Philips

Vanavond was ik in het huis van mijn ex-vrouw. Ze is voor een paar maanden te gast op een universiteit in Engeland. Ik moet elke twee weken de post scannen op te betalen rekeningen en de planten water geven.
Het was een hele tour om binnen te komen. Gisteren had ik het ook al geprobeerd, maar toen was het niet gelukt. Mijn ex-vrouw heeft 7 sloten op haar deur; ze heeft het niet zo op de inbrekende medemens. Met een halve kilo aan zwaarmetalen cryptische vormgevingen stond ik vertwijfeld in de portiek. De sleutels wilden niet in hun sloten en nadat ik ze er met bruut geweld in had geramd wilden ze niet draaien.
Vanavond lukte het plotseling wel. Toen ik eenmaal binnen was zag ik hoe laat het was. Voetbaltijd. Nederland-Armenie. Ik besloot ter plekke naar de wedstrijd te kijken en ging op zoek naar de afstandsbediening van de TV. Er waren vijf verschillende. Mijn ex-vrouw is een hifi-freak. Ik probeerde ze allemaal in allerlei standen. Ik kreeg de DVD, de laptob, de stereo, het licht uit en het alarm aan de praat, maar de TV wilde maar niet aanfloepen. Ook niet met de knopjes op het apparaat zelf.
In paniek naar Engeland gebeld.
Mijn ex-vrouw moest lachen. Ze weet hoe dom ik ben. Ze vertelde dat er een knop verstopt zat, aan de rechterzijkant van de TV : “daarmee kan je hem aanzetten als ie niet in standby-modus staat”.
“Dank je”, zei ik en opgelucht legde ik neer.
Er bleek geen knop te zitten aan de rechterkant. Maar links wel. Ik heb het staartje van de tweede helft gezien. Net genoeg om mijn helden Babel en van der Vaart zich over het zwaar verregende veld van het Philipsstadion te zien slepen. Mijn ex-vrouw zweert bij Philips. Ze is een wetenschapper. Ik niet. Ik ben een voetballer.

Derde Paasdag

Vandaag was een ren en vliegdag, het ging al meteen mis. Te laat uit bed, lange rijen bij de loketten op Lelylaan, dus geen cappuchino. Weigerende aansteker, reserve lucifers in mijn andere jas, dus geen snelle sigaret op het perron. Een bomvolle trein, no way dat ik mijn krant normaal open kon slaan en op mijn werk deed mijn email het niet. Fuck.
Collega’s die direct aan je kop beginnen te zeiken en een stortvloed aan adhoc-verzoeken deponeren. Bol van de stress naar buiten gevlucht om een sigaret te roken, maar tsja. Vergeten dat mijn aansteker het nog steeds niet zou doen. Fuck, fuck, fuck.
En daar sta je dan. Onderaan je wolkenkrabber in Den Haag. Als je er op had gestaan had je met de gedachte gespeeld om naar beneden te duiken.
Ik ben overspannen denk ik.
Ik haat mijn werk. Ik heb niks met mijn collega’s en de arbeid zelve vind ik te dom voor woorden. Waarom heb ik een wurghypotheek? En waarom heb ik me voor allerlei pensioenspaarregelingen laten strikken, terwijl ik dat waarschijnlijk toch niet haal?
Dat dacht ik op de terugweg in de trein. Ik dronk er een stevige pils bij.
Even later bleek de Albert Heijn geplunderd. Fuck de dag na Pasen. En mijn cassiere was een rund, waardoor de kortste rij de langste bleek.
Thuis negeerde ik de hongerige katten, greep in de koelkast naar mijn laatste pils, viste de reservelucifers uit mijn andere jas en vluchtte naar het dakterras. Daar bloeiden de narcissen in volle glorie. En zo kwam alles weer goed.

