Second chance

Op vakantie, wilde ik schrijven.

Want dat ga ik. Net als ieder jaar. De 4 gedichten zijn nog niet klaar. Dus die zal in Frankrijk moeten schrijven. Zodat je ze stomdronken vanuit Parijs naar Tiel kan faxen, zou mijn beste vriend kunnen zeggen.
Mijn beste vriend zit op dit moment in Bedoin.
In een vrijstaand huis met zwembad en uitzicht op de Ventoux.
Ik heb de foto’s gezien.
Hij heeft het niet slecht.

Ik zit vanaf maandag in een tent aan een rivier. Met uitzicht op heuvels zonder naam.
Daar hou ik van, heuvels zonder naam. Op een daarvan zal ik wellicht ooit sterven.
Zoals 2 jaar geleden bijna, toen ik tenauwernood niet te grazen werd genomen door een wild moederzwijn met jongen.

Een paar stukjes geleden heb ik geschreven over de Dood. En hoe dichtbij ik er ben geweest, vooral in mijn jonge jaren.
Dat van dat wilde zwijn heb ik toen niet verteld.
Terwijl dat eigenlijk de naderste ontmoeting is geweest.
Closest encounter klinkt mooier, bedenk ik net, maar dat heb je al snel met Engels.

Anyway. Ik schreef toen over de vader (94) van een andere vriend. Twee stukjes daarvoor schreef ik over Pieter (58). Hartaanval.
Klaar.
Over.
Voorbij.
Wat ik toen niet wist, was dat er een andere vriend van 58 ook bezig was een hartaanval te krijgen.
Hij heeft het overleefd.
Mag nooit meer drinken, nooit meer roken, maar: overleefd.
Goddank.
Second chance.

Ik ben nu 48, hoop ooit 130 te worden, of het liefst nog ouder, omdat ik nieuwsgierig ben naar de toekomst, en hoe het verder gaat op de wereld en in de rest van het heelal.
Maar als ik ooit, bijvoorbeeld op mijn 58e, gevaarlijke leeftijd, een hartaanval krijg, dan hoop ik ook een second chance te krijgen.
Ik heb er al heel veel gehad, bijna zoveel als een kat, dus eigenlijk heb ik er geen recht meer op.
Maar toch hoop ik het.
Al was het maar om een beter boek te schrijven dan Hendrik Groen (ik weet trouwens wie het is!) over ouderdom. Dat bedoel ik niet heel kritisch, want ik lees ‘m graag, maar toch denk ik dat het een stuk beter kan.

Enfin. Qua vroeger alles beter de volgende clip.
Fatal Flowers, mijn favoriete band in mijn jonge jaren, de tachtigerjaren.
Natuurlijk, het zijn gewoon 4 Nederlandse gozers die in de VS rocksterretje spelen.
Obligate opnames van gitaarrifjes en gutsend mannenzweet achter de drumkit, tegen een decor van gele chevvys en neonreclames.
En de teksten stellen niet veel voor.
Maar daar gaat het me niet om.
Het gaat me om Richard Janssen.
De man die Fatal Flowers op het hoogtepunt van hun roem, op het moment dat ze internationaal doorbraken, liet kapseizen en de stekker eruit trok.
Opgegeven reden: hij wilde niet beroemd worden.

Kom daar nog maar eens om.
Mooiste Fatal Flowersnummer? Someday. “Someday the wind will call your name, and things will never be the same.”
Ik heb die tekst altijd opgevat als alle roddels die je ten deel vallen als je beroemd bent. Dat er over je gepraat wordt, terwijl je er niet bij bent, maar er toch vaag iets van mee krijgt.
En dat je dan zelden iets goeds krijgt te verstouwen.

Richard had daar geen zin in.
En kapte ermee.
Ging daarna oa nog even solo.
Maakte mooie dingen.
Maar schopte het weinig verder dan Paaspop, waar ie in een bruine pantalon, en ook voor de rest een zo lullig mogelijk kantooruniform, in de voormiddag werd geprogrammeerd voordat de ‘Band zonder Banaan’ het dak eraf mocht blazen.

Even zag ik nog iets van zijn glorie toen ie op een John Lennon tribute (25 jaar dood) in de Melkweg MindGames coverde.
Hij droeg een mannenjurk, iets nieuws toen.
Had van mij niet per se gehoeven, maar goed.
Deed er niet toe, ik had Mind Games altijd een kutnummer gevonden, maar nu hoorde ik in 1 keer hoe geweldig het eigenlijk was.
En de rest van tributanten was sowieso fake/phoney/lijkenpikker en hadden niks van Lennon begrepen.
Richard wel.
Alleen begreep, behalve ik, niemand hem, had ik het gevoel.

Op een gegeven moment, vele uitgerangeerde jaren later, kwam ie naar Festina.
“Wie is dat?” vroeg L.
Ik dook weg achter een stoel, “dat is de beste zanger uit mijn jeugd”, zei ik.
Een uurtje later zei L: “Kom nou maar achter die stoel vandaan, hij is er nog steeds en zal waarschijnlijk ook nog wel even blijven.”

We raakten aan de praat.
“Wat doe jij hier?” vroeg ik quasi achteloos.
“Ik hou van dichters”, zei ie.
Ik vroeg wat ie tegenwoordig deed.
Hij deed het decor van Toneelgroep Amsterdam.

Ik was dronken.
Ik zei: “Waarom zing je niet meer? Zo zonde!”
Ik meende het.
Richard voerde zijn mysterieuze bescheiden glimlach ten tonele.
Waarop ik niet anders kon dan begrijpend knikken.

Maar ik begreep het eigenlijk niet.

Die stem man, zo jammer dat die niet meer te horen is.
Nou ja, hier nog even:

Hou vol, zeg ik tegen hij die weet wie ik bedoel.
Hou vol.
Ik vind het knap als je het volhoudt.
Hou vol.

