Zwijn

Elke zondag gaan L. en ik wandelen. Dat is namelijk goed voor mijn bloeddruk, zegt de dokter: ontspanning.
L. en ik hebben in de loop der jaren zo’n 10 wandelroutes ontdekt die we allebei leuk vinden. Elke zondagochtend kiezen we er 1 van de 10.
“Waar zullen we vandaag eens naartoe gaan?” vroeg ik vanmorgen, “en let op, we kunnen niet naar het Noordwesten, want de Coentunnel is dicht.”
“Dus we kunnen niet naar Bakkum?” vroeg L.
Meestal gaan we naar het duingebied bij Bakkum, vooral vanwege de grandioze horeca ter plaatse.
“Nee”, zei ik, “geen Bakkum, deze week.”
“Ehm”, zei L., “De Waterleidingduinen?”
“Met dit mooie weer!?”riep ik, “onmogelijk, dan is het daar stampdruk. En is er geen plek op het terras. Dat is ongezellig. Laten we iets gezelligs kiezen.”
“Auschwitz?” opperde L.
“Goed idee!” zei ik, “doen we!”

Met Auschwitz bedoelen we overigens Austerlitz. Op de Utrechtse Heuvelrug. Dat is heel gezellig. Als je tenminste niet naar de horeca bij de Pyramide gaat, maar naar het Beauforthuis. Connie Palmen had het in IM over dat zij en Ischa Meijer zo hielden van vervallen badplaatsen aan de Amerikaanse kust. Zoiets is het Beauforthuis, maar dan in het bos in Nederland. Vergane glorie, die overeind wordt gehouden door cultureel welwillend oud geld. Bejaarde witte snobs.
Niet per se ons soort mensen, maar toch. Het Beauforthuis is kunst met appeltaart toe. Voorzichtige rafelrandjes met een veiligheidsgordel. Gezellig.

Vanuit het Beauforthuis kun je 100 miljoen wandelingen doen. Wij kiezen meestal voor de variant die ik de Schapenkuil noem. Daarbij kom je eerst langs allerlei barakken. Vol met kinderen ‘op kamp’. Judo/Yoga/Yatzee-kamp, whatever, altijd zijn er kinderen op kamp. Je ziet de slaapzalen, de stapelbedden, het zindert er van de ontloken en gefnuikte hormonen, je voelt dat het een plek is waar voor vele mensen het daadwerkelijke leven een aanvang heeft genomen.
Na de barakken komt een van mijn favoriete plekken van de wandeling: de poort die geen poort, het hek dat geen hek is:

Geen hek.jpg

Er lijkt een oude spoorlijn te liggen, maar dat is het niet. Desalniettemin prikkelt deze plek elke keer weer mijn fantasie enorm.
History, history, where did thou go, of zoiets. Watskeburt?
Als je door de poort heen loopt kom je in, wat L. noemt ‘de geheime tuin’, en daarna in een fluoriserend groene mosvlakte, en vervolgens bij de Schapenkuil, waar een kudde schapen ongeherderd z’n grasje graast.
Daar eten we altijd ons broodje dat we 2 uur daarvoor op de A12 bij het tankstation hebben gekocht.
Klinkt goed, he? Zie je hoe gelukkig wij zijn!
En ontspannen! Wat jammer dat ik mijn bloeddrukmeter nu niet bij heb, denk ik iedere keer weer.

Na de Schapenkuil is het tijd om de terugtocht te aanvaarden.
“Weet je de weg?” vraagt L. altijd.
“Natuurlijk”, antwoord ik steevast.
Ik weet hem nooit.
Ik doe hem altijd op gevoel.
Dat gevoel brengt ons op verrassende plaatsen.
Zo stuitten we vanmiddag op een KNVB-complex aan de ene kant, en de Zeisterbegraafplaats aan de andere kant. Beiden afgesloten met hekken.
“Ja, kut!” zei ik, toen ik mijn telefoon inclusief Googlemaps erbij had gepakt, “we moeten eigenlijk rechtdoor, maar er staan hekken.”
“Nee he”, zei L., “daar gaan we weer, je weet dat ik moet plassen?”
Ja, godverdomme, ik kan daar ook niks aan doen! Er staan hekken! Moderne hekken, niet van die gezellige zoals vroeger, die geen hek zijn!”
Het was allemaal een stuk minder ontspannen aan het worden.
Tot overmaat van ramp hoorde ik een zwijn snuiven.
Ik verstarde, en mijn ogen zochten naar de eerste de beste boom om in te klimmen.

