Er is een Tielenaar doodgegaan

Ik heb nooit geweten dat de schrijvende kracht achter het nummer “Er is een Amsterdammer doodgegaan”, Wim Kersten was. De carnavalsman uit Den Bosch, vooral bekend van”Bloemetjesgordijn”.

Ik las het gisteren in het Volkskrantmagazine. Verrassend. Ik zou daar graag een stukje over schrijven, maar dat zit er nu niet in, want ik ben zo dronken als een tor. En dat komt dat dan weer doordat er een Tielenaar is doodgegaan. Deze: http://www.gelderlander.nl/tiel/markante-tielenaar-wil-snijders-67-overleden~af136658/

Over Wil Snijders, en de herdenkingsbijeenomst die er vanmiddag was in Tiel, zou ik ook graag een stukje schrijven, maar laat ik dat in deze staat niet doen. Gelukkig doet mijn zusje dat op dit moment wel, in de regionale krant, de Gelderlander. Waarvan morgen plaatselijk acte.

Er was trouwens gisteren bijna nog een Tielenaar doodgegaan, in de vorm van ikzelve. Maar ik heb het overleefd:

klapband-a10

Waarover binnenkort meer.

Oom Jan

De allereerste herinering uit mijn leven die ik heb dateert uit de zomer van 1971. Ik was toen net 2. Sommigen van jullie zullen nu denken: Maar Pluk, dat kan helemaal niet, herinneringen ontstaan pas veel later in je leven, dat is wetenschappelijk aangetoond.
En dan moet ik toegeven: het grootste gedeelte van mijn leven tot nu toe, was dat inderdaad wetenschappelijk zo. Dat je je pas dingen zou kunnen herinneren van na pakweg je 4e levensjaar.

Maar sinds een jaar of 6 kan het in 1 keer wel (http://www.nu.nl/wetenschap/2512310/eerste-herinnering-ontstaat-tweede-levensjaar.html), zoals dat wel vaker gaat in de wetenschap, en kunnen zowel jullie als ikzelf dus met gerust hart geloven dat ik mijn eerste herinnering niet uit mijn duim heb gezogen.

Mijn eerste herinnering gaat als volgt:
Het is mistig, neveldampen trekken over het grasveld waarop ik wankele stapjes zet. Ik ben zojuist in de Zwitserse Alpen uit een klamme verzameling linnendoeken gevlucht die mijn ouders een ‘bungalow’-tent noemen. Ik ben op een missie naar warmte, en ik weet intuitief waar die te vinden. Nee, niet bij mijn moeder, want die is zwanger van mijn zusje en die mag ik niet lastig vallen, en ook niet bij mijn jonge tantes, want die hebben gisteren nog flessen water over mijn enkels gekegeld (dat noemden ze een ‘spel’; ‘flesje boem’, ik vond het leuk, maar nu even niet), ik moest het hogerop zoeken, bij de oudere mensen. Want die hadden verstand van warmte, wist ik. Mijn Oma bijvoorbeeld, die had het altijd koud, maar die sliep ook in een tent, de sukkelares, dus daar had ik niets aan, nee, ik moest bij haar broer wezen: Oom Jan.

Oom Jan was een slimme vogel, wist ik, Oom Jan sliep niet in een tent, maar in een soort bolle auto, een witte met een fornuis en een echt bed erin.
En hij had een dikke vrouw die aan de lopende band warme chocolademelk maakte op dat fornuis. Ja, Oom Jan vond ik voorwaar een slimme vogel.
In mijn eerste herinnering zie ik mezelf op het ijzeren opstaprekje staan, de deur openmaken, en mijn blik werpen op het vlagele fornuis waaraan Tante Hanny in een pan stond te roeren.Oom Jan zat binnen op een bankje met echte kussens in zijn onderbroek de krant te lezen. Het AD waarschijnlijk, maar dat kon ik niet zien, want ik kon nog niet lezen.
“Sven!” riep ie, “jij komt vast voor een lekkere mok chocolademelk! Met slagroom?”
“Oom Jan!”, zei ik, “Ja, chocolademelk inderdaad, en slagroom, waarom niet? Maar vooral wil ik later ook een caravan.”

