I’ll be back

Yo,

De afgelopen 2 jaar zijn me niet in de kouwe kleren gaan zitten. Sterker nog, ze hebben me bijna genekt.
Het doet er niet toe. Ik heb vakantie. Eindelijk. 4 weken vrij. 4 weken mezelf. Sinds ik vrij ben heb ik een hoop ruzie gemaakt, maar dat is altijd in het begin. Het is een reactie. Een slechte reactie. Ik weet niet waar die vandaan komt. Of eigenlijk weet ik het wel, maar het voert te ver om dat uit te leggen.
Hou ‘t maar gewoon even op drank, dat is het gemakkelijkst.

Toch is dat niet waar. Het zit ‘m meer in ongebrip. Frustratie zo je wilt. Ik snap veel dingen niet, en begrijp voor geen meter waarom iedereen ze laat gebeuren.

Maar vergeet dat. Het doet er niet toe. Het is vakantie.
“Vous etes tranquille”, zegt de campingbaas altijd, als ie ons wijn bijschenkt.
“Oui”, antwoord ik dan, “nous sommes tranquille.”

Rust.
Belangrijk.

Ik fiets, ik lees, ik zwem, ik kano een record door de gorge, ik kets een belangrijke bal weg tijdens het jeu de boules-tournooi, ik vermaak me wel.

Dus maak je geen zorgen.
Laat die aan mij.
Sowieso, volgende maand spring ik er weer om.

Zou ik kunnen zeggen. En het is nog waar ook. Maar ook weer niet.
Fuck it. 44. Bijna op de helft.
En de helft is kort. Veel te kort. Niks aan de hand hoor, maar bij de helft ga je denken.

Sommigen nemen een jongere vrouw, anderen een moter.
Ik, ik ga op vakantie.
Want dat vind ik leuk.

Donderdagavond, een momentopname

Comrads,

Het is donderdag. Morgen is het vrijdag, en ben ik zoals het de naam betaamt, vrij. En het weekend erbij. Net zoals iedere week.
3 dagen vrij om te doen en te laten wat ik wil. 3 dagen om weer uit de toneelrol te stappen die de arbeid van mij verlangt, en opnieuw mezelf te worden.

Het werkt niet meer. Ik kan het niet langer, het is te zwaar, het offer te groot.

Denk ik elke donderdagavond. Na een paar pils.

De pils doet goed. Veel te goed. De pils brengt te veel goede herinneringen naar boven aan vroeger, toen de tijdgeest het nog toestond dat je doordeweek enigszins naar drank riekend om half 8 op kantoor verscheen.
Dat je zelfs werd toegejuicht omdat je invulling gaf aan het destijds hooggewaarde gezegde “‘s Avonds een vent, ‘s ochtends..”, etc.

Ik durf het niet meer. Ik durf niet meer te drinken als ik de volgende dag moet werken. Ik durf het niet meer omdat ik 2 jaar geleden 1 keertje op mijn vingers ben getikt door mijn toenmalige leidinggevende.
Overigens van een heel ander bedrijf dan waar ik nu zit.

Ik kan niet spelen met een gele kaart. Ook al is ie verjaard. Ik ben bang. Sindsdien. Chronisch, structureel, permanent.
Voor alles.
Stukjes op zondagavond zitten er niet meer in, sorry, maar dat terzijde.

Ik ben te bang.
Behalve op donderdagavond. Als ik na 4 avonden zonder drank, ongestoord een enorme batterij blikken mag opentrekken.

Die helpen.
Wat op donderdagavond ook helpt is dat ik dan inmiddels een dusdanig slaaptekort (zonder fust geen nachtrust) heb opgebouwd (echt, ik vat de slaap zondagnacht nooit, en op de overige pre-werkdagen hooguit 3 uurtjes), dat ze er op z’n stevigst inhakken.

Kortom, ik voel me nu goed. Ik durf iets te schrijven.

Het enige nadeel is dat ik op dit moment geen hersencel meer over heb, die nog goed genoeg functioneert om iets intelligents in te tikken.

Dus dan weten jullie een beetje hoe het zit.

Ciao en tot snel.

Veenhuizen (2/Slot)

Woensdag 29 mei 17.57

De kat heeft de melk toch wel opgedronken zag ik vanmorgen. Of iemand anders moet het hebben gedaan. Ik ben benieuwd of ze vannacht weer komt. Ik heb zalm in de koelkast liggen.

Vandaag regent het. Regen is ideaal schrijversweer. Daar waar mooi weer een excuus is om de highlights van de omgeving te verkennen, ergo overdag te wandelen in het Aekingerzand (de ‘Kale Duinen’ – maandag) of het Fochteloer-veen (dinsdag),

De Kale Duinen

Fochteloerveen 2

is regen een niet te misverstane veroordeling tot de laptop.
‘Ja maar’, dacht ik.
“Niets daarvan”, zei de regen: “Direct naar de schrijverstafel – u gaat niet langs af, en krijgt geen 200 gulden”.

Schrijverstafel

Omdat ik het lastig vind om te schrijven zonder drank, en om 10 uur ‘s ochtends aan de pils gaan ook weer zo iets is, ben ik toen maar naar de gevangenis gegaan. Of beter gezegd: het gevangenismuseum. Want dat zit hier in Veenhuizen.