Dat zit zo: 2 jaar geleden maakte ik in mijn eentje een wandeling in de Franse bossen aan de voet van de Alpen. Natuurgebied waar in 20 jaar niemand was geweest. En daarvoor wellicht ook niet. Ik had een stok bij me die ik als een soort blindegeleideding gebruikte om de meters bladeren voor mijn voeten door elkaar te husselen, zodat eventuele slangen zich bijtijds uit de voeten konden maken. Het was een spannende onderneming.
Op een gegeven ogenblik zag ik in de verte wat vrolijke wezentjes dartelen.
“Wat leuk”, dacht ik, “jonge hertjes!”
Toen ik wat dichterbij kwam, dacht ik: of zijn het wilde katten?”
Toen ik nog dichterbij kwam zag ik wat het waren: Jonge zwijntjes! Wat schattig! Ik voelde me helemaal Freek Vonk, totaal 1 met de natuur. Ik kende geen angst, zag enkel schoonheid, en liep over van liefde.
Maar toen knalde de ratio erin. En die zei: “Sven, jonge zwijntjes, dat betekent dat er waarschijnlijk ook een moeder in de buurt is, en wildezwijnmoeders die zijn…”
Nog voor ik die gedachte af kon maken, begon de aarde te trillen. Echt te schudden op zijn grondvesten, om er nog maar een cliche in te gooien. Maar serieus, er kwam iets aangedaverd. Iets groots en loodzwaars, zoveel was duidelijk.
Nog voor ik “mama!” kon roepen, was ik al 100 meter gestegen. Onwaarschijnlijk hoe hard je kunt lopen als je bang bent. Ik althans wel. Zo heb ik ook ooit ongetwijfeld het wereldrecord sprint gelopen in Rome toen ik werd beschoten, maar dat is een ander verhaal.
Ik was binnen 10 seconden 100 meter gestegen, in de Franse Alpen, Tom Dumoulin doet het me niet na, en zag hoe 250 kilogram aangestoven moederzwijn, beneden me snuivend tot stilstand kwam.
Ze keek om zich heen. Snoof nog wat.
Ze zag me niet, rook me niet, en hield het goddank voor gezien.

Ik vertelde het verhaal later aan mijn Oom. Ex-Olympier, en Alpenveteraan. “je hebt geluk gehad”, zei ie, “je had eigenlijk dood moeten zijn.”
Dus heel ontspannen reageerde ik vanmiddag niet, toen ik op de Utrechtse Heuvelrug een zwijn hoorde snuiven. Dit was ‘m:

Zwijn1

Het was een klein exemplaar, maar geen jonkie, dus geen paniek.
Ik kalmeerde.
Naast het zwijn stond een man met een fiets.
“Loop nou eens door lul, godverdomme!” riep de man tegen het zwijn.
“Is dat een wild zwijn?” vroeg ik aan de man.
“Nee, natuurlijk niet. Er zitten hier geen wilde zwijnen.”
Het beest draaide een drol tegen een beuk.
“Is ie van u?” vroeg ik, “dat beest?”
“Wat denk je zelf, godverdomme, ja, het is een zwijn trouwens. Maar geen wild zwijn.”
“Wat leuk!” kraaide ik.
L. stond op het punt om het beest over zijn kop te krabbelen.
“Leuk!?”schreeuwde de man, “het IS.. NIET.. LEUK..!!! Ik probeer dat beest godverdomme al anderhalf uur mee naar huis te krijgen, maar..”
“Hij vindt het hier natuurlijk fijn”, verklaarde L,, “dit is toch zijn natuurlijke habitat, in het bos, en dan lekker…”
“Het is GEEN WILD ZWIJN!!! HET IS EEN HUISVARKEN!!! GODVERDOMME!!!!!”

Ik gebaarde L. om door te lopen.
De geschiedenis hierachter, om daarover te fantaseren, daarvoor leek het terras van het Beauforthuis me de perfecte locatie.

Gebrouwen door Vrouwen

Een van mijn beste vrienden is metaalarbeider. En een goeie. Hij verdient met zijn LTS-opleiding meer dan ik met mijn universitaire. Toch vindt hij zijn werk niet meer leuk.
Niet dat ik dagelijks van de daken schreeuw hoe geweldig ik het vind om nutteloze financiele rapportages te faciliteren voor het bancaire grootkapitaal middels een van spagethicode inelkaar geklont ICT-gedrocht, maar mijn goede vriend gaat echt met de pest in zijn lijf naar zijn arbeid.
“Sven”, zei ie, “Sven, ik moet ander werk doen, anders trek ik het niet meer.”
“Dat hebben we allemaal wel eens”, antwoordde ik met al mijn wijsheid, “hier, neem nog een pils, dan gaat het vanzelf weer over.”
“Ik meen het, Sven.”
“Wat wou je gaan doen, dan?” vroeg ik.
“Iets leuks”, zei mijn vriend.
“Dat zouden we allemaal wel willen”, zei ik, “maar dat zit er niet in, kan ik je verzekeren. Drink die pils nou eens op, man!”
Hij nam eindelijk een slok. En vroeg: “Vind jij je werk leuk?”
“Nee, natuurlijk niet!”
“Waarom doe je daar dan niks aan? Jij kan alles, met jouw opleiding!”
“Behalve metaal frasen”, zei ik, “maar dat kun jij dan weer heel erg goed, en daarom verdien je ook zo veel geld!”
“Even serieus Sven”, zei mijn vriend, en dronk in 1 teug de rest van zijn pils leeg: “het leven is te kort. We moeten iets doen wat we leuk vinden. Anders heeft het geen zin.”

Kijk, nu zitten we weer op niveau, constateerde ik tevreden. Grote woorden, weinig andere daden dan troostdrinken, en morgen weer over tot de orde van de dag.
Toch kon ik het niet laten om even te vragen: “Wat zou jij nou echt leuk vinden, dan? Behalve drinken en neuken?”
Om niet aan totale zelfprojectie te doen voegde ik er snel aan toe: “en pizza eten?”
“Weetikveel”, zei mijn vriend.
“Drummen?” vroeg ik, mijn vriend is een goeie drummer. Een van de besten van Tiel.
“Bierbrouwen”, zei mijn vriend.

