de tyfus zuip, niet in slaap kan komen voor vieren. Wel heb ik er diverse theorien over. Maar daar wil ik je niet mee vervelen.

Het komt er op neer dat ik een roespersoon ben. Een vluchter. Ik vind de werkelijkheid niet om over naar huis te schrijven. Onprettig, bedoel ik daarmee.

Ik kan pas slapen als de wereld in orde lijkt. Dus ik moet wel. Drinken. Of niet slapen.

Niet slapen heeft hetzelfde effect als stoned zijn. Details zijn belangrijk, hoofdlijnen bijzaak.

Vanavond zag ik zowel Co Adriaanse als Jack Spijkerman van hun geloof vallen, waarop ze allebei verloren. Respectievelijk op Nederland 2 en RTL 4. Maar daar ging het niet om. Het ging erom dat Landzaat, Timmer en die jonge in Europees verband debuterende verdediger, de wedstrijd van hun leven speelden. En dat de cabaretiers van Kopspijkers zich niet lieten piepelen.
Denk ik. Die stalen tenminste de show, ten koste van hun goeroes.

De wereld is niet mooi, maar voor mij deed het er allemaal niet toe. Ik kon de hele avond dat bandje maar niet uit mijn gedachten krijgen, het bandje waarover ik had gelezen op een weblog. Het bandje dat, zo meldt de tekst, laatste is geworden tijdens de finale op Pocketpop (fuck muziekjuries – die zijn nog erger dan poetryslam-juries – en ik kan het weten), maar wel de publieksprijs had gewonnen. Hun favoriete nummer was hun eigen cover van “I am the Walrus” (Beatles), waarin hun bloedeigen leadgitarist normaal gesproken een wahwahsolo schijnt te spelen (die de desbetreffende avond wegens technische omstandigheden in het water was gevallen – oprecht verbitterd sprak de weblog-schrijfster over “DE solo”, die niet ten uitvoer kon worden gebracht).

Wow. Als ik ergens gek op ben dan zijn het wel wahwah-solo’s. Het kan mij niet wahwah genoeg zijn. Het liefst zo goor mogelijk, zoals in “Presence of the Lord” van The Cream, of nog beter : de lange live-versie van Voodoo Chile van Hendrix. Dat je de gitaar door de duisterste krochten van je ziel voelt harken.
Voorts is mijn lievelingsnummer allertijden, ondanks dat John George in de versie van de Beatles geen wahwah heeft laten bepotelen, “I am the Walrus”, dus ik was en ben ontzettend benieuwd naar dat bandje.

Uberhaupt : Dat er hedendaagse jonge Nederlandse bandjes zijn die I am the Walrus coveren en dan met een eigen visie op “DE” wahwahsolo. Ja. Dat stemt hoopvol.

Ik ben zo gelukkig dat ik ze bijna niet wil horen. Want nu kan ik voorlopig slapen.

Op Fietse (2)

Het was een bij voorbaat een ondoenlijke dag vandaag. Absurd vroeg op om absurd vroeg aan het werk te moeten bij de ABNAMRO, aansluitend in de avonduren een vergadering van het overkoepelende detacheringsbedrijf dat mijn brood (bier/sigaretten/nederige stulpje) financiert, om vervolgens door te moeten sjezen naar een meeting van onze vereniging van eigenaren, featuring de yuppenmeisjes.
How many suits en mantelpakjes can you verdragen in 16 hours?

Maar laat ik daar niet over schrijven.

En uiteindelijk viel de dag ook alleszins mee. Mijn werk sucked, as always, maar tijdens de vergadering van mijn overkoepelende detacheringsbedrijf wist ik er na de presentielijst te hebben getekend, tussenuit te sneaken en ben op mijn dooie akkertje naar huis gefietst.

Op mijn Opoe-model peddelde ik rustig door het natuurgebied langs de A2, tot ik de wielrenner zag. Het was prachtig weer, een uurtje of half 8, en deze sportminnende veertiger had besloten om na de piepers nog even een rondje te gaan doen.
Hij zag er uit zoals alle sportminnende amateurwielrenners er uit zien : strakgespannen wielrenbroek rond al evenzo strakgespannen dijenvet, en een uitdijend bovenlichaam als worst verpakt in een shirt met zoveel mogelijk kleuren van de regenboog. Om de een of andere reden wordt dat in de wielerwereld als fashionstament gezien. En dat geheel zwoegt dan steevast voort op het aller-aller-aller-nieuwste/duurste model racefiets.
Serieuze kop erbij, hell, ik kan daar zo slecht tegen.

Voordat de rest van deze anekdote ongeloofwaardig gaat worden even het volgende : in 2001 heb ik als kettingrokende alcoholist op een oude, voor 50 gulden op Koninginnedag gescoorde krotfiets zonder bergversnellingen, binnen anderhalf uur de Alpe D’Huez bedwongen. Ik kan best een beetje fietsen.