In het gevangenismuseum word je na aankoop van een kaartje (dat gratis was – museumjaarkaart), eerst een tijdje opgesloten.
“Ja kut, wat is dit?”, zei L. toen we na een druk op de toegangsknop werden ingesloten door een automatisch dichtschuivend hek en de lichten uitgingen.
“Dat is modern”, zei ik, “musea proberen tegenwoordig met hun tijd mee te gaan, en overal een experience van te maken.”
Er was een noodknop. Maar die hebben we niet ingedrukt.
5 minuten later, na vertoon van vage filmbeelden op de muren, ging er aan de andere kant een automatisch hek open.
Toen we daar doorheen liepen stuitten we op een groep bejaarden met een gids. De gids stond bij een radbraak-toestel en legde minitieus, met bijna sadistisch genoegen, uit hoe elk bot van een veroordeelde daarop werd gebroken, met 8 klappen, en hoe de 9e klap werd toegediend in de hartstreek, waarop de dood volgde.
Ik dacht altijd dat radbraken het uitrekken van mensen was, waarbij er werd gedraaid aan een rad, om je langzaam uit elkaar te trekken, zodat je bekende voordat je uit verschillende stukjes bestond. Maar dat bleek dan weer de pijnbank te zijn.
Ook stond er een schandpaal, waarbij je dus blijkbaar voor paal stond. Ik leerde een hoop over Nederlandse uitdrukkingen, dus wat dat betreft was ik nuttig bezig en hoefde ik me niet al te schuldig te voelen.

Na afloop van de museumtour dronk ik in het museumrestaurant een ‘Maallustbier’ – gebrouwen in Veenhuizen door ’25 zware jongens’ volgens het etiket. Ze waren menukaartsgewijs sowieso van de enigszins obligate woordspelerige geintjes met hun ‘boeiende broodjes’ en ‘moordmaaltijden’. L. twijfelde tussen een boeiend broodje ‘Kaas boven Kaas’, en een andere snack uit de vegetarische sectie ‘Vlees noch vis’.

Maallust

We keken het stampvolle restaurant rond. We zaten ten midden van louter grijze golf-publiek. Sommige groepen bejaarden hadden zwartwit gestreepte petjes op, gekocht in de museumshop.
“Als we later in het bejaardentehuis zitten moeten we misschien ook mee met dat soort uitjes”, zei ik.
“The horror”, zei L., “ik ga never nooit niet mee met groepsdingen.”
“Dan heb ik een onaangename verrassing voor je”, zei ik, en toonde de 2 kaartjes die ik had gekocht voor een aanvullende tour in de “Rode Pannen”, een echte gevangenis. Met een gids.
“Is dat met een gids?” vroeg L.
“Ja”, zei ik.
“Ik heb een hekel aan gidsen.”
“Ik ook”, zei ik, “maar ik wil het toch graag doen.”

We deden het.
“Ach, later lach je erom”, troostte ik L. terwijl we de gids volgden door de regen.
‘Later lach je erom’ is altijd een goeie tussen ons. Want dan moeten we altijd denken aan het cabaretnummer van Alex Klaassen en die vrouw van Dokter Ellen/Koefnoen, waarin ze een imitatie doen van Frans Bauer en Marianne Weber en zwaar effectbejagende tranentrekkende coupletten (over bijvoorbeeld jonge ongeneeslijk zieke kindertjes) afwisselen met het enorm misplaatste refrein: “Ach later lach je erom/achter de wolken schijnt de zon/kijk toch vooruit niet achterom/lachen is gezond.”

Door een sluis van hekken met erboven schuin geplaatst prikkeldraad liepen we de ‘Rode Pannen’-gevangenis in.
“Hier zat het grootste tuig van Nederland”, vertelde de gids, een forse blonde dame, “als je echt onhandelbaar was, dan kwam je hier terecht.”
“Waren ze er trots op om hier te zitten?” vroeg iemand.
“Jazeker”, zei de gids, “als je kon zeggen dat je hier had gezeten, stelde je wat voor in de criminele wereld.”
En de gids mijmerde voort: “ze hadden allemaal brede schouders, en waren beresterk. Als je hier binnenkwam moesten er wel 5 bewakers klaar staan, zoveel kracht hadden ze.”
Met een verliefde blik toonde ze de celdeur die het dichtst bij de ingang was: “kijk hier zie je de sporen nog van hoe ze tegen de deur hebben getrapt.”

“Bij ons gaat het net zo”, zei een meisje uit de groep. Ze was samen met haar moeder. Ze hadden onderweg naar de Rode Pannen de ene na de andere sigaret aangestoken. Nog meer dan ik.
“U bent ook werkzaam in het gevangeniswezen?” vroeg de gids.
“Jazeker”, zei het meisje, “ook in een heftige. Wij gebruiken ook altijd nog het scheurhemd.”
“In de isoleer?” vroeg de gids.
“Absoluut”, zei het meisje.
“Dat is inderdaad onverwoestbaar”, zei de gids, “maar ik dacht dat dat niet meer gebruikt werd, tegenwoordig.”
“Bij ons wel, het is bij ons heel heftig”.
De gids knikte. En ging voort met haar rondleiding richting de luchtplaats.
Het meisje en de moeder liepen de andere kant op. En inspecteerden de muren van het cellencomplex.
Iets met beroepsdeformatie, denk ik, ik weet het niet.