Haha, dacht ik, we zijn weer thuis. Maar mijn vriend trok er een serieus gezicht bij. En als hij een serieus gezicht trekt, dan is ie serieus.
“Serieus?” vroeg ik.
“Serieus.”
“Dat is toch kansloos”, zei ik, “nog voordat jij een vat hebt gebrouwen, hebben I. en ik de helft al opgezopen. En jij de andere helft!”

We zijn nu een jaar verder. Mijn vriend heeft buiten zijn woning om, een pand gehuurd in Tiel, waar hij de verkoop doet. Hij komt om in de opdrachten, en staat op het punt om zijn metaalbaan op te kunnen zeggen.

En hier zit ik. Op een zondagavond. Een jongen die er altijd van heeft gedroomd om voor zijn levensonderhoud te kunnen schrijven. Of gitaar te kunnen spelen. Of te zingen.
Morgen moet ik weer werken. Dan ga ik dat ICT-gedrocht weer een zwengel geven, en er nog iets meer spagethicode aan toevoegen.
Ik vind het niet erg, maak ik mezelf wijs.
Ik maak lijstjes. Van positieve punten.
– Ik kan op de fiets naar mijn werk.
– Ik kan stiekem aan mijn e-sigaretten lurken op de WC.
– Aanstaande week is mijn leidinggevende op vakantie. Misschien kan ik op donderdag stiekem een kwartiertje eerder naar huis!

Ik maak ook lijstjes van negatieve punten.
– MIJN WERK IS ZINLOOS! Dat van onze hele afdeling trouwens. En het grootste gedeelte van de tijd van mijn collega’s gaat op aan het geestdriftig ontkennen daarvan, opdat we onze banen kunnen behouden.
– Mijn collega’s doen tijdens de lunchpauze niets anders dan vanaf hun mobieltjes Teletekst voorlezen. Vooral pagina 818, de voetbaluitslagen. Duiding en uitweiding is daarbij niet de bedoeling.
– Iedereen veinst smetvrees. Iedere ochtend gaan ze allemaal met keyboardspray over hun toetsenbord en swifferen ze hun bureau tot de schaafsels erbij hangen. Iedereen is als de dood om voor de viezerik versleten te worden. Doe het 1 keertje niet grondig genoeg, en je bent hem. De viezerik. Dat ben ik dus geworden. IEDEREEN VINDT ME EEN VIEZERIK!

Aan dat laatste lijstje kan ik nog een oneindige reeks punten toevoegen. Doe ik vanavond niet. Ik wil mezelf niet demotiveren. Ik moet morgen weer aan de arbeid.
Maar jaloers op mijn vriend was ik vanmiddag wel.
Bierbrouwen.
Dat zouden we allemaal wel willen.
Herdacht ik op een terras in Overveen.
Het was zo’n terras, niet ver van de kust, waar op een zonnige lentemiddag aan de lopende band cabriolet sportauto’s voorbij cruisen, met kale veertigers achter het stuur en een jonge blonde troffeevriendin ernaast geplant.
Ik ben ook veertiger. Ook kalend. Maar ik heb geen sportauto.
Die heb ik gelukkig niet, dacht ik, en bestelde een pils bij de serveerster.
“Wat voor pils?” vroeg de serveerster.
Ik stak mijn neus in de kaart.
“Doe maar een Gebrouwen door Vrouwen”, zei ik.
“Een Tricky Triple voor meneer”, zei de serveerster, “uitstekende keuze.”

Dit was ‘m:

Gebrouwen_door_vrouwen_crop

En hij was lekker. Meer dan.
“Hij smaakt een beetje naar perzik”, zei k tegen L., “slokje proeven?”
Ze nam een slok.
Een vloek volgde.
Een vloek van weldaad.

Ik las de tekst op het achterplat. Dit was ‘m:

Gebrouwen_door_vrouwen_uitleg.jpg

Mijn vader zei vroeger: “Waarom neem jij altijd de gemakkelijke weg?”
Ik concludeerde daaruit dat zulks niet de bedoeling was.
Misschien was dat een verkeerde interpretatie.

 

The Amsterdam Experience 2017

In 1987 kwam ik in Amsterdam wonen om econometrie te studeren. Dat was een compromis, gesloten tussen mij en mijn ouders. Die laatsten wilden per se dat ik de allermoeilijkste studie ging doen die er te vinden was. En dat was econometrie.
“Prima”, zei ik, “maar alleen als ik dat kan doen in Amsterdam.”
“Niks ervan”, zei mijn vader die naast zijn baan als leraar Nederlands ook decaan op een middelbare school was, “Jij gaat naar Rotterdam, de Erasmusuniversiteit staat veel beter aangeschreven als het gaat om economie-vakken.”
“Rotterdam is de allerlelijkste stad op aarde”, snoof ik, “en de ongezelligste!”
“Omdat ze er hard werken en geen drugs gebruiken?” vroeg mijn vader.
“Nee”, zei ik, “omdat het in de oorlog totaal is platgebombardeerd, met ziel en al. Heb je weleens over de Lijnbaan gelopen?” vroeg ik, “dat is nog erger dan Tiel. En Feijenoord komt trouwens uit Rotterdam.”
“Tsja”, zei mijn vader, overtuigd Ajacied, “daar heb je een punt.”
“Mooi”, zei ik, “dan wordt het dus econometrie aan de UvA!”
“Niks ervan”, zei mijn vader, “het wordt econometrie aan de VU.”

Ik vond het wel best. UvA, VU, whatever, als het maar Amsterdam was.
Het ging niet om de studie, het ging om de stad.