 

Advertisements

Stadsdichter 2

 

Ik moet nog steeds die 4 gedichten schrijven voor de nieuwe Tielse parkeergarage. Vorige week had ik geen tijd, want toen zat ik op Bospop.
Natuurlijk, ik had een schrift meegenomen, en een pen, want ik dacht: een festivalcamping is de uitgelezen plek om geinspireerde poezie te scheppen.
Toen ik na het festivalweekend terugkwam in Amsterdam bleek ik het complete schrift (80 pagina’s!) te hebben volgepend.
Hulde Sven, wat een inzet!

Juist. Toen ik het schrift thuis nuchter opensloeg had ik enigszins moeite de teksten te lezen. Om precies te zijn waren er, na grondig onderzoek, eigenlijk maar een stuk of 3 zinnen van de pakweg 3000 te ontcijferen.
Eentje,op pagina 16, luidde: “Mak je niet te druk goser, gewon de aanzetjes doen die je al had vorig week. Je kan het man, je ben best goed en die anzetjes ook!”
Ik moet bekennen dat ik een klein beetje vertederd was, toen ik het las. Wat ben ik toch een lieve jongen als ik dronken ben, dacht ik. Voor mezelf.
Maar ja. Veel had ik er niet aan. Want die anzetjes, een week eerder gemaakt, had ik meegenomen naar het festival, en was ze ter plekke blijkbaar verloren, want ik kon ze nergens meer vinden.
En me ook niet meer herinneren.

Met ontcijferbare zin 2, op pakweg pagina 40, schoot ik ook niet veel op: “Nu proberen nuchter te bliven tot avond, want strax Doe Maar, en dat wil ik ech zien! Met mijn vrienden! Ik hoop in ieder geval Johan en Coen, dat ze het halen!”

Dat is altijd wel een dingetje op Bospop. Dat je het einde van de avond haalt zonder voortijdig door je hoeven te gaan, op je kanonzatte wankele poten.
Het had er een uurtje voor Doe Maar nog goed uitgezien, herinnerde ik me. Ik stond met Johan en Coen bij het 2e podium te kijken naar de nieuwe band van de ex-Black Crowes, en we waren alledrie heel vrolijk.
Het was 22.00, we hadden al een liter of 10 achter de kiezen, autarkisch staan ging niet meer, maar leunen tegen een tentpaal nog wel, dus over een uurtje bij Doe Maar tegen de dranghekken hangen van Front of House (dat tentje waar het mengpaneel met de geluidsman in huizen) moest zeker gaan lukken!

Dat is het niet.
Het is niet gelukt.
Coen was, om met zijn eigen woorden te spreken, “compleet naar de kut”, en is verdwenen. Zijn tent heeft ie pas anderhalve dag later gevonden, waar ie in de tussentijd is geweest weet niemand, hijzelf ook niet meer.
Johan heeft netjes tegen de dranghekken bij FOH geleund, met een Jack&Coke in zijn klauwen, maar ik ben daar volgens de overlevering niet komen opdagen.
Dat klopt, besefte ik opeens.
Ik stond namelijk vooraan!
Bij Doe Maar!
Ik moet dat heel erg graag hebben gewild. Zo graag dat ik me door uren rijen wachtenden voor me heb heengewurmd.
Daar stond ie: Henny.
Net als 33 jaar geleden op de Waalkade in Tiel, tijdens een zeldzaam gratis concert in hun hoogtijdagen.
Ik zong luidkeels mee, deze keer, op Bospop.
Dat had ik beter niet kunnen doen.
Ik werd door de security uit het publiek gevist en verderop, bij de WC’s, tegen een bouwhek geplant.
“Misschien moet u even een Spa Blauw drinken”, zei de securityman.
Ik snapte er niets van. Voelde me zo nuchter als een konijn. En probeerde op te staan.
Dat lukte niet.
“Spa Blauw”, zei de man nog een keer.
“Is goed”, zei ik, “heb je een consumptiebon voor me, dan ga ik m voor je halen.”
Hij liet me hoofdschuddend achter.

Ik keek vanaf het bouwhek naar de videoschermen waarop ik Doe Maar de set zag afspelen.
Daarna liep ik met de meute mee het festivalterrein af, op zoek naar de festivalcamping.
Ik moet die hebben gemist.
In ieder geval stond ik opeens in een weiland.
Alleen.
In het donker.
Ik dacht: dit is niet het weiland waar de festivalcamping was, denk ik.
Ik dacht: waar is het licht?
Ergens in verte zag ik licht.
Ik dacht: daar ga ik naartoe.
Dus ik daar naartoe.
Uurtje lopen.
En toen ik daar aankwam zag ik: Dit is ‘m! Ik herkende de camping, ik zag zelfs mijn tentje!
Er was 1 nadeel.
Er stond een hoog hek tussen mij en de festivalcamping.
Godverdomme, mijn tentje stond op twee meter afstand!
Ik dacht: ik weet bij god niet meer waar de ingang van de camping is.
Vast een heel eind, dacht ik.
Ik dacht: ik klim over dat hek heen.
Het lukte.
Ik wist op het hek te klimmen.
Toen ik er bovenop was geraakt zag ik druppels op mijn broek.
Kut, regen, dacht ik.
Ik keek naar de lucht: sterren.
Ik keek naar mijn handen.
Daar kwam vocht uit.
Het was donker, de kleur kon ik niet ontwaren.
Ik proefde.
Bloed, merkte ik.
Ok.
Misschien kon ik beter niet over het hek heengaan, bedacht ik.
Misschien kon ik me beter gewoon laten terugzakken en langs de hekken blijven lopen, dan zou ik vanzelf een keer de ingang tegenkomen.

En zoiets moet ik hebben gedaan.
Uiteindelijk moet ik mijn tentje hebben gevonden.
En mijn pen en schrift hebben gepakt.
Getuige de 3e leesbare zin die erin staat, op 1 van de laatste bladzijden.
Vol overgave geschreven, op mijn 48e.
Maar als ware ik 16 en vol in mijn pubertijd: “De wereld is nep.”