Op de luchtplaats liet de gids het gaas zien dat erboven was gespannen. “Toen we dat nog niet hadden”, zei ze, “gooiden dealers tennisballen vol met drugs de luchtplaats in, vandaar het gaas.”
“Creatief”, klonk het uit de groep.
“Ja, het zijn slimme jongens”, zei de gids, “geloof mij maar. Drugs verstoppen ze overal, van in hun anus t/m in vloeibare vorm doorslikken in een condoom, en dat er dan later in hun cel uitpoepen. Vandaar dat we ze na het luchten altijd een laxeertablet geven, en de ontlasting opvangen in een zeefje.”

Persoonlijk vond ik dat ver gaan. Als ik het zelf voor het zeggen zou hebben, zou ik denken: laat ze. Met hun tennisballen. Geen ze een eerlijke kans. Opsluiting is al erg genoeg. Daar moet je wel iets verzachtends te consumeren bij hebben, we zitten immers niet meer in de Middeleeuwen.
Ik bedoel, volgens mij zijn er weinig mensen, zoniet niemand, die als kind denkt: Weet je wat, ik ga later crimineel worden. Het is meestal pech of toeval. En slechte invloeden vaak, of hopeloze omstandigheden, maar nooit een diepgewortelde wens of droom.
En okay, als ze dan van het rechte pad afraken, kan misschien het terugbrengen daarop geen kwaad. Maar heb dan vooral dat voor ogen, en bepaal de beste koers daar naartoe. Straffen vind ik van secundair belang.

Maar dat ben ik. Ik ben weer thuis. Terug in de pastorie. En voel me pastoraal, geloof ik.
Hup Jezus, en zijn vergevingsgezindheid.

Pastoor Smits

Donderdag 30 mei 19.38

Vandaag heb ik een hunebed gezien. Je bent in Drenthe of je bent het niet. Hoewel ik niet zeker weet of het in Drenthe was. Ik verkeerde namelijk in Diever, de voormalige woonplaats van Hans Wiegel, destijds commissaris van de Koningin in Friesland. En ik neem aan dat je dan in Friesland moet wonen.
Anyway, het was aan de zuidkant van het Drents-Friese Wold, dus wat doet het ertoe, misschien is het gewoon Drenthe en Friesland tegelijk. Al dat gedoe met grenzen altijd.

Hunebed

De zwartwitgevlekte kat heeft haar zalm niet opgegeten. Ze was er nochtans wel, vannacht, maar wellicht is ze geschrokken van de voordeur die ik probeerde open te doen.
Toen ze weer in de vensterbank zat ging alles nog goed. Ze gaf kopjes aan het raam en keek ons verwachtingsvol aan.
“Dat is haar!” riep ik tegen L., en rende naar de keuken om de zalm uit de koelkast te vissen. Uit de glazenkast griste ik een schoteltje en drappeerde de zalm op een bedje van porselein. Als een gek rende ik met het schoteltje naar de voordeur en rukte die met een hoop gerammel bijkans uit zijn voegen in een poging het gerecht zo snel mogelijk aan de kat te serveren. Ik was vergeten dat ik hem op slot had gedaan. Toen ik uiteindelijk de sleutel omdraaide en naar buiten stapte was ze pleite.
En ze is blijkbaar niet meer teruggekomen.
Vanavond hopelijk een nieuwe kans.

Maar nu ga ik eerst asperges koken. Vers gestoken uit het Drenthse land.

Donderdag 30 mei 22.06

“Zelden zulke goeie asperges gegeten”, zei L., en zij kan het weten, want ze komt uit Limburg.

Het is onze laatste avond. Ze zijn snel gegaan, deze 4 dagen in het schrijvershuis. Ik zou willen dat ik niet hoefde te werken en hier een hele maand zou mogen zitten. Net zoals de andere schrijvers die dingen in het gastenboek hebben geschreven.
Er is een knakker die poseert bij zijn rode Mercedes aan de voordeur van de Pastorie, en die hier een theatervoorstelling heeft geschreven; ‘Opgesloten’. Mirjam B. (4 sterren in het Parool) heeft hier haar 4e roman ‘in de steigers gezet’. Ene Steven heeft een Bulgaars gitaarstuk gearrangeerd, Renske D. is “goed opgeschoten” met haar boek over vrijheid en democratie, Esther D. heeft een boek geleend van Tinie (van theeschenkerij ‘Zunneschien’ in Veenhuizen) waaruit ze inspiratie heeft opgedaan over de gezondheidszorg in de kolonie en Jaap de R. heeft een hoop gefilmd, waarbij “een ding rampzalig is mislukt: het vastleggen van de schoonheid en de grandeur van het Fochteloerveen. Er zijn nu eenmaal fenomenen waarin je je meerdere moet erkennen.”
En de initiatiefneemster van de hele onderneming/het schrijvershuisproject, de in Veenhuizen opgegroeide Mariet M., heeft er het non-fictie-boek ‘Koloniekak – leven in een gevangenisdorp’ voltooid.

En dan heb je nog Bob H. Met de meest cryptische bijdrage in het gastenboek. Hij bedient zich veelvuldig van tussen aanhalingstekensgebaren. Zijn eerste zin luidt: De pin in de badkamer was tanig – toen al – maar toch “doorvoed”, de weken daarna “teerde” hij in en dijde mijn manuscript uit, maar nu is de pin “uitgemergeld”, zelfs een vorm van dood.

Poezie waar u U tegen zegt, meneer, niet dan?