Ik was een materialistisch ventje in mijn jonge jaren.
Een beroemde anekdote binnen onze familie gaat als volgt (ik herinner me die overigens niet): Oom Jan, neemt een foto.
Ik, nog altijd 2 jaar oud, zeg: “dat is een mooi fototoestel”
“Ja, een echte Olympus”, zegt Oom Jan, met telelens, en..”
Ik knikte volgens de overlevering en onderbrak ‘m: “Wanneer gaat u dood?”

Vonden ze geweldig binnen mijn familie. Oom Jan op kop. Heel mijn jeugd heeft mijn familie tegen elkaar gezegd: “Die Sven, die wordt later waarschijnlijk heel rijk.”
Toen ik hoge cijfers haalde op school wisten ze het zeker: “rijk genoeg om een huis met een zwembad te kopen, en dan kunnen wij daar met de familie op vakantie.”
Heel mijn jeugd moeten horen.
Op mijn 16e hing ik verkiezingsposters voor mijn jongerskamerramen met CPN erop (Communistische Partij Nederland).
Toen begonnen ze te twijfelen.
Daarna werd ik muzikant, en nog iets later dichter.
Over het huis met het zwembad hebben ze nooit meer gerept.

Dat ik op mijn 18e naar Amsterdam verhuisde vond Oom Jan als ras-Rotterdammer maar niks.
“Wat moet je daar de hele dag doen?” vroeg hij, “lanterfanten zeker, net als al die andere Amsterdammers?”
“Dat valt wel mee”, zei ik.
“Ach, maak me toch niets wijs”, zei Oom Jan, “als ik voor mijn werk naar Amsterdam moet, en het is mooi weer, dan zitten alle parken en terrassen daar al halverwege de middag stampvol. En dan kom ik ‘s avonds terug in Rotterdam, en dan is daar iedereen nog gewoon aan het werk.”
“Ja, met mooi weer”, stamelde ik.
“En met slecht weer ook”, zei Oom Jan, “alleen zitten jullie Amsterdammers dan allemaal in die coffeeshops van jullie, die hasjholen, en lurken jullie uitgeteld aan van die dingen, hoe noemen jullie dat, jointjes.”
“Ja, met slecht weer”, mompelde ik.
“Dus jullie werken nooit!”
“Jawel”, verdedigde ik onze Hoofdstad, “met normaal weer.”
“Maar het is nooit normaal weer!” riep Oom Jan.
“Ga je Amsterdam nu ook al de schuld geven van het weer?” zei ik.

“Wanneer gaat u dood?”
In 2017 dus. Vrij recent. Ik was graag bij de begrafenis geweest. Maar ik kon niet. Ik kon echt niet. Mijn Amterdamse studievrienden zouden langskomen voor een reuni bij mij thuis. In november 2016 hadden we na eindeloos agenda’s vergelijken eindelijk een beschikbare datum gevonden.
De ironie wil dat we elkaar na onze studie alleen nog maar zagen bij begrafenissen van onze ouders. “Dat moeten we anders doen”, hadden we tijdens de laatste begrafenis besloten; “we moeten een datum prikken zodat we elkaar eens tijdens een vrolijker moment kunnen spreken.”
Ik durfde mijn studievrienden niet op het allerlaatst af te appen met de mededeling: “Sorry jongens, het gaat niet door, ik heb een begrafenis.”

Maar jammer vond ik het wel. Ik laat niet graag een begrafenis schieten. Ik ben een van de zeldzame mensen die begrafenissen geweldig vindt. Niet de aanleiding uiteraard, maar wel de gebeurtenis. Of om precies te zijn: de plechtigheid vooraf; de kerk/herdenkings-dienst waarop de allerdierbaarsten van de overledene hun herinneringen ophalen.