Ik begon zoals gezegd in 1987. Het eerste jaar haalde ik zo ongeveer nul tentamens. Dat mocht toen nog. Elke maand kreeg ik gratis ruim 600 gulden op mijn rekening gestort van de Overheid, en die gaf ik uit bij de MacDonalds (die had je toen nog niet in Tiel) op de Ferdinand Bol, in studentencafe de Gieter in de Lange Leidse Dwarsstraat, en de rest verbraste ik (sorry, dat vond mijn ex-vrouw altijd een grappige grap).
Mooie tijden.

En als al het geld op was, geen probleem:
Ik woonde op het Roelof Hartplein, op 100 meter lopen van het Concertgebouw. Daar kon je iedere woensdagochtend gratis gaan kijken naar de repetitie van het Concertgebouworkest. En dan kreeg je op vertoon van je collegekaart gratis koffie.
Mooie tijden.

Tijdens een van die Concertgebouw-uitjes, kwam studievriend W. uit ons buitenbeentjesclubje van 6 met het voorstel om de Heineken Brouwerij eens van een bezoekje te voorzien.
“Ik heb gehoord van Ralf uit mijn beleggingsclubje dat die gratis rondleidingen geven, en dat je na afloop zoveel mag drinken als je wilt”, zei hij met sprankelende ogen.
Die sprankelende ogen kregen we op slag alle zes.
Dus wij nog diezelfde middag naar de Stadhouderskade.

We belden aan. En werden binnengelaten door een aardige mevrouw.
“Klopt het dat jullie rondleidingen geven” vroeg W.
“Jazeker”, zei de mevrouw, “wat leuk dat jullie jongeren interesse willen tonen in ons metier! Koffie?”
“Nou”, zei ik, “als het niet uitmaakt, dan zou ik wel een b…” W. stootte me aan en onderbrak me, “Koffie! Heerlijk, mevrouw!”
We kregen er een Pennywafel bij.
Daarna leidde een kale vent met een bril ons langs de lopende banden met (toen nog) bruine flesjes.
En we kregen een aantal grote ketels te zien.
“Interessant!”, zeiden we, “verdomde interessant!”
Ten slotte werden we geplant in een soort kantine, aan een rechthoekige tafel met zes stoelen.
“Zouden de heren misschien een echte vers gebrouwen Heineken willen savoureren?” vroeg de kale knakker.
“Ach, waarom ook niet?” zei W., die ik verdomde goed het woord vond doen.
“En blieven de heren daar wellicht een bitterballetje bij?”
“Op die vraagstelling zouden wij graag positief willen responderen, vermoed ik”, zei W., terwijl hij glunderend onze gezichten monsterde.
Toen de kale wegliep om een zilveren schaal bitterballen te halen, zei W.: “Zei ik het niet, zei ik het niet!?”

We kregen in totaal 4 gratis bier en 7 bitterballen per persoon. Dat weet ik nog, want het staat in mijn dagboek. In heel duidelijk handschrift opgeschreven heb ik het niet, want ik was toen nog geen 4 bier gewend, althans niet in de middag.
Wij alle zes trouwens niet. Terwijl we op de terugweg fietsten naar mijn kamer op het Roelof Hartplein om te gaan dineren met met stroopwafels en thee, remden de eerste twee voor een rood stoplicht, wat de rest niet had verwacht, waardoor we in een gezamenlijke kettingbotsing verzeild raakten en alle zes tegen het asfalt klapten.
Dat vonden we erg grappig.
“Ach ja, je weet wat ze zeggen”, zei iemand van ons zessen, terwijl we weer overeind probeerden te krabbelen, “alcohol haalt de remmingen weg.”
Moesten we nog harder lachen.
“Studententuig!” blafte een oudere man, die langs liep met zijn hond, ons toe, “stelletje lapzwansen, dronken torren! En daar betaal ik belasting voor!? Schaamt jullie!”
Het hielp allemaal niet om ons geluk te smoren.
‘Een van de mooiste dagen van mijn leven’, schreef ik later die avond in mijn dagboek.

Ik weet niet of er nou echt heel veel veranderd is in Amsterdam.
De Heineken Brouwerij geeft nog steeds rondleidingen. Ze hebben het een nieuwe naam gegeven, het heet nou de Heineken Experience. Gratis zal het wel niet meer zijn, en ik betwijfel of je er (7!) bitterballen (op een zilveren schaal!) bij krijgt. Spontaan aanbellen kan waarschijnlijk sowieso niet meer, het ziet er nu ter plekke zo uit:

Heineken Experience

Waanzin natuurlijk. Wat voor soort mensen is dat, die zichzelf dat aandoen?

Maar het kan nog veel gekker.
Ken je de Heisteeg? Dat is dat pietepeuterige straatje tussen het Spui en het Singel, naast cafe de Zwart. Ik loop of fiets daar regelmatig doorheen. Twee jaar geleden extra vaak, want toen had de een of andere koekjeswinkel het idee opgevat om aan de lopende band gratis koekjes uit te delen aan voorbijgangers.
Toen ik voor het eerst mijn snavel zette in een van hun chocoladekoekjes was ik verkocht. Krokante chocola van de buitenkant en warme gesmolten chocolade vanbinnen. Hemels.
“Lekker?” vroeg het bakkersmeisje waarvan ik het koekje had gekregen.
“Subliem”, antwoordde ik naar waarheid.
“Wilt u een zakje kopen?”
“Duur zeker?” vroeg ik.
Het meisje glimlachte verlegen.
Ik wist genoeg.