Gezien worden

De afgelopen dagen ben ik in Limburg geweest. Op uitgebreide paasvisite bij de moeder van L. in Heerlen. Het was mijn initiatief. L. heeft om het eufemistisch uit te drukken een nogal ingewikkelde relatie met haar moeder. En als L. in Heerlen komt verandert ze van lief meisje in een razende pitbull. Fascinerend om te zien.
Toch wil haar moeder altijd graag dat ze komt. Het blijft tenslotte haar dochter en haar enige kind. Theoretisch gezien dus ook haar enigste, maar aan dat woord moet je niet direct denken als je ze bij elkaar ziet.
Bij binnenkomst was al direct hommeles. De moeder zei tegen L. : “Kom binnen! Je ziet er goed uit, wat heb je toch een mooi figuurtje, en dat terwijl je uit zo’n familie van dikkertjes komt. Knap hoor!”. L. plofte, zonder groetplegingen uit te voeren, kwaad in een stoel neer : “Zeg het maar! Zeg het maar dat je vindt dat ik wallen onder mijn ogen heb! En dat ik stomme schoenen draag! Zeg het dan!”
Haar moeder blikte of bloosde niet. “Thee of koffie?” vroeg ze met haar vriendelijkste stem, “of een wijntje? Dat mag ook.”
Een paar minuten laten werden we overladen met Limburgse vlaai en chocolaatjes. L.’s gezicht bleef op onweer staan en ze begon driftig boeken uit de kast te trekken, die ze doorbladerde om verdere verbale uitingen van woede te temperen.
Na aspergesoep en een hoofdgerecht van kalfsvlees en Brussels lof was de stemming nog steeds niet al te best. Sterker nog, hij liep uit de hand. L.’s moeder, een subtiele dramaturg, kwam met haar bekende verhaal dat ze te schaften had met een slechte gezondheid en dat ze met L. wilde doornemen hoe de begrafenis geregeld moest worden.
L. hapte even naar adem en begon stemverheffend te dreigen met weggaan.
Ik probeerde te bemiddelen.
Niet veel later stonden we met zijn drieen af te wassen. De moeder boende, L. droogde, ik zette het resultaat in de keukenkast.
Het ging iets beter. We dronken een wijntje. Praatten over veilige onderwerpen. Dingen die in de krant staan. Toen gaf L. haar moeder het cadeautje dat ze had meegenomen : haar gedichtenbundel die afgelopen oktober was gedrukt. De eerste twee gedichten zijn regelrechte sneren naar haar moeder, maar diezelfde moeder vond de gedichten prachtig, waarop L.’s gezicht alweer begon te betrekken. Verstandig vertrokken L. en ik naar onze Bed & Breakfast, een straat verderop.
De volgende ochtend zijn we bij N’s moeder op de koffie gegaan. De moeder had haar vriend aan de telefoon. En ze vertelde dat het zo gezellig was geweest, gisteravond. En dat ik de spullen zo goed in de keukenkast had gezet, “precies op de juiste plekken, zonder dat ik hem die verteld had!”
Nadat ze had neergelegd zei ze tijdens de koffie tegen mij dat ze mij zo beschaafd vond. Toen draaide ze zich naar L. en zei : “en jij, jij bent ook heel beschaafd!”
L. rolde met haar ogen en riep : “Ach, ga toch weg, jij noemt mij alleen maar beschaafd. Omdat je wilt dat je een beschaafde dochter hebt. Als ik nu een drol op je tafel zou draaien, dan zou je me nog beschaafd noemen.”
“Nou ja,” zei haar moeder, “dat zouden we toch kunnen zien als een artistiek experiment?” L. vloog zowat tegen het plafond. De moeder koos eieren voor haar geld : “Maar inderdaad, je kan soms ook een beetje gemeen zijn.”
Toen was het goed.
En zo groetloos als het begin van het weekend was geweest, zo warm was het afscheid.

In menigten

Ik ben gisteren naar een ‘hoera’-borrel geweest. Die term heb ik gelukkig zelf niet verzonnen. De ‘hoera’-borrel was georganiseerd door Erik Jan Harmens en Tommy Wieringa n.a.v. de verschijning van de gedichtenbundel Underperformer (EJH) en de op hande zijnde derde druk van de roman Joe Speedboot (TW). Ik was erg blij met de uitnodiging; bijna de halve literaire grachtengordel zou aanwezig zijn. En dan ook nog eens het hippe gedeelte daarvan. Cool.
Het hele gebeuren zou plaatsvinden in het bovenzaaltje van restaurant Zeppos, gevestigd in het straatje “Gebed zonder end”, en zou beginnen om 20.30. Mooi, dacht ik, dan gaan L. en ik vooraf de lekkerste vissoep ter wereld eten. Die hebben ze namelijk in Zeppos.