De donderdag na de begrafenis van Oom Jan belde ik, zoals iedere donderdag mijn moeder (nog steeds! zie het allereerste stukje op plukdenacht
(https://plukdenachtblog.wordpress.com/2005/03/11/telefoon/) voor de trouwe lezers).
“Hoe was het met de jongens?” vroeg mijn moeder.
“Ja goed”, zei ik, “hoe was de begrafenis van oom Jan?”
“Mooi”, zei mijn moeder.
“Ik vond het jammer dat ik er niet bij kon zijn”, zei ik.
“Ja, ik weet hoeveel je van begrafenissen houdt”, zei mijn moeder, “maar geen probleem, je hebt tegenwoordig kerkdienstgemist.nl”
“Echt?” vroeg ik hoopvol, “je houdt me niet voor de gek?”
“Wacht, ik stuur je de link door”, zei mijn moeder.
https://kerkdienstgemist.nl/assets/1384060-Rouwdienst#.WKogcW8rLIV”, zei mijn telefoon
“Geweldig!” riep ik, “niks verklappen! We bellen volgende week!”
“volgende week zit ik in Lapland”, zei mijn moeder.
“Verrek, da’s waar”, zei ik, “Goeie reis!”
“Dank je.”

Gisteren was het zo ver. In mijn glazen opbouw met uitzicht op de Oude Wester, copy-paste ik de link die mijn moeder had doorgestuurd op het scherm van mijn laptop.
Grote pils erbij, 3 volledig opgeladen elektronische sigaretten.
“Die Sven is een slimme vogel”, hoorde ik Oom Jan in de hemel denken.

1.32.45 duurt de uitzending. Ik heb hem van begin tot eind beluisterd. Elke seconde. Er is alleen geluid. In de eerste 10 minuten hoor je alleen maar ruis en gestommel van mensen die de kerk betreden. Daarna begint, verschrikkelijk vals, een kerkorgel spelen, en wordt waarschijnlijk de kist binnen gedragen.
Ik vond het geweldig.
Het was net alsof ik in de kerk zelve zat, maar dan comfortabeler. Oprechter. Meer mezelf. Ik kon nu echt luisteren, zonder me druk te maken over hoe lang het zou duren, wanneer ik zou kunnen roken, of het vol zou zijn na afloop bij de WC’s, en of er tijdens de condoleance wel drank zou worden geschonken.
Ik kon gefocussed luisteren naar wie Oom Jan in de ogen van zijn naasten was geweest.
Een fantastische vader, natuurlijk.
Een geweldige Opa, uiteraard.
Een Godsdienend mens, o ja joh?
Een elektricien die noest arbeidde, wist ik toch.
Een perfectionistische man, een eigenwijze man, een onrustige man. Allemaal waar.
Een goede man. Absoluut.
Na ca 3 kwartier komt Oom Jans weduwe, Bep aan het woord. Zijn 2e vrouw, nadat tante Hanny al tamelijk jong aan kanker was overleden.
Bep heeft live megemaakt hoe Oom Jan dood ging.
Dat vond ik wel bijzonder. Hoe ze dat moment in haar speech uitvergrootte.
Bijzonder is het goede woord niet. Want het was niets bijzonders, dat doodgaan. Niets onverwachts, eerder iets onafwendbaars.
Als een geboorte eigenlijk.
Mensen nemen dat op, filmen dat, geboortes. Niemand zal dat willen zien, behalve later het kind zelf misschien, en/of de (groot)ouders.

Toch vond ik het fascinerend. Bep nam de tijd om van seconde tot seconde te vertellen hoe Oom Jan was gestorven.
Misschien lag het aan de grote pils, misschien ligt het aan mijn preoccupatie met de dood, maar ik vond het mooi om de getuigenis van het verglijden van moment tot moment te mogen meebeleven.
Ik ben namelijk enorm nieuwsgierig wat er dan gebeurt.
Jules Deelder, om maar eens een andere Rotterdammer te noemen, vertelde laatst in een interview dat ie niet twijfelde aan een leven na de dood.
“Wie daaraan twijfelt heeft nog nooit een trip gehad, daarin zie je het meteen.”
George Harisson zag na zijn eerste trip God in elk grassprietje, naar eigen zeggen, maar dat vind ik op de een of ander manier minder overtuigend.
Anyhow, mijn nieuwsgierigheid blijft.
En hoop.
Hoop vooral.

Wat ik wel weet is, mocht er inderdaad een hemel zijn, dat ik dan linea recta naar Oom Jan ga.
Ik durf namelijk te wedden dat..
Ja nee, dat kan niet anders.
Wie zoek je?
Oom Jan!
Wie?
Die man met dat huis met dat zwembad.