Is Amsterdam veranderd? Die koekjes in de Heisteeg zijn nog steeds enorm duur. Erg lekker, daar niet van, maar duur. En ze delen ze ook niet meer gratis uit. Integendeel. Daar ziet het er nu zo uit:

Wachttijd1

Een koekjesbakkerij met een wachtrijtijdbordje! Als ware het de Heineken Experience, het Rijksmuseum, of het Anne Frankhuis. En de wachtrij was bepaald een stuk langer dan dit point of no return van 45 minuten. Er stond voor minstens 3 uur in gelid aan volk te trappelen. Eat that Efteling!

Van Stapele heet de zaak. Je kunt hem googlen.
Ik heb een foto genomen van een meisje dat net aan de beurt was geweest. Ze kocht 1 koekje. En heeft er een foto van genomen. Die heeft ze op deze foto waarschijnlijk zojuist gedeeld op de een of andere social mediasite.

Van_Stapele1.jpg

Ik weet niet of Amsterdam veranderd is.
De tijden wel, denk ik.

Wat zou je doen met een miljoen?

1980 was een belangrijk jaar voor mij, wat betreft volwassen worden. Het was namelijk de eerste keer dat ik door mijn vader betrokken werd in een gewichtige financiele beslissing voor ons gezin.
Onze oude rode Renault 4 liep op zijn laatste beentjes, en mijn vader wilde graag een nieuwe auto kopen, zodat we veilig op zomervakantie konden naar Frankrijk.
“Frankrijk, dat halen we toch nog wel met deze oude auto?” had mijn moeder die week daarvoor geopperd, terwijl ze met een diepe frons het bankafschriftenmapje van de ABN doorbladerde.
“Niks ervan”, had mijn vader gezegd, “ik ga mijn gezin niet blootstellen aan het risico dat we midden op de Peage met bagage en al door een verroeste bodem heen zakken, wij kopen een nieuwe, en volgende week beslissen we wat voor een auto.”
“Sven”, zei mijn vader, “misschien kun jij volgende week ook een beetje met ons meedenken, want jij bent gek op auto’s, en weet er veel van.”

Dat laatste was waar. Ik was in mijn jeugd weg van auto’s, ik kende elk merk, en daarvan elk model, wat in die tijd een stuk makkelijker was dan in 2017, nu alle auto’s op elkaar lijken.

Een week later was het zover. Met mijn vader en moeder zat ik aan de eettafel (in ons geval een gemetselde bar tussen de woonkamer en de keuken, zoals in vele huizen begin jaren 80).
“Zeg het maar Sven”, begon mijn vader het gesprek, “wat vind jij de mooiste en beste auto.”
“Een Rols rols”, antwoordde ik naar waarheid, “Silvercloud”, voegde ik er volledigheidshalve aan toe.
Mijn vader sloeg zijn blik ten hemel, met zichtbare spijt in zijn ogen dat hij mij, kind, in dit gesprek betrokken had.
“Een Rolls Royce is natuurlijk geen optie”, zei hij, “zoals Joop den Uyl altijd zegt: 2 dingen. Punt 1: die zijn veel te duur in aanschaf, bijna een miljoen gulden, en punt 2: die zuipen veel te veel benzine, namelijk 1 op 1; 1 liter per kilometer.”

Ik wist natuurlijk dat hij dat zou gaan zeggen. Ik was een veelbelovend jeugdschaaktalent, en als ik iets had geleerd van schaken is dat je vooruit moest denken.
“Dus je wilt een auto die goedkoop is in aanschaf, en die niet te veel benzine verbruikt?” vroeg ik quasi-naief.
“Precies”, zei mijn vader, “zoals een Renault 4 dus”, voegde hij eraan toe. Mijn vader had zijn hele leven nooit andere auto’s gekocht dan Renaultjes 4, 3 stuks tot dan toe, 2 witte en een rode.
Ik schaamde me dood voor die Renaults 4. Mijn vriendjes lachten me erom uit. Hun vaders hadden allemaal grotere auto’s.
“Mag ie er ook een beetje mooi uitzien?” vroeg ik aan mijn vader.
“Waarom niet”, zei mijn vader.
“Een Citroen GSA”, zei ik kordaat. Ik wist waarover ik het had. Ik had in die week bij diverse automerkdealers foldertjes opgehaald met specificaties. “Die rijdt ook 1 op 18 bij 90 km/uur”, doceerde ik, “en hij is net zo goedkoop in aanschaf als een Renault 4. Alleen is ie wel een stuk groter! En mooier! Vooral een blauwe!”
Game, set en match, dacht ik, en leunde voldaan achterover. Wij zouden zo’n mooie langwerpige Citroen GSA krijgen, nog langer dan de Renault 16 van de vader van mijn buurjongens, hier zou mijn vader zich niet meer uit weten te lullen, ik had mijn ouwe op rationaliteit schaakmat gezet.

“Wacht”, zei mijn moeder, “over de kleur ga ik!”
Dat was waar. Mijn moeder mocht altijd beslissen over de kleur.

“Een Citroen GSA”, peinsde mijn vader hardop.
“Precies”, zei ik.
“Dat zal niet gaan”, zei mijn vader.
Wat gingen we nu beleven? “Maar… Waarom niet!” stamelde ik.
“Ik moet een Renault hebben”, zei mijn vader, “anders zit ik met mijn inruil. Bij de Citroendealer krijg ik veel minder inruil voor onze oude rode Renault 4, dan bij de Renaultdealer. Dus een Citroen is geen optie. Laat ik dan de knoop maar weer doorhakken: Het wordt een Renault 4! Lien, wat wordt de kleur?” vroeg ie aan mijn moeder.