L. wijst me er net op dat er waarschijnlijk ‘spin’ staat i.p.v. ‘pin’.
Schrijvers en handschriften, het is geen gelukkige combinatie.
“Kut”, zeg ik, “hij bedoelt gewoon Franciscus!”
Want zo noemden wij onze huisspin deze week.
“Waarschijnlijk wel”, zegt L.
“Wat jammer”, zeg ik.
Met Franciscus valt weinig te beleven. Bij die pin daarentegen had ik reeds allerlei verhalen verzonnen, mijn hersens in het wildeweg stevig laten extrapoleren op de minieme gegevens.

Ik dacht eerlijk gezegd dat het over zijn lul ging.
Note to self: Tijdens het schrijven niet te veel uitleggen.

Het is inmiddels 23.41. De kat is niet meer geweest. Misschien komt ze nog. Maar ik ga eerst een stukje schrijven in het gastenboek.

Hoi Mariet,

Wat geweldig dat je dit voor elkaar hebt gekregen, een schrijvershuis in Veenhuizen. Volgens mij ga je hier veel mensen enorm gelukkig mee maken. Een unieke omgeving in al zijn voegen en kieren, boordevol verhalen en grond voor fantasie.
Het oude Veenhuizen is een te koesteren monument. Ik ben een nostalgicus, ik kreeg al bijkans tranen in mijn ogen toen ik het toegangsbordje passeerde, opgetrokken uit steen, en was verkocht bij de bushalte hier om de hoek, van hetzelfde materiaal.
En dan de pastorie, ik kon toen we er voorbij reden niet geloven dat wij daar mochten gaan zitten. Dat kapitale pand met die oprijlaan, ik dacht: Dat kan het niet wezen.
Maar het was het wel.
De ruimte binnen was immens. Niet normaal. Wow. Mijn vriendin en ik werden er een beetje het tegenovergestelde van claustrofobisch van (wij komen uit Amsterdam, van etages van 50 m2) en waren elkaar de hele tijd kwijt.
En schrokken ons te pletter als we elkaar dan plotseling weer tegenkwamen (WHAAA!)

We hebben heerlijk kunnen werken. En zijn helemaal afgekickt van TV en wifi. Daarnaast hebben we prachtige uitstapjes gemaakt in de omgeving. Het Fochteloerveen uiteraard, het Aekingerzand/de ‘Kale Duinen’ en niet te vergeten Veenhuizen zelf, met het Gevangenismuseum en het terras van Bitter en Zoet.

4 dagen is te kort om een roman te schrijven, maar inspiratie heb ik zeker opgedaan. Daarnaast heb ik een soort logboekje bijgehouden. Het is binnenkort na te lezen op mijn weblog (https://plukdenachtblog.wordpress.com).

Heel erg bedankt en misschien ooit tot ziens.

Groet!
plukdenacht en L.

Veenhuizen (1)

Veenhuizen toegang

Vorige week heb ik voor het eerst in mijn leven een midweek in een schrijvershuis mogen zitten. Over wat ik er dan precies geschreven heb ga ik niet te veel zeggen. Maar los daarvan heb ik in de nachtelijke uren een soort van logboekje bijgehouden over mijn/ons verblijf in de villa, die in zijn geheel tot onze beschikking stond.

Pastorie voor

Vandaag deel 1 in dezen. De maandag en de dinsdag.

Maandag 27 mei 2013 23.57

Vanmiddag, toen L. en ik bij de voordeur een terrasje hadden geimproviseerd van de schaarse meubelen die de voormalige pastorie biedt, vloog er een hommel naar binnen.
“We moeten de deuren dicht houden”, zei L.
“Te laat”, zei ik en liep terug het kapitale pand in.
De achtervolging was kansloos. Waarschijnlijk was ie naar de zolder gevlogen, 2 verdiepingen hoger, of erger nog, de vliering daarvan.
Of de kelder, dat kon ook.

Ik zit in een groot huis. Een heel groot huis. En dat is wennen voor een Amsterdammer. De keuken en de WC zitten nog om de hoek, maar voor de route naar de douche heb je bijna een landkaart nodig.
Googlemaps, hoor ik je zeggen. Forget it. Geen internet hier. Geen wifi, en zelfs 3G heeft er moeite mee.

Maar ik had het over de hommel. Hommels zijn mijn vrienden. Ze doen op zich niemand kwaad, van mij mocht ie ook gerust logeren. Een van de 8 leegstaande kamers betrekken en zijn ding doen. Wat doen hommels eigenlijk? Doen die ook iets met bloemetjes en honing? Of is dat louter en alleen voorbehouden aan bijen?.

Het lijkt mij in ieder geval niet dat hun voornaamste bezigheid is: 10 keer achter elkaar blind keihard tegen het raam aanvliegen, even uitpuffen, en dat dan nog 100 keer doen.

Want dat doet ie nu.

In een poging te ontdekken wat hommels nu eigenlijk van zinnens zijn in het leven, heb ik getracht het raam open te schuiven, zoals je dat doet in Amsterdam. Maar dat gaat niet. Alles zit hier strak dichtgekit.
Waarschijnlijk uit zelfbescherming. Veenhuizen bestaat voornamelijk uit gevangenissen. Altijd al zo geweest. Sterker nog, voor 1984 mocht je hier niet eens wonen als je niet werkzaam was in een justitiele inrichting. Of een inrichting tout court. Want gekken zaten hier ook.
Dolle boel.