Uiterlijk

Ik ben iemand die niet erg lief is voor zijn uiterlijk. Zo heb ik bijvoorbeeld een belachelijk kapsel, voor zover je het uberhaupt een kapsel kunt noemen. Op een veelgelezen whitetrash (mag ik dat zo zeggen? misschien niet) gedichtensite, is het door een onbelezen wannebe dichter met een grote bek eens beeldend getroffen middels de woordschets: “zijn nekharen over zijn schedel gekamd”.
Geef toe, dat klinkt als een next level comb over 8.0.

Mijn beste vrienden proberen me dan ook geregeld tegen mezelf te beschermen door me dronken te voeren en me daarna aan mijn nekharen richting een kapper te sleuren met de woorden: “laat het toch afscheren, man, je loopt voor lul!”
Waarop ik dan altijd iets mompel van : “Ali B. heeft ooit eens gezegd van: “als artiest maakt niet uit wat voor kapsel je hebt, als het maar bijzonder is, en in ieder geval niet normaal.”
“Je bent geen artiest, Sven.”
“Ik ben een dichter”
“Je bent geen dichter, je werkt bij een bank, sukkel, een bank! Je loopt voor lul!”
“L. wil niet hebben dat ik het afscheer, dan vindt ze me een nazi”, piep ik dan meestal als uiterste verweer.
Waarop zij dan zeggen: “Je laat je leven toch niet bepalen door een wijf, homo!”
En daarna laten ze me los, lopen we terug naar de kroeg, trek ik mijn nekharen weer over mijn schedel en drinken we een pils.
Het zijn fijne vrienden. Met een diep ontzag voor vrouwen.

Nee, ik ben niet lief voor mijn uiterlijk. Mijn lievelingskleur qua kleding is gebroken wit. Maak daar smoezelig wit van. Beige met hier en daar een uitgewreven as- of koffievlek. Of een uitgelopen wijnvlek, of mijn lievelings: opgedroogd bloed. Dan voel ik me een beetje Jezus. Een van mijn grootste hobbies is sowieso al mezelf mijmerend verliezen in zelfmedelijden, en een gebroken wit gewaad met bloedvlekken voelt dan als een uitstekende kledingkeuze.
Ik heb zes truien. Een blauwe, een grijze (allebei voor mijn werk), en 4 gebroken witte. Allevier met gaten. Allevier met vlekken. Ik was ze zelden tot nooit.
Maar ik durf ze ook nooit aan te trekken. Niet in het openbaar althans. Alleen als ik thuis ben. Of ergens naartoe ga waar niemand me kent. Een beetje zoals de kennis van mijn moeder, een boom van een vent, die het liefst een vrouw zou zijn. Hij kleedt zich thuis om in KLM-blauwe uniforms van stewardessen en soms in roze petticoats met hakken eronder.
Niemand mag het weten.
En ik heb mijn lompen.

Ik kan het wel, er goed uitzien.
Soms, als ik een intake-gesprek heb voor een nieuwe opdracht bij weer een nieuwe bank, dan laat ik L. mijn haren in een yuppenkapsel knippen. En dan trek ik een pak aan. En dan poets ik mijn Brogues. En dan laat ik de mondhygieniste mijn tanden blinkend wit polijsten.
Wat me dan altijd opvalt is hoe aardig iedereen in een keer tegen me doet.
De cassieres bij de Albert Heijn. Ze glimlachen opeens. Ze kijken niet meer strak langs me heen.
Op straat krijg ik voorrang als ik daar recht op heb, mensen stoppen plotseling voor een zebrapad.
En in de ijzerwinkel waar ik wekelijks openhaardhout haal, dringt niemand meer voor.
En ik word altijd aangenomen voor die nieuwe opdracht.

Het leven is mooi (met Jade – zong ik automatisch, reclame gaat toch in je hoofd zitten) met een verzorgd uiterlijk.
Toch handig om te weten.

Ik doe er verder niks mee, over het algemeen, met die wetenschap. Voornamelijk omdat ik het niet wil accepteren dat de wereld zo oppervlakkig is. Ik ontken het gewoon. Ik doe er niet aan mee. It’s fake, it’s true.