En de vissoep was inderdaad weer fantastisch. De enige andere genodigde die op dit idee was gekomen was Rick de Leeuw. Ik heb ooit samen met Rick in de Echo-tent van Lowlands opgetreden, hem op de planken gehad van het popfestival dat ik mede organiseer en heb vooraan gestaan bij weet ik niet hoeveel concerten van de Trockener Kecks. Maar hij herkende me niet, uiteraard. Met zijn grote lichaam en ontzagwekkende klauwen zat hij aan een veel te klein tafeltje zijn maaltijd te mishandelen. Alsof de vissen nog leefden. L. en ik sloegen het liefdevol gade.
Niet lang na daarna verkasten we richting het bovenzaaltje, waarvan de ingang een huisdeur verderop lag. Respectvol liepen we achter het ravenkapsel, het prachtige satijnen rode jasje en de artistiekerige gymschoenen aan.

We kwamen binnen. Het was stampdruk, er kon geen kat meer bij. We namen plaats aan een grote tafel en begroetten onze bekenden; Simon Vinkenoog en zijn onafscheidelijke Edith, de romanschrijver en dichter Bernard Wesseling, de cultdichter Eus, de romanschrijfster Aukelien Weverling, Arbeiderspersredacteur Peter Klaassen, Festina-vader Felix, natuurlijk EJH en TW zelve plus een hele, hele lange reeks podiumdichters uit het circuit. Zoenen en negergroeten. Verder zwaaiden we naar romanschrijver en Volkskrantmagazine-journalist Stijn Aerden en dichter Mustafa Stitou, die we voor de eerstvolgende editie van “Dichters in Helmers” hebben geprogrammeerd. Vissen in het water, L. en ik.
Rick hing ondertussen nonchalant tegen de donkerste muur.
We zagen een reeks optredens. Van dichters. We zopen ons te pletter en er werd genoeg gelachen en geapplaudiseerd. Ons kent ons.
Toen moest Rick. Ik stond op van tafel en liep naar voren. Uiteraard. Rick kwam met een gedicht dat het midden hield tussen een verhaal en een songtekst dat uitmondde in een lieve sneer richting de zelfingemomenheid van de poeziewereld. Na afloop werd het even muisstil. Toen ben ik heel hard gaan klappen.

Als ik een paar uur “in menigten” (titel eerste bundel EJH) heb gebivakkeerd, word ik moe. Na een paar uur tussen dichters ben ik kapot. De ego’s, de ongeinteresseerdheid in anderen, de pseudo-diepzinnige discussies, het platte versiergedrag, het apenrotsgedoe : moe, moe, moe, word ik ervan. Ik werd aangesproken door een corpsbal van Propia Cures. Hij had me zien optreden tijdens het Bal der geweigerden. Hij vond me goed. En daar was ik blij om, maar ik kon er na twaalf gesprekken met dichters niet meer tegen. Ik ergerde me aan zijn aardappelstem, zijn pak, aan alles. Hij nam het me niet in dank af. Hij sprak zijn verontwaardiging uit over mijn deel van de conversatie en haalde twee bier, waarvan geen voor mij.
Ik besloot te gaan slapen. Ter plekke onder een tafel naast een zo mogelijk nog donkerdere muur. Serieus, ik kon niet meer.
Een half uur later werd ik wakker gemaakt. Door EJH. Bezorgde blik in zijn ogen. L. kwam toegesneld en zei tegen EJH : “Maak je geen zorgen, dat heeft hij wel vaker”.
L. heeft, terwijl ik aan het pitten was, Rick gestrikt voor het volgende seizoen “Dichters in Helmers”. Lang leve mijn meisje.

Dichters zijn eikels

Sorry, dit wordt een vrij verbitterd logje. Maar mijn god, wat kunnen dichters soms een eikels zijn, niet normaal. Sinds een tijdje organiseren L. en ik, samen met B. en C. een prachtig poeziepodium in cafe Helmers op elke eerste zondag van de maand. We hebben grote namen over de vloer gehad. Menno, Ilja, Simon, Tsead, Vrouwkje, Tommy, Diana, etc, enz. Allemaal namen waar de dichterswereld de achternamen direct achteraan denkt. Zoals in de cabaretwereld bij Freek en Youp. Daarnaast presenteren we dankzij intensieve scouting maandelijks het neusje van de zalm aan de best bewaarde geheime immense talenten. Sommigen daarvan zijn inmiddels landelijk doorgebroken. Hun namen? Erik-Jan en Tjitske. Ze zijn in de dichterswereld bekender dan Hans en Theo bij het theaterpubliek. Onze toegangsprijs? Gratis.
Na afloop krijgen zowel publiek als dichters een fantastisch buffet voorgeschoteld. Quiche lorainne, pastasalade, gerookte zalm, haring, sardientjes, gemarineerde kippenpootjes, exquise gehaktballetjes, kaasjes, worstjes, etc, enz. Ook gratis.
Waar we het van doen? Van ontzettend veel inzet van vrijwillige energie.
Niemand die dat in de smiezen heeft, maar dat deert ons niet. We hebben nou eenmaal allevier te schaften met een nogal filantropische instelling. En niet te vergeten een grote zendingsdrang om de liefde voor poezie aan de man te brengen.
Toch wordt het mij soms te veel. Zoals bijvoorbeeld vanavond. L. zit nu al uren te ploeteren op een reply aan een derderangs dichter. Hij schreef haar vandaag een regelrechte hatemail.