Goed.

Dat was weer een plukdenacht-kijk-eens-wat-ben-ik-toch-vaak-dronken-verhaaltje.
En-nog-echt-gebeurd-ook.

Ik ben daar echt niet zo trots op als ik hier soms doe lijken.
Maar schamen doe ik me er ook niet voor.
Ik besef dat het ergens best triest is dat ik drank nodig heb.
Maar het is om de dingen dieper te voelen, zal ik dan zeggen.
Van drank raak je juist afgestompt en voel je de dingen minder, zou je ook kunnen zeggen.
Die laatste heeft rationeel gelijk.

Maar drank is niet rationeel.
Voor mij is het een persoonlijk iets.
Ik heb het nodig om uit mijn rationaliteit te knallen.
Het heeft mij tot nu toe meer gegeven dan gekost.
Zonder drank zou ik een econometrist zijn geworden, met een gezin, in een Vinexwijk in Utrecht Leidsche Rijn, hoogstwaarschijnlijk met een net iets mooiere auto dan de buren, en ik zou vaak golfen, ook al vind ik er niets aan, en ik zou een hobby ontwikkelen, weetikveel, stamboomonderzoek of zoiets.

En dan had ik het leuk gevonden als ik in de verre achterfamilie een tante was tegengekomen die dichteres was geweest. In Tiel ofzo. En dat er dan een gedicht van haar op een oude stadsgevel had gestaan. Zo eentje bijvoorbeeld:

Gevelgedicht

Een heel braaf gedicht, in een heel brave tijd.
Maar toch leuk.
En dat er dan desondanks allerlei kritiek op was, destijds.
Dat kennissen van haar ouders zouden zeggen:
“Ja, heel leuk hoor, zo’n gedicht, maar ze kan niet eens schrijven! Ze heeft een kapitale spelfout gemaakt! Geeft verder niet hoor, we vinden het echt heel leuk voor je, dat je dochter dat gedicht op die gevel..”

Zakengids

Ik krijg dan toch zin in een drankje.

Stadsdichter

Mijn beste vriend stuurde me afgelopen week een bericht met een stripje:

Poezie

“Nou weet jij het ook”, texte ik terug.
Omdat het niet, nou ja, je zegt nu eenmaal niet dat er uiteraard meer bij komt kijken. Bij mij in ieder geval wel, doorgaans. Mijn beste vriend weet dat ook wel. Daarom stuurt hij dat soort stripjes.
Zodat we samen kunnen lachen.
Lekker als een Tielse boer quasi-verontwaardigd stereotype cliche’s aanhalen, daar houden wij van.

Ondertussen maakte ik me wel zorgen om mijn poezie. Ik moet namelijk als Tielse stadsdichter binnen nu en 4 weken, maar liefst 4 verse Tielse stadsgedichten produceren.
En die komen dan te hangen op de liftdeuren van een parkeergarage.
Romantisch, nietwaar?
Maar toch wel. Het zijn namelijk de liftdeuren van de parkeergarage bij het nieuw te openen cultuurcentrum in de binnenstad van Tiel. Een megalomaan ambitieus project van de gemeente dat een gouden(!) gebouw heeft opgeleverd op zo’n beetje de mooiste locatie die je kunt verzinnen: tussen de Waal en de historische binnenstad in.
Het heeft een hoop geld gekost. Zoveel dat het nodig was om een verdienmodel te organiseren, waarbij alle gratis parkeerplekken in het centrum van Tiel zijn geschrapt en er vanaf nu gedokt moet gaan worden door de burgerij, het liefst natuurlijk in die nieuw te openen parkeergarage bij het nieuwe cultuurcentrum.
Er is een hoop protest en gemopper. Een charme-offensief in de vorm van enige kunst kan nooit kwaad, zal de gemeente wellicht hebben gedacht, toen ze mij belden.

Ze zullen dat stripje nooit gezien hebben. Ze zullen uberhaupt niet weten hoe de gewone Tielenaar over Kunst denkt. En in welke verhouding die staat tot gratis parkeerplaatsen.
Enfin.
Er komen foto’s te hangen op de liftdeuren van 4 prominente Tielenaren; Khalid Boudou, Fedja van Huet, etc. En ik mag er gedichten bij schrijven.

Bon. De komende 4 weken zit ik elk weekend vol, doordeweek moet ik 9 uur per dag werken bij de ING, het wordt, wat zal ik zeggen, een probleem. Uitdaging, corrigeren positievelingen dan, maar ik blijf gewoon probleem zeggen. Je kunt de dingen maar het best bij de toepasselijkste definitie noemen.
Problemen zijn niet erg. Problemen kun je namelijk oplossen. In tegenstelling tot uitdagingen. Die moet je omarmen, aangaan, en weetikveelwat, invullen. Veel vermoeiender. Geef mij maar gewoon problemen.

Afgelopen zaterdag, gisteren, moest ik naar Tiel. Voor een open dag van de brouwerij van mijn andere beste vriend. De jongen van het ‘Ruwe Teckel’-bier (zie een paar blogjes terug).
Ik had een plan: ik dacht: ik ga een aanzet tot die gedichten schrijven in de trein naar Tiel. En dan doe ik in Tiel nog wat extra inspiratie op, en dan schrijf ik ze op de terugweg in de trein misschien wel af. Of in ieder geval 1 van de 4, dan lig ik op schema.

Het plan was goed. Maar de NS zat tegen. Op Station Amsterdam Zuid verscheen een gedecimeerde trein ten tonele, waardoor 100 man op het perron in 1 wagon werden gedwongen.
Staande, met in de ene hand het kladblok dat ik geleend had van mijn vriendin, en de andere hand steunzoekend aan de leuning van een vierzitter, ontdekte ik dat ik een hand tekort kwam voor een pen.
Daar ging mijn plan. Ik verving het kladblok door een halve liter Albert Heijn Basic-pils, en dacht: ik schrijf op de terugweg die gedichten wel, dan is het vast rustiger.