Anyway, ik zag die wielrenner het valse plat richting Rai opstoempen. Ik was in een gemene bui, want op weg naar de yuppenmeisjes. Ik gooide mijn peuk in de berm, zette aan, en sprintte tot ik in de slipstream van de nog argeloze man kon rijden. Eventjes op adem komen. In de afdaling bij het Amstelpark, nog altijd richting de Rai, kreeg ik het voor elkaar om een Marlboro uit mijn fleestrui te vissen en die op te steken.
De man boog diep over zijn stuur, sneed de bochten keurig aan. Ik volgde; met losse handen en de sigaret in mijn snavel.
Nu kwamen we op het rechte stuk richting WTC, dwars door het Beatrixpark. Nu werd het lachen. Gracieus rechtopzittend haalde ik hem in. Liedjes fluitend, rokend, op mijn Opoe-fiets.
Dat vond hij niet grappig.
20 meter verder hoorde ik hem achter mij schakelen. Weer 20 meter verder nog eens. Ratelderatelderatel. Gevloek. Nog meer geschakel. Oorlogszuchtig gegrom.
Op het rechte stuk richting Olympiaplein kwam ie me zwaarademend voorbij muizen.

Het rode stoplicht bij de Stadionweg kon hem niet schelen. Mij ook niet. Ik wist dat er op dit moment enkel voor ons ongevaarlijke lichten op groen stonden te springen.
Ik zat nog altjd in z’n slipstream. Maar wist net iets beter hoe de fysieke verkeersinfrastructuur daar in elkaar stak en pakte het handigere ingangetje van het fietspad vanuit de tegenovergestelde richting. Ik was hem weer voorbij.
“Godverdomme”, ving ik op. Mijn smile werd mijlenbreed.
Over de Olympiaplein-kasseien denderden we richting Lyceum. Hij kwam weer langszij zetten. Ik zat nog altijd gracieus rechtop en probeerde hem aan te kijken. Maar hij staarde verbeten voor zich uit, vastbesloten deze race naar, ja waar naartoe eigenlijk? te winnen.
Bij het Lyceum was ik ‘m weer te slim af, waar het kennis van de plaatselijke infrastructuur betrof.
Als eerste suisde ik onder de poorten van het Lyceum door, straight richting Vondelpark.

Daarna remde ik even, noodgedwongen. Na de poort door het Lyceum moet je de Laraissestraat kruisen, een OudZuidelijke verkeersslagader en je kan met een dergelijke snelheid onmogelijk van tevoren zien/horen of er auto’s/trams/(brom)fietsers van de gevaarlijke linkerkant aankomen.

Dit was zijn kans. Hij greep hem. Hij plaatste zijn beslissende demarage. Blind vloog ie met 40 kilometer per uur de kruising over. Een BMW uit de 3-serie slipte richting tramrails, waar de wielrenner hem met een sierlijke curve ontweek.

Hij heeft gewonnen. Eerlijk is eerlijk.

Welkom Overmacht

Vandaag was zo’n dag dat de dingen meezaten. Ondanks voorspelde regen onder een blauwe hemel droog op Lelylaan aangekomen, korte rijen bij het loket, niemand die naast me kwam zitten in de trein, ergo associaal breeduit de krant kunnen lezen, cappuchino erbij en daarna trok er tot mijn grote vreugde iemand aan de noodrem, waardoor we voor onbepaalde tijd stil stonden rond Schiphol. Yes!
Ik toetste alvast het nummer van mijn leidinggevende in op mijn mobiel. Maar ik wachtte nog even met daadwerkelijk bellen. Las ondertussen vrolijk verder in de krant.
Tot de speakers weer begonnen te kraken. Ik drukte op “bellen”.
In Den Haag werd opgenomen. “Ik sta vast in de Schipholtunnel”, zei ik, op de achtergrond hoorde ik de conductrice door de speakers kuchen. “Dames en heren, we kunnen vooralsnog niet vinden om welke noodrem het gaat, we zullen helaas nog enige tijd…”.
“Sorry”, zei ik tegen mijn leidinggevende, “ze gaan net vertellen wat er aan de hand is, ik ga even luisteren, blijf hangen.” Ik hield mijn mobiel in de lucht, richting speakers. Ik wist dat de conductrice de boodschap nu voor onze buitenlandse vrienden zou proberen te gaan herhalen in het Engels.
Inderdaad. Na enig gehakkel kwam ze op de proppen met : “Ladies en gentleman, due to someone who has pulled with an emarcancy break…” hakkeldehakkeldehakkel, “…. uncertain delay.”
Ik trok mijn mobiel weer naar mijn gezicht en zei zo onvrolijk mogelijk tegen mijn leidinggevende : “Nou, dat gaat nog wel even duren, lijkt het!”