“Donkerblauw?” opperde mijn moeder voorzichtig.
Wederom sloeg mijn vader zijn blik ten hemel, “donkerblauw!? Dat is levensgevaarlijk, die kleur ziet niemand in het donker, dus dan zit ie binnen de korste keren onder de deuken! We moeten een lichte kleur hebben, of desnoods een signaalkleur, wit of rood dus, of zoiets. Ik zat zelf te denken aan geel, voor de verandering.”

Een paar maanden later stond er een knalgele Renault 4 voor onze deur.

Daarin heeft mijn vader gereden tot ik op mijn 18e het huis uitging en vertrok naar Amsterdam. Renaults 4 werden toen niet meer gemaakt. Waardoor ie is overgestapt naar de Citroen Visa. En toen die niet meer werden gemaakt, naar de Citroen Picasso.

Ik rij nu zelf trouwens ook in een Citroen Picasso. Maar zou liever een tweede- of desnoods honderdste-hands Renault 4 hebben, alleen zijn die nu te duur.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over wat je zou doen met een miljoen.
Ik heb namelijk 2 gratis staatsloten. En hoewel het statistisch gezien nergens op slaat, is mijn fantasie wel aan het slaan. Op hol welteverstaan.

Vorige week heb ik het er al even over gehad. Ik heb een huis op het oog, in Zuid-Frankrijk. Het ligt in een verschrikkelijk saaie streek, er is werkelijk geen hol te beleven, maar dat is alleen maar goed, maak ik mezelf wijs. Dan kom ik eindelijk toe aan schrijven.

En het huis is mooi. Het is verschrikkelijk mooi. Dit is ‘m:

huis2

En dit is het zwembad met uitzicht:

zwembad

Er is een voetbalveld aan landbouwgrond, een honderdenmeterslange oprijlaan, 230 vierkante meter woonoppervlak, er ligt een schitterende houten vloer in (zeldzaam in Franse huizen), en het geheel is piekfijn afgewerkt.
Het huis kost evenveel als dat mijn etage van 50 vierkante meter op 4 hoog in Amsterdam Oud-West momenteel op de woningmarkt doet.

Ik weet wel wat ik met een miljoen zou doen. Ik heb er de laatste weken veel over nagedacht. Serieus een plan uitgewerkt.

– Ik zou mijn hypotheek op mijn Amsterdamse woning afbetalen, en de woning verhuren voor 1200 euro per maand aan expats.
– Ik zou dit huis in Zuid-Frankrijk erbij kopen, en er gaan wonen. In het hoogseizoen verhuur ik het voor 1000 euro per week aan toeristen en ga ik zelf op vakantie met een camperbusje dat ik koop.
– Ik zou nog een pand in Amsterdam erbij kopen van ca 250.000 euro, en dat verhuren voor 1000 euro per maand aan expats.

Dit alles levert genoeg inkomsten om te kunnen stoppen met werken. Genoeg om de vermogensbelasting te kunnen betalen en te kunnen leven op de voet die ik nu leef.

En dan hou ik nog 150.000 van dat miljoen over. Daarmee kan ik leuke dingen doen.

– 50.000 besteed ik aan zonnepanelen, een kas, geitjes, kippen, fruitbomen, en andere landbouwdingen om zelfvoorzienend te kunnen zijn.

En dan hou ik nog 100.000 over.

“Wat zou jij erbij willen hebben?” vroeg ik aan L.
“Dat huis is genoeg”, zei L., “als ik daarin een atelier krijg.”
“Zeker weten? Wil je echt niets anders erbij?”
“Jawel”, zei L.
“Wat?” vroeg ik.
“Dit”, zei L. :

Roze Vespa

Wat een ontzettend goed idee! dacht ik. Ik zag meteen een businesscase. Die roze Vespa kost 2100 euro. Kan goedkoper, maar doet er niet toe. Groot denken, Sven, als een miljonair. Je koopt 4 van die dingen, stalt ze in je garage van 44 vierkante meter, en hoppakee, je kunt ze aan je huurders meeverhuren in de zomer, waarin je toch al 1000 euro per week aan ze verdient.

Maar goed, dan hou ik dus ruim 90.000 euro over. Niet dat die ophoeven, maar potverdorie, ik zou het wel weten. Voor 89.500 is deze te koop:

https://www.autotrack.nl/tweedehands/rolls-royce/corniche/34645203

Een Rolls Royce. Ok, geen Silvercloud. Maar wel convertible. Cabriolet. Voor wie te moe was om op de link te klikken, even in your face:

Rolls cabrio

Rolls Royce Convertible

Die bied je ook te huur aan, aan je toeristen. Optioneel een geeltje per dag voor de auto. Volgens mij is dan dat huis geen dag onverhuurd in de zomer.
En het levert mij genoeg extra inkomsten op om er de rest van het jaar lekker zelf in te kunnen rondtoeren. Ook al zuipt ie een liter per kilometer.