Aangekomen op Tiel Centraal liep ik naar de Kijkuit (is een straat, geen wachttoren of zoiets, Tiels zit niet meer totaal in de Middeleeuwen, mocht je dat denken), waar de brouwerij gevestigd was.
Het was niet moeilijk te ontdekken op welk huisnummer precies. Op de stoep stonden 5 jongens van elk 2 meter lang, von kopf bis fuss getatoeeerd, ingewikkelde biertjes te hijsen.
Ici, alors.
Het waren collega-Appelpoppers. Ze schudden me de hand en vervolgden hun gesprek.
Ze hadden het over fistfucken.
“Geen gat te nauw voor mijn klauw”, zei de grootste van het stel.
Ik ben niet zo goed in dat soort gesprekken.
Maar weglopen durfde ik ook niet zomaar, uit angst arrogant over te komen.
Ik vond een gulden middenweg. “Ik ga bier halen”, zei ik. Want dat mag in Tiel altijd. En ik ging.
Kijk, zo makkelijk is dat, problemen oplossen.

Ik liep naar mijn andere beste vriend, de brouwer.

Bruusk.jpg

A. heet ie, en hij is een perfectionist, wil alleen maar het beste van het beste, de beste spullen, de beste ingeredienten, de beste ruimte, alles, zolang het maar het beste is. En als het niet goed genoeg is dan werkt ie gewoon nog 10 x zo hard als ie normaal al doet, om dat te compenseren. Wat uit zijn handen komt heeft altijd kwaliteit, daar kun je je ballen onder verwedden, geloof mij.
Bruusk heet hun VOF. Onthoud die naam. Goed bier.

Ik heb er aardig wat van gedronken. Daarna mengde ik me weer onder de Appelpopper-collega’s, en plantte verse pilsen onder hun giechel.
Ze hadden het over de PK’s van de auto die zojuist voorbij reed.
Ook in dat soort gesprekken ben ik niet zo goed.
Maar bleef toch een uurtje staan.
Af en toe zei ik voorzichtig iets.
Meepraterij.
Net genoeg om niet buitengesloten te worden.

Tot de Open Dag beeindigd werd, rond 17.00.
Voor mij geen seconde te vroeg.
Ik hielp even mee opruimen en trok een trekker (geen tractor, hoor) over de vloer.
Jatte 1 eigen Bruuskbrouwsel uit de koelkast mee voor thuis.
Deed iedereen de groeten.
Liep naar het station en pakte de trein terug naar Amsterdam.

In de trein dacht ik: O ja, ik moet nog gedichten schrijven. En pakte mijn kladblok.
Wat een wit vel.
Ik trok de Bruuskpils open.
En begon te schrijven over Khalid Boudou, de Marrokaanse romancier uit Tiel. Van het Schnitzelparadijs.
Het werd een autobiografische aanzet:

Mijn ex vroeg me ooit
om voor haar een date te regelen
Met hem
Hem die ik ooit sprak
In de Engelenbak
In Amsterdam
“Jij komt ook uit Tiel”
zei ik,
“met je dikke pik”
“Dikke piel“,
corrigeerde Khalid,
“we komen uit Tiel.”

In Geldermalsen las ik het velletje op mijn kladblok nog eens goed over.
“Dat wordt niks”, besefte ik.

Daarna nam ik nog een slok van mijn Bruusk.
“Goed bier”, vond ik.

Toen ik aankwam in Amsterdam, trilde mijn telefoon.
Het was mijn beste vriend. Hij texte weer een soort van stripje:

Stadsdichter

Ik kon niet anders dan replyen met “Herkenbaar”.

 

 

When you’re alone

Dat is de titel van het nummer dat mijn pensioen moet gaan invullen. Het is een goed nummer. Zo goed dat ik de rest van de tekst niet durf vrij te geven, uit vrees voor plagiaat.

Ik geef toe dat het een vrij obligate tekst is.
Het enige wat ik dan zeg is: Dat is popmuziek. Hoe obligater, hoe beter. En de rest van de tekst is echt, wat zal ik zeggen, ongelooflijk. Nee, je krijgt hem niet. Ook niet verderop, ook niet morgen.

Vandaag was ik in Tiel. Ik had beloofd aan mijn meisje dat ik niet te dronken zou worden. Ook wel handig ivm werk morgen enzo, maar goed.
Naar Tiel.

Een van mijn beste vrienden moest tweemaal spelen op Woodstock. Aan de Waal. Dat is een hippiefestival in Tiel, voor oudere jongeren. Iets wat ik een verschrikkelijk goed idee vind, een hippiefestival voor oudere jongeren.
Dus ik naar Tiel.

Dat had wat voeten in de aarde.
“Je wordt altijd enorm dronken als je naar Tiel gaat”, zei mijn meisje, “En dat vind ik niet leuk.”
“Dat valt wel mee”, zei ik, “Het is minder erg dan als ze naar Amsterdam komen.”
Maar dat was geen argument.

Kortom, ik had aan mijn meisje beloofd dat ik relatief nuchter zou blijven. Op een popfestival. In Tiel.
Dus ik had een struinwandeling ingepland tijdens mijn bezoek.
Een watte?
Een struinwandeling.
Wa is da?

Dat is een wandeling door natuurgebied, zoals de Waal het heeft achtergelaten, en dan kom je een kudde koeien tegen, en die denkt: Potverdorie, dat is de boer! Maar ik ben de boer niet, maar ze komen toch op me af, en ze denken: die gaat ons melken, maar ik ga ze niet melken, en dan worden ze boos.
Ik rennen natuurlijk, want dat kan ik, en gehaald.
Doei koeien, dikke snikkel, ik sta aan de andere kant van het schrikdraad, sukkels, en nu?