Ik accepteer daarbij ook dat mijn leven iets minder makkelijk verloopt dan het wellicht zou kunnen. Dat ik niet het succes heb, dat ik zou kunnen hebben, niet het geld, niet de villa, niet de Jaguar.
Wat ik wel heb is een bijna waterdichte regenjas, en dat kwam goed uit, want toen ik vorige week een aftandse printer moest afhalen in de Pijp (gratis meenemen! advertentie op Amsterdamyardsale), regende het, what’s in a name, pijpestelen.
Als een verzopen kat belde ik aan bij een etage op de Govert Flinckstraat.
Een yuppenmeisje deed open. Met een vies gezicht overhandigde ze me de tas met daarin de gratis printer.
Fluitend slingerde ik de tas in het kratje (soms ga ik best een beeje met mijn tijd mee) voor op mijn fiets, en aanvaardde de terugtocht naar Oud-West.
Al op de kruising bij het Concertgebouw gebeurde er iets vreemds. Door een mengeling van onverhoeds overstekende toeristen, gladde tramrails, en regenpaniek in het algemeen bij het fietsvolk, was ik gedwongen enigszins onbehouwen in te voegen in de stroom fietsers die van links kwam door het rode stoplicht vanaf de van Baerlestraat. Ik zag eruit als iemand die 30 jaar onder een steen had gelegen met mijn doorweekte regenjas, mijn
smoezelige jeans en mijn tot praktische kaalheid verregende schedel. Mijn oren verwachtten niks anders dan de volgende verwensingen:
“Eikel!”
“Kijk uit je doppen, pannekoek!”
“Soek je rusie ofso! Doe norrmal man!”
Maar niets van dat alles. Iedereen ging voor me aan de kant. Het leek wel alsof ik een pak aanhad. En L. me net had geknipt.
Ik haalde mijn schouders op, en fietste verder.
Bij het stoplicht voor het Stedelijk stond een flinke opstopping. Ik fietste eromheen, dwars over de rijbaan. De scooter die ik daarbij afsneed, hij toeterde niet.
Vreemd.
Ik sloeg linksaf de PC Hooftstraat in, richting het Vondelpark.
Het regende behoorlijk, ik herschikte de tas een beetje in het kratje, zodat de printer goed droog bleef. Het was een grote tas. Met een groot logo. Het kwam ver boven de kratrand uit. Terwijl ik al fietsend met de tas in de weer was, haalde ik een bloedmooi jong meisje in. 3 seconden later haalde ze mij in, en bleef de rest van de weg door het Vondelpark naast me fietsen. Een beetje ongemakkelijk. Dat doe je niet. Zo leek het net alsof ze bij me hoorde.
Ik was bang dat mensen zouden denken dat ik een oude man was die een jonge studente aan de haak had geslagen.
Die man wil ik niet zijn. En ook niet lijken.
Ik hield in, om haar een voorsprong te geven.
Ze hield ook in. Zodat ze precies naast me kon blijven rijden.
Ja, fuck.
Ik versnelde.
Zij versnelde.
Fuck, waar ben je mee bezig, troel!
Ik zei het niet, maar dacht het wel.
Gelukkig was daar het Kattenlaantje, ik moest en mocht het park uit, bijna thuis.

Ik liep de 4 trappen op naar mijn woning, de printer was nog droog, gelukkig.
Ik deed mijn doorweekte regenjas uit, droogde mezelf af met een handdoek in de badkamer, en keek meteen maar even in de spiegel. Ik was er toch.
“Waarom deed iedereen ineens zo aardig?” vroeg ik hardop aan mezelf.
In de spiegel zag ik dat ik het niet zelf kon zijn.
Die tas, dacht ik opeens, het is misschien die tas!
Ik keek naar het logo op de tas.
TOD’s stond erop.
Waarschijnlijk bedoelen ze daar Today’s mee, dacht ik, maar zo bijzonder vond ik dat niet. Niet bijzonder genoeg om zo aardig behandeld te worden.
Ik liep naar mijn laptop en typte TOD’s in op google.

Enter.

Doe het zelf maar eens.

En aanschouw onze tijdgeest.

–//–

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor wie 30 jaar onder een steen heeft gelegen en dit pas in 2047 leest, er stond:

Enter the world of Tod’s and discover the excellence of quality and craftsmanship Made in Italy, expressed in the unique style of shoes, bags
and accessories.