Het werd nog beter. Eenmaal op mijn werk kondigde de man die als enige goed op mijn beeldscherm kan kijken, aan dat ie een middagje vrij ging nemen, zodat ik ongestoord en eindeloos heb kunnen grasduinen door het vers door mij ontdekte weblog van Merel Roze. Gezellig.

En het werd nog beter. Als ik ‘s avonds om 7 uur thuis kom is het eerste wat ik doe mijn nette werkoutfit van mijn lijf stropen, een T-shirt en joggingbroek aantrekken en met een grote pils in de ene en een shaggie in de andere hand, mijn dakterras inspecteren. Zo ook nu.
En vanavond werd ik verrast. Uit de zaadjes die ik pas een week geleden heb gezaaid, bleken zich vandaag al groene kopjes een weg bovengronds te hebben gevonden.
Dat gaat een mooie zomer worden, dacht ik. Nog mooier dan vorig jaar, toen ik ook al mijn fictief ingestelde prijs voor de prachtigste daktuin van Amsterdam Oud-West met grote overmacht heb gewonnen.
Alleen, dacht ik, is de grond nogal droog. In al mijn bakken en borders zag de aarde eruit als een gebroken bruine spiegel. Ik zou het beste maar weer eens beginnen met gieteren. Net als vorig jaar : dagelijks 30 maal met 10 liter water de trap op en neer (nee, dat gaat niet met een tuinslang, dat is zielig voor jonge plantjes – je douchet een baby ook niet met een brandspuit (tenminste, dat vermoed ik – ik heb geen babies)).
Du moment dat ik deze zware taak weer met liefde op me wilde gaan nemen voelde ik een druppel. En twee minuten later viel de voorspelde regen alsnog met bakken uit de hemel.

Time

Vandaag heb ik hoegenaamd niks bijzonders meegemaakt. Verbleven als ministeriewezen in een Haagse wolkenkrabber en net op tijd aanwezig voor de vergadering die niet doorging.

Op maandagochtend moet ik verder altijd de door mijn computersysteem automatisch te genereren standaardbrieven naar de apothekers in den lande updaten, aan de hand van de in de afgelopen week opgestelde wijzigingsvoorstellen van mijn leidinggevende. Check als je je dood wil vervelen de site van Farmatec maar eens. Het agentschap van het ministerie van VWS waar ik in huurdienst ben. Mijn werk bestaat o.a. uit het beheren van de content van die site.
Ambtelijke taal. Altijd lachen. Soms heb ik zin om aan het einde van de brieven stiekem die songtitel van Rick de Leeuw (Trockener Kecks) te plaatsen :

Zou je niet tegenstaande de recente gebeurtenissen toch een verzoek tot amoureus verblijf in overweging willen nemen, alsjeblieft.

Geen hond zou het merken, dat is het droevige.

Wat zal ik zeggen? Ik was koud een uur aan het werk en alweder bijzonder mistroostig. Dat is niet goed. Dat moet anders. Kon ik maar voetballen. Of heel erg goed raceauto’s besturen. Desnoods vrouw zijn, grote tieten hebben en opzichtig nepgeil uit mijn ogen koekeloeren.

Let op : nou word ik puber. Met navenante bombastische kortzichtige redeneringen : waarom is het allemaal ooit verkeerd gegaan met de mensheid? Waarom rennen we elkaar als zombies achterna?

Er heeft jaren een ansicht met de beroemde Gitanesvrouwe aan mijn muur gehangen, waaronder een geuzenslogan stond gedrukt : “L’opium du peuple”. Gitanes als variant van God.
Voor mij klopte het. Ik had alles over voor mijn lieve sigaretjes. Maar meer nog voor mijn echte vrienden. De varianten van vlees en bloed. We begrepen elkaar. We liepen ‘s ochtends krantenwijken voor een gitaar, een extra wijk voor een versterker, gingen naar school, werkten ons daarna ‘s nacht bij v/d Valk de blubber voor betere versterkers, gaven dat geld gedeeltelijk uit aan LP’s, maar daar ging het niet om : we maakten muziek. En vooral ook heel veel ruzie.
Het kwam altijd weer goed. We schreven, we oefenden, we aten lauwe friet uit kartonnen dozen, totdat we eindelijk op mochten treden. We waren, jawel, gepassioneerd. Dat mag wat kosten.

Op het oog lijkt er niets veranderd. Iedereen heeft het nog altijd druk. Niet meer zo druk als met de samengestelde dagelijkse 18-urige banen van toen, maar toch. Lijkt travail nu “l’opium du peuple”. Het verschil : het is niet meer leuk. Onze bezigheden zijn werk gaan heten. Mijn vrienden vinden werken ook niet leuk. Maar ja… Ook zij hebben te schaften met… Moeten… Vinden eigenlijk ook wel dat, maar ….