Ik voelde een enorm ontzag. Voor de natuur.
Vanmiddag zat ik op mijn uppie op een strandje aan een dooie arm van de Waal. Hiero:

Struin

Ik vond het de mooiste plek van Tiel.
En misschien is het dat ook.

Afgelopen weken gingen er 3 mensen dood in de Waal.
Ik werd gebeld.
Door de krant.
De Gelderlander.
Of ik er als stadsdichter een gedicht over wilde maken.
Het zou op de voorpagina komen.
De volgende morgen.
Ik heb het niet gedaan.
Ik kan dat niet, dichten, op commando.

Ik heb een tekstbericht gestuurd naar de journalist in kwestie.
“Het spijt me. Ik hou zoveel van Tiel dat, hoe verscrhikkelijk ook, dat kind, die drie, dat mijn sympathie nu eenmaal onvoorwaardelijk uitgaat naar de Waal. Als ik al tijd zou hebben, dan levert het nog altijd niet het gedicht op dat jullie zoeken, vrees ik. De Waal verzwelgt weer een telg, etc.”

De Waal, ik hou zoveel van  de Waal, niet normaal, etc, Maar het is wat. Het is wat Waal. Als erover je wordt gesproken, dan is het niet goed. En daar moeten we iets aan doen.

Zo is, het zo zijn de mensen, Doe maar bescheiden, dat is altijd goed.

 

 

 

 

 

Dood

D’r is t’r weer 1 dood. Morgen opnieuw een begrafenis. Niks ernstigs, de man was 94. Dood door oud te worden. Ideaal.
Hoor je dan te denken, denk ik.
Ik voel dat niet. Met al die mensen in mijn directe omgeving die maar doodgaan word ik met de dag banger. Banger voor de dood. Bang voor het einde.

Dieren beseffen niet dat ze sterfelijk zijn, schijnt. Ze zeggen dat dat het grootste verschil is tussen een mens en een dier.
Tot mijn zesde wist ik ook niet dat ik sterfelijk was. De dood was een concept dat ik nog niet bevatte.
Op een avond lag ik in bed, mijn moeder was naar haar wekelijkse zwemavondje, mijn vader zat beneden naar de babyfoon te luisteren of mijn zusje niet begon te janken.
Ik lag ik in bed en het was donker. Zo donker dat je niks meer kon zien. Er drong zich een gedachte aan me op: zou de wereld er zo uitzien als je dood bent?
Waarschijnlijk wel, besloot ik.
Ik keek nog eens goed naar het donker.
Zwart, niets dan zwart.
Gelukkig werd het morgen licht, bedacht ik.
Behalve als je dood bent.
Dan blijft het zwart, besefte ik opeens.
Wat een kutzooi! Dat kon toch niet waar zijn? Jawel, dacht ik, waarschijnlijk was dat echt waar!
Ik barstte in snikken uit. Of snikken, eerder een luid wenen.
Mijn kamer was ver van die van mijn zusje, maar desondanks had mijn vader me toch gehoord over de babyfoon, want hij kwam met een geschrokken gezicht mijn slaapkamer binnenstuiven.
“Wat is er aan de hand, lieve jongen?” vroeg hij, “heb je naar gedroomd?”
Ik twijfelde even, zou ik hem de waarheid vertellen? Hem zeggen dat de Dood misschien wel het einde van het Leven is? Maar nee, dat kon ik hem niet aandoen, besloot ik, en zei: “ik ben bang voor de tandarts.”
Dat leek me een goeie verklaring voor mijn huilbui, plausibel genoeg om hem met gerust hart mijn kamer te doen verlaten.
En zulks geschiedde.

Nu ben ik 48. Ik heb de Dood al een paar maal per ongeluk in de ogen gezien. Een keer toen ik op de kruising van de van Baerlestraat en de Laraissestraat bij het Concertgebouw door een rood stoplicht fietste en rechts een bus inhaalde. Toen ik de bus voorbij was, dook op enkele decimeters links van me tram 16 op, in volle vaart. Recht op me af.
Misschien herrinner je de kastjes nog in de trams van vroeger, vlak achter de bestuurder. Daar stond op: Remzand.
Die bestuurder van tram 16, in 1988, moet de volle lading hebben gelost, want binnen die enkele decimeters wist ie te vertragen van 50 km/uur naar plotselinge stilstand. De sta-passagiers in de tram lagen allemaal op hun muil in het gangpad. De bestuurder zat met een bloedneus tegen zijn eigen voorruit geplakt.Hij had geen tijd meer gehad om “godverdomme, mongool!” te roepen.
Ik, die in gedachten al afscheid van het aardse bestaan had genomen, groette hem met een peace-teken en fietste door naar de Albert Heijn op de Overtoom om te gaan vakkenvullen, mijn studentenbijbaantje.

Ik vond het een logische gang van zaken. Ik was 18. Ik was te jong om dood te gaan. Ik voelde me onsterfelijk.
Ik voelde me nog steeds onsterfelijk toen ik een half jaar later in een heftige storm opnieuw de dood in de ogen zag. Ik was aan de wandel, op weg naar studievriend W. die ook in Oud-Zuid woonde, bomen werden ontworteld, dakpannen stortten ter aarde, en eentje daarvan schampte mijn schedel en spatte op een milimeter van cowboylaarzen (die droeg ik in die tijd) uiteen. De scherven sloegen tegen mijn broekspijpen aan.
“Die had ik niet op mijn kop moeten krijgen”, zei ik tegen het meisje dat naast me liep en die later mijn vrouw zou worden.
“Ha ha, nee!” hinnikte ze, ze had de slappe lach.
Ze was ook 18.
Als je 18 bent, is de dood abstracter dan ooit. Onbestaand. Nog onbestaander dan voor je zesde, toen je er nog geen weet van had. Als je 18 bent, dan leef je alsof er geen morgen is, en al helemaal geen later, laat staan een dood.
Niet raar dat ik ‘m in dat jaar voor de 3e keer in de ogen zag toen ik kanonzat, na sluitingstijd van Meloe Melo (bluescafe op de Lijnbaansgracht), blind het kruispunt op de Marnixstraat overstak.
“Ik steek ‘m gewoon over”, zei ik, “zonder te kijken, blind!”
De Marnixstraat. Het kruispunt met de hoogste frequentie aan nachtbussen en taxis in heel Amsterdam. Om 4 uur ‘s nachts op een zaterdagavond. Slim bezig, Sven!
Dat gilden ook de meisjes uit onze groep.
De jongens keken benieuwd wat er zou gebeuren.
Nou, dat kan ik je nog vertellen.
Twee nachtbussen moesten vol in de ankers. Een taxi moest uitwijken en schuurde zijn carrosserie tegen de ophoging van de tramhalte van lijn 7, en een andere taxi had nog net de tijd om te toeteren en met een boog om me heen te manoevreren.
Kon mij het schelen, ik was aan de overkant! Zodadelijk neuken, dat was wel zeker, na deze heldendaad, vermoedde ik.