De hommel is intussen voor de 10.000e keer met zijn kop tegen de achterruit gevlogen. Hij wil naar de rododendrons, ik snap ‘m wel.
Maar het zit er niet in, vriend. Verkeerde tijd, verkeerde plaats. En ik kan je niet helpen.

De Rode Pannen

Bitter en Zoet

Dinsdag 28 mei 21.59

Het mooiste aan Veenhuizen vind ik de totaalademing van de goeie ouderwetse overheid.
Ik realiseer me dat in het huidige tijdsgewricht de gezaghebbende overheid een hoop aan populariteit heeft ingeboet. Iedereen lijkt zich bij de minste geringste publieke onderneming achter de oren te krabbelen en te denken: “moet ik daar nu werkelijk belastinggeld voor betalen?”
Ergens snap ik dat (de perikelen rond de invoering van de OV-chipkaart, het gedonder met de Fyra, het plaatsen van nutteloze rotondes, etc)
En toch. Toch word ik enorm gelukkig als ik hier in Veenhuizen de grandeur zie van de gebouwen die bijna Oostblok-achtig in het gelid staan. Als op een kazerne. In robuuste zwarte letters binnen eerlijke witte rechthoeken prijken namen als “Levenslust”, “Bitter en Zoet” en “Kennis en Macht”.
Dit alles ten midden van een overdaad aan groen, zodat de plaatselijke gedetineerden ook wat hebben te doen.

Gevangenisbus

Bushokje

De bushokjes zijn hier nog van graniet in plaats van plexiglas, en de eiken lijken zo oud als de geschiedenis. De straten zijn breed en leeg, de horeca beperkt, maar stijlvol, het voelt alsof je bijna een eeuw bent teruggeworpen. Wim Sonneveld zou hier met zijn aanklacht tegen de moderne tijd, “Tuinpad van mijn vader”, vierkant worden uitgelachen.
Kortom, Veenhuizen is het Mekka voor nostalgici zoals ik.

Ik zit zelf in de voormalige pastorie. Vlak naast de Rooms Katholieke kerk. Het is de bedoeling dat ik hier enorm ga schrijven. Het is namelijk inmiddels een schrijvershuis. En dankzij Esther D., de schrijfster die hier eigenlijk deze maand zit, maar hier niet altijd kan zijn, mag ik gratis een midweek bivakkeren.
Waarvoor enorm veel dank Esther, je weet niet half hoe gelukkig je me hiermee maakt.
Maar goed, schrijven dus.

Schrijven is een raar vak. Je kunt het niet plannen. Ik althans niet. Ik kan wel braaf een paar uur lang gaan zitten achter een laptop, en wat letters intikken, maar of ik ze goed genoeg vind om te laten staan is een tweede.
Soms wel, voor stukjes althans, of voor dagboek desnoods, maar vaak ook niet.
Van een roman is het in ieder geval totnutoe nooit gekomen.

Ik weet niet waar dat aan ligt. Misschien omdat ik het nooit belangrijk genoeg vind. Wat ik te melden heb, bedoel ik. Of wellicht vanwege wat Marsman ooit schreef in 1 van zijn ‘Drie autobiografische stukken’: Om ‘Naamloos en ongekend’ te blijven. Voor hem destijds een ideaal, maar onomkeerbaar gepasseerd station. Hij had er spijt van dat ie uberhaupt iets had gepubliceerd. “Ik had vrij kunnen zijn, een stil en opmerkelijk vreemdeling, naamloos en ongekend’, ik had los kunnen zijn van mijn verleden, onversteend, vloeiend. Ik had mezelf kunnen zijn.”

Terwijl ik deze letters intik, komt er buiten een kat op de vensterbank staan. Een zwart-wit-gevlekte. Ze mauwt.
Ik mauw terug.
Ze mauwt opnieuw, ter bevestiging van het contact.
Ik zeg: “ik kom zo”, en loop snel naar de keuken om een schoteltje melk klaar te maken. Deze onbekende kat wil ik graag aan me binden voor de midweek, want dit is een teken.

Ik denk aan gisteren. Toen ik voor het eerst de laptop openklapte om te gaan schrijven in de pastorie. Ik zat in de keuken en wist niks om in te tikken. Ik dacht aan Zorg/Philippe Dijan, de schrijver van Betty Blue (38.2 dans le matin). Die schreef ook alleen maar dagboek. Totdat ie Betty (briljant gespeeld door Beatrice Dalle, inmiddels gevallen actrice en vooral bekend vanwege haar kleptomanische neigingen) ontmoette.
Wat volgt is een heftige romance die een boek/film opleverde die alle bezoekersrecords onder studenten verpulverde (langstdraaiende film in Kriterion ooit; meer dan 100 weken geloof ik).
De film eindigt met Zorg die in de keuken zit boven een wit vel papier.
Er komt een kat voor het raam staan.
Die haalt ie aan.
Daarna schrijft ie het boek.

Dat vond ik mooi.

De kat heeft haar melk niet opgedronken. Maar ze zit er nog wel. Ze gluurt om de hoek.
Wordt vervolgd.

Keuken

Helden

Sorry lieve lezers, dat ik een tijdje niet heb geschreven. Maar mijn hoofd stond er niet naar. Vlak na de mooie dag op de tjalk is een goeie vriend van mij dodelijk verongelukt. 41 jaren jong.
Ik ben er kapot van.
Graag zou ik nu een mooi requiem voor hem schrijven, maar ik kan nog steeds de woorden niet vinden die hij verdient. Daarvoor is het allemaal nog te vers.
En onwerkelijk vooral.