Dat zeggen we niet. We maken nooit meer ruzie. En beamen dat het allemaal heel erg goed gaat met elkander.

Home at last

Het was een zwaar lang weekend. Waarvan binnenkort akte. Op dit moment ben ik te moe om adequaat verslag te doen.
Maar gelukkig hoeft dat ook niet, adequaat verslag doen. Het is verdomme mijn eigen web-log, ik mag zelf bepalen wat er is gebeurd. Dat vergeet ik wel eens.

In a nutshell : Ik took that trip through memorylane. Het was gedenkwaardig. Nothing beats the past. Zo’n type ben ik, ik kan het niet helpen. Ik heb een pelgrimstocht ondernomen naar het huis waar ik ooit heb besloten om schrijver te worden. Parkwood, University of Kent, Canterbury, England. Farthingscourt (what’s in a name), nr 22.
De zon scheen. Er was zo’n twee meter boom gegroeid waar ik geen weet van had, Tom, waar ik elf jaar geleden een eikel had gepoot. Wow.
Verder zag ik dat nog altijd niemand de grapjurk heeft gecorrigeerd die vanaf den beginne de “h” van het straatnaambordje had doorgekrast. Van die humor waar ik niet meteen fan van ben. Maar toegegeven, mijn aanstaande ex-vrouw en ik voelden ons destijds direct thuis; in Amsterdam woonden we in de (K)anaalstraat.
Toen ik dat later die avond, tijdens een spaghettidiner vertelde tegen mijn ex-vrouw, leek ze dat niet echt boeiend te vinden.
Dus vertelde ik over de jochies bij het vennetje. Het verhaal dat ik die middag zelve had beleefd. Als het aan mijn ex-vrouw ligt beats nothing the present.
Het was een mooi verhaal. Het is het mooiste verhaal van het afgelopen zware lange weekend. En ik zal het ook jullie uitgebreid vertellen, maar niet nu.

Zo moe. Zo, zo, zo, ontzettend moe.

Vanmiddag getuige geweest van een prachtig programma tijdens de CD-presentatie van “Dit is Dit”, van ACG Vianen. Les Fine Fleures des podiumpoeten. Zelf ook nog even als een zombie op het podium gestaan. Avec gitaar en samen met L. Het ging naar omstandigheden niet slecht. L. was in vorm. Mooi om te zien dat ook zij de zaal tot achterin stil wist te houden. En zij dus met echte poezie. Na afloop overhandigde een ons onbekend jong stelletje, twee kantjes feedback. Lovende woorden. Wow.

Ik kan er zo blij van worden als mensen mijn meisje goed vinden. Op de terugweg zaten we in de trein. 1e klas. What da fuck. Het was sowieso al de hele dag gelazer met werkzaamheden aan het spoor en meer van dat soort gelul en vertragingen sloegen de klok.
Er kwam een dappere conducteur onze coupe ingerend. Pas op! riep hij moeizaam grijnzend, achter hem een gevolg van dikke 40+mannen met blikjes Hertog-Jan. We waren op weg van Eindhoven naar Den Bosch. De dappere conducteur rende dapper door, net als zijn gevolg. Ze leken op hooligans, bedacht ik.
Het bleken ook hooligans. Schattige hooligans, fans van Den Bosch. Ze renden opnieuw grinnikend door onze coupe, achter de conducteur aan, maar nu in tegenovergestelde richting. Totdat er eentje halt hield. De dikste. Hij zag een gitaarkoffer in de rekken liggen. Mijn gitaarkoffer.
Een helder moment. “Eee!” kraaide hij, “kende gij speule?” Lodderige ogen vingen mijn eigen lodderige blik.
“Ikke? Nee…” probeerde ik nog. Maar er was geen redden aan. De dikke graaide mijn koffer uit de rekken, viste de gitaar eruit.
Ik moest en ik zou speule. Alle hooligans stortten hun zakken leeg en mijn gitaarkoffer werd gevuld met honderden munten. Ik had geen idee waar ze ze vandaan haalden, maar mijn meisje werd overladen met bloemen.
“Ik kan niet spelen”, stamelde ik nogmaals, “ik kan…. Ik kan niks…”
“LUL NIET! SPEULE!!!” Frans Bauer wilden ze horen.
Wanhopig keek ik naar de conducteur. Hij grijnsde, een stuk opgeluchter ditmaal. Ik was vet de pisang. Ik was in doodsangst.
“Doe dat ene liedje van je”, zei L., “Berlin”, dat is ook een beetje Frans Bauer, maar dan in het Engels.”
Dat klopte.
Ik speelde het. Zong als een nachtegaal.
“Hij ken ‘t wel”, zeiden de hooligans, “hij ken wel speule”.
Teleurgesteld dropen ze af.

We zijn weer thuis.