In de 3 decennia daarna ben ik ook een paar keer bijna dood geweest. Maar veel minder vaak dan op mijn 18e.
Als ik statisticus zou zijn, he verdomd, dat ben ik! dan zou ik zeggen: de kans dat ik onsterfelijk ben, wordt empirisch gezien steeds groter.
Gelukkig maar.
Want dood zijn, daar zou ik niet goed mee om kunnen gaan.
Tenzij er een hemel is.
Maar die is er niet, zei Anna Enquist gisteren in het VK-magazine.
En dat zeggen heel veel wetenschappers.
En dat is ook logisch.
Net zo logisch als dat er daardoor een geloof is in een uitweg, die hemel.
Een geloof in onsterfelijkheid.
In jong zijn.
18.
Geloof.
Religie.
De wereld.
Oost en West.

Zolang je gelooft, klopt het, en wordt alles vanzelf waar.

Genova Nervi

Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Hij schrijft er heel aanstekelijk over en maakt er nog aanstekeligere mooie foto’s van. L. en ik dachten: Daar gaan we ook eens heen.

Afgelopen week zijn we geweest. 5 dagen. 2 dagen Genova centro storico, met de nauwe steegjes, 2 dagen Genova Nervi, alwaar we een appartement huurden, dat op Airbnb werd aangeprezen als ‘romantisch nest’, en dat klopte (direct aan de zee, inclusief uitzicht daarop, artistiekerig ingericht, nul IKEA-meubels en gezellig onklinisch, wat zeldzaam is op Airbnb, en niet te vergeten fantastische koffie in een groot blik waar je een jaar mee zou voortkunnen), en 1 dag naar het klooster van San Fruttuoso, een plek die enkel bereikbaar is per boot en die sinds afgelopen donderdag hoog staat in de top 5 van mooiste locaties waar ik ooit ben geweest.

Dit was mijn strandje voor de deur van ons huis:

mijn strandje

De Middellandse Zee is ruig in Nervi, dat daar beroemd om is. Zelfs bij de 25 graden die het afgelopen week was, en bij praktisch windstille onstandigheden, word je, als je de zee instapt, de branding hebt doorkruist, en lekker denkt te dobberen op de woelige baren, min of meer direct met bovenmenselijke kracht teruggeworpen op het keienstrand. Je bek vol grint, je knieen blauw, je borstkas beurs. Je voelt enorm dat je leeft, en bent daar verdomde blij om.

Dit is mijn strandje ‘s avonds, vanuit huis gezien (het strandje ligt daar achter die grote rots):

standje 's avonds

Ok, het was volle maan, dat helpt altijd om de zee spectaculair te maken, maar waaien deed het niet echt. Ik moest denken aan de Stratenmaker op Zee-show, een programma uit mijn jeugd. Aart Staartjes die op onze zwartwit-TV vertelt: “Ja, ik weet het nog goed, toen wij de Straat van Gibraltar aanlegden, het was toen windkracht 124, het ging danig tekeer..” etc.

Genova Nervi met storm, dat wil ik nog een keer meemaken. Wat ik ook nog weleens zou willen meemaken is zwemmen in de baai bij het klooster van San Fruttuoso. Het zijn cliche’s: azuurblauw water, blue lagoon (O, Brooke Shields!), like dolphins can swim (O, Bowie!), ik dobberde op mijn rug in het water, keek naar het imposante tegen de rotsen opgebouwde klooster, wist dat mijn meisje op het terras met het perfecte uitzicht op me zat te wachten met een koude halve liter en dacht: “Nee Sven, beter dan dit wordt het waarschijnlijk niet.” Ik verkeerde in het volle besef dat ik hier misschien het mooiste moment van mijn leven aan het meemaken was.

San Fruttusoso

Napels zien, en dan sterven? Dacht het niet. Ze hadden het verkeerd. Ze zaten ernaast. Het is een andere plek. Hiero:

SanFruttuoso boot.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Telkens weer

Afgelopen woensdagmiddag: fietste ik met een vrolijk gevoel van mijn werk terug naar de Amsterdamse binnenstad. De directe toekomst zag er goed uit. Die avond zou ik met enkele van mijn beste vrienden in een kroeg bij mij om de hoek gaan kijken hoe Ajax de Europa League binnen zou slepen, en zaterdag maakte ik een goede en vooral gratis kans om de Staatsloterij te winnen, en bovendien was ik maar liefst 4 dagen achter elkaar vrij van werk. Mocht ik inderdaad de Staatsloterij winnen, waar ik vanuit ging, dan zou ik zelfs voorgoed vrij zijn van werk. Op de fiets maakte ik een overwinningsgebaar richting de hemel, waarmee ik tegen, zoals B.W. zou schrijven: ‘de grote gelijktrekker’ zoiets wou zeggen als ‘Goed geregeld, vriend!’