F. heet de man. We hebben hem ontmoet in Den Haag toen ik, naast hem en drie anderen, zelf moest optreden tijdens de Landelijke Gedichtendag in theater Branoul. Tijdens het diner vooraf kwam hij binnen tijdens het desert. Hij bestelde nog even gauw een biefstuk en dronk er een complete fles wijn bij. In Branoul trad hij op met effectief effectbejag. De zaal lag plat. Ik vond hem niet best, maar dat kan jaloezie zijn. Ik moest na hem. Anyway, dat doet er niet toe. Na afloop vroeg L. aan F. of hij op wilde treden in Helmers. Dat wilde hij wel.

Toen werd het gezellig. We dronken stevig door. Ik tikte L. op haar schouder : “zullen we dan tenminste de volgende nachttrein nemen?” Ik moest de volgende morgen om 7.00 op.
Het kwam er niet van. En uiteindelijk zijn we met onze dronken koppen bij F. in de auto gestapt. Hij woonde ook in Amsterdam en kon ons “wel even thuis afzetten”. Op de snelweg gebruikte hij de stippellijn als leidraad. Soms raakte hij de rechtervangrail, soms de linker.

Maar we zijn thuisgekomen.

Onderweg had F. verteld dat hij kanker had. Hij moest gokken tussen niets doen plus misschien doodgaan en zware chemotherapie plus gegarandeerde impotentie. We hadden met hem te doen. Ik opteerde voor “misschien doodgaan”. L. opteerde om met hem te mailen.

Wekenlang heeft ze met hem gecorrespondeerd om hem te steunen tijdens zijn chemokuur. En dat werd gewaardeerd. En met de gezondheid ging het de goeie kant op, maar sinds Helmers weer ter sprake kwam ging het mis met de communicatie. F., die in het verleden eens wat bundels heeft uitgegeven, wenste met voorkeur te worden behandeld. Niet over een kam te worden geschoren met die “onbekenden”, doelend op onze zorgvuldig gescoute talenten.

L. probeerde ons principe, de liefde voor de poezie, uit te leggen, F. vatte dat verkeerd op. L. snapte er niets van. Het ging heel snel. Aan de vraag of ie soms bedoelde dat ie meer consumptiebonnen wilde, is ze niet eens toe gekomen. De hatemail van vandaag was duidelijk : je bent een bitch.

Ik hanteer een oeroud principe : wie mijn meisje een bitch noemt is gewoon een vieze vuile ontegore klootzak.

Aardige jongens

Op woensdagen werk ik bij de ABNAMRO, in een van de gebouwen vlak bij de ArenA. Het is makkelijk werk, maar geen leuk werk. Ik ben applicatiebeheerder bij de afdeling Marketing Intelligence. Bij ons worden de reclames geproduceerd en bijvoorbeeld de advertenties die je te zien krijgt als je gaat pinnen. Als je regelmatig rood staat verschijnt er een aanbod voor een lening, als je wel eens valuta opneemt in het buitenland dan word je gewezen op hun doorlopende reisverzekering. Heel simpel. Niet echt avontuurlijk. Maar, zo leert de ervaring, wel effectief. Creatieve reclames zijn misschien leuk, maar ze werken niet, dus daar mag de concurrentie zijn geld aan uitgeven. Creativiteit is in de ogen van de ABNAMRO voor commerciele losers.

En daar zit je dan als dichter. In de troosteloze Bijlmermeer, in een kantoortuin zonder planten. Waar de complete afdeling op je beeldscherm kan kijken, zodat je niet kan vluchten in het schrijven van poezie of het afstruinen van internet.
Het werk dat ik moet doen heb ik in vier uurtjes af, dus de rest van de tijd zit ik te faken dat ik iets uitvoer. Ik moet wel, want anders word ik ontslagen. Ook daar zijn ze bij de ABNAMRO heel simpel in.