Je hoort altijd van mensen die de lotto of de staatsloterij hebben gewonnen dat ze er een jaar later alleen maar ongelukkiger op zijn geworden.
Ik snap dat niet.
Ok, ik moet toegeven dat L.en ik ook wel enige discussies hadden over wat voor hond we zouden nemen om het geheel te bewaken.
“Een Huskie!”
“Ja, maar die kunnen niet blaffen.”
“Zo’n whiskyhondje, dan”
“Van Black and White, zo’n Boomer-achtig-iets?”
“Ja!”
“Daar lachen inbrekers om!”
“Ja, maar ik ben bang voor herdershonden.”
Uiteindelijk kwamen we uit op de onvermijdelijke Golden Retriever.

En ook de discussie over een Chesterfieldbank of Deens Design voor bij de houtkachel wisten we tot een goed einde te brengen.

Wij zijn er kortom klaar voor. Kom maar op met dat miljoen.

Wil ik

We hadden vandaag een familiedag. Het initiatief kwam van mijn oudste nicht, die eventjes een maandje over was vanuit het buitenland. Ze is een globetrotster, die momenteel woont in Myanmar (het voormalige Birma). Bij iedere stap die je daar zet trap je op een vogelspin, maar dat is ze gewend, ze woonde hiervoor in Bolivia.
“Even de tarantula’s uit mijn bed vegen”, dagelijkse routine, pas des problemes, “en even de schorpioenen uit mijn laarzen scheppen, dan gaan we daarna gezellig…”
Ik heb daar niets mee. In de zin van dat ik er totaal geen behoefte aan heb om op dat soort plekken te gaan wonen.
Of uberhaupt te verblijven.

Aan de andere kant: de familiedag werd vandaag gevierd bij mijn broertje, die woont in Oegstgeest, op een plek die is ingesloten tussen een spoorlijn waar ieder uur 15 treinen voorbij denderen, en aan de andere kant een batterijtje torenflats. Als je daar heel goed tussendoor koekeloert, dan kun je een stukje polder ontdekken, drassig weiland, dat volgens hem het mooiste stukje van Nederland behelst.

Daar was vanmiddag dus de familiewandeling.

En het was waar. Er waren mooie vogels. Allerlei soorten ganzen met nu al jonkies, pluizig en schattig in al hun voegen. Iedereen ging uit zijn bol.

En Grutto’s.
“Kijk! Een Grutto!”, zei mijn tante.
“Een sfeerverhogende vogel”, zei mijn broertje.
Wenkbrouwen fronstten zich.
“Dat vond ik een mooie uitspraak van Chris Geel”, verklaarde mijn broertje, “de Grutto is een sfeerverhogende vogel, hoe heette die film ook alweer?”
“Simon”, zei mijn zusje, redactrice van de cultuurpagina van de Gelderlander.

Ik keek naar de Grutto, ik keek naar de polder, en ik keek naar de spoorlijn.
Ik dacht aan de mooiste dag die ik ooit met mijn broertje had meegemaakt, in Schijndel, ook tijdens Pasen. Op Paaspop, ergens halverwege de negentiger jaren.
Greenday, The Offspring, good old Richard Janssen (van de Fatal Flowers) als Rex, en als hoogtepunt Skik, waarbij Daniel Lohues hun greatest hit standaardesk inleidde met een verhaaltje over een ijsbeer die rondliep in de Sahara.
Het nummer heette: “Tomme, tomme, wat doe ik hier!”

Aan het eind van de wandeling liep ik even samen met mijn broertje en mijn schoonzus. Ik mag ze allebei erg graag.
“Jij blijft zeker voorlopig nog in Amsterdam”, zei mijn schoonzus.
“Ik wel”, zei ik, “maar zoals ieder zijn verslaving heeft..”
“Ja, jij..”, voelde ik ze denken, “drank en sigaretten..”
‘Een fijne comfortzoneverhogende status quo, en vooral geen gedonder’, dacht ik inwendig, “ben ik verslaafd aan Funda”, vervolgde ik hardop.

Ik vertelde over Assen, waar ik vorig jaar heb getwijfeld over een kapitale vrijstaande villa in het groen, op 5 minuten wandelen van het station. Middagenlang heb ik er verliefd naar gekeken vanachter het computerscherm op mijn kantoorbureau.
Tomme, tomme, wat doe ik hier.
Tot ik op het terras van ons buurtcafe op de Jan Pieter Heijestraat, een vrouw/meisje aansprak dat zich er op liet voorstaan dat ze uit Assen kwam.
“Assen”, vroeg ik, “is dat nou iets?”
Er klonk een enorm langgerekte nee. Nog langer dan de Overtoom.
Nadat de vrouw bijkans haar laatste adem had verspild aan het nog langer uitrekken van de neeeeeeee, voegde ze er aan toe: “ik noem het altijd: ‘In Zak en Assen’.”
Ok.
Geen Assen dus.

Funda. En ik ben niet de enige. En ik beperk me niet tot Nederland.

Ik zag een oud-lezeres met deze suggestie, niet speciaal voor mij, maar in het algemeen en voor zichzelf in het bijzonder, voorbij komen:

http://www.immoweb.be/nl/buy.estate.cfm?metrics=CLIBIENA&idmetrics=6940097&IDbien=6940097

Een station!

Wil ik!

Mijn financieel adviseur kwam met deze suggestie: http://www.funda.nl/koop/amsterdam/appartement-49178830-prinsengracht-1079-g/

“Wil ik!”, schreef ie.

“Mongool!”, schreef ik terug, “dat is 10.000 per m2”. ¬†Hij deed er betweterig het stilzwijgen toe, en heeft waarschijnlijk rationeel gelijk. Zo zijn financieel adviseurs. De verstedelijking zet waarschijnlijk voort, dingen in de stad worden meer waard. De rest, ergo het platteland, minder waard.