Paruresis

Afgelopen donderdag was ik op mijn werk, had zojuist de zoveelste groene thee van de dag achterovergeslagen, en voelde niet lang daarna aandrang om een plasje te plegen op de daartoe bestemde locatie op onze eigen 11e verdieping.
Onze prachtige etage met 2 koffie-automaten, 8 vergaderzalen, en zo’n 15 kantoortuinen. En dus een WC. 1 WC.
Het is wel een eindje lopen van mijn bureau naar de WC, ik moet daarvoor de complete etage doorkruisen, maar dat vind ik prima. De hele dag zitten achter een bureau schijnt slecht te zijn voor van alles en nogwat, en vooral voor je core volgens de Yoga-liefhebbers onder jullie, dus ik prijs me gelukkig dat ik in plaats van aan Pilates te doen, gratis en voor niets tijdens werktijd enige beweging tot mij kan nemen in de vorm van een toiletbezoek.

Ik drink zoveel groene thee (dat schijnt goed voor je bloeddruk te zijn, maar daarover een andere keer meer), dat ik zulks ongeveer ieder uur doe. Gefeliciteerd Pluk, dat is precies wat de Arbo voorschrijft: ieder uur minimaal 5 minuten bewegen. Later in het bejaardenhuis kun en mag je dat niet meer. Zowel vanwege fysieke als om logistieke redenen, dus neem het ervan nu het nog kan.

Exactement. Dus ik vrolijk naar de toiletruimte voor de Heren, die 2 hokjes herbergt. Met mijn lege kartonnen bekertje in mijn hand, zodat ik op de terugweg mooi nog een verse groene thee kon scoren. Efficiency is my middlename.
Ik deed de deur van de toiletruimte open. Hokje 1 was bezet zag ik, ik liep door naar hokje 2. Ook bezet. Uit hokje 1 klonk een scheet en gekreun. Uit hokje 2 galmde ongeveer hetzelfde geluid.
Dat gaat nog wel even duren, concludeerde ik, en besloot de toiletruimte weer te verlaten. Hoe meer beweging hoe beter, was mijn redenatie, en ik dook het trappenhuis in en daalde af naar de 10e verdieping.
Alwaar zich een herhaling van zetten vertoonde.

Op, of beter gezegd, af naar de 9e.
Ik liep richting de toiletruimte.
“Collega”, zei onderweg een dikke vent vanachter zijn bureau, “mag ik u iets vragen?”
“Natuurlijk”, zei ik.
“Heeft u op uw eigen verdieping geen WC?”
“Jazeker”, zei ik.
“Waarom gaat u daar dan niet?”
“Die zijn allebei bezet”, zei ik.
“Dat vind ik vreemd”, zei de dikke man.
“Nou, zo raar is dat niet”, verklaarde ik, “we zitten met 150 man op 1 verdieping, 95% mannen, en dan maar 2 toiletten, dus dan…”
“Ik vind het vreemd, u kunt toch gewoon op uw eigen verdieping gaan?”
De 2 meisjes aan zijn kantooreiland keken niet op van hun toetsenbord, maar knikten instemmend. Dat heeft die dikke goed verwoord, zag je ze denken.
“Vind je het echt raar dat ik, als ik moet plassen, en allebei onze toiletten zijn bezet, dat ik dan een trap naar beneden loop om te kijken of er daar wel eentje vrij is?” vroeg ik.
De dikke vent gaf geen antwoord, maar boog zich weer over zijn toetsenbord en zei hardop tegen zijn beeldscherm: “Vreemd, heeeeel vreemd.”

Ik liep hoofdschuddend door naar de toiletruimte. De hokjes bij de mannen waren allebei vrij.
Ik hing ‘m eruit.
Maar ik kon niet.
Het lukte me niet om te plassen.

Zoals met alles is daar een naam voor: Paruresis. Google maar eens. Plasangst. Het is een soort sociale fobie. Veel onderzoek is er niet naar gedaan, maar ca 6% schijnt er last van te hebben.
Laat ik maar eens een taboe aansnijden: Volgens mij is het veel meer.