Woensdagavond: Ajax verloor. Maar dat was geen ramp. Ik had een geweldige avond gehad met mijn vrienden, en na afloop hadden we bij mij thuis nog plaatjes gedraaid. Toen ik de volgende ochtend het stapeltje LP-hoezen bekeek van de platen die ik had gedraaid, zag ik dat ik had afgesloten met John Denver. Een dubbel-LP zelfs, van John Denver. Ik concludeerde dat ik me erg gelukkig moest hebben gevoeld.

Donderdagochtend: Dit ging ondanks de Ajax-nederlaag alsnog een fantastisch weekend worden, voelde ik, temeer daar het KNMI een continue 30 graden voorspelde voor de komende 4 vrije dagen. Ik wist wel wat ik ging doen: ik liep naar de meterkast en viste mijn elektrische pomp tussen de kampeerspullen vandaan en blies mijn zwembadje op:

Zomerhuis met zwembad in Amsterdam.jpg

Met de recentste novelle van 1 van mijn favoriete schrijvers, B.W., nestelde ik me aan de rand van mijn poeltje. Zomerhuis met zwembad, in Amsterdam, eat that Herman Koch! verkneukelde ik mezelf, trok een halve liter open en begon te lezen.
Het bleek niet B.W.’s beste boek. O, zeker, stilistisch bewees hij zich weer de beste van zijn generatie, maar in het verhalende vond ik hem tekort schieten. Het ging over een schaduwweduwe, die van de protagonist zijn vader. De roadtrip die de schaduwweduwe en de protagonist samen maken, in Frankrijk, vond ik fenomenaal, ik kreeg meteen zin in de film, sterker nog, ik voelde een enorme urgentie opkomen op zelf zo’n roadtrip te gaan maken. Een paar steekwoorden: Jaguar, lunches met tafelwijn en sex. Kortom, alles wat belangrijk is in het leven.
Ik had het boek binnen notime uit. Het slotgedeelte vond ik niet best. En het einde van het begin eigenlijk ook niet. Maar die roadtrip was goed. Jammer dat de andere verhaallijntjes erbij zaten. Maar Roadtrip, Jaguar, tafelwijn.
Nog 2 nachtjes slapen, dan zou ik de Staatsloterij winnen, en dan kon ik dat ook allemaal.

Ik dompelde mezelf onder in mijn zwembadje. Droogde op onder mijn parasol en dronk er nog maar eens een halve liter bij.
Jammer dat ik maandag misschien alweer moest werken.
Ik dacht aan het terras waar ik die ochtend had gezeten. Dat van het cafe aan de Jan Pieter Heijestraat dat L. en ik altijd ‘De Meisjes’ noemen, omdat het gerund wordt door 2 vrouwen.
Naast ons zaten 2 Surinamers. Allebei met teenslippers aan, een bermuda om de beentjes, en een roodgekleurd drankje in de hand dat er zo zoet uitzag, dat waarschijnlijk je kiezen al ontstoken als je er aan sniffelde. Ze zagen een vriend lopen aan de overkant.
“Hey, Clarence man, hey! HAHAHAAHAAAA!”
De vriend was een grote zwarte man in een dikke legerjas en met een zwarte dikke broek aan. Tussen zijn lippen bundelde een joint van 20 centimeter en in zijn hand had hij een hondenriem waarin een bulldog zat gekneld, met een rood strikje om zijn halsband.
Clarence stak de straat over en kwam zijn vrienden begroeten.
Wat zoals verwacht gepaard ging met een uiteraard zorgvuldig gechoreografeerd, maar schijnbaar achteloos handballet.
“Koud he?” bromde Clarence.
“HAHAHAAHAA Clarence man! Waar is je vriendin man!” lachten de andere Surinamers.
“Die is werken, man!” zei Clarence.
“HAHAHHAAAHAA Werken?”
“Ja man, ik werk, zij werkt, wij werken man”, zei Clarence.
De Surinaamse vrienden zwegen even. Daarna zei er eentje: “Ja, jij bent altijd al een vreemde vogel geweest.”