Enfin. Iets geheel anders dan maar. Uit mijn actuele leven geplukt.
Samen met een andere goede vriend, B., ben ik gisteren naar het Dasmag-literatuur-festival geweest. Dasmag staat voor Das Magazin, een literatuurtijdschrift, waarvan de redactie regelmatig intieme bijeenkomsten organiseert tussen een schrijver en een stuk of 20 lezers van zijn/haar recentste boek. Dit vindt doorgaans plaats in een afgescheiden gedeelte van een cafe, waarbij het idee is dat je de desbetreffende schrijver alles kunt vragen wat je wilt weten.
Het grote verschil met een doorsnee literair avondje met een schrijver in een willekeurige bibliotheek/boekhandel/evenementencentrum is die intieme setting. De schrijver zit niet als een halfgod op een podium met een slijmerige interviewer aan zijn zijde, maar gewoon op een stoeltje in de kring van lezers. Er wordt een voorstelrondje gedaan, en vervolgens is het vragen en babbelen maar, met een hoop drank en gezelligheid.

Zelf heb ik pakweg een half jaar geleden zo’n avondje meegemaakt in het bovengedeelte van cafe Cox met 1 van mijn favoriete hedendaagse Nederlandse schrijvers, Alex Boogers.
Vantevoren had ik zo’n 23 vragen verzonnen, en verdomd, ik heb ze allemaal kunnen stellen. En hij heeft ze nog allemaal beantwoord op de koop toe. Bovendien heeft ie na afloop zijn complete oeuvre voor me gesigneerd, en in de eerste die ik ooit van ‘m kocht, ‘Het sterkste meisje van de wereld’ een paginalange toevoeging geschreven achter de standaardopening “Voor Sven, die…”
Het was geweldig.

Het Dasmag-festival van gisteren was iets uitgebreider van opzet. Namelijk dat soort avondjes x 30 (schrijvers/locaties). Met een aansluitende gemeenschappelijke afterparty in de Melkweg.

Er was ook een hoofdgast van het festival. Namelijk de Vlaamse schrijver Herman Brusselmans.
Herman Brusselmans. Welke jongen van mijn generatie is er niet volwassen mee geworden, zou ik bijna zeggen. Het eerste boek dat ik ooit van ‘m las (“Heden ben ik nuchter”) kreeg ik van eerdergenoemde (studie)vriend B. Dezelfde jongen die mij bekend maakte met het werk van Charles Bukowski en Hunter S. Thompson. Een jongen met een goeie smaak kortom, en na die eerste Brusselmans was ik direct verkocht. Ik kocht jarenlang elk boek dat van ‘m uitkwam en op een gegeven ogenblik was het zelfs zo erg dat ik net als Brusselmans het liefste Jupilerbier dronk en enkel nog maar sigaretten rookte van het merk L&M.
In die jaren kon je me gerust een groupie noemen. Ik weet niet of vriend B. zichzelf zo kwalificeerde, maar feit is wel dat er op B.’s studentenkamer een enorme foto van de man op de schouw stond, en dat hij ooit is afgetogen naar Gent om Herman uitgebreid aan een persoonlijk interview te onderwerpen.

Dus toen ik een paar maanden geleden de aankondiging zag voor het Dasmag-festival, met HB als hoofdgast, dacht ik direct: Vriend B. mailen.

En meteen erachteraan dacht ik: of toch maar niet? Want, en dat gebiedt de eerlijkheid te zeggen, vriend B. en ik waren ons op een gegeven moment, na het zoveelste boek van Brusselmans, achter de oren gaan krabbelen. De boeken uit zijn Brusselse periode waren geweldig geweest, de Ex-trilogie ook niet slecht, en toegegeven, de Guggenheimerboeken ergens nog wel geinig, maar veel van wat daarna kwam was te flauw voor woorden. Zijn boeken leken steeds onoperechter (voorheen een van zijn sterkste punten), gemakzuchtiger en ongeinspireerder te lijken.
We kochten ze ook niet meer. Laat staan dat we ze nog lazen.
En we waren niet de enigen. Ik hoorde het meer bij generatiegenoten. Toen dichter E.T. uit Eindhoven bij mij logeerde en mijn boekenkast bekeek, zag ie de halve meter Brusselmansen. Met zijn wijsvinger ging ie langs de ruggen.
“Ah”, zei ie, “je bent op precies hetzelfde moment gestopt als ik. Toen Brusselmans is gekapt met drinken.”

Toch deed ik het mailtje naar vriend B. de deur uit. Ik ben gek op nostalgie. En los daarvan, zijn boeken mogen dan misschien tegenwoordig kut zijn, Herman Brusselmans is in het openbaar nog altijd ontegenzeggelijk geestig.

En vriend B. wilde for ol’ time sake wel mee. Dus kregen we een maand geleden de nieuwste Brusselmans (“Mogelijke memoires”) thuisgezonden.
Het boek had een flink aantal sterren in de boekenbijlage van het Parool gekregen, dus ik had goede hoop dat HB zich herpakt had.
Het bleek niet het geval.
350 pagina’s, waarvan verspreid zo’n 60 sterk, en de resterende 290 om heel erg snel over te slaan en zo snel mogelijk te vergeten, wegens zouteloze onzinnigheid, die te gemakzuchtig was om grappig te worden.