Een korte geschiedenis: de eerste keer dat ik ermee te maken kreeg, was toen ik 18 was en in Tiel, in cafe de Stoof om precies te zijn, stond te urineren naast een, tsja, hoe zeg je dat tegenwoordig, grote neger.
Ca 50 jaar oud.
In de metallic goot voor onze neuzen, waarin gele zeepjes dreven, klaterde het flink onder zijn, ik durfde niet te kijken, maar ik vermoed piemel.
Bij mij waterden er enkel wat laffe druppeltjes uit.
“Dat is niet goed”, zei de neger, terwijl hij naar mijn piemel keek, hij trok er een vaderlijke, bezorgde blik bij.
“Wat?” vroeg ik, “zo klein is ie niet, toch?”
“Zo jong en dan zo’n slappe straal, jij moet je prostaat in de gaten gaan houden. Heb ik ook gehad. Ze konden er iets aan doen. Maar jij bent nog zo jong! En dan nu al!”

Ik maakte me geen zorgen. Dunne straal, pff. Neuken, daar draaide het om. Een lange, dikke tampeloeris in erecte vorm. Die had ik zo’n beetje continu toen ik 18 was. En zoals eenieder weet: met een stijve kun je niet plassen. Dus waar hadden we het over.

Wat ook eenieder weet is dat, hoe meer je drinkt, hoe meer je moet plassen. Wat misschien niet eenieder weet is dat, wanneer je dat drinken doet in de vorm van alcohol, je steeds angstiger wordt. Niet per se om te plassen, maar angstig in het algemeen.
Bang voor mensen.
Die angst kun je op 2 manieren oplossen: 1. Nog meer drinken. 2. Mensen mijden.

Ik pak de zaken graag grondig aan, en heb daarom de neiging tot allebei, maar op je werk is dat lastig. Zowel qua drinken als qua mensen mijden. Behalve als je heel veel groene thee drinkt, en met een rationeel excuus het halve kantoorpand kunt afdalen op zoek naar een vrije WC.

Dat het een taboe is, om terug te komen op Paruresis, merkte ik 2 opdrachten geleden, bij de Rabobank. Ik was net begonnen met elektrisch roken, en dacht: handig, dat kan ik gewoon stiekem op de WC doen! Maar omdat die dingen toch een bepaald slurpend geluid maken, probeerde ik altijd een WC-ruimte op te zoeken waar niemand iets kan horen, cq niemand aanwezig was. Ik dacht die te vinden in de WC’s op de 2e, de vergaderverdieping. Enkel overleglokalen. Mijn redenatie was: vergaderingen beginnen altijd op het hele of halve uur, dus als ik om .15 of .45 ga, dan kom ik niemand tegen.
Vergeet het maar.
Topdrukte.
Allemaal schuwe types; spionnen uit de jaren 50 met lange regenjassen en hoeden op, niet dat uiterlijk, maar wel die blik. Allemaal op zoek naar een verlaten WC.
Als je er eentje vond, dan zat je gebeiteld, want dan durfde niemand anders op een naastgelegen toilet plaats te nemen. Dat was het voordeel. Dan hoorde je ze voor de vorm even hun handen wassen, een ruk aan de handdoekrolautomaat geven, en dan waren ze weer pleite, op zoek naar de volgende afgelegen toiletruimte.

Er is een hoop verborgen leed.

Ik denk niet dat die dikke man op de 9e dat wist. Die was gewoon zijn territoriumpje aan het verdedigen voor hemzelf en zijn kantoormeisjes. Het maakte mij niet uit. Ik daalde nog twee trappen af, naar de 7e. Die etage stond leeg, wist ik.

Maar.
Je raadt het al. Spionnen all over the place.

Terug

Zoals ruim 3 eneenhalf jaar geleden beloofd: Ik ben terug.
Stel je er niet te veel van voor. De wereld is veranderd. Ik ook.
Wat er in de wereld is veranderd, weten jullie. Of kunnen jullie googlen.
Hoe het mij is vergaan kun je minder goed googlen. En dat was nodig. Ik moest even onder de radar.
Ik werk in de detachering. Ik moet van onbesproken gedrag zijn, van zuiver blazoen, om maar eens een vergeten woord te gebruiken. En dan is dit weblog niet altijd even handig. Vooral niet als het googlebaar is.