Vrijdag: nu was het echt warm. Ik weer blij met mijn badje. En zo blij dat ik niet hoefde te werken.
‘s Avonds zaten we op het terras bij de Meisjes. Het was druk. Zo druk dat een toerist aan R., een stamgast, kwam vragen of het krukje dat tegenover zijn tafel stond, vrij was, want dan konden ze het meenemen naar hun tafeltje, omdat ze zitplaatsen tekort kwamen.
R. keerde het krukje om. De 4 pootjes staken olijk in de lucht.
“Op die manier kunnen er 4 opzitten”, zei R. tegen de toerist, “4 homo’s.”
De toerist vatte de grap niet. Of hij was geintimideerd, wat niet onwaarschijnlijk is bij R., een nogal woeste verschijning, die deze avond zijn diner had betrokken bij de AH tegenover De Meisjes, in de vorm van een glazen pot rolmopsen. Hij vingerde de vislappen er 1 voor 1 uit, liet ze een fractie van een seconde boven zijn opengesperde muil hangen en slikte ze vervolgens zonder kauwen naar binnen.
Toen de pot leeg was dronk hij het zure vocht erachteraan.
R. liet een boer, en vroeg aan de toerist: “Vous voulez la chaisse ou quoi?”
R. spreekt niet onaardig Frans. Als hij goed dronken is spreekt hij zelfs alleen nog maar Frans. Om zijn goede komaf te etaleren.
“I’m fine, thank you”, zei de toerist.
Het werd later.
Iedereen was goed dronken.
“Doucement!” riep R. op een gegeven moment naar een stel jonge ventjes naast ons. L. en ik keken. De jonge ventjes waren aan het knokken op het terras. Ongezellig. Een Turkje en een Marokkaantje. Niet dat dat er iets toe doet, maar het maakt het iets geloofwaardiger als ik zeg dat het er nogal fanatiek aan toe ging.
Alle alcoholisten op het terras van de Meisjes, en dat zijn er nogal wat, stonden op om de situatie te sussen. Waaronder, het is waar, ook ik. Een kluwen van lamme witte veertigers en vijftigers, stond wankelend op hun poten te murmelen dat vechten nergens voor nodig was, of zoiets. Een enkeling probeerde voorzichtig maar tevergeefs een van de ventjes aan zijn kraag uit de worsteling te rukken, om eigenlijk direct daarna zijn schouders op te halen met het idee van: dit lost zich vanzelf wel op.
Dat denken dronken mensen vaak. Inclusief mijzelve. En het klopt ook vaak.
Maar het loste zich niet vanzelf op.
Een van de Meisjes kwam naar buiten stuiven.
Ze rukte kordaat het Turkje van de Marokkaan af, en sprak hem toe.
Het Marokkaantje ondertussen droop af, en riep dat hij zijn brrroerrs ging bellen en dat die de boel wel even zouden komen neermaaien. Om zijn dreigement kracht bij te zetten, kwam hij nog drie keer vervaarlijk langsfietsen in zijn Barcelonashirt.
Waarbij het Turkje telkens weer door zijn andere Turkse vrienden als een bulldog aan de lijn/zijn armen moest worden (vast)gehouden.
“Ja, kut”, zei ik tegen L, “zodadelijk komt er een bataljon Marokkanen ons neermaaien.”
“Met Kalashnikovs zeker”, spotte L.
“Maak je niet druk”, zei R.
“Ja, maar dat kan toch?” zei ik.
“Nee, natuurlijk niet”, zei L.
“Maar bij ons in Tiel”, begon ik, “in muziekcafe Nikita”. Ik voelde me net Woody Harrelson uit Cheers, die ook altijd ongeloofwaardige anekdotes vertelde uit het dorp waar ie vandaan kwam.
“En dat noemden ze daarna cafe Niet Schiet-as”, murmelde ik.
Het was waar
“Stel je niet aan!”zei R.
Maar ik had er geen zin in. Net nu ik morgen de Staatsloterij zou gaan winnen. En het goede leven voor het oprapen lag. En dan net daarvoor de pijp uitgaan? Ik dacht het niet!
Ik taaide af en ging pitten.

Zaterdag: nog veel warmer. En de Staatsloterij-uitslag. Niks gewonnen. Nada, noppes, nul. Geen 1.000.0000. Geen 250.000. Zelfs geen tientje.
Nog een keertje keek ik op internet naar mijn droomhuis in Frankrijk. Nog een keertje keek ik naar de Jaguar

jaguar

(7K, slechts!), die ik inmiddels als betere optie zag dan de te dure Rolls Royce.
Kut, maandag weer werken.

Zondagmiddag: wandeldag. Dit keer in Bakkum/Castricum. Ook een van onze vaste plekken. En dan drinken we steevast iets bij Johannashof. Goeie horeca. Mooi terras, middenin de bossen gelegen en voorzien van kinderboerderij met 4 soorten kippen/hanen, de ene nog wolliger en kleurrijker dan de ander, waarbij ik altijd twijfel welke soort ik nu zal gaan nemen om te houden in een kippenren op mijn dakterras.
Of op het erf van mijn droomhuis in Frankrijk, maar verdomme, dat gaat dus niet door.
Aan een tafeltje bij het hek van de kinderboerderij zag ik een gelukkig gezinnetje zitten. Mooie man, knappe vrouw, dochtertje, zoontje. De man had een rood T-shirt aan en rookte. Dat laatste vond ik voor hem pleiten.
“Is dat nou T.M.? vroeg ik aan L. Ikzelf zie niet goed op afstand zonder bril.
L. keek ook. “Nee”, zei ze.
Ik zag hoe de man in het rode T-shirt bewoog in zijn stoel. Mensen herken je niet direct aan hun gezicht, niet per se aan hun kapsel, maar vooral aan hun motoriek.
“Weet je zeker dat het niet T.M. is?” vroeg ik.
L. keek nog eens goed, “Verrek”, zei ze, “dat is ‘m, dat lachje!”
T.M. zelve had ons blijkbaar allang gezien en liep op ons af. “Sven!” zei ie, “hoe gaat het!”
Hij schudde me de hand.
“Sorry”, zei ik,”ik herkende je niet direct, ik wist niet zeker of je het was.”
“Dat kan ik me voorstellen”, zei T.M.
Dat was geloofwaardig, want T.M. had dus momenteel spierballen als pompoenen, terwijl dichters dat vroeger nooit hadden. Hij althans niet.
“Maar ik wist wel dat je tegenwoordig in Castricum woonde”, zei ik.
“Ach ja”, zei T.M.
“Mooie omgeving”, zei ik.
“Ach ja”, zei T.M., terwijl hij zijn dochtertje als troffee omhoog hield. En daarna zijn zoontje. En verder gewoon zijn spierballen.
Kut, dacht ik, wat heb ik gedaan met mijn leven? Hij is dichter, woont aan het strand en in het bos, en ik, ik moet morgen werken.

Zondagavond: Whatsappje van mijn beste vriend. Net terwijl ik op het punt stond om met hem te vreugdedelen dat Tom Dumoulin de Giro had gewonnen, kwam hij met het slechte nieuws. Er is opnieuw dit jaar een Tielenaar doodgegaan. En opnieuw voor ons een belangrijke.
Dit is ‘m: http://stadtiel.nl/lokaal/pieter-van-den-burg-overleden-243487

Ik ben er behoorlijk kapot van. En ik had eigenlijk een stukje over hem willen schrijven. Maar heb het nu gedaan over mezelf.
En over hoe ik vergeet te leven soms, nu het nog kan.

Ik ga in de toekomst nog over je schrijven, jongen. Maar omdat je zo van doedelzakken houdt, en omdat je een strijder voor rechtvaardigheid bent, en graag,  meestal terecht, een lastpost,  – sorry flauwe woordgrap, maar daar hou je van, zo kut dat ik moet zeggen: was.

De Last Post, doedelzakversie:

[img]