Een week geleden kregen we van de redactie van Dasmag een mailtje om een vraag door te sturen voor HB. Omdat HB de hoofdgast was, zouden er in de zaal niet 20, doch welliefst zo’n 100 mensen zitten. De beste ingezonden vragen zouden worden geselecteerd.

“Weet jij een goeie vraag?”mailde B., en erachteraan schreef ie “Zou de vraag ‘waarom schrijf je tegenwoordig zulke matige boeken?’ geschikt zijn? ;-)”.

Nee, natuurlijk was dat geen geschikte vraag. Dat snapten we allebei.
En toch heb ik hem met mijn dronken kop gemaild. Niet in die directe bewoordingen, maar in verkapte vorm. Ik mailde naar Dasmag de volgende vraag aan HB: “Zou je er, literair gezien, niet beter aan doen om weer te gaan drinken?”

Pure projectie uiteraard. Maar dat terzijde. Ik dacht: die vraag wordt toch niet geselecteerd.

Gisteren zat ik met B. in een volle bovenzaal van de Melkweg. Op het podium zat Herman Brusselmans. Met een slijmerige interviewer aan zijn zijde.
Er was gekozen voor een Zomergastenachtige opzet. Herman Brusselmans had fragmenten uitgekozen en die werden op een scherm vertoond. Aan de hand van de fragmenten voerde de interviewer het gesprek. Tussendoor was er afentoe tijd voor een geselecteerde vraag uit het publiek, die min of meer verband hield met het vertoonde fragment.

Voorbij kwamen o.a. fragmenten van Gerard Reve bij Adriaan van Dis (HB is erg beinvloed door Gerard Reve, en gebruikt bijvoorbeeld nog altijd consequent het woord ‘weder’ in plaats van ‘weer’) en Hans Teeuwen (over dat ie de koningin in haar reet neukt – HB heeft het niet zo op koningshuizen).
De geselecteerde vragen uit het publiek waren schaars.
Toch kreeg plotseling vriend B. een microfoon in zijn klauwen gedouwd. Zijn vraag was geselecteerd, en het was de bedoeling dat ie dan persoonlijk zou stellen. B. had een vraag ingezonden over de oorzaak van de angsten van HB. En iets van dat dat ‘het leven zelf’ is natuurlijk, maar waarom die angst bij HB zo groot was dat ze alleen met behulp van pillen te bedwingen waren.
Het was een beschaafde vraag. Waarop een beschaafd antwoord volgde.

Ik zat ‘m ondertussen te knijpen. Ik realiseerde me ineens dat ik ook wel eens een microfoon in mijn poten geduwd zou kunnen krijgen.
The horror.

In de pauze bestelde ik een dubbele pils.

Na de pauze werd er een fragment vertoond van Bukowski. Waarin ie tijdens de opnames van de film ‘Barfly’ eventjes enorm agressief doet tegen zijn vrouw. Voor HB was Bukowski daarmee van zijn voetstuk gevallen.
“Zo zie je maar weer wat drank kan doen”, zei HB.
“Precies”, zei de presentator, “en dan komt er nu weer een geselecteerde vraag uit het publiek. Sven A., waar zit je?”
Godverdomme, dacht ik, op een ongelukkiger moment kan dit niet gebeuren.
Toch moest ik ‘m stellen. Die op dat ogenblik zwaar misplaatste, enigszins achterhaalde kutvraag.
Ik accepteerde de microfoon van de blonde Dasmag-assistente die 4 tribunerijen naar boven was gesneld, en zei in het ding tegen de presentator: “Ja fuck, ik snap waarom je nu mijn vraag wilt horen, qua fragment, maar hij is daarmee eigenlijk al beantwoord, dus laat ik ‘m reframen.”
Zowel de presentator als HB fronsten hun wenkbrauwen. En het aanwezige publiek waarschijnlijk ook.
Ik stelde mijn oorspronkelijke vraag: “Zou je er, literair gezien, niet beter aan doen om weer te gaan drinken?” en zei er achteraan: “wat ik bedoel, ik lees je al vanaf het begin af aan, en het valt me op dat je in je vroegere boeken 80% oprecht bent, en 20% onzin verkoopt, maar dat dat sinds je bent gestopt met drinken andersom is.”

Er viel voor een kort moment een ongemakkelijke stilte.

“Dat ben ik niet met je eens”, zei HB vervolgens, “weet jij wanneer ik ben gestopt met drinken?”
“Dat weet iedereen”, antwoordde ik, “dat is sinds 1992, toen je moeder is overleden.”
Fuck dacht ik, dit is niet de bedoeling, ik wil niet dat HB zich ongemakkelijk gaat voelen, niet door mij.
Daarvoor vind ik hem te aardig.
Gelukkig heb ik daarna mijn bek gehouden.
En HB lulde er zich goddank min of meer uit.

Na afloop stond ik buiten te roken.
Er kwamen een paar jongere jongens naast me staan.
Ook rokers.
“Goed dat je die vraag stelde”, zei er eentje tegen me.
“Vind je?” vroeg ik.
“Ja man, je was de enige met een kritische vraag, man. Dat had ik meer willen horen.”
“Ja?”
“Ja man, die interviewer, wat een slijmgast was dat, man!
“Ken je het werk van HB goed?” vroeg ik.
“Niet zo, maar een beetje, ik heb er wel 2 of 3 gelezen ofzo, man.”