Waarom ik nu toch weer begin, weliswaar bescheiden, maar toch, is omdat ik er wel weer zin in heb. En bovendien omdat ik het niet erg zou vinden als ik morgen zou worden ontslagen uit mijn huidige opdracht. Ik zou het zelfs niet erg vinden als ik mijn bovenliggende baan verlies bij het detacheringsbedrijf.
Ik wilde zeggen: “Dat bedoel ik niet bitter, want los van dat het tegenwoordig niet handig is om dat te zijn, ben ik van mening…” etc.
Maar dat is oneerlijk.
Want ik bedoel het wel bitter. Ik was, zoals jullie jaren hebben kunnen lezen, altijd al een beetje teleurgesteld in het bedrijfsleven in het algemeen en het bankwezen in het bijzonder, maar de afgelopen 3 eneenhalf jaar bij respectievelijk de Rabobank en heden ten dage bij de ING, hebben dat er niet beter op gemaakt. Als het meezit ga ik jullie daar de komende maanden over vertellen.

Ook ga ik waarschijnlijk vertellen over de ontsnappingroute die ik eind 2014 heb gekozen: een leven als daytrader.
Dat is een goed verhaal, met vooralsnog een treurige afloop. Ik denk zelfs wel dat er een roman in zit.
Maar nu loop ik te ver op de zaken vooruit.

Eerst maar weer eens leren schrijven.
Ik zou kunnen schrijven over de reuni die ik gisteren had met mijn 5 oude studievrienden van econometrie.
En dat had ik zojuist gedaan.
Maar ik heb het allemaal weer geschrapt.
Hoewel het een leuk stukje was, vond ik het iets te veel gepats met de belangrijkheid van hun functies, en vond ik het bovenal iets te veel achter hun ruggen omgaan. Te makkelijk scoren.

Ik ga de komende maanden proberen om het voornamelijk over mezelf te hebben, niet uit narcisme, maar uit mededogen. Als ik het over anderen ga hebben, dan zal dat voornamelijk liefdevol wezen, en zoniet, dan is het hoogstwaarschijnlijk verdiend.

Het klinkt allemaal niet heel aanlokkelijk, ik geef het toe, maar dat hoeft ook niet.
Niemand hoeft dit te lezen.
En voor wie wel: troost je met de gedachte dat mijn manager bij de ING een behoorlijke eikel is.
Waarvan toekomstig akte.

I’ll be back

Yo,

De afgelopen 2 jaar zijn me niet in de kouwe kleren gaan zitten. Sterker nog, ze hebben me bijna genekt.
Het doet er niet toe. Ik heb vakantie. Eindelijk. 4 weken vrij. 4 weken mezelf. Sinds ik vrij ben heb ik een hoop ruzie gemaakt, maar dat is altijd in het begin. Het is een reactie. Een slechte reactie. Ik weet niet waar die vandaan komt. Of eigenlijk weet ik het wel, maar het voert te ver om dat uit te leggen.
Hou ‘t maar gewoon even op drank, dat is het gemakkelijkst.

Toch is dat niet waar. Het zit ‘m meer in ongebrip. Frustratie zo je wilt. Ik snap veel dingen niet, en begrijp voor geen meter waarom iedereen ze laat gebeuren.

Maar vergeet dat. Het doet er niet toe. Het is vakantie.
“Vous etes tranquille”, zegt de campingbaas altijd, als ie ons wijn bijschenkt.
“Oui”, antwoord ik dan, “nous sommes tranquille.”

Rust.
Belangrijk.

Ik fiets, ik lees, ik zwem, ik kano een record door de gorge, ik kets een belangrijke bal weg tijdens het jeu de boules-tournooi, ik vermaak me wel.

Dus maak je geen zorgen.
Laat die aan mij.
Sowieso, volgende maand spring ik er weer om.

Zou ik kunnen zeggen. En het is nog waar ook. Maar ook weer niet.
Fuck it. 44. Bijna op de helft.
En de helft is kort. Veel te kort. Niks aan de hand hoor, maar bij de helft ga je denken.

Sommigen nemen een jongere vrouw, anderen een moter.
Ik, ik ga op vakantie.
Want dat vind ik leuk.