Mijn collega’s zijn in te delen in twee categorien : mannen en vrouwen. De mannen produceren voorspelbare kantoorhumor en de vrouwen moeten er verdacht hard om lachen. Ik daarentegen, kan geen grappen maken, dus ik probeer mijn collega’s zo veel mogelijk te mijden. Faken dat ik het druk heb. Welgemeend zuchten en kreunen. En maar tikken. Tikken, tikken, tikken. En als ik een bladzijde vol IT-onzin heb volgetikt, selecteer ik mijn tekst, delete ‘m en begin weer opnieuw.

Toch, als je ergens een flinke tijd werkt, ontdek je steevast tussen de robots en lemmings op een onverwacht moment een aardige persoon. En onafhankelijke geest die zich net zo beroerd voelt in zijn werk als jij. In dit geval R. Hij mag zich al sinds de fusie tussen de ABN en de AMRO een gefrustreerd individu noemen, dus dat is een behoorlijke staat van dienst. Wat mijn sympathie wekte was zijn uitspraak dat hij een hekel had aan Amerikanen. Je moet het maar durven bij de ABNAMRO. Dat is net zoiets als in het Vaticaan als kardinaal debiteren dat je katholieken haat. Of eigenlijk is het nog erger. Het is als een fractievoorzitter die in de tweede kamer de premier interrumpeert en roept dat hij de koningin in haar reet wil naaien. “O mijn god, die is dronken”, zouden zijn partijgenoten peinzen.
R., een weggepromoveerde voormalige financiele goeroe, ventileerde zijn afkeer van de VS tijdens een heftige vergadering. Ik zag D., mijn leidinggevende, met plaatsvervangende schaamte de andere kant opkijken. Ik deed wijselijk hetzelfde.

Later op de middag kwam ik opnieuw in aanraking met R. Hij rookt. We zaten met wat collega’s op de rookkamer. Ik stond naar de ArenA te staren. Als enige, de zitplekken waren op. “Jongens waren we, maar aardige jongens”, verzuchtte R. vanuit het niets. De rest, vier golfminnende marketingboys, keek hem waarschijnlijk verbaasd aan. Er viel een rare stilte achter me.
Ik draaide me om en zei : “Nescio!”
Toen keken ze mij verbaasd aan : “Nescio?”

Romeo en Julia

Ik heb Wilson betrapt met haar vriendje. Een jong zwart katje met witte sokjes. Mijn schoonzoon zag er schattig uit, tot mijn opluchting. Ik had angstvisoenen gehad dat Wilson met haar versverworven streetwiseheid alleen nog maar op zwaar gepiercede en/of getattoeerde katers zou vallen. Alcoholische types en drugsgebruikers. Deze zag er gelukkig uit alsof ie alleen maar melk dronk. Ze waren bezig voor het cafe, dat dan weer wel.
Een volkse veertigjarige blondine die haar hondje uitliet, vertelde dat ze Wilson en haar vriendje die nacht daarvoor had zien vozen in het nieuwe plantsoen op het Staringplein. Het gras is daar nog groener dan kikkers. Een adequate omgeving. Maar nu neukten dus al bij de kroeg.
Toch ben ik trots op mijn meisje. Ze had het goed voor elkaar. Ze had de overbuurvrouw van de begane grond zo gek gekregen dat ze overdag een bakje eten en een bakje water voor haar klaar zette op een geimproviseerde veranda.
Toen ik gisteren kettingrokend een paar rondjes door de buurt liep, op zoek naar Wilson die alweer 3 dagen spoorloos was, kwam ik twee meisjes tegen. Ze zagen er uit als 12 en zaten verveeld op de stoep. “Meneer, meneer! Mogen we een sigaret?”
Begrijp me niet verkeerd, ik val niet op meisjes van 12, maar ik vind ze er wel heel erg mooi uitzien met een sigaret. Toch zei ik : “Nee sorry, jullie zijn nog te jong om te roken.” Ik was verantwoord bezig.
De meisjes claimden dat ze 16 waren. “Maak dat de kat wijs”, zei ik en gaf ze een Marlboro. Ze hadden Wilson gezien. Ze hadden haar zelfs geaaid. Ze zouden bij me aanbellen als ze haar opnieuw zouden zien.
Ik heb niks meer van ze gehoord. Maar Wilson is veilig terug bij haar pappa. En zit nu jammerend op 4-hoog voor het raam. Te huilen naar haar jankende Romeo op straat.