Ik weet niet wat er toen precies gebeurde. Maar het komt er op neer dat ik enorm spijt had van mijn kritische vraag.
Ik moest denken aan het einde van het interview.
Herman Brusselmans had het daarin over levensdrang. Die was bij hem, ondanks zijn impotentie (oprechtheid!) en verzwakte longen enorm. Sterker nog, hij verklaarde dat als hij moest kiezen tussen in alle gezondheid op je 60e sterven, of op je 90e na 20 jaar ellendig ziekbed de pijp uitgaan, zou opteren voor het laatste. En nooit, hij herhaalde nooit, zou hij zelfmoord plegen.
Zelfmoord vond ie iets voor de jeugd. Hij nam het ze allemaal wel kwalijk, o.a. die hele club van 27 (Amy, Kurt, Jim, Jimi en Janis et al), want zo zonde, maar hij begreep het op zich wel. Dat als je jong bent en je voelt jezelf kut en je ziet een touw, dat je dan denkt: laat ik daar mijn kop insteken. “Ik hang mezelf op, en dan zien we daarna wel weer verder.”

Briljante oneliner. Raker en poetischer kun je de puberteit niet verwoorden.

Niks gevallen held.

Gewoon nog: Held.

Tjalk

Dit weekend ben ik wezen zeilen. Mijn tante was namelijk 12,5 jaar getrouwd en dat vierde ze op een tjalk. Samen met haar man uiteraard, maar ook met nog pakweg 50 andere mensen, waaronder ikzelve.

Vooraf had ik gemengde gevoelens. Dat kwam door het volgende: De laatste keer dat ik op een tjalk had gezeten was zo’n 25 jaar geleden, tijdens het introductieweek van de Vrije Universiteit. Het was destijds 30 graden en er was op de hele tjalk geen schaduw te bekennen. Ook niet achter de zeilen, want die waren niet gehesen. Er stond namelijk geen wind. Voorts was er geen toilet aan boord, en ook geen eten en drinken, en over boord springen om een duikje te nemen in het Ij was ten strengste verboden.
Het was een hel.
Ik en mijn introductie-genoten werden levend gefrituurd op het dek, we verrekten van de honger, en de dorst vooral, en de schipper vertikte het 4 uur lang om onderweg ergens aan te meren.
Toen we terug in Amsterdam eindelijk van boord mochten was het programmatechnisch de bedoeling dat we direct door zouden gaan naar het Anne Frank huis, maar dat hebben we geskipt. Ten eerste omdat de Prinsengracht veel langer bleek dan onze mentor had bevroed, maar vooral omdat we het nabij gelegen pannenkoekenhuis urgenter vonden. Onze mentor zei bovendien iets in de trant van dat Anne het ons niet kwalijk zou nemen, omdat die heel goed wist wat honger was of zoiets.

Maar goed, dit weekend opnieuw een tjalk dus. De ‘Selene’, heette de boot en hij zou zaterdagochtend om klokslag 11.00 vertrekken vanuit Monnickendam.
Het was nog even spannend geweest of er die dag wel gevaren kon worden, want vorige week lag de haven nog dicht vanwege kruiend ijs, maar uiteindelijk kon de zeiltocht van zaterdag gewoon doorgang vinden had mijn tante op de valreep rondgemaild.
Dus daar gingen we, met 50 man het schip in, op weg naar het ruime sop van de Gouwzee en het Ijsselmeer. Wat volgde was een compleet tegenovergestelde beleving van die van 25 jaar geleden.

Er was een grote kajuit, waar iedereen inpaste. Er stonden tafels, stoelen, gezellige bankjes met kussens, een bar(!), een open haard, er waren toiletten en toen we binnenkwamen stond er een uitgebreid koffiebuffet uitgestald inclusief diverse taarten.
Wow, dacht ik, op deze manier wil ik ook wel zeeman worden.

Het werd daarna alleen nog maar beter. Buiten op het dek kon je prima in de zon zitten (het was circa 10 graden en er stond een matige wind) en al snel kregen we het eerste dorpje in zicht:

Volendam

Herken je het? Precies. Het dorp van het meisje waar ik een bescheiden deel van mijn jeugd verliefd op ben geweest (Annie Schilder). In Volendam werd net toevallig een wedstrijd sk├╗tsje silen gehouden.
Geinig.
Niet lang daarna gingen op het dek de eerste schotels met verse haring rond en mijn tante zei tegen mijn zusje en mij dat we gerust iets te drinken konden bestellen, want “de bar is zojuist geopend”.
Dat waren nog eens goede berichten. Binnen notime stonden mijn zusje en ik in de grotendeels verlaten kajuit en bestelden de eerste pilzen van de dag.

Ik had ‘m nodig want niet lang daarna zou ik samen met mijn oom en mijn nicht ‘zeemansliederen’ moeten spelen en zingen voor het voltallige publiek.

Wat zal ik er verder over vertellen? Dat ik in Marken voor het eerst in 2013 op een terras heb kunnen zitten zonder jas? Of dat ik voor het eerst van mijn leven “al die willen te kaap’ren varen” heb gezongen met gitaar?
Of zal ik maar gewoon volstaan met te zeggen dat het een mooie dag was.

Ja, laat ik dat doen.