Mijn woning in Amsterdam is mijn pensioen. En hoewel het nu al zou kunnen, qua inruil, qua geld, maar qua werkafstand nog niet, zou ik zo graag dit willen kopen. En geitjes. En koeien. En varkens. En kippen. En heel veel groenten en graan. Zonnepanelen en helemaal zelfvoorzienend willen zijn:

http://www.green-acres.com/en/properties/7872a-293.htm?utm_campaign=Criteo+France+EN&utm_source=criteo&utm_medium=banner

Op staatsloterij.nl kun je gratis loten krijgen.

Die heb ik gescoord.

Dat huis in Frankrijk?
Wil ik.

Ruwe Teckel

Dakterras Zuidas

Wat mezelf betreft laat ik het bij deze foto. Het was mooi weer. En ik heb een leven.
Maar ja, om nou wederom een iglootje te doen.

Aan de andere kant: waar zou ik over moeten schrijven?
Over de buurvrouw van 2 dakterrassen verderop wellicht? Een yuppenmeisje, dat haar vader uit de Achterhoek had laten overkomen om haar dakterras schoon te maken met een hogedrukspuit?
Ik weet het niet. De vader van het meisje was een kopie van Bennie Jolink, van Normaal. Met dezelfde bril, dezelfde hoed, dezelfde snor. Terwijl ik in een pauze van het houtklieven een kopje koffie dronk op mijn dakterras, verscheen hij 5 meter verderop ten tonele en frutselde wat met zijn apparaat (hogedrukspuit, bedoel ik daarmee, en verder geen grappen).
“Goedemorn”, zei Bennie, “Lekker aan ‘t koffie drink’n? Lekker in het zonnetje?”
De man verstond zijn smalltalk.
“Ja”, zei ik, “lekker aan het euh.. spuiten?”
Ik versta de kunst iets minder.
“Ja, ‘t mos mot eraf he, da kun je zo’n keind nooi nie genoeg up ‘t hert drukk’n”, zei Bennie.
“Juist”, zei ik.
Ik keek naar mijn eigen dakterrasflonderplanken. Die zaten behoorlijk onder het mos. Persoonlijk ben ik blij met mijn mos. Ik zie het als gratis gras. Ideaal. Lekker zacht, en je hoeft het niet te maaien op de koop toe.
Maar daar dacht Bennie blijkbaar anders over.
En hij kon het weten waarschijnlijk, hij was een boer. Verdomme, nu zat ik me zorgen te maken over mijn mos, terwijl ik er juist zo blij mee was.
Tijd voor het door elkaar schudden van de situatie.
“U lijkt op Bennie Jolink”, zei ik.
Ik schrok van mezelf. Zoiets zeg ik normaal alleen na een stevige pils.
“Dat heur ik wel vaker”, zei de vader met een grijns.
“Deurdender’n!” zong ik. Ik ken mijn klassiekers.
“Krek!” zei Bennie, en liet het dakterras van zijn dochter sidderen onder een paar hectoPascal aan watergeweld.
Dat was om 10 uur ‘s ochtends.

Ik potte die ochtend mijn Gerania, Vlijtige Liesjes en Spaanse Margrieten. In de middag deed ik mijn moestuin; de Sugarsnaps mochten erin, en de omhooggeschoten peultjes hadden dringend behoefte aan klimmogelijkheden, die ik faciliteerde middels een doorgezaagd houten afwasrekje van IKEA. Af en toe keek ik opzij naar Bennie. Hij was nog steeds aan het spuiten op de schamele 12 vierkante meters van zijn dochters terras.

Om 19.00 ‘s avonds was ie er nog steeds mee bezig. En toen kwam zijn dochter een kijkje nemen.
“Ben je nu nog steeds bezig, pa?”
“Ja meis, ik bin bijna fert, dan hoeft ‘t daarna alleen nog maar te dreug’n”
“O, dat is fijn.”
“Joa, dan bin al ‘t mos weg! Ziet oe het?”
Bennie keek verwachtingsvol naar zijn dochter. Dit was het moment. Dit was waarvoor ie het allemaal had gedaan. De hele reis had ondernomen, en de hele zondag in de weer was geweest. Nu kwam het.

“Tsja”, zei de dochter, “ja, nee, inderdaad, euh.. Je ziet echt een verschil…”

Dat kun je niet maken! dacht ik, zeg iets liefs tegen je vader!
Maar dat deed ze niet. Ze zei: “als je eindelijk klaar bent, dan kun je komen eten. Wij zijn alvast begonnen.”
Bennie ondertussen, ach Bennie. Zijn blik. Als Bennie een hond was geweest had ie gejankt.

Mijn whatsapp-signaaltje ging af. Ik had een nieuw berichtje. Waarschijnlijk als reactie op bovenstaande foto die ik met mijn beste vrienden had gedeeld inclusief de tekst: “Lekker een Herfstbokje in de Lentezon”.
De reactie van een van mijn beste vrienden was:
“Sven, man!”
“Ja?” vroeg ik.
“Je moet een Ruwe Teckel drinken.
Of een Saison, of een Porter.
Maar geen Bok.”
“Ik moet niks”, repliede ik, “maar een Ruwe Teckel klinkt goed.”

Ik keek naar Bennie, die stug de laatste paar vierkante milimeters waterboardde.
Wat een ruwe teckel, dacht ik, wat een ruwe teckel.